zijn. Die kleeding bestond uit een korte jas met zilveren knoopen, die
zeer dicht bij elkander geplaatst zijn, uit een stijf gesteven hemd met
hoogstaande boorden, uit een gestreept vest, dat met figuren van zijden
pletkoordjes versierd was, uit een nauwsluitende korte broek, boven
de knie gesloten was met een bouquet van wolachtige kwastjes, uit een
hoed van slap vilt, en uit geelkleurige stevels, terwijl om het middel
de Scandinavische gordel met de »dolknif", zonder hetwelk zich geen
rechtgeaard Noorweger ooit vertoont, in eene lederen scheede, bevestigd
was.
Van alle kanten dus had men genoeg te stellen en te zorgen voor
bijzonderheden, die nauwlettend behandeld moesten worden. Waarlijk,
daartoe waren de weinige weken, die nog beschikbaar waren, ternauwernood
voldoende, wilde men voor de terugkomst van Ole Kamp met alles in
gereedheid zijn. Maar, wat te doen, wanneer onze zeeman vroeger thuis
kwam, dan hij verwacht werd? Hulda zou dan voorzeker met hare
voorbereidselen niet gereed zijn. Toch zou het lieve meisje er zich
niet over beklagen, en, zooals iedereen wel begrijpen zal, Ole Kamp
nog minder. Integendeel, dat zou voor beide partijen eene aangename
verrassing zijn.
Met het maken van die beschikkingen voor het huwelijk gingen de laatste
weken van April en de eerste van Mei voorbij.
Joël van zijn kant had zich ijverig onledig gehouden met in persoon
de uitnoodigingen tot de plechtigheid over te brengen, en kon dat in
gemoede uitvoeren, omdat zijne betrekking van ginds hem in die dagen een
tijd van rust gunde. Men maakte zelfs de opmerking, dat hij zeer veel
vrienden te Bambel moest hebben; want hij ging er zeer dikwijls heen.
Wij kennen evenwel de beweegreden, de magneet, die hem naar dat
Noorweegsche dorpje trok; namelijk de schoone oogen van Siegfrid. De
brave jongen was nog niet naar Bergen gereisd, om de Gebroeders Help uit
te noodigen; maar hij had hen toch geschreven. En, zooals hij terecht
gegist had, hadden de waardige reeders de uitnoodiging, om het huwelijk
van Ole Kamp, den eersten stuurman van de _Viken_, met hunne
tegenwoordigheid te vereeren, met de grootste hartelijkheid aangenomen.
Intusschen was, hoe traag ook de tijd verliep, toch de 15de Mei
genaderd.
»Eindelijk! Eindelijk!" had de lieve Hulda Hansen in zich zelve
gepreveld.
Iederen dag kon men de aankomst van Ole Kamp verwachten. Ieder uur kon
het schouwspel opleveren, hem uit zijn karretje te zien springen, hem de
deur te zien openen, en hem met zijne zoo opgeruimde stem te hooren
uitroepen:
»Hier ben ik, mijne dierbare Hulda!.... Ja, hier ben ik! Hier ben ik!"
Er behoefde slechts nog wat geduld geoefend te worden. Niets meer dan
dat. En, hoewel noode, dat zou niet ontbreken.
Alles en allen waren intusschen klaar, ook de lieve Siegfrid, die
slechts op een teeken wachtte, om dadelijk feestelijk uitgedost en in
haren fraaisten opschik te verschijnen.
De 16de was daar; maar Ole Kamp verscheen niet. Hij zou waarschijnlijk
den volgenden dag komen.
Maar ook de 17de ging voorbij, zonder dat de zeeman aangekomen was. Men
begon ongerust te worden.
Ook de 18de bracht geene uitkomst. Zelfs kwam geen brief van
New-Found-Land aan!
»Dat moet je niet te zeer verwonderen, zusjelief," herhaalde Joël
telkenmale, ja voortdurend. »Een zeilschip kan tegenspoed, kan
vertraging ondervinden. De afstand van Saint Pierre Miquelon tot Bergen
is lang en de overtocht lang niet gemakkelijk. O, ware de _Viken_
een stoomschip en ware ik de machinist aan boord! Wat zou ik mijn
stoomwerktuig aanzetten! Hoe zou ik het vaartuig tegen wind en getij
injagen; al moest de ketel ook bij aankomst in de haven uit elkander
springen! Gij zoudt eens zien, hoe het dan in zijn werk zoude gaan!
