Joël was van beroep gids in het baljuwschap Telemark, maar ook in het

hooge gebergte van het Hardangersche district. Steeds gereed om op te

breken en te vertrekken, wanneer zijne hulp ingeroepen werd, steeds

onvermoeid en gehard, verdiende hij vergeleken te worden met Rollo den

Voetganger, een der Noorweegsche helden uit den legendetijd, die een

zekere vermaardheid verworven heeft, en in de herinneringen dier streken

voortleeft.

Als hij tijd overhad, dan vergezelde hij de Engelsche jagers, die

dolgraag op de »ripers" en de »jerpers" kwamen schieten, en dan wist hij

hen steeds uitstekende jachtterreinen aan te wijzen.

De riper is een soort ptarmigan of zeevogel, die in Noorwegen veel

grooter is dan op de naburige Hebriden. En de jerper is een soort kleine

patrijs, die fijner en edeler van smaak is dan de Schotsche kwartel.

Was de winter eenmaal in het land, dan legde de wolvenjacht beslag op

zijn tijd; want dan vertoonden zich die verscheurende dieren, daartoe

door den honger gedwongen, tot in de nabijheid der bevroren meeren en

was het waarlijk zaak hen in bedwang te houden.

In den zomer hield hij zich onledig met de berenjacht, wanneer dat dier,

door zijn welpen gevolgd, zijn voedsel van versch gras op de hoogvlakten

komt zoeken, en de jager verplicht is, zijne prooi op een hoogte van

duizend of twaalfhonderd voet te gaan opzoeken en vervolgen. Die jacht

was een kolfje naar zijne hand.

Meer dan eens kwam Joël daarbij in groot levensgevaar, en had zijn

redding te danken, niet alleen aan zijn wonderbaarlijke spierkracht, die

hem in staat stelde weerstand te bieden aan de omarmingen van die

schrikkelijke dieren, maar ook aan zijne onverstoorbare koelbloedigheid,

die hem veroorloofde het gevaar kalm en onverschrokken te overzien en

tegemoet te treden en de middelen te ontwerpen, om er zich uit te

redden. Hij was als het ware voor die streken geschapen.

Wanneer eindelijk de winter met al zijn ruwheid ingevallen was, en hij

geen toeristen den weg had te wijzen in het Vestfjorddal, noch jagers op

hun tochten in de fields te begeleiden, dan hield Joël zich onledig met

de kleine soeter, die op een afstand van weinige mijlen in het gebergte

gelegen was.

Daar bevond zich een jeugdige herder, die door vrouw Hansen bezoldigd

werd, en wien de hoede van een half dozijn koeien, een dertigtal schapen

en evenveel geiten opgedragen was. De soeter bestond slechts uit

weilanden, zoodat er van bebouwing geen sprake was. Er was slechts gras

en nog eens gras, maar dat was van uitmuntende qualiteit.

Joël was gewillig en hulpvaardig van aard. Dat was op zijn eerlijk

gezicht te lezen.

Hij was in al de gaards van de Telemarksche streken bekend, en dat

beteekent dat hij door een ieder geliefd was en men hem in iedere woning

gaarne zag verschijnen. Voor twee wezens koesterde hij evenwel een

bijzonder gevoel, een grenzenlooze toewijding. Dat waren zijn neef Ole

en zijn zuster Hulda. Die twee wezens waren hem inderdaad het dierbaarst

op aarde.

Toen Ole Kamp zich voor den laatsten keer ingescheept had, betreurde

de goedhartige Joël het innig, dat hij Hulda geen bruidsschat kon

verschaffen, om zoodoende haar verloofde in staat te stellen aan wal

te blijven en te trouwen. Ja, een flinke bruidsschat ware het middel

geweest, om de jongelieden overgelukkig te maken.

Wanneer hij met de zee vertrouwd ware geweest, zooals hij het met het

Telemarksche gebergte was, zou hij geen oogenblik geaarzeld hebben, om

zijn neef te laten blijven en in diens plaats te vertrekken, maar van de

zee had hij een hartelijken afkeer, en.... zelfs ingeval hij heenging,

zou toch nog het geluk der beide geliefden niet gegrondvest zijn.

