Zooals men wel gissen kan, werd hij in de herberg van vrouw Hansen goed

ontvangen en werd hem de mooie kamer op de gelijkvloersche verdieping

tot huisvesting aangewezen. Natuurlijk was deze met versche

jeneverboomtakken versierd, die haar eenen bijzonderen geur verleenden,

alsof zij eene kapel ware.

Daags daarop ging de kleine kerk van Dal in den voormiddag open. Daar

bezwoer Ole Kamp voor den predikant, met de hand vlak uitgestrekt op

diens bijbel, en in tegenwoordigheid van eenige vrienden en bekenden

en van de buren der herberg, Hulda Hansen te zullen trouwen. En Hulda

bezwoer van haren kant, dat zij met Ole Kamp in den echt zoude treden,

zoodra de jeugdige zeeman teruggekomen zou zijn van de laatste zeereis,

die hij ging ondernemen. Een zucht ontsnapte aan de bruid bij het

afleggen dier gelofte. Een jaar wachtens was toch zoo vreeselijk lang.

Maar.... wat er aan te doen?... Die tijd gaat ook om, en goed beschouwd

wat deed het er ook toe, de beide gelieven waren toch zeker van elkander

en vertrouwden elkander dan ook volkomen.

Nu kon Ole Kamp--althans niet zonder gewichtige beweegredenen--haar niet

meer verstooten, die hij tot verloofde aangenomen had. Hulda Hansen

mocht de trouw niet breken, die zij den jongen zeeman gezworen had. En

had de jeugdige verloofde zeeman niet weinige dagen na de plechtigheid

moeten vertrekken, dan zou hij hebben kunnen gebruik maken van de

rechten, die hem onbeperkt geschonken waren, namelijk het jonge meisje

te mogen bezoeken, wanneer hij zulks zou goedvinden, haar te mogen

schrijven zoo dikwijls hem dat lustte, haar zelfs bij afwezigheid van

bloedverwanten op de wandeling te mogen vergezellen en daarbij gearmd

met haar te gaan, steeds de voorkeur te erlangen boven ieder ander, wien

ook, om op danspartijen of bij gelegenheid van andere vermakelijkheden

met haar te dansen. Die rechten waren in het oog van den jongen zeeman

onschatbaar, en ongetwijfeld zou hij ze hebben doen gelden.

Maar plicht gebood. Dienst is godsdienst! Ole Kamp had zich naar Bergen

moeten begeven, en de _Viken_ was met hem naar de vischwateren van

New-Found-Land vertrokken, naar die woeste stormachtige streken, waar

veel meer boos dan kalm weer wordt aangetroffen.

Hulda bleef niets anders over dan de brieven af te wachten, die Ole

beloofd had haar bij iedere postgelegenheid naar Europa te zenden. Zij

kon wel niet anders. Nu was kalme berusting een eigenaardig kenmerk van

haar karakter.

Die brieven, die natuurlijk steeds zoo ongeduldig verwacht werden,

bleven gelukkig niet uit. Zij brachten een weinig geluk aan in die

woning, waar sedert Ole's vertrek droefheid heerschte.

Zoo meldde de eerste brief, dat de overtocht over den Atlantischen

Oceaan zoo voorspoedig mogelijk volbracht was. Een tweede, dat de

vischvangst op zeer voordeelige wijze uitgeoefend werd. Een derde, dat

de te verdeelen winsten belangrijk zouden zijn, enz. enz. En bij het

einde van iederen brief sprak Ole Kamp steeds over een zeker geheim en

over het vermogen, hetwelk hem daardoor zoude aangebracht worden.

Dat was een geheim, hetwelk Hulda had willen kennen en vrouw Hansen ook.

Deze laatste evenwel om redenen, die moeielijk gegist kunnen worden.

Om de waarheid te zeggen, werd vrouw Hansen bij den dag somberder,

onrustiger en meer teruggetrokken. Eene omstandigheid daarenboven, die

zij hare kinderen niet mededeelde, vermeerderde hare zorgen nog. De arme

vrouw ging er inderdaad gebukt onder. Zichtbaar leed zij, alsof zij eene

zware ziekte onder de leden had.