Vooruit!... Vooruit!..."
Hij zeide dat alles met goede bedoeling natuurlijk; want duidelijk zag
hij Hulda's ongerustheid iederen dag klimmen.
En daar was wel reden voor. Want, inderdaad, er heerschte in die dagen
veel slecht weder in de Telemarksche streken. Hevige windvlagen gierden
en huilden over de hoogvlakten der fjelds en die windvlagen, die uit het
westen bliezen en de muren deden schudden, de daken kraken, de ruiten
der ramen rinkelen, kwamen helaas! uit Amerika.
»Die winden komen toch uit den goeden hoek," herhaalde het jonge meisje
voortdurend, »en moeten dus de vaart van de _Viken_ bevorderen. Is dat
niet zoo, broeder Joël?"
»Ongetwijfeld, zusjelief," antwoordde Joël Hansen. »Maar, als ze te hard
blazen, als ze tot storm aangroeien, dan zijn ze nadeelig; want dan moet
het schip zeil minderen, dan loopt het soms voor top en takel, en maakt
dan niet veel vaart; wakkert de wind nog meer aan, dan moet het schip
bijleggen, om den orkaan het hoofd te kunnen bieden, en dan vordert het
in het geheel niet. Het ligt dan maar met den kop op de golf op en neer
te stampen."
»In het geheel niet?" vroeg Hulda ten uiterste ontsteld. »O, met dit
weer zal de _Viken_...."
»Ja, lieve Hulda, op zee kan men niet altijd doen, wat men wil..."
»Dat schijnt wel zoo te zijn. Goddank, dat Ole het zeevaren vaarwel zal
zeggen!"
»Daarin stem ik met u overeen. Daarover ben ik ook zeer verheugd. Een
teeken, dat de goede jongen u liefheeft."
»Maar.... gij zijt dus niet ongerust over dat uitblijven, Joël?"
»Volstrekt niet, zusjelief. Waarom zou ik mij verontrusten? Zeg Hulda?"
»Och, ik wilde, dat ik uwe gemoedsstemming konde deelen!" sprak het
meisje met een diepen zucht.
»Er valt geen onrust te koesteren. Ja, de vertraging is
betreurenswaardig; maar zij is niets meer of minder dan natuurlijk.
Neen! Ik ben niet ongerust, om de eenvoudige reden, dat er geen reden
hoegenaamd toe bestaat. Wees dus kalm!"
Op den 19den kwam een reiziger in de herberg te Dal aan, die een gids
noodig had. Hij moest tot op de grens van de Hardanger provincie
gebracht worden. Men had dus een belangrijk gedeelte van het
Telemarksche gebergte te doorworstelen. Hoewel het Joël niet aanstond,
zijn zuster Hulda in deze omstandigheden aan zich zelve over te laten,
kon hij onmogelijk den gevergden dienst weigeren. Hij zou hoogstens
tweemaal vier en twintig uren afwezig zijn en hoopte dat hij bij zijne
terugkomst Ole Kamp zoude aantreffen. Volgens hem kon dat bijna niet
anders.
De waarheid was, dat de brave kerel op zijne beurt ook zeer ongerust
begon te worden.
Hij vertrok dus den volgenden ochtend met een bezwaard hart en met
looden schoenen.
Den daarop volgenden dag, zoo omstreeks een uur in den namiddag werd op
de deur der herberg geklopt.
»Zou het Ole Kamp zijn?" riep Hulda uit. »Zou hij het eindelijk zijn?
Dat geve God!"
Zij stond van haar stoel op, spoedde zich naar de deur en opende die
haastig.
Voor den drempel bevond zich een man, die in een reismantel gewikkeld en
in een gewoon karretje gezeten was. Zij bekeek hem aandachtig, zeer
aandachtig zelfs. Maar zijn gelaat was haar onbekend.
VI.
DE VREEMDELING.