Er moest toch eenig geld zijn om het jonge huishoudentje, hoe bescheiden

ook, op te zetten. Nu had vrouw Hansen geen enkele verbintenis willen

aangaan, zoodat Joël begrepen had, en niet geheel zonder grond, dat zij

niets van het familiegoed kon of mocht wegschenken.

Ole had dus heen moeten gaan, ver, zeer ver aan de andere zijde van

den Atlantischen Oceaan. Joël had hem tot aan de uiterste grenzen van

hun dal langs den weg naar Bergen uitgeleide gedaan. Daar had hij hem

hartelijk aan zijn borst gedrukt, hem goede reis en behouden terugkomst

toegewenscht. Daarna was hij haastig naar zijne zuster teruggekeerd, om

die te troosten. Hij droeg haar toch eene echte broederlijke en

vaderlijke liefde toe.

Op het tijdstip van het begin van dit verhaal telde Hulda achttien

jaren.

Zij behoorde niet tot de klasse der »piga's," zooals de vrouwelijke

dienstbaren in de Noorweegsche herbergen genoemd worden; zij was eerder

eene »poker", die gelijk gesteld kan worden met de Engelsche miss of de

Fransche demoiselle, en voerde ook laatstgenoemden titel, evenals hare

moeder door hare omgeving, madame genoemd werd.

[Illustratie: Meer dan eens kwam Joël daarbij in groot levensgevaar.

Blz. 23.]

Zij had een bekoorlijk gelaat, dat overheerlijk omlijst werd, door hare

blonden haardos, waarover een goudglans lag en die door een licht,

helder wit mutsje bedekt werd, dat aan den achterkant weelderige, lange

en dikke krullen liet ontsnappen. Men kon zien, dat die haardos met de

meeste nauwgezetheid verzorgd werd.

Haar keurslijf van roode stof, dat met groene tressen bezet was, sloot

nauw om haar volle en fraai gevormde buste. Haar keursje gaapte van

voren en liet een borstkleed zien met levendige kleuren geborduurd en

waarboven de kraakzindelijke chemisette te bespeuren was, in welks

mouwen bij het fijne polsgewricht satijnen linten geregen waren.

Haar lenig en slank middel, werd omsloten door een roode ceintuur,

die prijkte met gespen van zilverdraad vervaardigd, en waardoor haar

groene rok opgehouden werd. Hierop droeg zij een veelkleurige geruite

boezelaar, waaronder hare helderwitte kousen ontwaard werden, die

verscholen waren in dat fijne puntige schoeisel, waardoor de

Telemarksche provincie zoo beroemd is geworden.

Ja, waarlijk, de aanstaande van Ole Kamp was bevallig, vooral door haar

ietwat droefgeestig uiterlijk, hetwelk zij met het meerendeel harer

noordsche zusteren gemeen had. Maar, hoewel droefgeestig, waarde toch

steeds een glimlachje op haar gelaat en dat was het juist, wat haar eene

bijzondere bekoorlijkheid verleende.

Wanneer men haar zag, dan dacht men met een onwillekeurig genoegen aan

Blonde Hulda, welker naam zij droeg, en die in de Scandinavische

fabelleer de rol vervult van de weldoende en gelukaanbrengende

toovergodin bij den huiselijken haard.

Als zedig en braaf meisje trad zij altijd op met eene zekere mate van

terughoudendheid, die evenwel geen afbreuk deed aan de natuurlijke

bevalligheid, waarmede zij de gasten, die in de herberg van Dal een

kortstondig onderkomen zochten, te gemoet trad. De toeristen, welke die

streken gewoonlijk bezochten, waren daarmede bekend, en ieder hunner

voelde zich aangetrokken tot haar en beschouwde het als eene ware

aantrekkelijkheid met Hulda de »shakehand", die hartelijke handdruk, die

aan allen, hetzij man of vrouw, aangeboden wordt, te kunnen wisselen.