Eens, of liever drie dagen na de aankomst van den laatsten brief van

Ole Kamp, het was toen de 19de April, toen vrouw Hansen alleen van de

houtzagerij terugkeerde, waar zij een zak berkenbast aan den opziener

dier inrichting, Lengling genaamd, had gaan bestellen, en zich naar huis

begaf, werd zij een oogenblik, voordat zij de deur harer woning bereikt

had, aangesproken door een man, die niet uit de buurt en haar dus geheel

vreemd was.

»Zijt gij werkelijk vrouw Hansen," vroeg die man zonder zich een groet

te verwaardigen.

»Ja," antwoordde zij voorzichtig en teruggetrokken. »Wat wilt gij van

mij? Ik ken u in het geheel niet."

»Of gij mij kent of niet, heeft niets te beteekenen," hernam de

vreemdeling. »Ik ben heden ochtend van Drammen hier aangekomen en ik ga

er dadelijk weer heen."

»Van Drammen?" vroeg vrouw Hansen levendig en met nadruk. »Hedenochtend

nog?"

»Ja," was het antwoord. »Kent gij niet een zekeren mijnheer Sandgoïst,

die er woont?"

»Mijnheer Sandgoïst!" riep vrouw Hansen uit, wier gelaat merkbaar

verbleekte.

»Ja, mijnheer Sandgoïst te Drammen," herhaalde de vreemdeling. »Ik

herhaal mijne vraag: kent gij hem?"

De weduwe aarzelde een oogenblik, maar dacht na. Eindelijk antwoordde

zij:

»Ja, ik ken dien heer. Maar, wat heeft uwe vraag te beduiden? Gij maakt

mij nieuwsgierig."

»Welnu, luister. Toen mijnheer Sandgoïst vernam, dat ik naar Dal ging,

verzocht hij mij u van zijnentwege te groeten. Ik voldoe hierbij aan dat

verzoek."

»Mij te groeten?... en... niets anders dan dat?..." vroeg vrouw Hansen

verbouwereerd.

»Neen, niets anders,.... dan om er bij te voegen, dat hij zelf zeer

waarschijnlijk aanstaande maand u een bezoek zou komen brengen.--Goeden

avond, vrouw Hansen, en bestendig welzijn."

»Bestendig welzijn!" herhaalde de weduwe bij wijze van tegengroet.

»Goeden avond!"

V.

HUWELIJKSVOORBEREIDSELEN.

Hulda was inderdaad zeer getroffen door de volharding, waarmede Ole Kamp

steeds in zijn brieven sprak over dat vermogen, hetwelk hij bij zijn

terugkeer rekende te verwerven of te vinden.

Waarop gronde die brave kerel zijn hoop? Daarvoor moesten toch redenen

bestaan.

Hulda kon die niet raden en toch was zij uiterst verlangend om ze te

weten te komen.

Dat verlangen zal haar voorzeker door den lezer vergeven worden,

nietwaar? Want het was geene ijdele nieuwsgierigheid, die haar bezielde.

Neen, waarachtig niet?

Dat geheim raakte haar toch ook wel ietwat. Niet dat zij eerzuchtig

was, of naar aardsche goederen dorstte; neen, zij was een eerbaar en

eenvoudig meisje, dat werkelijk bij hare jeugdige droomen hare gedachten

nimmer door een zucht naar rijkdommen had laten afdwalen. De liefde van

Ole Kamp was haar voldoende en zou haar steeds voldoende zijn. Wanneer

zij ooit eenig vermogen mocht verwerven, dan zou zij daarover zoo'n

bijster groote voldoening niet gevoelen. Verwierf zij het niet, och, dan

zou het verdriet daarover wel te dragen zijn.

Zoo praatten Hulda en Joël Hansen hierover met elkander, daags nadat de

laatste brief van Ole Kamp te Dal ontvangen was. Zij dachten over deze

zaak, zoowel als over alle andere dingen op dezelfde wijze.

In den loop van dit gesprek tusschen broeder en zuster zei Joël:

»Neen, dat is niet mogelijk, zusjelief. Niet mogelijk, inderdaad. Gij

verheelt mij iets. Het kan niet anders."