»Is het hier de herberg van vrouw Hansen?" vroeg de vreemdeling kortaf,
zonder ook maar een gebaar om te groeten te maken, of een woord van
wellevendheid te doen hooren.
»Ja, mijnheer," antwoordde het jonge meisje met hare gewone
voorkomendheid.
»En is vrouw Hansen te huis?" was de tweede vraag even nurksch
geformuleerd.
»Neen...."
»Niet?" viel de vreemdeling Hulda met eene soort van teleurstelling in
de reden.
»Neen, maar zij komt terug."
»Weldra?"
[Illustratie: Is het hier de herberg van vrouw Hansen? Blz. 48.]
»Dadelijk," antwoordde Hulda, »en als gij haar wilt spreken...."
»Ik?... In het geheel niet!" protesteerde de vreemdeling met eenige
drift.
»Wat wilt gij dan?"... vroeg het meisje nogal verwonderd. »Wilt gij eene
kamer?"
De man antwoordde niet dadelijk. Hij zat daar in zijn karretje, alsof
hij in gedachten verzonken was. Hulda keek hem een oogenblik vragend
aan. Zij scheen ietwat ongeduldig.
»Ja, geef mij de fraaiste kamer van het huis," sprak de reiziger
eindelijk.
»Zult gij ook bij ons eten?" vroeg het jonge meisje, terwijl zij de deur
met uitnoodigend gebaar opende.
»Ja zeker; maar ik heb ergen honger. Zorg dus, dat het maal zoo spoedig
mogelijk klaar zij, en vooral...."
»En vooral?"... vroeg Hulda, toen de vreemdeling, na een blik op het
jonge meisje geworpen te hebben, aarzelde.
»En vooral discht op, wat gij het beste in uwe voorraadkamer hebt. Hebt
ge begrepen?"
Dit was het gesprek, hetwelk tusschen Hulda Hansen en den vreemden
reiziger gevoerd werd, voordat deze nog uit het wagentje gestapt was,
hetwelk hem tot vervoermiddel gediend had, om dwars door de eeuwenoude
wouden, langs de prachtige bergmeren en op en neer door de diep
ingesneden dalen van midden-Noorwegen, de Telemarksche provincie te
bereiken.
Wie kent het karretje niet, of beter genoemd de »kariol," die door de
Scandinaviërs boven ieder ander vervoermiddel verkozen wordt. Zij
bestaat uit twee lemoenboomen, waar tusschen het paard, dat gewoonlijk
sterk en zwaar geschoft is, eene geelachtige kleur heeft en overigens
gestreept als een muilezel is, gespannen en door een eenvoudig koord,
dat bij wijze van stang of trens niet in den mond maar dwars door een
gat door de neus, gemend wordt. Verder bestaat het voertuig uit twee
groote maar dunne wielen, welker as eene veelkleurige rijtuigkast,
zonder veeren hoegenaamd, steunt, die slechts zoo breed is om
ternauwernood eene persoon te kunnen bevatten. De »kariol" bezit geen
overtrek of bedekking, geene slikborden, geen vaste of neerslaande
trede. De skydskarl klimt achter op de rijtuigkast, waar te dien einde
een plankje aangebracht is, waarop hij zoo goed en zoo kwaad als het
gaat, kan zitten. Het geheel gelijkt wel eenigermate op eene onmetelijk
groote spin, welker dubbelweb door de groote raderen van het toestel
gevormd wordt. En met zoo'n oorspronkelijk vervoermiddel leggen de
reizigers toch zonder veel moeite of inspanning afstanden van vijftien
of twintig kilometers per dag af. Het is verbazend, en men zou het
schier niet kunnen gelooven; toch is het zoo.
Op een teeken van den reiziger sprong de skydskarl van zijn plankje naar
beneden, om het paard bij het bescheidene hoofdstel te grijpen en vast
te houden, een voorzorgsmaatregel, die volmaakt overbodig kon geacht
worden.
Toen stond de reiziger in de kariol op, schudde het stof van zijne
kleederen, rekte armen en beenen uit, klom niet zonder inspanning,
waardoor hij kregelig werd en binnensmonds onaangenaam knorde, uit den
bak en sprong op den grond.
