moed, Hulda; heb vertrouwen. Ole Kamp is thans niet ver verwijderd meer.
Wij zullen hem bij zijne terugkomst beknorren, dat hij zoolang op zich
heeft laten wachten. Gij zult mij helpen, niet waar? En wij beiden
zullen een heel boos gezicht zetten."
Het had inmiddels opgehouden met regenen. Beiden verlieten de hut en
stapten het bergpad op, om naar de herberg terug te keeren. Zij maakten
daar nog al haast mede.
Onderweg zei Joël:
»A propos, zusjelief, ik vertrek morgenochtend weer. Morgenochtend heel
vroeg."
»Ge vertrekt weer?...."
»Ja, bij het krieken van den dag."
»Reeds vertrekken, broeder?"
»Het kan niet anders, Hulda. Toen ik het Hardangsche verliet, vernam ik
van een mijner makkers, dat een reiziger van het noorden over de hooge
bergvlakten van Rjukanfos zoude komen. Morgen zal hij reeds daar zijn."
»Welke reiziger is dat, Joël?"
»Dat weet ik niet, zusjelief. Ik ken zelfs zijn naam niet. Maar ik moet
noodzakelijk daar zijn, om hem naar Dal te begeleiden."
»Ga dan heen, vervul uwen plicht, als het niet anders zijn kan,"
antwoordde Hulda met een diepen zucht.
»Juist. Morgen bij het krieken van den dag zal ik mij op weg begeven."
Hulda zuchtte nogmaals.
»Bedroeft u dat, zusjelief?" vroeg de teerhartige broeder bezorgd.
»Ja, Joël," antwoordde het jonge meisje. »Ik ben veel ongeruster, als
gij mij verlaat.... al is het ook maar voor weinige uren."
»Welnu, ik zal je wat vertellen, Hulda."
»Wat dan, Joël?" vroeg zij met echt vrouwelijke nieuwsgierigheid. »Wat
dan?"
»Luister. Ik vertrek niet alleen."
»Niet alleen?"
»Neen."
»Wie vergezelt u dan?"
»Raad eens."
»Hoe zou ik dat kunnen raden?"
»Geeft gij het op?"
»Ja, ik geef het op. Raadsels kan ik niet oplossen, dat weet gij wel."
»Gij vroegt mij, wie mij zal vergezellen, nietwaar?"
»Ja, en dat vraag ik nog, Joël."
»Welnu, niemand anders dan gij zult mij vergezellen."
»Ik?"
»Ja, gij!"
»Maar...."
»Gij hebt afleiding noodig, en daarom neem ik u mede, Hulda."
»Dat is inderdaad eene goede gedachte van u, dierbare broeder."
»Niet waar?"
»Ongetwijfeld."
»Maar neemt gij het aan?"
»Voorzeker. Ik dank u wel, Joël."
VIII.
EENE ONTMOETING BIJ DEN WATERVAL.
Beiden verlieten den volgenden ochtend de herberg, nog voordat de
dageraad aan den hemel was.
Van Dal tot aan de beroemde watervallen bedraagt de afstand slechts
vijftien kilometer ongeveer, waarbij natuurlijk evenveel gerekend moet
worden om terug te keeren. Ware Joël alleen geweest, dan zou hij dat
slechts voor eene wat te ver uitgestrekte wandeling gehouden hebben.
Maar Hulda vergezelde hem, en hij mocht niet te veel van de krachten van
het tengere meisje vergen.
Joël had bijgevolg het karretje van den onderbaas Lengling gehuurd.
Dat voertuig had evenals alle Scandinavische karretjes slechts ééne
zitplaats. Het is waar, dat de eigenaar van dat ding zoo dik was en
zoo'n omvang had, dat men genoodzaakt geweest was een rijtuig te
vervaardigen, waarin hij paste. Dat kwam nu goed, want zooals het
karretje thans ingericht was, bestond er ruimte genoeg om Hulda en Joël,
naast elkander gezeten, te kunnen bevatten. Als men dus de aangekondigde
reiziger te Rjukanfos aantrof, dan kon hij de plaats van Joël innemen,
die alsdan te voet naar Dal zoude wederkeeren, of op het plankje achter
de rijtuigkast gaan zitten. Dat zou dus geen hinderpalen opleveren.