»Ik!... iets verhelen?" vroeg het jonge meisje. »Hoe komt gij er toe?

Handelde ik ooit zoo?"

»Neen, dat moet ik erkennen. En toch kan ik niet gelooven, dat Ole, uw

bruidegom..."

»Nu, ga voort," sprak Hulda gejaagd. »Waarom blijft gij steken? Ga

voort!"

».... Dat Ole, uw bruidegom, u niet een klein beetje van zijn geheim

zoude verteld hebben!"

»En toch zweer ik u...."

»Neen, zusjelief, zweer niet. Ziet, zoo iets is ongeloofelijk! Geheel

onmogelijk!"

»Maar, Joël, heeft Ole jegens u een woord van zijn geheim gerept?" vroeg

Hulda.

»Jegens mij?"

»Ja, jegens u."

»Neen, dat heeft hij niet, dat moet ik erkennen."

»Ziet ge wel?"

»Maar...."

»Maar wat?.... Kom zeg op, Joël."

»Dat is niet hetzelfde, zusjelief."

»Wat is niet hetzelfde, broertjelief?"

»Gij of ik. Gij kunt niet beweren, dat ik gij ben."

»Jawel, jawel. Gij zijt mijn broeder en dat is hetzelfde," betuigde

Hulda ernstig.

»Het mocht wat!" lachte Joël vroolijk. »Gij moet toch erkennen, dat ik

Ole's bruid niet ben."

»Toch bijna," sprak het jonge meisje, »want wanneer eenig ongeluk hem

trof, wanneer hij van dezen zeetocht niet wederkeerde, zou die ramp u

evenzeer als mij treffen, zoudt gij evenzeer als ik tranen storten. Is

dat zoo niet?"

»Zusjelief," antwoordde Joël Hansen, »ik verbied u bepaald dergelijke

gedachten te koesteren! Wat... Ole Kamp niet terugkomen van zijn

zeetocht!... En dat nog wel van zijn laatsten, die hij naar de

vischwaters van New-Found-Land ondernomen heeft!... Het is onmogelijk,

dat gij het ernstig meent, Hulda."

»Voorzeker, hoop ik het tegendeel, Joël... En toch... hoe zulks te

verklaren?... Ik kan zekere voorgevoelens niet van mij verbannen.... Ik

kan niet beletten, dat schrikwekkende droomen mij des nachts

bezoeken..."

»Droomen zijn slechts droomen, zusjelief!" troostte Joël het jonge

meisje.

»Ongetwijfeld: droomen zijn slechts droomen;... maar van waar komen zij?

Zeg mij dat."

»Uit ons zelven en niet van boven. Gij koestert vrees, Hulda, en die

vrees bevangt u ook gedurende uwen slaap. Zoo is het bovendien bijna

altoos, wanneer men levendig naar iets of iemand verlangd heeft in dit

ondermaansche en het oogenblik nadert, waarin onze verlangens voldaan

zullen worden. Anders is het niet. Vat ge dat, zusjelief?"

»Ja, Joël, ik begrijp u, maar toch..."

»Waarlijk, ik dacht, dat mijne zuster koener was. Ja, koener en meer

geestkracht had!... Wat drommel, gij hebt pas een brief ontvangen,

waarin Ole schrijft, dat de _Viken_ binnen een maand in de haven zal

teruggekeerd zijn, en gij haalt u zulke muizenissen in het hoofd...."

»Neen, geen muizenissen in het hoofd, broeder Joël, maar.... zorgen in

het hart!"

»Kom, laat ons eens uitrekenen. Den hoeveelsten hebben we heden?" vroeg

Joël.

»Wij hebben reeds den 19den April," antwoordde Hulda bekommerd.

»Welnu, dan zal Ole Kamp gevoegelijk tegen den 15den of 20sten Mei hier

kunnen zijn."

»Denkt ge?" vroeg het jonge meisje hoopvol.

»Ja, zeker; laat het eens den 22sten of 24sten worden."

»God geve het!" sprak het meisje met een benauwden zucht. »God geve

het!"