Gaarne voegden die toeristen haar dan toe:

»Hartelijk dank, lieve Hulda, voor den genoten maaltijd, _Tack for

mad!_"

En zij waren dan overgelukkig, haar met hare frissche, heldere en

welluidende stem te hooren antwoorden:

»Het verheugt mij, dat het u inderdaad gesmaakt heeft. _Wed bekomme!_"

IV.

DE VERLOVING.

Ole Kamp had sedert een jaar het land verlaten en die tijd was hem lang

gevallen.

Zooals hij in zijn brief schreef, was de reis een zeer ruwe tocht,

een ware wintertocht in de streken van New-Found-Land geweest. O, men

verdient daar zijn geld niet zonder moeite, wel te verstaan, wanneer men

het er nog maar verdient. Men ontmoet daar windvlagen, die de vaartuigen

in volle zee dwars van die eilanden overvallen en in weinige uren eene

geheele visschersvloot kunnen vernielen.

Maar, er is overvloed van visch op de bank van New-Found-Land,

het krioelt daar en de scheepsbemanningen kunnen daar, wanneer

het hen eenigszins medeloopt, eene ruime vergoeding vinden voor de

vermoeienissen alsook voor de gevaren, die hen in dat stormgat in

den regel deelachtig zijn.

Daarenboven de Noorwegers zijn goede zeelieden. Dat betwijfelt niemand.

Zij deinzen voor geen arbeid hoe zwaar ook terug, maar weten integendeel

flink armen en handen te gebruiken. Te midden van de fjords van het

kustland, van af Christiansand tot aan de Noordkaap, te midden van

de klippen van Finmark, langs de zee-engten door de Mageroe- en

Loffodden-eilanden, ontbreken hun de gelegenheden niet, om zich met de

woede van de wereldzee vertrouwd te maken. Dat reeds is eene uitstekende

oefenschool voor hen.

Wanneer zij den Noord-Atlantischen Oceaan oversteken, om gezamenlijk

naar de verafgelegen visscherijen van New-Found-land te stevenen,

hebben zij reeds hunne proeven van moed en vastberadenheid afgelegd.

De stormen en orkanen, die zij reeds gedurende hunne kindschheid op de

Europeesche kust doorstaan hebben, hebben hen geleerd, om die op de

Amerikaansche kusten het hoofd te bieden. Het verschil is niet groot,

in laatstbedoelde streken doorstaan zij het begin van den storm, op de

vaderlandsche kusten daarentegen het einde daarvan. Niets meer dan dat.

De Noorwegers daarenboven behooren tot een ras, dat op zee voor geen

klein gerucht vervaard is.

Hunne voorvaderen waren ten tijde, toen de Hanze-bonden zich den handel

van Noordelijk Europa toegeëigend hadden, onverschrokken zeelieden.

Misschien waren zij in die overoude tijden wel ietwat op zeerooverijen

uit; maar dat lag toen zoo in de zeden. De handel en het zeewezen zijn

sedert veel verbeterd en zedelijker geworden, hoewel toch erkend moet

worden, dat nog wel het een en ander, misschien nog wel zeer veel op dat

gebied te verbeteren blijft.

Hoe het ook zij, en wat men er ook van denken moge, de Noorwegers waren

toch stoute varenslieden, zij zijn het inderdaad nog en zullen het wel

altijd blijven.

Ole Kamp was er de man niet naar, om niet te beantwoorden aan hetgeen

van hem volgens zijne afkomst te verwachten was.

Hij had zijne leerjaren onder de leiding van zijn vader, die als een

bekend kustvaarder van Bergen bekend stond, doorgebracht en dezen was

hij zijne inwijding in dat ruwe zeemansleven verschuldigd. Zijne

kindsche jaren had hij in die havenplaats doorgebracht, welke de meest

bedrijvige is van het geheele Scandinavische koninkrijk.

Alvorens naar zee te gaan of beter alvorens de groote tochten te

ondernemen, was hij een stoutmoedige kwajongen geweest, die zich onledig

hield met in de fjords de nesten der watervogels uit te halen of mede

hielp aan de vangst van die ontelbare visschen, die gedroogd zijnde, als

stokvisch in den handel komen.