Het uitzicht van Dal op de watervallen is inderdaad bekoorlijk; maar de
weg daarheen uiterst hobbelig. Ternauwernood vierkant bekapte balken
overbrugden de talrijke aan de Maanrivier schatplichtige beekjes en
bergstroompjes en vormden op afstanden van hoogstens tweehonderd passen
van elkander even talrijke vonders, die de reis niet tot de aangenaamste
maakten. Maar de Noorweegsche paarden hebben een stevigen gang en zijn
aan die hobbelige vonders gewoon. Wel is waar bezit zoo'n karretje
geene veeren, maar de lange disselboomen, die nog al veerkrachtig zijn,
brengen het hunne er toe bij, om de schokken, door de oneffenheden van
den weg veroorzaakt, eenigermate te temperen.
Het weer was fraai en broeder en zuster reden in vluggen stap langs de
groenende weilanden, die ter linkerzijde door het helder water van de
Maanrivier begrensd waren. Eenige duizenden berkeboomen verleenden hier
en daar hunne schaduw aan den weg, dien zij vroolijker deden schijnen,
terwijl zij het te schelle zonlicht voldoende temperden. De nachtelijke
nevel sloeg als dauw neder en versierde de uiteinden der grassprieten en
bladeren met heldere droppels, die onder de zonnestralen al de kleuren
van den regenboog vertoonden en als diamanten van het helderste water
flonkerden. Ter rechterzijde van den bergstroom ontwaarde men op de
bovenste hellingen en toppen van den Gousta uitgestrekte sneeuwvelden,
ter hoogte van twee duizend meter boven de oppervlakte der zee, die eene
schitterende uitstraling van licht veroorzaakten.
Het karretje reed gedurende een uur ongeveer vrij vlug vooruit. Het
terrein klom nog slechts onmerkbaar, daar de helling flauw was. Maar,
weldra vernauwde zich het dal. De beekjes en stroompjes, die van
weerszijden van de hoogte afdaalden, veranderden weldra in ontembare
stortvloeden. Hoewel de weg zeer veel slingeringen beschreef, kon hij
toch niet al de steilten van den bodem vermijden. Enkele gedeelten waren
dus zeer moeielijk te passeeren, maar dank zij Joëls behendigheid kwam
men die zwarigheden zonder ongeval te boven. Daarenboven bij hem vreesde
zijne zuster Hulda hoegenaamd niets. Wanneer de schok, die het karretje
onderging te sterk was, dan klemde zij zich aan zijn arm vast. De
frischheid van de morgenkoelte kleurde thans hare wangen, die anders
sedert eenigen tijd ten gevolge van hare bekommeringen, bleek zagen. Zoo
zag zij er nu allerbekoorlijkst uit.
Zij moesten evenwel nog meer stijgen, om de bedoelde plek, die nog
al hoog lag, te bereiken. Het dal was thans zoo nauw geworden, dat
het slechts doortocht aan de Maanrivier tusschen twee steil opgaande
rotswanden verleende. Op de naburige bergvlakten waren een twintigtal
woningen te ontwaren. Dat waren eigenlijk bouwvallen van soeters of
van »gaards", die niet meer onderhouden werden; verder waren het
herdershutten, die verscholen lagen tusschen groepen van beuke- en
berkeboomen.
Het was evenwel onmogelijk de rivier zelve te bespeuren, maar men hoorde
hare golven klotsen en loeien in haar rotsachtig keurslijf en over hare
hobbelige bedding. De landstreek had een grootsch en tegelijkertijd een
woest uiterlijk aangenomen, nu ze daar zoo door dat rotsachtige ravijn
en die hooge bergtoppen omlijst werd. Men bevond zich dan ook in het
bergachtigste gedeelte van het Scandinavische schiereiland.
Na twee uren rijdens ontwaarden de reizigers een houtzaagmolen, die op
den oever van een vijftienhonderd voet hoogen waterval gelegen was. De
vallende waterkolom werd als beweegkracht gebezigd, om het dubbele rad
van dien molen in werking te brengen. Watervallen van die hoogte zijn
geenszins zeldzaam in het Vestfjorddal, maar de hoeveelheid van hun
water of liever de omvang hunner waterkolom is niet zoo aanzienlijk.