»En mij dunkt," ging de jonkman voort, »dat het meer dan tijd is, om aan

de voorbereidselen van het huwelijk te denken."

»Meent gij dat, Joël?" vroeg het jonge meisje met een verlegen blosje op

de wangen.

»Zeker meen ik dat, Hulda!" antwoordde Joël. »Ik ga zelfs van de meening

uit, dat wij daarmede wellicht reeds te lang gewacht hebben. Denk er

toch om, zusjelief, dat dit huwelijk een feest zal zijn, niet alleen

voor Dal, maar ook voor al de naburige gaards. Ik zou gaarne hebben, dat

de plechtigheid zeer indrukwekkend was, en ik wil alles daarvoor in

gereedheid brengen."

Hulda knikte toestemmend. Zij was te verlegen, om een woord te kunnen

uiten.

Eene plechtigheid, als de onderwerpelijke, is inderdaad geene

kleinigheid, zoowel in de landelijke gewesten van Noorwegen in het

algemeen, als in de streken van de Telemarksche provincie in het

bijzonder. Neen, zoo een feest mocht niet met stille trom gevierd

worden.

Als een gevolg van het gesprek, dat Joël met zijne zuster gehad had,

zocht hij thans een onderhoud met zijne moeder. Dat gelukte weinige

oogenblikken, nadat vrouw Hansen zoo ontroerd was geworden door de

ontmoeting met dien man, welke haar het aanstaande bezoek van mijnheer

Sandgoïst van Drammen aangekondigd had.

Zij had daarna plaats genomen op haren leuningstoel in de groote zaal en

zat daar nu geheel afgetrokken, terwijl zij haar spinnewiel

werktuigelijk dreef.

Joël merkte wel op, dat zijne moeder er nog onrustiger uitzag dan

gewoonlijk; maar daar zij steeds onveranderlijk antwoordde »dat haar

niets scheelde," wanneer men haar over hare afgetrokkenheid ondervroeg,

zoo zweeg hij en wilde over niet anders spreken dan over het huwelijk

van Hulda. Dat was trouwens de reden van zijne komst.

»Moeder," zei hij, »gij weet het, dat Ole volgens zijn laatsten brief,

dien wij ontvangen hebben, waarschijnlijk binnen weinige weken in het

Telemarksche teruggekeerd zal zijn."

Vrouw Hansen scheen niet te hooren, zoozeer was zij in gedachten

verzonken.

»Hoort gij niet, moeder?" vroeg Joël.

De goede vrouw sloeg een blik op hem.

»Het is te wenschen," antwoordde zij. »Ik hoop, dat Ole Kamp geene

vertraging op zijne terugreis moge ondervinden."

»Zijt gij van meening, dat er vertraging zou kunnen ontstaan?"

»Neen.... dat nu precies niet."

»Zou er dan bezwaar tegen wezen, dat de dag van het huwelijk op den

25sten Mei vastgesteld wordt, moeder?"

»Geen, wanneer Hulda hare toestemming geeft. Die is toch vooraf

noodzakelijk."

»Die is reeds verworven, moeder, en nu wenschte ik u te vragen, of gij

bij die gelegenheid de zaken goed wilt doen?"

»Wat verstaat gij »met de zaken goed te willen doen"?" antwoordde vrouw

Hansen op die vraag, evenwel zonder haar oog van den vlasbol op haar

spinnewiel af te wenden, of zonder het wiel te laten vertragen.

»Ik versta daaronder met uw welnemen, dat het vanzelf spreekt, moeder,

dat de plechtigheid geheel en al overeenkomstig onzen stand in het

baljuwschap moet gevierd worden. Wij zijn verplicht al onze kennissen op

het feest te noodigen...."

»Maar, zal ons huis groot genoeg wezen, Joël?" vroeg vrouw Hansen.

»Als ons huis niet ruim genoeg is, dan zullen onze buren wel aanbieden,

om de overschietenden te herbergen, nietwaar?"

»Maar, welke gasten zoudt gij dan verlangen?"

