norscher dan daags te voren. Hij begon dadelijk, zonder iemand met een
groet te verwaardigen, te klagen over zijn bed, dat zoo hard was, en
over het leven in huis, waardoor hij ontijdig vroeg gewekt was. Hij
mompelde iets van beestenboel tusschen de tanden, tot groote
verontwaardiging der vrouwen.
Daarna opende hij de deur en keek naar het uitspansel, dat er niets
verkwikkelijk uitzag.
En inderdaad een scherpe wind gierde over de toppen van het
Gousta-gebergte, geheel achter dikke dampen en wolken verborgen, en joeg
huilend door het dal.
De reiziger waagde het niet, om naar buiten te treden; maar toch liet
hij geen tijd verloren gaan. Terwijl hij zijne pijp rookte en dikke
wolken uitblies, liep hij in de herberg rond en poogde de innerlijke
gesteldheid van het gebouw op te nemen. Hij trad de verschillende
vertrekken binnen, onderzocht het meubilair, opende de laden en kasten
alsof dit vanzelf sprak en hij in zijn eigen huis was. Men zoude gezegd
hebben, dat hij een rijks-taxateur was, die belast was met het
gerechtelijk inventariseeren van een inboedel.
Het viel niet te ontkennen dat het gedrag van den vreemdeling niet
alleen zonderling, maar bepaald verdacht was te noemen. De arme vrouwen
wisten waarlijk niet meer, wat zij van hem denken moesten. Zij huiverden
van angst.
Toen de man met zijn gesnuffel klaar was, keerde hij in de groote zaal
terug en nam plaats in den kolossalen leuningstoel. Toen richtte hij
kortaf en op ruwen toon eenige vragen tot vrouw Hansen:
Wanneer was de herberg gebouwd? En of zij het jaartal wist?
Was het haar man Harald, die de inrichting gebouwd had. Of had hij haar
door overerving verkregen?
Waren reeds herstellingen noodig geweest? En zoo ja, welke?
Hoe groot was de omvang van het erf en van de soeter, die er bij
behoorde?
Had de herberg eene goede klandisie en bracht zij veel op? Hoeveel wel
per jaar?
Hoeveel toeristen kwamen er gemiddeld gedurende het zomerseizoen?
Waren er bij, die meer dan een dag in de inrichting doorbrachten? En op
hoeveel van die soort kon men rekenen?
Daarbij bleef het evenwel niet. Hij deed nog meer vragen, te veel om
alle mede te deelen.
Blijkbaar had de reiziger nog geen kennis genomen van het
vreemdelingenboek, dat in zijne kamer op de tafel neergelegd was. Had
hij dat toch gedaan, dan had hij zijne laatste vragen waarschijnlijk
overbodig geacht.
Inderdaad het boek bevond zich nog op dezelfde plaats, waar Hulda het
daags te voren had nedergelegd en de naam van den reiziger was er nog
niet ingeschreven.
»Mijnheer," zei vrouw Hansen toen, »ik vat volstrekt niet, waarom gij
die vragen doet, en welk belang die zaken u kunnen inboezemen. Maar,
wanneer gij daaromtrent inlichtingen wenscht te verwerven, dan bestaat
daartoe een zeer gemakkelijk middel, namelijk het vreemdelingenboek te
raadplegen. Ik moet u tevens verzoeken, om uw naam er in te schrijven.
Dat wordt door de politie voorgeschreven en is een gebruik, dat..."
»Mijn naam?" vroeg de vreemdeling op uittartenden toon, terwijl hij
onaangenaam glimlachte.
»Ja, uw naam!" antwoordde vrouw Hansen geërgerd en vrij bits.
»Ja wel," hernam hij, »ik zal mijn naam invullen, vrouw Hansen, wees
gerust.... Maar, ik zal dat eerst doen, wanneer ik afscheid van u nemen
zal!"
»Moet uwe kamer voor u opengehouden worden?" vroeg de waardin.
»Dat is onnoodig," antwoordde de reiziger, terwijl hij uit den
leuningstoel opstond. »Ik wil dadelijk vertrekken na het ontbijt
gebruikt te hebben, om morgenavond te Drammen terug te kunnen zijn."