»Is het hier eene uitspanning, en kan de kariol hier onder dak gebracht
worden?" vroeg hij op ruwen, onaangenamen toon, terwijl hij op den
drempel der deur staan bleef.
»Zeker, mijnheer," antwoordde Hulda Hansen zoo lieftallig als haar in de
gegeven omstandigheden slechts mogelijk was.
»En kan het paard gedrenkt en gevoederd worden?" was de tweede vraag, op
even norschen toon gedaan.
»Wees gerust, mijnheer, uw paard zal niets ontbreken," antwoordde Hulda.
»Ja, dat wordt overal verzekerd en zelden gebeurt het," gromde de
vreemdeling bijna onverstaanbaar binnensmonds.
»Ik zal het naar den stal laten brengen, en gij kunt er op aan dat uwe
bevelen stipt volvoerd zullen worden."
»Welnu, dat men er goed voor zorge en dat het flinke dier niets
ontbreke!"
Die woorden werden op bevelenden maar almede norschen toon uitgesproken.
»Het zal geschieden, zooals gij verlangt.--Maar.... mijnheer...."
»Maar wat?"
»Mag ik u vragen, of gij eenigen tijd te Dal denkt door te brengen?"
»Eenigen tijd? Dat is zoo rekbaar," snauwde de vreemdeling tot antwoord.
»Bij voorbeeld eenige dagen?"... ging Hulda Hansen steeds vriendelijk en
wellevend voort.
»Dat weet ik niet. Daaromtrent kan ik niets bepalen," was het nurksche
antwoord.
Het karretje en het paard werden in eene kleine loods onder dak
gebracht, die op het erf zelf van de herberg, beschut door een paar
boomen, aan den voet van het steil omhoog rijzende gebergte opgetrokken
was. Dat was de eenige stalling en verspanning, die bij de herberg
behoorde en in het dorp Dal bestond. Zij was evenwel volkomen toereikend
voor de reizigers, die er verwacht konden worden.
De vreemdeling had een oogenblik later de beste kamer, zooals hij
gevraagd had, betrokken.
Nadat hij zich van zijn mantel ontdaan had, ging hij bij het vuur, dat
op zijn bevel van flinke, droge blokjes hout vroolijk gestookt was,
zitten, en warmde zich terdege. Niet dat het zoo koud was in dit
seizoen; maar urenlang in een open voertuig zitten, dat met flinke vaart
den wind snijdt, kan iemand onaangenaam kil maken.
Intusschen beval Hulda, om dat nurksche karakter te gemoet te komen en
te bevredigen, aan de piga om de meest mogelijke zorg aan het middagmaal
te wijden. Die piga was eene stevige boerendeern uit den omtrek, die aan
de inrichting onafscheidelijk verbonden, in het zomerseizoen in de
keuken der herberg maar ook bij het grove werk hulp verleende.
De nieuw aangekomen reiziger was nog een stevig man, hoewel men wel
merken kon, dat hij de zes kruisjes reeds achter den rug had. Hij was
mager, had eene middelmatige gestalte, die door eene ietwat gebogene
houding nog kleiner scheen, een beenderig en hoekig hoofd, een vaal,
bleek gelaat, een spitsen neus, kleine roode oogen met scherp loerenden
blik achter zijne groote brilleglazen, een voorhoofd, waarop zich maar
al te vaak rimpels vertoonden, lippen die veel te dun waren, om ooit een
goedig woord te laten ontsnappen, lange magere handen met haakvormige
vingers--in één woord, het was het type van den woekeraar of den
pandjeshuishouder.
Hulda had er als het ware een voorgevoel van, dat die reiziger niet veel
geluk in de woning van hare moeder zou aanbrengen. Of dat voorgevoel
bewaarheid zal worden? Dat zal het vervolg dezer geschiedenis leeren.
Dat hij een Noor was, stond ontwijfelbaar vast; hij vertegenwoordigde
evenwel slechts de minder goede kenmerken van het Scandinavische ras.
Dat was met één oogopslag door den scherpzienden opmerker te bespeuren.