Daarin worden zij door dien van Rjukanfos verre overtroffen. Die brengt
een machtigen straal voort, welke met donderend geluid in de diepte
nederploft.
Toen Hulda en Joël bij den houtzaagmolen aangekomen waren, stapten zij
uit het karretje.
»Een wandeling van een half uur zal u toch niet te zeer vermoeien,
zusjelief," vroeg Joël.
»Neen, broeder," antwoordde het jonge meisje.
»Inderdaad niet?"
»Neen, ik gevoel mij niets vermoeid, en ik geloof dat eene kleine
wandeling mij goed zal doen."
»Eene kleine?..." hernam Joël. »Drommels, zeg maar eene groote en
daarbij altijd stijgende!..."
»Welnu, broertje, mij zal de steun van uwen arm niet ontbreken, niet
waar?"
»Zeker niet, Hulda."
Daar aangekomen, had men inderdaad het karretje moeten verlaten. Dat
voertuig zou niet hebben kunnen voortkomen langs die steile wegen, door
die enge bergpassen, langs die met rotsen als bezaaide hellingen, welker
uiterst grillige omtrekken, hetzij geheel kaal, hetzij door hoog
geboomte beschaduwd, de nabijheid van den machtigen waterval
aankondigden.
Reeds verhief zich eene nevelzuil in 't blauwachtig verschiet. Dat waren
de tot fijn stof verdeelde wateren der Rjukan, en de spiralen van die
wolk, welke op den bodem scheen te rusten, ontwikkelden zich tot op eene
zeer aanzienlijke hoogte.
Hulda en Joël sloegen een smal pad in, dat den laatste als berggids wel
bekend was, en dat naar het nauwste gedeelte van het dal voerde. Men
moest tusschen boomstammen en struiken doorsluipen. Eenige oogenblikken
later waren beiden gezeten op eene rots, die met een geelachtig mos
bekleed en vlak tegenover den waterval gelegen was. Van dien kant was
het onmogelijk het prachtige natuurtafereel dichter te naderen.
Daar zouden broeder en zuster zeer moeilijk elkander hebben kunnen
verstaan, wanneer zij hadden willen praten. Maar, daartoe gevoelden zij
hoegenaamd geen aandrang. Hunne gedachten behoorden toen tot dezulken,
die niet door het prevelen der lippen, maar alleen door het hart kunnen
medegedeeld worden.
De voortschietende waterkolom der Rjukan is eene machtige, en de hoogte
van den val zeer aanzienlijk. Het donderend geluid, dat zich hooren
doet, is grootsch. De vaste bodem ontglipt plotseling aan de bedding der
Maan-rivier, tusschen het meer Mjös bovenstrooms en het Tinnermeer
benedenstrooms, zoodat de watermassa van eene hoogte van negenhonderd
voet naar beneden stort.
Negenhonderd voet!... dat is zesmaal de hoogte van den Niagara-val,
welks breedte wel is waar drie mijlen bedraagt van den Amerikaanschen
naar den Canadaschen oever.
Hier vertoont de Rjukanfos indrukwekkende tafereelen, die moeielijk met
de pen te beschrijven zijn. Het penseel zelfs zou onmachtig zijn een
volledigen indruk daarvan te geven. Er bestaan van die natuur-wonderen,
die men gezien moet hebben, om er de schoonheden van te vatten en te
begrijpen. Tot dezen behoort die Scandinavische waterval, die de
beroemdste mag heeten van het geheele vasteland.
En juist trachtte een toerist dat prachtige schouwspel in zich op te
nemen.
Hij zat op een rots op den hoogen linkeroever der Maan-rivier. Vandaar
had hij een ruim uitzicht op den Rjukanfos en was daar den waterval het
dichtste nabij, terwijl hij hem van uit de hoogte beheerschte.
[Illustratie: Na twee uur rijdens ontwaarden de reizigers een
houtzaagmolen. Blz. 71.]