»Te Drammen?" hernam vrouw Hansen op vrij levendigen toon, terwijl zij
den vreemdeling aankeek.
»Ja, te Drammen! Wat zou dat overigens? Maar ik wil geen tijd verliezen,
laat derhalve het ontbijt brengen."
»Woont gij te Drammen?" vroeg de waardin, die Hulda een wenk gaf, om
dadelijk voor het ontbijt te zorgen.
»Ja, wat is daar bevreemdends in, dat ik te Drammen woon?"
Vrouw Hansen antwoordde op die vraag niet, maar staarde nadenkend voor
zich.
Dus die reiziger keerde, na ternauwernood een dag te Dal, of liever in
de herberg doorgebracht te hebben naar Drammen terug, zonder hoegenaamd
iets van de landstreek gezien te hebben! Hij wenschte het baljuwschap
niet verder in te trekken! Hij scheen zich niet in het minst om de
Gousta-toppen, om de Rjukanfos-hellingen, om de wonderen van het
Vestfjorddal te bekreunen!
Hij had dus Drammen niet voor zijn pleizier, maar voor zaken verlaten!
En.... hij scheen geen andere beweegreden gehad te hebben om hier te
komen, dan om het huis en have en goed van vrouw Hansen zoo nauwkeurig
mogelijk op te nemen!
Hulda zag wel, dat hare moeder zeer ontsteld was. Vrouw Hansen had
plaats genomen in den grooten leuningstoel. Een oogenblik trachtte zij
zich met spinnen te verstrooien; maar dat lukte niet. Zij stootte haar
spinnewiel driftig achteruit en bleef bewegingloos zitten, zonder een
enkel woord te spreken.
De reiziger was intusschen de eetzaal binnengetreden, waar hij aan de
tafel plaats genomen had.
Hij scheen evenwel niet beter tevreden te zijn over het ontbijt, dat
toch even zorgvuldig toebereid was als het middagmaal daags te voren. En
toch at en dronk hij goed zonder zich evenwel daarbij te overhaasten.
Hij liet niet na bij die gelegenheid zijne aandacht voornamelijk te
vestigen op de waarde van het zilverwerk, eene weelde waarop de
Noorweegsche landlieden zeer gesteld zijn. Bij zijn diner van den
vorigen dag had hij waarschijnlijk die bijzonderheid uit het oog
verloren. Nu woog hij op de hand de lepels en vorken, die op tafel
lagen, en die van vader op zoon overgegaan, bij de familiejuweelen
bewaard worden.
De skydskarl maakte zich intusschen onder de kleine loods tot vertrek
gereed, en het sloeg elf uur, toen het paard en de kariol voor de deur
der herberg klaarstonden.
De reiziger keek door het venster naar de lucht. Het weer zag er steeds
somber uit. Dikke wolken bedekten den hemel en joegen, voortgedreven
door een noordwestenwind, wild door het luchtruim. Soms kletterde eene
regenvlaag tegen de ruiten der vensters, alsof iemand er vermaak in
geschept had, met kracht handenvol erwten er tegen te werpen. De
reiziger evenwel, stevig in zijn mantel gehuld, die, zooals men weet,
behoorlijk met bont gevoerd was, scheen daar geen acht op te slaan of er
zich ten minste niet aan te storen.
Toen hij met zijn ontbijt klaar was, verorberde hij als afzakkertje nog
een glas brandewijn, stak zijne pijp aan, blies dikke wolken van
tabaksrook uit en sloeg toen zijn mantel om. Daarna begaf hij zich naar
de groote zaal en vroeg zijne rekening, steeds op onwellevenden ja
schier onbeschoften toon, zoo ongewoon in die streken vooral.
»Ik zal haar opmaken," antwoordde Hulda Hansen, die zich voor eene
kleine schrijflessenaar wilde nederzetten.
»Haast maken daarbij!" zeide de reiziger steeds nurksch en onbehouwen.
»En..." ging hij voort, »geef mij ondertusschen het vreemdelingenboek,
om mijn naam te kunnen invullen."
Vrouw Hansen stond uit haren leuningstoel op, haalde het boek en legde
het geopend op de groote tafel neder.