Zijn reiskostuum bestond uit een hoed met lagen bol, maar met zeer
breeden rand, uit een soort jas van wit- of liever grijsachtig laken,
een vest, dat over de borst heen dichtgeknoopt werd, eene korte broek,
die met lederen riempjes boven de knieën bevestigd was. Over dat alles
had hij bij het binnenkomen een soort van bruinen mantel gehad, van
binnen met schaapsvel gevoerd; eene uitmuntende voorzorg, want de
avonden en nachten konden zeer koud zijn op de hoogvlakten en in de
dalen der Telemarksche streken.
Wat den naam van den vreemdeling betrof, dien had Hulda niet
gevraagd. Het kon evenwel volgens haar niet missen, of zij zou dien
weldra vernemen, daar de nieuw aangekomene hem toch zelf in het
vreemdelingen-boek van de herberg zou moeten neerschrijven. Dan zou hare
nieuwsgierigheid, die zij echter zorgvuldig verborg, wel bevredigd
worden.
Vrouw Hansen kwam op dit oogenblik van haar uitstapje in hare woning
terug.
Hare dochter deelde haar mee dat een reiziger aangekomen was, die een
goed middagmaal besteld en de fraaiste kamer gevraagd had. Op de vraag
harer moeder of die reiziger lang te Dal zou vertoeven, moest Hulda
antwoorden, dat zij zulks niet wist, dat hij daaromtrent het antwoord
schuldig gebleven was, hoewel zij het hem bepaaldelijk gevraagd had.
»Heeft hij zijn naam niet medegedeeld?" vroeg vrouw Hansen nieuwsgierig.
»Neen, moeder."
»En niet gezegd vanwaar hij kwam?"
»Ook dat niet, moeder," antwoordde het meisje.
»Waarschijnlijk is het een toerist. Dunkt je niet?" vroeg de moeder.
»Het is bepaald jammer, dat Joël niet terug is, om zich te zijner
beschikking te kunnen stellen. Wat moeten wij doen, zeg, wanneer hij ons
een gids vraagt? Dat zal een lastig geval zijn."
»Ik geloof niet, dat het een toerist is, moeder," antwoordde hare
dochter. »Het komt mij voor, dat hij daartoe reeds te oud is."
»Maar als het geen toerist is," vroeg vrouw Hansen, »wat komt hij dan te
Dal uitvoeren?"
De goede vrouw vroeg dat meer aan zich zelve, dan wel aan Hulda. Zij
moest toch kunnen gissen, dat haar kind daarop niet antwoorden kon.
Daarbij voelde zij zich onrustig en beklemd, wat in den toon harer stem
merkbaar was.
Hulda antwoordde dan ook niet, om de zeer goede reden, dat de
vreemdeling zich omtrent zijne voornemens niet uitgelaten had. Met hare
moeder nam zij nu verder de zorgen voor het huishouden waar en bij die
bezigheid vloog de tijd als het ware voorbij.
De reiziger trad een uur na zijne aankomst de groote zaal der herberg,
die aan zijne kamer grensde, binnen. Toen hij vrouw Hansen gewaarwerd,
bleef hij een oogenblik in de omlijsting der deur staan kijken.
Blijkbaar was hij even onbekend aan de waardin der herberg van Dal, als
deze aan hem; evengoed een vreemdeling voor haar als voor hare dochter.
Hij trad op haar toe, na haar een poos over zijne brilleglazen heen
aangekeken te hebben:
»Vrouw Hansen, niet waar?" vroeg hij, zonder dat hij in zijne lompheid
er zelfs aan dacht, om zijn hoed met de hand aan te raken.
»Ja, mijnheer, die ben ik," antwoordde de waardin van de herberg van Dal
op beleefden toon.
Maar zij kreeg in de tegenwoordigheid van dien man hetzelfde gevoel als
hare dochter ondervonden had, namelijk eene soort van verwarring,
waarvan zij zich geen rekenschap wist te geven, maar die den vreemdeling
niet ontgaan kon.
»Dus, gij zijt inderdaad vrouw Hansen van Dal?" herhaalde hij.
»Voorzeker, mijnheer," antwoordde zij, »hebt gij mij iets mede te
deelen?"