Noch Joël, noch zijne zuster hadden hem bemerkt, hoewel hij op de
verhevenheid, waar hij zat, volkomen zichtbaar was. Evenwel niet
zoozeer door den afstand, als door een soort gezichtsbedrog, in
bergterreinen meermalen voorkomende, scheen hij zeer klein en bijgevolg
verder verwijderd dan hij werkelijk was.
De reiziger stond in dit oogenblik op en waagde zich zeer
onvoorzichtiglijk op de rotsachtige nok, die zich als een koepelvormig
gewelf naar den kant der Maan-rivier afrondde. Wat die nieuwsgierige
blijkbaar wilde bezichtigen waren twee grotten, in de rotsachtige wanden
van den Rjukanfos uitgehold, waarin aan den linkerkant de watermassa
wielde, kolkte en schuimde, terwijl de rechtsche geheel met een dichten
nevel van fijn waterstof vervuld was. Misschien trachtte hij te
onderzoeken of nog niet eene derde spelonk nog meer benedenwaarts,
zoowat ter halver hoogte van den waterval gelegen, aanwezig was.
Bestond die, dan zou daarin ongetwijfeld de verklaring te vinden
zijn, dat de Rjukan, na zich eerst in die grot gestort te hebben,
er uitsprong, terwijl hij met zekere regelmatig terugkeerende
tusschenpoozen het te veel aanwezige water donderend en klaterend
uitwierp. Soms zou men kunnen meenen, dat de wateren door de uitbarsting
eener mijn voortgeworpen werden, om dan de omliggende fjelds met fijnen
nevel te overdekken.
De toerist klom steeds voort over die steenachtige en glibberige nok,
die in vorm wel iets van een ezelsrug had. Bij dien tocht had hij geen
takje, geen worteleinde om zich aan vast te klemmen, geen struikje,
zelfs geen grasbosje van die soort, welke zoo veelvuldig in die streken
voorkomt en Pas van Marie of Maristiaan genoemd wordt.
De onvoorzichtige kende dus de legende niet, welke dien bergpas zoo
befaamd gemaakt heeft.
De Noor Eystein wilde eens langs dien gevaarlijken weg de schoone Marie,
het mooiste meisje van het Vestfjorddal, gaan bezoeken. Van den anderen
kant van den waterval strekte reeds zijne bekoorlijke bruid de armen
naar hem uit. Plotseling struikelde hij, verzwikte den voet, viel en
gleed naar beneden. Op die rotsen, welke zoo glad als een spiegel zijn,
was het onmogelijk zich tegen te houden. Hij verdween in de loeiende
kolken der Maan-rivier en nimmer heeft men het lijk van den ongelukkigen
minnaar weergevonden. Zijne bruid werd kort daarop krankzinnig ten
gevolge van den doorgestanen schrik.
Wat dien rampzaligen Eystein wedervaren was, zou dat nu ook, dien
vermetele, die zich daar zoo onvoorzichtig op de hellingen van den
Rjukanfos waagde, overkomen?
Dat was werkelijk te vreezen.
En inderdaad, toen hij het gevaar bemerkte, was het reeds te laat.
Eensklaps ontweek het steunpunt, waarop hij vertrouwde, zijn voet. Hij
viel, slaakte een kreet en rolde over een afstand van een twintigtal
passen voort naar beneden, en ternauwernood kon hij zich aan een
uitstekende rotspunt vastklemmen. Het was waarlijk tijd; want hij lag
reeds op den rand van den afgrond. Nog een paar passen, dan ware hij
voorzeker in de diepte verdwenen.
Hulda en Joël hadden hem nog niet ontwaard; maar zij hadden toch zijn
kreet gehoord.
»Wat is dat toch?" vroeg Joël; terwijl hij overhaast opsprong. »Wat heb
ik gehoord?"
»Een kreet!" antwoordde Hulda.
»Ja!...."
»Ongetwijfeld!"
»En nog wel een noodkreet!"
»Dat meen ik ook."
»Maar, van welken kant."
»Dat weet ik ook niet."
»Het was alsof het van den overkant klonk."
»Dat docht mij ook."
»Laten wij luisteren!"
Beiden keken rechts en links naar den kant van den waterval uit; maar
zij konden niets bespeuren.