»Daar is het, mijnheer," zei zij, terwijl zij naar het boek wees.
De reiziger greep eene pen, doopte haar in de inkt en keek nog eens over
zijne brilleglazen heen naar vrouw Hansen. Na zoo een poos getuurd te
hebben, bukte hij het hoofd, schreef zijn naam met dikke, vette letters
in het boek en sloeg het zoo heftig dicht, dat het was of een
pistoolschot weerklonk.
Hulda, die met de rekening klaar was, reikte hem die toen over.
Hij nam het papier aan, ging het opgeschrevene al knorrende woord voor
woord na, en controleerde de optelling.
»Hm! hm!" zeide hij. »Dat is drommels duur. Zeven en een halve mark voor
een enkelen nacht en twee maaltijden! Drommels duur, voorwaar!"
»Gij vergeet, dat de rekening ook het onderhoud van den skydskarl en het
paard betreft," merkte Hulda op.
»Kan niet schelen! Ik vind het duur. Als dat zoo gaat, en de menschen
zoo gevild worden, dan verwondert het mij geenszins, dat hier in huis
goede zaken gedreven worden!"
»Wat is er dan te duur gerekend?" vroeg Hulda rood van verlegenheid.
Maar, voor een antwoord op die vraag had kunnen volgen:
»Gij zijt niets verschuldigd, mijnheer," klonk de stem van vrouw Hansen,
evenwel zoo verlegen en zoo zacht, dat zij nauwelijks hoorbaar was. »Gij
zijt ons niets verschuldigd?"
Zij had het vreemdelingenboek opengeslagen en den ingeschreven naam
gelezen.
Nu trad zij naar voren, greep de rekening en verscheurde die, terwijl
zij herhaalde:
»Gij zijt ons niets schuldig!"
»Dat is mijn meening ook!" antwoordde de reiziger droogweg en met een
hatelijken glimlach op het gelaat.
En, zonder bij het heengaan eenig vaarwel te prevelen, evenmin als hij
bij zijne aankomst beleefdheidshalve gegroet had, steeg hij in zijn
kariol, terwijl de skydskarl achter op het plankje sprong. Hij liet de
teugels schieten, gaf het paard een tik met de zweep, en was weldra bij
een kromming van den weg uit het gezicht verdwenen.
Hulda sloeg toen het vreemdelingenboek nieuwsgierig open en keek.
Zij ontwaarde evenwel niets anders dan dien eenen naam, die daar met
dikke letters gekrabbeld stond: »Sandgoïst, van Drammen."
Noch betrekking, noch nationaliteit waren er bij vermeld, Hulda was er
niet veel wijzer door.
VII.
ZUSTER EN BROEDER.
In den namiddag van den daarop volgenden dag zou Joël Hansen te Dal
wederkeeren.
Hij had den toerist, dien hij tot gids strekte, op den weg naar de
Hardangsche streken gebracht en daar aan een anderen wegwijzer
behoorlijk overgegeven.
Hulda, die wist, dat haar broeder langs het pad, hetwelk over de
bergvlakte van den Gousta en langs den linkeroever der Maan-rivier
voert, zoude wederkeeren, ging hem bij den overgang van den onstuimigen
bergstroom wachten. Zij zette zich neder bij eene kleine verhevenheid,
die tot bruggenhoofd en ontschepingsplaats voor de veerpont diende,
die daar de gemeenschap onderhield. Daar was zij weldra in haar
overpeinzingen verzonken. Bij het angstige gevoel, dat haar vanwege het
lange uitblijven van de _Viken_ beheerschte, voegde zich thans nog een
veel sterker, veroorzaakt door het bezoek van dien Sandgoïst daags te
voren en door de houding bij deze gelegenheid door vrouw Hansen, hare
moeder, aangenomen.
Waarom had deze bij het vernemen van den naam van dien vreemdeling, de
rekening verscheurd? En waarom had zij toen het haar toekomende
geweigerd in betaling aan te nemen?
Zij kende haar moeder genoegzaam, om niet te beseffen, dat die daad een
geheim--een gewichtig geheim ongetwijfeld--tot grondslag moest hebben.