»In het geheel niet. Ik wenschte slechts in kennis met u te komen. En
dat is natuurlijk, dunkt me. Ben ik niet uw gast? En nu de kennis
gemaakt is, hoop ik, dat men mij zoo spoedig mogelijk iets te eten
verschaffe. Ik heb sedert hedenochtend niets gehad, en ik erken het
gaarne, ik heb niet alleen grooten eetlust, maar zelfs honger als een
wolf."
»Het middagmaal is klaar," sprak Hulda. »Wees zoo goed, u naar de
eetzaal te begeven."
En tevens wees zij naar een belendend vertrek, waarvan de deur op een
kier stond.
»Dat zal ik doen," antwoordde de vreemdeling steeds norsch en
onvriendelijk.
Daarop stapte hij met loomen tred naar de deur, die hem het jonge meisje
gewezen had.
Een oogenblik later had hij aan eene kleine tafel, die netjes en
zindelijk gedekt was en bij het raam stond, plaats genomen.
Het maal was ongetwijfeld goed, ja uitstekend te noemen. Geen toerist,
zelfs de meesteischende, zou er iets op aan te merken hebben gehad.
Intusschen kon onze kregelige vreemdeling zich niet weerhouden om zijne
ontevredenheid door gebaren en dof gemompel te kennen te geven. Vooral
waren die gebaren overvloedig, want spraakzaam scheen hij niet te zijn.
Het mocht inderdaad als op te lossen raadsel gesteld worden, of zijne
veeleischendheid geweten moest worden aan een bedorven maag, of aan zijn
knorrig karakter? Noch vrouw Hansen noch Hulda konden daar bescheid op
geven. Zij waren dan ook wanhopend.
De kersen- en klapbessensoep, hoewel zij voortreffelijk genoemd moest
worden, beviel den gast maar half. Hij raakte de zalm en de gemarineerde
haring ternauwernood met de lippen aan. Noch de rauwe ham, heerlijk in
dunne schijven gesneden, noch een half hoen, dat zeer vet en zeer
smakelijk gebraden was, konden genade in zijne oogen vinden, evenmin als
de groenten, die toch uitmuntend toebereid waren. Hij toonde zich zelfs
ontevreden over de flesch St. Julien en de halve flesch Champagne, die
hij besteld had, en die toch klaarblijkelijk uitstekend waren. Kenners
zouden naar waarheid hebben moeten getuigen, dat het producten van het
zonnige Frankrijk waren en nog wel van de beste merken.
Een gevolg van dat alles was, dat de reiziger, toen hij zijn maaltijd
geëindigd had, geen enkel »tack for mad" voor de waardin of hare lieve
dochter overhad. Dat was de onbeleefdheid ten top voeren! Zoo iets was
in het Telemarksche nimmer gezien.
De onwellevende vlegel stak na het diner zijne pijp op, stapte het huis
uit en ging een wandeling langs de boorden der Maan-rivier maken.
Toen hij op den oever aangekomen was, maar toen eerst, keerde hij zich
om.
Zijne oogen bleven onafgewend op de herberg gevestigd. Hij scheen
haar van alle kanten te willen opnemen, zoowel hare verschillende
buitenzijden, als hare doorsnede, haar grondvlak, hare hoogte, enz. Het
was inderdaad, alsof hij in opdracht had de waarde er van te schatten.
Hij telde de deuren, ja zelfs de vensters. Toen stapte hij op eenige
balken, die bij de grondvesten van het huis horizontaal uitgestrekt
lagen, en maakte er met de punt van zijn dolkmes eenige inkervingen in,
alsof hij onderzoeken wilde, uit welke houtsoort zij bestonden en of zij
nog behoorlijk gaaf waren, of dat er bederf aan te bespeuren was.
Wilde hij zich inderdaad overtuigen, hoeveel de herberg van vrouw Hansen
waard was?
Was hij voornemens ze te koopen, hoewel zij niet in veiling aangeslagen
was?
Zijne handelingen waren op zijn minst genomen vreemd te noemen, dat zal
iedereen erkennen.