Zij hadden toch zeer duidelijk de woorden: hulp!.... hulp!.... tusschen
de regelmatige tusschenpoozen van het geloei van den Rjukanfos, die
ongeveer eene minuut duren, gehoord. Daarin konden zij zich alle twee
niet vergissen. Die kreet klonk hen nog in de ooren.
Zij luisterden...., luisterden....; en plotseling.... ja, daar werd de
kreet herhaald.
»Joël!" riep Hulda zenuwachtig en opgewonden uit. »Er is een reiziger in
gevaar...."
»Ja, zeker," antwoordde Joël; »daar ben ik ook overtuigd van.
Luister.... daar roept hij weer."
»Wij moeten hem te hulp ijlen. Kom, voort, voort, broeder!" sprak het
meisje gejaagd.
»Ja, zusjelief, en hij is niet ver van ons verwijderd."
»Juist. Kom dan toch. Vooruit."
»Jawel; maar naar welken kant?"
»Naar welken kant?...."
»Waar is hij?.... Ik zie inderdaad niets."
Hulda vloog de helling op, die zich achter de rots, waarop zij een
oogenblik te voren gezeten hadden, uitstrekte. Zij klemde zich daarbij
vast aan de magere grasstruikjes, die den oever aan dezen kant der
Maan-rivier bekleeden.
»Joël!" riep zij eindelijk, toen zij de bovennok dier helling bereikt
had. »Joël!"
»Wat is er?" vroeg de broeder, die zich op zijne beurt naar boven
haastte.
»Joël!" riep andermaal het jonge meisje. »Joël, kom dan toch, gauw!"
»Ziet ge iets?...." vroeg hij, toen hij boven gekomen was en naast haar
stond.
»Daar!.... Daar!...."
En Hulda wees naar den vermetele, die bijna boven den vreeselijken
afgrond hing.
»Daar!.... Daar!...."
Wanneer zijn voet, waarmede hij zich tegen een uitstekend gedeelte van
de rotsachtige helling steunde, uitgleed; wanneer die steun van het
verweerde gesteente afbrokkelde; wanneer hij nog een weinig naar beneden
schoof; wanneer eene duizeling hem aangreep en hij in bewusteloozen
toestand de handen losliet, o! dan was hij ongetwijfeld verloren!
»Wij moeten hem redden!" kreet Hulda in de grootste overspanning. »Wij
zullen hem redden!"
»Ja, dat moeten en dat zullen wij!" antwoordde Joël. »Met veel
koelbloedigheid zal het ons wel gelukken in zijne nabijheid te komen.
Maar, ik heb alvorens u nog iets te vragen."
»Kom, kom dan toch," smeekte het jonge meisje in de hevigste
opgewondenheid.
»Ja wel;.... maar dat gaat zoo maar niet. Laat mij begaan, zuster."
Joël stootte toen een doordringenden en langgerekten schreeuw uit. Die
werd door den ongelukkigen reiziger blijkbaar gehoord; want hij keerde
het hoofd naar den kant vanwaar het geluid kwam.
Toen bedacht de koene berggids gedurende eenige oogenblikken, wat
terstond verricht moest worden, om den rampzalige op de veiligste wijze
aan dat vreeselijke gevaar te ontrukken. Eindelijk scheen hij gevonden
te hebben, wat hij zocht.
»Hulda...." sprak hij aarzelend.
»Wat wilt ge zeggen, broeder. Kom, spreek gauw," antwoordde hem het
jonge meisje gejaagd.
»Gij zijt toch niet vreesachtig, Hulda?"
»Neen, Joël. Wees gerust."
»Gij kent den Maristiaan-pas wel, niet waar?"
»Ja, ik ben er verscheidene malen overgetrokken en nimmer heeft mij het
hart daarbij sneller geklopt dan gewoonlijk."
»Dat is gelukkig."
»Wat wilt ge zeggen, Joël?"
»Welnu, klim langs de bergnok naar boven en tracht den reiziger zoo
dichtbij mogelijk te naderen. Laat u dan zachtkens tot bij hem
afglijden. Als gij bij hem aangekomen zijt, grijp hem dan bij de hand;
maar houd die stevig en onwrikbaar vast."
[Illustratie: Eenige oogenblikken later waren ze beiden gezeten op eene
rots. Blz. 72.]