Dat kon haast niet anders.
Hulda Hansen zat daar een poos het oog op den top van den Gousta
gevestigd, die zich 1890 meter boven de oppervlakte van de zee verheft,
en met een niet al te hoogen zadelrug in het Noorden aan de hoogvlakte,
Hardanger vidda genaamd, aansluit, waarachter de Halling jokul met
zijn schitterenden gletscher, die de rotswanden van Hallingskarven
beheerscht, uitkijkt. Van het punt, waar het meisje zat, kon haar oog
waren over de vijf groote dalen, waaruit het Telemarksche bestaat,
namelijk het Numedal met de rivier de Laayer, het Hallingdal met de
rivier de Maan, het Valdresdal met de rivier Bägna, het Gudbrandsdal
en het Osterdal. De rivieren, of beter bergstroomen, storten als beken
van het gebergte neer, vormen daarbij de woeste en schilderachtigste
watervallen der wereld, en stroomen in de Christiania-fjord, welks
boorden tot de vruchtbaarste van geheel Noorwegen behooren, in zee. In
de verte werd een donderend geraas vernomen, dat was de rivier Krannä,
die van een hoogte van ruim 250 meter neerstort en den Rjukanwaterval
vormt, den schoonsten van geheel Noorwegen, ja van geheel Europa.
Of dat fraaie tafereel de lieve maagd boeide, valt te betwijfelen. Hulda
zat daar en keek; maar of zij ook zag?....
Zij werd eindelijk uit hare overpeinzingen door de aankomst van haren
broeder Joël gewekt. Zij ontwaarde hem, toen hij het kronkelende pad
langs het eerste voorgebergte met haastigen pas afdaalde. Nu eens
verscheen hij te midden der smalle openingen van het woud, tusschen de
neergevelde boomen of tusschen de stronken van die woudreuzen, welke
door het vuur opgeruimd waren. Dan weer verdween hij onder de dichte
takken der dennen, berke- en beukeboomen, waarmede de berghellingen
als het ware overladen zijn. Hier vertoonde hij zich op den kam eener
bergrib in de volle ontwikkeling zijner welgevormde mannelijke gestalte.
Elders trok hij achter eene kolossale rotspartij om, die hem voor
Hulda's oogen verborg, terwijl hij iets verder door eene rotsspelonk
opgenomen werd, waarin hij verdween, alsof hij toegang had verkregen tot
een der ingangen van de onderwereld.
Maar eindelijk, na nog eene scherpe helling afgedaald te zijn,
kwam Joël Hansen op den tegenovergestelden oever van den bergstroom
aan, en sprong in de veerpont. Hij stak fluks van wal en de riemen
krachtig hanteerende, ontkwam hij met weinige roeislagen de kolken en
tegenstroomingen van de bruisende rivier. Eindelijk bereikte hij den
oever. In één sprong was hij op den wal en bij zijne zuster, die hij
liefderijk in de armen sloot.
»Is Ole Kamp terug?" vroeg hij onstuimig en terstond na die broederlijke
omarming.
Zooals men ziet, was zijne eerste gedachte voor zijn vriend. Helaas,
zijne vraag bleef onbeantwoord.
Droefgeestig en terneergeslagen keek hij voor zich, terwijl hij den arm
om het middel zijner zuster geslagen hield.
»En geen brief van hem ontvangen?" vervolgde hij.
»Geen woord!"
Hulda barstte in tranen uit. Zij snikte en heftig bewoog zich hare
borst.
»Neen," riep Joël Hansen uit, »neen zusjelief, schrei niet... Dat doet
mij te veel pijn... Ik kan je niet zien weenen... Komaan! laat zien...
Ge zegt, dat er geen brief gekomen is... Dat begint er werkelijk
onrustbarend uit te zien!... Toch bestaat er nog geen reden om te
wanhopen!... Kijk, als gij wilt, zal ik naar Bergen reizen. Daar zal
ik berichten inwinnen... Ik zal de heeren Gebroeders Help gaan zien...