Toen hij den leeftijd bereikt had, om scheepsjongen te worden, was hij

begonnen met de Oost- en Noordzee te bevaren. Een paar malen hadden zich

zijne tochten tot naar de Hebriden en tot op de westkust van Ierland,

dus tot in den Noord-Atlantischen Oceaan, uitgestrekt; een enkele maal

tot in de Noordpoolstreken naar het eiland Spitsbergen, hetwelk op den

tachtigsten graad noorderbreedte gelegen is.

Toen zijn vader kwam te overlijden, was hij geheel en al wees, daar

zijne moeder reeds ettelijke jaren vroeger gestorven was. Hij werd toen

door Harald Hansen opgenomen, maar wilde het zeemansleven niet vaarwel

zeggen, hetgeen door zijn oom goedgekeurd werd, daar deze zeer goed

inzag, dat hij als het ware voor dat leven in de wieg gelegd was.

Hij verzuimde nooit, wanneer hij van zijne tochten thuis kwam, naar Dal

te gaan, om de bloedverwanten, die hij liefhad, weer te zien. Het waren

trouwens de eenige nabestaanden, die hij op de wereld had.

Hij maakte vervolgens verscheidene reizen aan boord van groote

visschersvaartuigen mede, en verkreeg reeds den stuurmansrang, toen hij

even een-en-twintig jaren oud was.

Thans, bij het begin van dit verhaal, telde hij reeds drie-en-twintig

jaren.

Wanneer hij te Dal was, dan vond hij in zijn neef Joël een waardigen

makker. Hij volgde dezen dan bij al zijn tochten door het gebergte,

door de diepe dalen en tot op de hoogste toppen en bergvlakten van het

Telemarksche bergstelsel. Niets weerhield dien jeugdigen zeeman, noch

fjords, noch fjelds, noch ravijnen, noch rotskammen. Hij bleef nimmer

bij zulke uitstapjes achter, of het moest zijn, om zijne nicht Hulda

gezelschap te houden.

Eene innige vriendschap was langzamerhand tusschen Ole Kamp en Hulda

Hansen ontstaan. Later evenwel was het natuurlijke en zeer begrijpelijke

gevolg van die vriendschap, dat een geheel ander gevoel voor het jonge

meisje in het hart van den jongen zeeman ontkiemd was. En waarom zou

Joël dat gevoel niet aangemoedigd hebben? Zou zijne zuster een beteren

jongeling, met eene meer sympathieke geaardheid, een karakter met meer

toewijding bedeeld, een warmer hart in de geheele provincie aangetroffen

hebben? Wanneer Hulda Ole Kamp huwde, dan kon haar geluk als verzekerd

beschouwd worden. Het jonge meisje legde dus hare gevoelens, met

instemming van hare moeder en van haren broeder, geen den minsten dwang

op. Al zijn die bewoners van de Noordelijke streken min of meer gesloten

bij het openbaren van hun zieleleven, zoo moet men ze toch niet voor

ongevoelig houden. Neen! zoo is nu eenmaal hunne wijze van handelen, en

alles wel beschouwd, zijn zij er niet minder om!

Eens, dat deze vier personen in de groote zaal van de herberg van vrouw

Hansen vereenigd zaten, sprak Ole Kamp plotseling, zonder overgang of

zonder eenige andere voorbereiding.

»Daar valt mij iets in, Hulda. Luister, eene goede gedachte, kindlief."

»Welke gedachte?" vroeg het jonge meisje, terwijl zij den jongen zeeman

aankeek.

»Mij dunkt, dat wij zeer goed zouden doen, wanneer wij te zamen in het

huwelijk traden."

»Dat dunkt mij ook," antwoordde Hulda bedaard, evenwel met een schier

onmerkbaren glimlach op het gelaat.

»Dat zou zeer goed zijn," vulde vrouw Hansen aan, alsof het een reeds

lang overeengekomen zaak ware.

»Dat denk ik ook," hernam Joël, »en op die wijze zou ik natuurlijk uw

schoonbroeder worden."