»Ik meen, dat wij alle onze vrienden en kennissen van Moel, van Tiness

en van Bambel moeten uitnoodigen. Dat is mijne zaak en daar zal ik voor

zorgen. Ik meen ook, dat de tegenwoordigheid van de heeren Gebroeders

Help, de reeders te Bergen, zeer veel eer voor de familie zoude wezen."

»De Gebroeders Help?...."

»Ja, moeder, en het zal goed wezen, dat wij hen noodigen, om den

geheelen dag te Dal te komen doorbrengen."

»Den geheelen dag?"

»Het zijn brave lieden, die veel van Ole Kamp houden," antwoordde Joël.

[Illustratie: Daar bezwoer Ole Kamp Hulda Hansen te zullen trouwen.

Blz. 35.]

»Maar, zullen zij de uitnoodiging aannemen?"

»Daar ben ik verzekerd van."

»Is het inderdaad noodig," vroeg vrouw Hansen verder, »dat dit huwelijk

met zooveel omhaal en pracht gesloten wordt?"

»Zeker, moeder, is dat noodig," antwoordde Joël Hansen met vuur en

overtuiging.

»Maar waarom? Zeg mij, waarom?"

»Al ware het slechts in het belang van onze herberg, die zoover ik weet

nog steeds sedert den dood van mijn vader door de bewoners en de

vreemdelingen gewaardeerd wordt...."

»Zeker.... Joël, zeker!" beaamde de zorgzame Scandinavische huisvrouw.

»Is het nu niet onze plicht, die waardeering te rechtvaardigen door voor

de herberg het aanzien te behouden, waarin zij aan ons achtergelaten

werd...."

»Ja.... zoo beschouwd, Joël...."

»Het komt mij dus nuttig en doelmatig voor, om eenige bekendheid, eenige

verbreiding aan het huwelijk mijner zuster Hulda te verleenen. Dunkt u

dat ook niet?"

»Ja, Joël!"

»En nu de zaak van eenen anderen kant beschouwd, dunkt mij, dat het tijd

is, dat Hulda een aanvang met hare voorbereidselen maakt, opdat van hare

zijde geene vertraging moge ontstaan. Welnu, lieve moeder, zeg, wat

antwoordt gij op mijn voorstel? Heb ik geen gelijk, en zie ik de zaken

niet goed in?"

»Ja, Joël; en mijn antwoord luidt," hernam vrouw Hansen, »dat Hulda en

gij maar het noodige moet beredderen."

Misschien zal bij den lezer het denkbeeld opkomen, dat Joël zich een

weinig overhaastte, en dat het verstandiger geweest ware, om de

terugkomst van Ole Kamp af te wachten, alvorens over te gaan tot de

vaststelling van den dag van het huwelijk, en vooral alvorens de

voorbereidselen tot die plechtigheid te beginnen te maken. Maar, zooals

de goede jongen zeide: wat gedaan is, is gedaan, en behoeft niet meer

ondernomen te worden. Dan nog kwam bij hem de overweging, dat Hulda

verstrooiing zoude vinden, wanneer zij zich met de duizend kleinigheden

bezighield, die voor zoo eene plechtigheid vereischt worden. Eene

voorname zaak was het, dat zij niet overgelaten werd aan hare

voorgevoelens, die daarenboven door niets gerechtvaardigd werden,

en waarvoor het beste geneesmiddel was: slechts tijd te winnen.

Vooreerst moest er toch aan de bruidsjuffer gedacht worden. Doch

daaromtrent was de zorg niet groot. De keus was reeds gedaan. Als

zoodanig zoude optreden een beminnenwaardige juffrouw van Bambel, die de

boezemvriendin van Hulda was. Haar vader, de pachter Helmboë, stond aan

het hoofd van een der voornaamste gaards van de geheele provincie. Die

brave en werkzame man was lang niet onbemiddeld. Al sedert langen tijd

had hij het edelmoedig karakter van Joël Hansen leeren waardeeren, en

wij voelen ons verplicht er bij te voegen, dat zijne dochter Siegfrid

ten opzichte van den jonkman niet ongevoelig was gebleven, zoodat ook

zij hem waardeerde, maar op geheel andere wijze als haar vader. Het was

dus meer dan waarschijnlijk, dat Siegfrid, na Hulda tot bruidsjuffer

gestrekt te hebben, dienzelfden dienst van de laatstgenoemde zoude

ontvangen. Zoo geschiedt het althans in Noorwegen. Zelfs in de meeste

gevallen is het liefelijke baantje van bruidsjuffer voor de getrouwde

vrouwen weggelegd. In het onderhavige geval werd dus ten gunste van Joël

van den algemeenen regel afgeweken, toen men het besluit nam, dat froken

Siegfrid Helmboë moest optreden als bruidsjuffer van Hulda Hansen.