Misschien hebben die tijdingen van New-Found-Land... Waarom zou de
_Viken_ niet de een of andere noodhaven hebben kunnen aandoen? Hij kan
averij bekomen hebben, hij kan genoodzaakt geweest zijn voor den storm
te lenzen, of zich te bergen.... Dat is zeker, dat de wind sedert meer
dan eene week zeer onstuimig gewaaid heeft en soms tot storm
aangewakkerd is. Maar... wat zou dat nog?"
Hulda keek hem met hare roodbekreten oogen aan. Och, zij had zoo gaarne
geruststelling en vertrouwen uit de woorden van haren broeder geput. Of
deze daarbij slaagde?
»Men kan voorbeelden aanhalen," vervolgde Joël Hansen, »dat vaartuigen,
komende van de Noord-Amerikaansche kust een toevlucht gezocht hebben
op IJsland of op de Ferro-eilanden. Dat is zelfs Ole Kamp twee jaren
geleden overkomen, herinnert gij u nog wel, toen hij aan boord van de
_Strenna_ voer? Dat kan u onmogelijk ontschoten zijn, nietwaar?"
Hulda knikte bevestigend met het hoofd, maar scheen lang niet overtuigd.
»En van die streken komt de post niet dagelijks aan," ging Joël Hansen
voort. »Bij gevolg bestaat er niet altijd gelegenheid om te schrijven.
Dat is klaar als de dag!"
Het arme meisje was ontroostbaar bij dat denkbeeld, hetwelk evenwel als
eene uitkomst moest gerekend worden, bij de gedachte aan eene zooveel
wreedere mogelijkheid.
»Ziet ge, zusjelief," ging Joël voort, »ik spreek tot je zooals ik
denk.... Wees nu toch bedaard.... Wat moet er van ons worden, als ik ook
ga schreien?"
»Ik kan er niets aan doen, broeder," bracht Hulda snikkende uit.
»Hulda!.... Hulda!.... Geen moed verliezen, wat ik je bidden mag!.... Ik
verzeker je, dat ik nog volstrekt niet wanhoop! En toch weet ge, hoezeer
ik Ole liefheb."
»Kan ik je gelooven, Joël?" vroeg het meisje, terwijl zij het hoofdje
aan zijne borst vleide.
»Ja, dat kunt ge, zuster," antwoordde de jonge man. »Maar wilt ge, om u
gerust te stellen, dat ik naar Bergen vertrek?... Morgenochtend.... of
hedenavond?"
»Ik wil niet, dat gij mij verlaat!.... Neen, dat wil ik niet!"
antwoordde Hulda Hansen, terwijl zij zich aan haren broeder vastklemde,
alsof zij slechts hem ter wereld meer bezat.
Hij suste, en troostte haar nog eenigen tijd en wendde zijne beste
argumenten aan, om haar gerust te stellen, hetgeen dan ook eenigermate
gelukte. Beiden wilden toen den terugweg naar de herberg van Dal
aanvaarden, waarbij Joël Hansen zijne zuster zoo goed en zoo kwaad hij
kon, tegen den regen trachtte te beschutten.
Maar de bui werd in dat oogenblik zoo hevig, de slagregen kletterde zoo
krachtig terneder, dat zij genoodzaakt waren eene toevlucht te zoeken
in de hut van den veerpontschipper, die op een paar honderd passen van
den oever der Maan-rivier stond.
Daar moesten zij wachten, totdat de bui eenigermate uitgeraasd zoude
hebben of weggedreven zoude zijn. En terwijl zij daar verwijlden,
gevoelde Joël Hansen eene onoverwinnelijke behoefte om te praten, om het
even over wat. De stilzwijgendheid kwam hem nog wanhopiger voor, als
alles wat er gezegd kon worden, ja al zouden woorden moeten weerklinken,
die weinig hoop, die weinig uitzicht op eene wenschelijke oplossing
zouden geven. Alles, alles liever dan die stilte!
»Hoe is het met moeder?" vroeg hij met zekere gejaagdheid in zijne stem.
»Die wordt al meer en meer droefgeestig," antwoordde Hulda, steeds
terneergeslagen.
»Is er niemand gedurende mijne afwezigheid in de herberg afgestapt?"