»Inderdaad," antwoordde Ole Kamp, »maar wees er verzekerd van, ik zal u

dan nog meer liefhebben, dan ik nu reeds doe,--wel te verstaan als dat

mogelijk zal zijn. Ik zal er in ieder geval mijn best toe doen."

»Ja, goed gezegd, Ole, als het mogelijk zal zijn! Nietwaar?"

Een glimlach vloog over het gelaat van den gelukkigen Joël Hansen.

»Ja, lach maar," sprak Ole Kamp. »Gij zult het wel zien en ondervinden."

»Inderdaad, ik verlang niet beter," antwoordde Joël, terwijl hij de hand

zijns vriends greep en die innig drukte.

»Is dit dus afgesproken, Hulda?" vroeg vrouw Hansen ernstig.

»Ja, moeder," bracht het jonge meisje met zachte stem doch zonder

schroom uit.

»Behoef ik u te zeggen, Hulda," hernam Ole Kamp, »dat ik u beminde, al

zeide ik er niets van?"

»Neen, Ole; want ook ik deed zoo. Dat kan ik u evenzeer verzekeren."

»Hoe dat bij mij opgekomen is, weet ik waarlijk niet," betuigde de

gelukkige vrijer.

»Ik zou dat ook niet weten te vertellen," antwoordde het jonge meisje in

allen ernst.

»Zeker moet dat gekomen zijn, lieve Hulda, door dat ik u iederen dag

schooner zag, terwijl gij tegelijkertijd in goede hoedanigheden

toenaamt."

»Is dat nu inderdaad niet overdrijven, waarde Ole? Zoo zult gij mij

bederven," zei het meisje, terwijl hare wangen met een bekoorlijken blos

overtogen werden.

»Waarlijk niet, en ik mag dat wel kunnen zeggen, zonder dat gij daarom

behoeft te blozen; want ik spreek slechts waarheid, niets anders dan de

eenvoudige waarheid."

En zich daarna tot Hulda's moeder wendende, vervolgde hij:

»Hebt gij niet bemerkt, vrouw Hansen, dat ik Hulda beminde?"

»Jawel, zoo wat," antwoordde deze met een glimlach op de lippen.

»En gij, Joël?" ging Ole Kamp met vragen voort. »En gij, die ik mijn

besten vriend noem?"

»Ik?.... Wel, ik heb dat zeer goed en reeds sedert lang bemerkt,"

antwoordde Hulda's broeder.

»Welnu," hernam de verliefde zeeman, vroolijk glimlachende, »ronduit

gesproken, dan hadt gij beiden mij wel kunnen waarschuwen. Want,

waarlijk, ik wist het niet."

Allen keken elkander gedwongen lachend aan, en wisten niet wat te

antwoorden. Eindelijk hernam Joël:

»Hoe kon ik dat? Dat was zoo moeielijk te zeggen. Daarenboven ik kon mij

vergissen, nietwaar? En dan was het, alsof ik u mijne zuster opdrong. En

dat mocht toch niet."

»Maar," vroeg vrouw Hansen, om het gesprek eene andere wending te geven,

»zal u het reizen niet al te onaangenaam zijn, Ole, wanneer gij eenmaal

getrouwd zult wezen?"

»Zeker zal het dat," antwoordde Ole Kamp, »en wel zoodanig, dat ik

besloten heb niet meer te varen, nadat ons huwelijk gesloten zal zijn.

Is dat geen goed besluit, Hulda?"

»Niet meer te varen!...." vroeg het meisje uiterst bedaard. »Is dat

mogelijk?"

»Zeker is dat mogelijk, Hulda. Vraag liever, of het mogelijk zou zijn,

dat ik u voor lange, lange maanden zou kunnen verlaten? Raad dan eens

welk antwoord mijn hart daarop geeft."

»Dus gij gaat thans voor den laatsten keer naar zee?" vroeg het jonge

meisje verrast.

»Ja; maar ik vertrek niet zonder goede vooruitzichten. Deze reis zal mij

in staat stellen een aardig spaarduitje over te leggen, daar de heeren

Gebroeders Help beloofd hebben, mij een vol aandeel in de winst uit te

keeren...."

»Inderdaad, dat zijn brave menschen!" viel hem Joël Hansen in de rede.