»Wees gerust, broeder," zei het jonge meisje vast besloten. »Ik ben wel
maar eene vrouw, maar wij bergbewoners zijn niet van spierkracht
misdeeld. Dus nogmaals, wees gerust. Wat verder?"
»Zeg hem dan, dat hij nog niet pogen moet, om op te staan."
»Waarom niet, broeder?"
»Eene duizeling zou hem kunnen overvallen, hij zou onmachtig zijn zich
te weerhouden; hij zou u meesleepen en dan waart gij beiden verloren,
niet waar?"
»En gij, Joël, wat zult gij verrichten?"
»Ik zal, terwijl gij omhoogklimt, daar langs dien rotswrong naar den
kant der bedding van de Maan-rivier afklimmen."
»Maar dan, broeder?"
»Ik zal daar zoo ongeveer aangekomen zijn, wanneer gij hem bereikt zult
hebben."
»Jawel, maar wat dan?"
»Als gijlieden mocht uitglijden, dan zal ik wellicht in staat zijn, u te
weerhouden."
»Dat is alles goed en wel, maar wat dan, broeder? Wij kunnen toch daar
boven niet blijven."
»Meer kan ik u niet zeggen, zusjelief. Doe nu maar nauwkeurig en
zorgvuldig, wat ik u gezegd heb. Komaan, er is waarachtig geen tijd meer
te verliezen."
En zich naar den vreemdeling keerende, en van een oogenblik van
betrekkelijke stilte van het geloei van den Rjukanfos gebruik makende,
riep hij met forsche stem:
»Beweeg u niet, mijnheer!.... Klem u goed vast!.... Nog een oogenblik
geduld. Wij zullen het mogelijke beproeven, om bij u te komen. Geduld
dus en volmaakte onbeweeglijkheid!"
Hulda was reeds tusschen het lage struikgewas van de helling verdwenen
om af te klimmen naar de andere nok, naar die van den Maristiaan-pas.
Zij haastte zich blijkbaar zeer, om hare gevaarvolle taak te volbrengen.
Joël ontwaarde het moedige meisje weldra weder, toen zij bij het omslaan
van de laatste groep boomen weer even verscheen.
Hij van zijn kant daalde met groot levensgevaar langs de steile helling
van die ronde nok af, die den Rjukanfos omgeeft. Hij kroop, hij schoof,
hij sprong met bewonderenswaardige koelbloedigheid, met eene vastheid
van voet en van hand, die maar door zeer weinigen geëvenaard kon worden.
Maar, het was ook hoog noodig; want hij moest langs dien afgrond
afdalen, welks wanden, door de waterdeelen en door de nevelen van den
waterval nat gemaakt, zeer glibberig waren.
Evenwijdig met hem, maar een honderdtal voeten hooger, naderde Hulda;
terwijl zij daarbij schuinsrechts aanhield, om zoo gemakkelijker, met
minder gevaar, de plek te naderen, waar de reiziger onbeweeglijk ter
neer lag. In den toestand, waarin hij zich bevond, kon men zijn gelaat
niet zien, dat naar den kant van den waterval gekeerd was.
Toen Joël beneden hem aangekomen was, stond hij stil en, na den voet in
eene spleet der rots stevig vastgezet te hebben, keek hij naar boven.
»Hé!.... mijnheer!" riep hij.
De vreemdeling keerde het hoofd om.
»Hé!.... mijnheer!" riep Joël andermaal. »Maak geene beweging, geen
enkele, en houd u stevig vast."
»Wees gerust," antwoordde de reiziger op een toon, die Joël niets meer
deed vreezen. »Ik houd mij stevig vast, goede vriend! Als ik dat niet
gedaan had, dan lag ik al sedert een kwartier in het diepste gedeelte
van den Rjukanfos en de drommel zou er mij niet meer uithalen!"
»Mijne zuster zal tot bij u neerdalen," hernam Joël steeds schreeuwende.
»Zij zal u bij de hand grijpen, maar tracht niet u te bewegen, voordat
ik bij u ben. Tracht vooral niet op te staan."
»Ik zal stil als eene rots blijven liggen," riep de vreemdeling terug.
Hulda was reeds bezig, om aan haren kant af te dalen, waarbij zij de
minst glibberige gedeelten van de rotsachtige nok trachtte op te sporen.