»Ja wel, een reiziger, die daags daarna weer vertrokken is," was het
antwoord van het meisje.
»Dus er is geen enkele toerist in de herberg aanwezig, nietwaar? en is
er in mijne afwezigheid om geen gids gevraagd geworden, zusjelief?"
vroeg Joël.
»Neen, broeder, er is geen toerist in de herberg, en er is geen gids
gevorderd."
»Des te beter."
»Waarom, Joël?"
»Omdat ik thans in de gegeven omstandigheden u liever niet verlaat.
Daarenboven...."
»Daarenboven wat?"
»Als het slechte weder aanhoudt, vrees ik wel, dat de toeristen er van
zullen afzien, om onze schoone provincie Telemarken te bezoeken. Denkt
gij dat ook niet, Hulda?"
»Wij zijn nog pas in April, Joël, dus nog ver van den zomer. Het weer
kan dus wel ten goede keeren."
»Ongetwijfeld, zusjelief; maar ik heb als het ware een voorgevoel, dat
wij geen goed seizoen zullen hebben."
»Niet? Waarom niet?"
»Ja, de reden van dat voorgevoel kan ik niet opgeven. Nu, wij zullen
zien, wie gelijk heeft, gij of ik."
»Gisteren heeft die vreemdeling Dal verlaten, nietwaar, Hulda?"
»Ja, Joël. Hij is des morgens heel vroeg vertrokken. Het was
ternauwernood dag."
»Wie was het? Zeg, weet gij daar ook iets van?"
»Niet anders dan dat hij van Drammen afkomstig was."
»Van Drammen?"
»Ja, hij schijnt daar te wonen."
»En wat weet gij verder? Kom, zusjelief, spreek op. Bij voorbeeld, hoe
heet hij?"
»Hij heet Sandgoïst."
»Sandgoïst?"
»Ja. Kent gij hem misschien?"
»Neen," antwoordde Joël.
Hulda had zich reeds de vraag gesteld, of zij alles aan haren broeder
zou vertellen, wat in de herberg gedurende zijne afwezigheid
voorgevallen was. Wanneer Joël vernemen zoude, hoe onwellevend, ja hoe
onbeschoft die man te werk was gegaan, hoe hij de waarde van het huis
en van het ameublement scheen berekend te hebben; wanneer haar broeder
ingelicht zoude zijn, over de houding en de gedragslijn van vrouw Hansen
tegenover dien vreemdeling, wat zou hij dan wel denken? Zou hij dan niet
moeten gelooven, dat hunne moeder zeer ernstige redenen moest hebben, om
te handelen, zooals zij gedaan had?
En dan.... welke waren die redenen? Daar stond haar verstand werkelijk
voor stil.
Wat voor geheim kon er tusschen haar moeder en dien Sandgoïst
bestaan?.... Waarlijk, onbegrijpelijk!
Het kon niet anders, of daar moest iets achter schuilen.
En nog wel een dreigend geheim voor de familie.
Joël zou het willen vernemen. Hij zou zijne moeder ondervragen. Hij
zou haar geen rust laten.... En vrouw Hansen, die toch al zoo weinig
mededeelzaam was, die er toch al zoo tegen opzag haar gemoed voor
anderen uit te storten, zou haar geheim willen bewaren, zooals zij tot
heden gedaan had. De verhouding tusschen haar en hare kinderen, die toch
al zoo bedroevend was, zou nog pijnlijker worden.
Maar, zou het jonge meisje iets voor Joël kunnen verzwijgen? Zou dat
mogelijk zijn?
Een geheim voor hem? Zou dat geen nadeeligen invloed uitoefenen op de
warme vriendschap, die beiden verbond? Zou dat geen verraad zijn? Ja,
snood verraad!
Neen, die vriendschap mocht nimmer verbroken worden. Hulda besloot dan
ook alles te zeggen.
»Hebt ge nimmer over dien Sandgoïst hooren spreken, wanneer gij te
Drammen vertoefdet?" vroeg zij.
»Nooit," antwoordde haar broeder.
»Welnu, weet dan, Joël, dat onze moeder hem reeds kende, althans van
naam."
»Zij kende Sandgoïst?"