»Zeker zijn zij dat! Het zijn de beste menschen, die ik ken," antwoordde

Ole Kamp. »Zij zijn dan ook overal bekend en worden door alle zeelieden

gewaardeerd."

»Maar, beste Ole," vroeg Hulda, »als gij niet meer gaat varen, wat zijt

gij dan voornemens ter hand te nemen. Een man moet toch een beroep

hebben?"

»Ja, daar heb ik al aan gedacht. Ik zal dan de makker, de vennoot van

Joël worden. Ik heb goede beenen en mochten ze te kort schieten, dan zal

ik mij een paar andere vervaardigen, door mij langzamerhand, maar ter

dege te oefenen. Dan heb ik ook nog om eene zaak gedacht, die wellicht

niet te versmaden zal zijn. Waarom zouden wij geen postwagendienst

tusschen Drammen, Honsberg en de gaards van de Telemarksche provincie

oprichten. De gemeenschapsmiddelen zijn er verre van gemakkelijk en

worden zeer onregelmatig onderhouden. Gij ziet, dat ik plannen beraam

voor de toekomst, zonder nog te rekenen op...."

Hier bleef hij steken. Hij aarzelde blijkbaar. Het was, alsof hij zich

verpraat had.

»Waarop?" vroeg Hulda nieuwsgierig.

»Niets, niets," antwoordde hij ontwijkend. »Wij zullen daarover bij

mijne terugkomst spreken. Maar ik verzeker u, dat ik alles zal doen,

alles zal ter hand nemen om te bewerken, dat mijne Hulda de meest

benijde, de gelukkigste vrouw van het geheele land zal wezen. Ja, dat

heb ik vast besloten, en God zal mij sterken en bij de uitvoering

behulpzaam zijn."

»Als ge eens wist, welke gemakkelijke taak dat voor u zal wezen,"

antwoordde Hulda, terwijl zij hem hare fraaie hand reikte, die hij met

warmte in de zijne klemde. »Is dat niet reeds voor een groot deel

volbracht? Bestaat er in geheel Dal een huisgezin waarin meer geluk

aangetroffen wordt dan het onze?"

Vrouw Hansen had voor een oogenblik bewogen het hoofd afgewend en een

traan weggepinkt.

»Dus," hernam Ole Kamp op vroolijken toon aandringende, »dus de zaak is

beklonken?"

[Illustratie: Hulda telde achttien jaren. Blz. 24.]

»Ja," antwoordde Joël Hansen, »dat is zij. Mijne hand er op! Ik krijg

een flinken broeder."

»En, er zal niet meer op teruggekomen kunnen worden? Bedenkt u allen

wel."

»Nooit!"

»Zult gij geen berouw hebben, Hulda?" drong Ole Kamp bij het meisje aan.

»Nimmer, beste Ole."

»Zouden wij nu maar niet den dag van ons huwelijk vaststellen? Dan is

dat reeds gedaan."

»Ware het niet beter daarmede te wachten tot na uwe terugkomst?" meende

Joël Hansen. »Mij dunkt althans, dat zulks beter ware. Wat denkt gij,

moeder?"

»Ik deel geheel uwe meening," antwoordde vrouw Hansen. »Waartoe zooveel

haast?"

»Het zij zoo," sprak Ole Kamp met een zucht. »Dan dien ik mij te

onderwerpen; maar het zal van mij niet afhangen en het ongeluk zou mij

al zeer moeten vervolgen, wanneer ik niet binnen het jaar terug zal

zijn, om mijne Hulda naar de kerk van Moel te geleiden, alwaar onze

herder, dominé Andresen wel niet weigeren zal ons huwelijk in te

zegenen, en zijne beste en vurigste gebeden voor ons beider geluk naar

den Hemel op te zenden."

Ziedaar, hoe tot het huwelijk van Hulda Hansen met Ole Kamp besloten

was.

Eenvoudiger kon het waarlijk niet!

De jeugdige zeeman moest uiterlijk acht dagen later aan boord van zijn

schip zijn. Alvorens evenwel dit vertrek plaats zou hebben, zouden de

beide aanstaanden volgens de aandoenlijke gebruiken, in het oude

Scandinavië in zwang, plechtig verloofd worden.