Zij plaatste hare voeten in de spleten, alwaar zij een stevigen steun
vinden. Zij was kalm en bedaard en bleef helder van hoofd. Zij toonde
daardoor eene waardige dochter van het Telemarksche te zijn, een van die
onverschrokken kinderen der hooglanden, die gewoon zijn de hellingen der
hoogvlakten te bestijgen en af te dalen.
En zooals Joël den vreemdeling toegeroepen had, zoo deed zij thans ook.
»Houd u goed vast, mijnheer!"
»Ja wel, ja wel, ik zal me vasthouden, ten minste zoolang ik zal
kunnen."
»Nog wat geduld; ik kom bij u."
Zooals men ziet, ontbrak goede raad dien ongeluksvogel niet. Van boven
en van beneden werd hij tot hem gericht. Wat kon hij meer willen?
»Wees vooral niet bevreesd," riep Hulda.
»Neen, dat ben ik niet."
»En niet te ongeduldig zijn," riep Joël.
»Dat ben ik ook niet; maar drommels haast u!"
»Wij zullen u redden," riep de berggids.
»Ja, daarop reken ik; want bij Sint Olaf, mij zelven redden kan ik
niet."
Het was duidelijk als de dag, dat de reiziger zijne koelbloedigheid in
het geheel niet verloren had. Maar zijne armen en beenen hadden hem
ongetwijfeld na zijnen val verderen dienst geweigerd; machteloos als
zij waren. Thans kon hij niets anders doen dan zich vastklemmen aan
het uitstekende gedeelte der rots, die hem van den afgrond scheidde.
Intusschen daalde Hulda al meer en meer, en weinige oogenblikken later
was zij bij den vreemdeling aangekomen. Toen zij haren voet stevig tegen
eene oneffenheid der rots geplaatst had, greep zij zijne hand.
De reiziger poogde zijn lichaam een weinig op te tillen.
»Beweeg u niet, mijnheer!.... beweeg u niet...." zei Hulda verschrikt.
»Gij zoudt aan het glijden gaan en gij zoudt mij met u medesleepen, en
ik zou niet sterk genoeg zijn, om u tegen te houden! Wij moeten de komst
van mijn broeder afwachten. Als die tusschen u en de Rjukanfos
aangekomen zal zijn, dan zult gij kunnen pogen om op te staan."
»Op te staan, lieve moedige meid! Dat is gemakkelijker gezegd dan
gedaan, en ik vrees zelfs dat het zeer moeielijk zal gaan."
»Zoudt gij gekwetst zijn, mijnheer?"
»Hm!.... Gebroken heb ik niets, ook is niets uit het lid getrokken, of
verzwikt; maar ik geloof toch, dat ik eene vreeselijke ontvelling aan
het been heb."
»Als het niet anders is," antwoordde Hulda lachende, »dan zal het wel
losloopen."
Joël bevond zich toen ongeveer twintig voet beneden de plek, waar zich
Hulda en de reiziger bevonden.
De kromming van den weg had hem belet om rechtstreeks naar hen toe te
klimmen. Hij moest dus die afgeronde oppervlakte opstijgen, dat was het
moeielijkste en het gevaarlijkste. Inderdaad het leven was daarmede
gemoeid.
»Geene beweging maken, Hulda," riep hij voor de laatste maal. »Wanneer
gij beiden aan het glijden geraaktet, dan zou ik, daar ik nog geen goede
stelling ingenomen heb, onmogelijk u kunnen weerhouden en wij zouden
alle drie verloren zijn!"
»Vrees niets, Joël!" antwoordde Hulda. »Denk maar aan je zelven, en dat
God u met zijne hulp nabij zij!"
Joël begon, op zijn buik glijdende, naar boven te kruipen. Hij sleepte
zich als het ware en was genoodzaakt daarbij zijn lichaam in allerlei
bochten te wringen, zooals eene slang op dat gevaarlijke terrein zoude
doen. Twee of driemalen gevoelde hij, dat hem zijn steunpunt zou gaan
begeven. Maar eindelijk, dank zij zijne behendigheid, slaagde hij er in,
om tot bij den reiziger op te klimmen.