»Ja, Joël."
»Maar, ik heb haar nimmer over hem hooren reppen?...."
Hulda trok de schouders op, daardoor te kennen gevende, dat dit geen
bewijs was.
»Ik heb haar zelfs den naam van dien man niet hooren noemen," vervolgde
Joël.
»En toch kende zij hem," antwoordde het jonge meisje, »hoewel zij dien
man nimmer voor zijn bezoek van eergisteren gezien heeft. Daar van houd
ik mij overtuigd."
En nu verhaalde Hulda al de bijzonderheden, die het verblijf van dien
Sandgoïst in de herberg van Dal gekenmerkt hadden, zonder de zonderlinge
daad van vrouw Hansen bij het vertrek van den vreemdeling te vergeten.
Daarna haastte zij zich te vervolgen:
»Ik geloof dat we het verstandigst zullen doen, broeder Joël, om niets
aan moeder te vragen. Gij kent haar, nietwaar? Dat zou haar nog
ongelukkiger maken. De toekomst zal ons ongetwijfeld ontsluieren wat ons
van het verleden verborgen is gebleven."
»Maar wat zou dat kunnen zijn, zusjelief?"
»Ik weet het niet; maar geve de hemel, dat Ole Kamp spoedig moge
terugkeeren! Mocht ons dan eenige ramp treffen, of eenige reden tot
droefheid ons deel zijn, dan zullen wij met ons drieën zijn om die te
dragen."
Joël had zijne zuster met de meest onverdeelde aandacht aangehoord.
Ja, zeker! Tusschen vrouw Hansen en dien Sandgoïst moest een ernstig
geheim bestaan, dat de eene in de volslagen afhankelijkheid van den
anderen stelde. Er viel niet aan te twijfelen, dat die kerel te Dal was
gekomen, om de waarde der herberg te schatten. Neen, dat was zeker! En
die rekening, die bij zijn vertrek verscheurd werd,--eene daad, welke
dien vreemdeling geheel natuurlijk voorkwam,--wat had dat toch te
beduiden?
»Gij hebt gelijk, Hulda," zei Joël, »ik zal moeder niets vragen. En
toch, misschien zal zij berouw gevoelen, dat zij ons haar vertrouwen
niet geschonken heeft."
»Misschien wel," antwoordde het jonge meisje. »Maar ik vrees, ik
vrees...."
»Als het maar niet reeds te laat is," ging Joël voort. »Och, wat moet de
arme vrouw toch lijden. Zij is zoo teruggetrokken. Begrijpt zij dan
niet, dat zij hare kinderen heeft, om in hunne harten hare bekommering
te storten?"
»O, dat zal zij vroeg of laat wel begrijpen, Joël."
»Ik hoop het, zusjelief," antwoordde de broeder.
»En ik herhaal: als het dan maar niet te laat zal zijn."
»Wij kunnen niets anders doen dan wachten, lieve Hulda. Maar inmiddels
zal het toch niet verboden zijn te trachten te weten te komen, wie die
kerel is. Misschien kent mijnheer Helmboë hem. De eerste maal, dat ik
naar Bambel ga, zal ik het hem vragen."
»Maar, voorzichtig, Joël."
»Ja, wees gerust. En als het noodig zal zijn, zal ik naar Drammen gaan.
Daar zal het wel niet veel moeite kosten, om te vernemen wie en wat die
man is, wat hij uitvoert, welke zaken hij drijft, wat men er van
denkt...."
»Niet veel goeds, voorzeker," viel Hulda hem in de rede. »Hij heeft
terugstootende gelaatstrekken en zijn blik duidt op boosaardigheid. Het
zou mij verwonderen als onder zulk een lomp uiterlijk eene edelmoedige
ziel huisde."
»Kom, zusjelief," hernam Joël. »Gij moogt de lieden niet naar hun
uiterlijk beoordeelen, en nog minder veroordeelen. Ik wed, dat gij dien
Sandgoïst een aangenaam voorkomen zoudt toeschrijven, wanneer gij hem
beschouwdet, terwijl gij met Ole Kamp gearmd gingt."
»Mijn arme Ole!" prevelde het jonge meisje.