Een onuitputtelijk vraagstuk, zoowel voor de bruid zelve als voor de

bruidsjuffer, was de behandeling van het toilet, dat zij op den dag der

plechtigheid zouden dragen. En, inderdaad, dat zou overal eene

gewichtige vraag zijn. Waarom dan niet in het eenvoudige Noorwegen?

Siegfrid Helmboë, eene allerliefste blondine van even achttien jaren

oud, had bij zich zelve het vaste voornemen gevormd, om alles aan te

wenden, dat zij er dien dag op het voordeeligst zou uitzien. Hulda had

haar vriendin, om haar op de hoogte te brengen, natuurlijk een briefje

geschreven, dat Joël even natuurlijk zelf aan de geadresseerde had

willen overhandigen. Daarop had de lieve bruidsjuffer zich, dadelijk en

zonder een oogenblik tijd te verliezen, aan het werk gezet, dat--ieder

jong meisje zal dat moeten beamen--veel zorg en inspanning vereischte.

Het gold toch niets minder dan een zeker soort van keurslijf met

regelmatige figuren geborduurd, dat zoodanig moest vervaardigd worden,

dat het heerlijke middel van froken Siegfrid, als in een geëmailleerd

hulsel omsloten, op zijn voordeeligst uitkwam. Ziet, bij de weelderige

vormen van het lieve kind, bestond daarin eene groote moeielijkheid.

Geen enkele plooi, geen enkele rimpel mocht toch de gladde oppervlakte

van dat keurs ontsieren.

Dan was er ook sprake van een japon, die tot overtrek van een zeker

aantal onderrokken moest dienen, welk aantal met Siegfrid's vermogen en

stand in de maatschappij moest overeenkomen, zonder evenwel aan de

bevalligheid van hare lieve persoon afbreuk te doen. Het was ook een

zeer moeielijk vraagstuk, om de eischen van stand en deftigheid met die

van goeden smaak en bevalligheid in overeenstemming te brengen.

Ook het kiezen der juweelen eischte bedachtzaamheid en eene hooge mate

van kunstzin. Het gold toch vooral de keuze van het slot in het midden

van het halssnoer, van zilverdraad vervaardigd, waarin fraaie paarlen

gewerkt waren! De sloten, voor het keurslijf, die van verguld zilver of

van schitterend gepolijst koper gemaakt moesten zijn, moesten uitgezocht

worden, zoo ook de hartvormige oorhangers van beweeglijke schijfjes

voorzien, de dubbele gouden knoopjes, die het hemdskraagje moesten

sluiten, de ceintuur, die van wol of van roode zijde vervaardigd moest

zijn, en waaraan vier rijen fijne kettinkjes bevestigd zijn, de ringen,

met kleine eikels versierd, die met een welluidend geklingel tegen

elkander tikken, de oorringen en oorbellen, die à jour gewerkt moesten

zijn; in een woord, die geheele landelijke opschik, waarbij het goud

slechts uit verguldsel, het zilver uit bladmetaal, het relief slechts

uit geslagen werk bestaat, waarbij de paarlen slechts door geblazen glas

en de diamanten door geslepen kristal vertegenwoordigd worden! Maar, al

was dat zoo, zoo moest toch gezorgd worden, dat het oog op een bevallig

en aangenaam geheel rustte.

Om daartoe te geraken, aarzelde Siegfrid geen oogenblik, om de rijk

voorziene magazijnen van den heer Benett te Christiana te bezoeken, ten

einde daar hare inkoopen te doen.