In het eenvoudige en eerbare Noorwegen bestaat namelijk de algemeene

gewoonte, om zich te verloven alvorens in het huwelijk te treden. Die

eindverbintenis wordt zelfs somtijds eerst twee of drie jaren na die

verloving gesloten. Brengt dat niet eenigermate de gebruiken der eerste

geloovigen bij het ontstaan van het Christendom in herinnering?

De lezer moet zich evenwel niet verbeelden, dat die verloving slechts

bestaan zoude uit een dor formulier van woorden, welker waarde slechts

op de goede trouw der betrokken partijen zoude berusten. Neen, de

verbintenis is veel ernstiger, en, al wordt zij niet door de geschreven

wet erkend en geschraagd, zoo wordt zij toch door het gebruik, die

natuurlijke wet der oorspronkelijke volkeren bestendigd en bekrachtigd.

Het gold thans in het onderhavige geval van Hulda Hansen en van Ole

Kamp, om eene plechtigheid te vieren, waarbij de predikant Andresen zou

voorgaan. Er was geen godsdienstleeraar te Dal, evenmin als in de

aangrenzende gaards van het Telemarksche gewest.

Bovendien worden in Noorwegen plaatsen aangetroffen, die »zondagssteden"

genoemd worden, en waar zich de »proestegjelb" of pastorie bevindt. Daar

komen de voornaamste familiën van het geheele kerspel tot het houden

van godsdienstoefening te zamen. In den regel bezitten zij daar een

optrekje, groot of klein, geschikt om hen gedurende den tijd die noodig

is om hunne godsdienstplichten uit te oefenen en waarmede in den regel

vier en twintig uren gemoeid zijn, een onderdak te verleenen.

Zijn die plichten volbracht, dan keert men naar huis terug, alsof men

een pelgrimstocht volbracht heeft.

Dal bezit wel is waar eene kapel en zelfs eene zeer fraaie kapel;

maar de predikant van Moel begeeft zich niet derwaarts, dan wanneer

hij daartoe aangezocht wordt en dan nog slechts voor bijzondere

plechtigheden, die niet tot de openbare behooren. Deze laatsten moeten

te Moel voltrokken worden, volgens het besluit van den kerkeraad.

Maar, dat brengt geen stoornis te weeg; want Moel is niet ver van Dal

verwijderd. Hoogstens wordt een halve Noorweegsche mijl, een afstand,

die ongeveer met zes kilometers van onze lengtemaat overeenkomt,

gerekend van Dal tot aan het uiteinde van het Tinnermeer.

Wat den predikant betreft, dat was een zeer dienstvaardig man; die

bekend stond als een uitstekend voetganger.

Die geestelijke heer werd dus in zijne dubbele qualiteit eerstens van

predikant en daarna van vriend van de familie Hansen uitgenoodigd, om de

verloving met zijne tegenwoordigheid te vereeren en haar in te zegenen.

De eerwaarde heer kende de familie sedert geruimen tijd. Hij had Hulda

en Joël bij hunne geboorte gedoopt, had ze zien opgroeien en had hen

lief, evenals hij Ole Kamp, dien »jonge zeewolf," zooals hij hem noemde,

liefhad. Niets deed hem meer genoegen dan dat huwelijk, en waarlijk deze

vereeniging was wel geschikt om de geheele streek van het Vestfjorddal

in feestelijke stemming te brengen. Allen, groot of klein, jong of oud,

arm of rijk, waren daarmede ingenomen en allen gaven daarover hunne

vreugde zoo luidruchtig mogelijk te kennen.

Dominé Andresen voldeed dan ook gaarne aan het hem gedane verzoek, greep

op een goeden dag zijn steek, zijne bef en zijn bijbel en vertrok naar

Dal, hoewel het dien dag nog al regenachtig was. Hij kwam ter bestemder

plaatse met Joël Hansen aan, die hem halverwege te gemoet was gegaan.

Het loterijbriefje · 第 2 / 18 段