Nadat hij het huis met de meeste aandacht gadegeslagen had, kwam de
beurt aan de kleine afgeschutte ruimte, die het erf van de woning
vormde. Hij telde er aandachtig de boomen en de struiken van. Veel waren
er niet, zoodat dit niet veel tijd wegnam.
Eindelijk mat hij twee der zijden van dat omheinde erf met landmeterspas
op en teekende de uitkomst in zijn zakboekje aan. Uit de beweging van
zijn potlood was op te merken, dat hij de beide gevonden grootheden met
elkander vermenigvuldigde om de oppervlakte te berekenen. Dat was
duidelijk genoeg. Lengte maal breedte gelijk aan vierkanten inhoud.
En bij al die verrichtingen schudde hij het hoofd, fronste de
wenkbrauwen en hemde met gedempte stem, op afkeurenden toon. De
schatting scheen hem tegen te vallen.
Vrouw Hansen en hare dochter Hulda sloegen den vreemdeling gedurende die
bedrijven van achter de venstergordijnen van de groote zaal angstvallig
gade.
Met welken zonderlingen kerel waren zij toch in aanraking gekomen?
Die vraag kwam voortdurend bij de beide vrouwen op. Inderdaad, zij
betreurden, dat dit alles gedurende de afwezigheid van Joël plaats
vond. Zij maakten zich zelfs ongerust, en, volgens haar, niet zonder
reden, daar die reiziger den geheelen nacht in de herberg zoude
doorbrengen. Het was waarlijk, zooals vrouw Hansen dat uitdrukte, om er
kippenvel van te krijgen.
»Als het eens een krankzinnige was, moeder?" opperde Hulda vreesachtig.
»Een krankzinnige...." hernam vrouw Hansen. »Neen, dat is hij niet,
dunkt mij."
»Toch op zijn minst genomen: een zonderling," vervolgde hare dochter.
»Ja, dat wel, dat moet ik erkennen; maar... och..." antwoordde de moeder
aarzelend.
»Intusschen is het toch altijd netelig menschen in huis te ontvangen,
die men niet kent."
»Hulda," antwoordde vrouw Hansen, »zorg dat het vreemdelingenboek,
voordat die onbekende weer terugkomt, in zijne kamer gebracht zij. Zult
ge?"
»Ja, moeder, wees gerust; ik zal er voor zorgen," antwoordde het jonge
meisje.
»Hij zal er waarschijnlijk toe overgaan, zijn naam daarin te schrijven."
Hulda glimlachte ongeloovig, maar antwoordde niet.
Tegen acht uur was de nacht reeds ingetreden en de duisternis zoo zwart
mogelijk. De lucht was dik bewolkt en een fijne regen begon te vallen,
waardoor de geheele vallei als het ware in eene dikke nevelbank gehuld
werd, die alles tot op de halve hoogte van de berghelling kletsnat
maakte. Het weer was derhalve zoo ongunstig mogelijk tot het afleggen
eener avondwandeling. De nieuwe gast van vrouw Hansen keerde dan ook,
nadat hij het bergpad tot bij de houtzagerij gevolgd was, naar de
herberg terug, alwaar hij een glaasje brandewijn vroeg. Hij dronk dat
met kleine teugen leeg. Daarna nam hij den houten kandelaar, waarop de
stearine-kaars ontstoken was, en begaf zich zonder een enkel woord te
spreken, zonder iemand, wie ook, goedennacht gewenscht te hebben, naar
zijne kamer, opende haar, trad binnen, sloot de deur en grendelde haar,
waarna men hem gedurende den geheelen nacht niet meer hoorde.
Wat den skydskarl betrof, die had eenvoudig eene toevlucht gezocht onder
het afdak der kleine loods. Daar had hij zich tusschen de disselboomen
van de kariol uitgestrekt en was weldra in gezelschap van het
geelachtige paard rustig ingeslapen, zonder zich om weer, wind of regen
in het minst te bekommeren.
Den volgenden ochtend stonden vrouw Hansen en hare dochter Hulda bij het
krieken van den dag op. Geen enkel geluid werd in de kamer van den
reiziger, die waarschijnlijk nog sliep, vernomen.
[Illustratie: Nadat hij zich van zijn mantel ontdaan had, ging hij bij
het vuur zitten. Blz. 51.]