Haar vader belette haar dat niet. Integendeel! De brave man liet

zijne dochter in den regel doen, wat zij verkoos, en Siegfrid was

daarenboven verstandig genoeg, om daarvan geen misbruik te maken, door

de vaderlijke beurs te erg aan te spreken. Wat evenwel het zwaarste bij

het onderhavige geval gold, was dat Joël haar op dien dag het mooiste

meisje van het geheele Telemarksche zoude vinden. Wist Siegfrid Helmboë,

dat dit ook zonder opschik zoude geschieden?

Met betrekking tot Hulda was het toiletvraagstuk niet minder gewichtig.

Want de mode is onverbiddelijk en veroorzaakt vele zorgen aan de lieve

meisjes, wanneer zij voor hunnen bruidstooi te zorgen hebben.

Hulda zou bij haar huwelijk eindelijk de lange met vele linten versierde

vlechten, die van onder haar meisjesmutsje ontsnapten, moeten vaarwel

zeggen, zoo ook haar breeden gordel, die met grooten gesp gesloten

werd en bestemd was om haar boezelaar op haar purperrooden japon te

bevestigen. Zij zou dan ook het verlovingskraagje moeten afleggen, dat

Ole Kamp haar bij zijn vertrek naar New-Found-Land geschonken had, zoo

ook de cordon, waaraan die kleine zakjes van geborduurd leder bengelen,

en waarin de kortgesteelde zilveren lepel, de stalen vork, het mes met

elpenbeenen hecht, de bevallige naaldenkoker--allemaal voorwerpen, die

door de getrouwde vrouw bij het vervullen van hare huishoudelijke

plichten voortdurend gebezigd worden--geborgen zijn.

Het is evenwel te betwijfelen, of het jonge meisje bij haren overgang

tot den huwelijken staat, dien jongemeisjestooi wel erg betreuren zou.

De Noorweegsche schoonen zijn op dat punt met die van het overige

gedeelte der aarde vrij wel gelijk te stellen.

Maar, om het even, wat daaromtrent hare meening ook mocht zijn, op den

aanstaanden bruiloftsdag zoude Hulda's haardos vrij en ongedwongen over

hare schouders golven, en die was inderdaad zoo weelderig, dat het niet

noodig zoude zijn, er valsche vlasbundels onder te mengen, hetgeen toch

zoo veelvuldig door de Noorweegsche vrouwen, die over het algemeen niet

met een goedgevulden haartooi begiftigd zijn, gedaan wordt. Neen, zij

zou niet met geleende veêren behoeven te pronken!

Wat hare kleeding en hare juweelen betreft, och, die baarden haar weinig

zorg. Zij had immers slechts te putten uit den voorraad harer moeder. De

hoofdbestanddeelen van het bruidstoilet worden toch in de Noorweegsche

familiën van geslacht tot geslacht zorgvuldig bewaard en aan elkander

overgegeven, hetgeen, dat moet bekend worden, een aandoenlijk gebruik

is.

Zoo zou men bij dat huwelijk weer te voorschijn brengen, het met goud

geborduurde keurslijf, den fluweelen gordel, den van effen of

veelkleurige zijde vervaardigden japon, de wadmel-kousen, de gouden

halsketen en de kroon--de beroemde Scandinavische kroon,--die gewoonlijk

in de kast, waarop het beste slot zit, opgeborgen wordt. Die kroon

vertegenwoordigt geene groote waarde, zooals men meenen zou. Neen, zij

bestaat slechts uit zwaar verguld bordpapier, dat kunstig in reliefwerk

geperst, met sterren als bezaaid, en verder met frisch loofwerk versierd

is. Zij vervangt in Noorwegen den krans van oranjebloesem, die het hoofd

der bruiden in andere landen tooit, is betrekkelijk smaakvoller en zou

met haren stralenkrans van uiterst fijn draadwerk, met hare klingelende

hangers, met hare versiersels van gekleurd glas, op zeer bevallige wijze

het fraaie voorhoofd en het gelaat van Hulda Hansen tooien.

De »gekroonde bruid", zooals men zich in Noorwegen uitdrukt, zou haren

echtgenoot alle eer aandoen.

Het loterijbriefje · 第 3 / 18 段