Produced by Anna Tuinman, Eline Visser and the Online
Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
+---------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
| |
| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
| |
| De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als |
| _cursief_. Vette tekst is weergegeven als =vet=. |
| |
| De titelpagina en de eerste pagina met advertenties zijn ten |
| opzichte van het origineel omgewisseld. |
| |
| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
| aangebrachte correcties. |
| |
| Het origineel van dit e-boek is een vertaling van het franse |
| boek 'Un billet de loterie'. |
| Dit boek is ook als e-boek beschikbaar via Project Gutenberg: |
| https://www.gutenberg.org/etext/15203 |
| De engelse vertaling 'Ticket No. "9672"' is beschikbaar via |
| https://www.gutenberg.org/etext/13527 |
| |
+---------------------------------------------------------------+
HET LOTERIJBRIEFJE
WONDERREIZEN.
JULES VERNE
HET LOTERIJBRIEFJE
[Decoratieve Illustratie]
AMSTERDAM
UITGEVERS-MAATSCHAPPY "ELSEVIER"
1916
JULES VERNE'S
GEÏLLUSTREERDE WONDERREIZEN.
Prijs per deel: =90= cts. ingen., f =1.25= geb.
1 DE REIS OM DE WERELD IN 80 DAGEN.
2 DE REIS NAAR DE MAAN IN 28 DAGEN.
3 DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT. Zuid-Amerika.
4 DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT. Australië.
5 DE KINDEREN VAN KAPITEIN GRANT. Stille Zuidzee.
6 20.000 MIJLEN ONDER ZEE. Oostelijk Halfrond.
7 20.000 MIJLEN ONDER ZEE. Westelijk Halfrond.
8 VIJF WEKEN IN EEN LUCHTBALLON. Ontdekkingsreis in de
Binnenlanden van Afrika.
9 HET GEHEIMZINNIGE EILAND. De Luchtschipbreukelingen.
10 HET GEHEIMZINNIGE EILAND. De Verlatene.
11 NAAR HET MIDDELPUNT DER AARDE.
12 MICHAEL STROGOFF, DE KOERIER VAN DEN CZAAR.
13 HET ZWARTE GOUD.
14 HECTOR SERVADAC. De Vulkaanbewoners.
15 HECTOR SERVADAC. De Terugtocht naar de Aarde.
16 AVONTUREN VAN DRIE RUSSEN EN DRIE ENGELSCHEN.
Gevolgd door »De Blokkadebrekers."
17 EEN KAPITEIN VAN 15 JAAR. De Walvischjagers.
18 EEN KAPITEIN VAN 15 JAAR. In Slavernij.
19 DE SCHIPBREUK VAN DE CHANCELLOR.
20 WONDERLIJKE AVONTUREN VAN EEN CHINEES.
21 ELDORADO EN HET MONSTERKANON VAN STAALSTAD.
Gevolgd door »Meester Zacharias".
22 HET LAND DER BUITENSTE DUISTERNIS. De Pelterijhandel.
23 HET LAND DER BUITENSTE DUISTERNIS. Het drijvende Eiland.
24 HET STOOMHUIS. De IJzeren Reus.
25 HET STOOMHUIS. De Waanzinnige der Nerbudda.
26 REIZEN EN LOTGEVALLEN VAN KAPITEIN HATTERAS. De Engelschen aan
de Noordpool.
27 REIZEN EN LOTGEVALLEN VAN KAPITEIN HATTERAS. De IJswoestijn.
28 EENE VLOTREIS. 800 Mijlen op de Amazone.
29 EENE VLOTREIS. Het Raadselschrift.
30 EEN LEERSCHOOL VOOR ROBINSONS.
31 DE WONDERSTRAAL.
32 KERABAN DE STIJFHOOFDIGE. Een Hollander in de Klem.
33 KERABAN DE STIJFHOOFDIGE. Schipbreuk en Redding.
34 DE ZUIDSTER. Het Land der Diamanten.
35 DE ARCHIPEL IN VUUR EN VLAM.
36 DE VONDELING VAN HET FREGAT CYNTHIA.
37 MATHIAS SANDORF. Een verijdelde Samenzwering.
38 MATHIAS SANDORF. De Middellandsche Zee.
39 MATHIAS SANDORF. Een Model-Volkplanting.
40 HET LOTERIJBRIEFJE.
41 ROBUR DE VEROVERAAR.
42 DE STRIJD TUSSCHEN NOORD EN ZUID. Overrompeling eener Plantage.
43 DE STRIJD TUSSCHEN NOORD EN ZUID. De zwarte Kreek van Texas.
44 1792. OP WEG NAAR FRANKRIJK.
45 TWEE JAAR VACANTIE. De mislukte Pleiziertocht.
46 TWEE JAAR VACANTIE. Een Knapenkolonie.
47 DE FAMILIE ZONDER NAAM. Het Verraad van Simon Morgaz.
48 DE FAMILIE ZONDER NAAM. De Opstand van 1837.
49 EEN SCHOT IN DE LUCHT.
50 CESAR CASCABEL. De schoone Zwerfster.
51 CESAR CASCABEL. Over het IJs en door de Steppen.
* * * * *
Boek- en Kunstdrukkerij P. A. Geurts, Nijmegen.
I.
DE BRIEF.
»Hoe laat is het thans? Het kan onmogelijk vroeg meer zijn. Kijk eens."
Die vraag werd gedaan door vrouw Hansen, terwijl zij de asch uit hare
tabakspijp klopte en den laatst ingezwolgen tabaksrook in dikke krullen
naar de gekleurde balken van het plafond met een soort welbehagen
uitblies.
»Ja, ik zal even zien, moeder. Het is zes minuten vóór achten,"
antwoordde Hulda.
»Het is niet waarschijnlijk, dat wij dezen nacht nog reizigers zullen
moeten opnemen."
»Waarom niet?"
»Het weer is te slecht. Zie de lucht eens grauw zijn en de wolken door
den stormwind voortgejaagd worden."
»Dat is zoo, misschien hebt gij gelijk. Maar, hoe het ook zij, de kamers
zijn gereed en ik zal het wel hooren, wanneer buiten geroepen wordt.
Wees dus onbezorgd. Alles is beredderd."
»Is uw broeder teruggekomen?"
»Neen, nog niet.... Maar verwacht gij hem dan terug, moederlief?" vroeg
Hulda.
»Heeft hij dan niet gezegd, dat hij heden thuis zou komen? Mij dunkt
toch zoo."
»Neen, moeder. Hoe komt gij er aan? Ik meen, dat zulks onmogelijk kan.
Het is te ver."
»Onmogelijk?.... Wat bedoelt gij daarmede? Is hij dan op de jacht?"
»Neen, Joël strekt thans een reiziger tot gids naar het Tinnermeer,
en...."
»Welnu, en?"
»En, daar hij zeer laat vertrokken is, geloof ik niet dat hij voor
morgen te Dal terug zal kunnen zijn."
»Neen, daarvan heeft hij mij niets gezegd.... Hij zal dus te Moel
overnachten?"
»Ongetwijfeld moet hij dat, moeder, tenzij hij...."
»Tenzij. Nu, ga voort.... Waarom aarzelt gij, Hulda? Tenzij...."
»Tenzij hij naar Bambel ga, om een bezoek aan den pachter Helmboë te
brengen...."
»En vooral aan zijne dochter! Is het niet zoo? Raad ik niet veel beter,
Hulda?"
»Ja moeder, aan Siegfrid, mijn beste vriendin, die ik als eene dierbare
zuster liefheb," antwoordde het jonge meisje met een glimlach. »Zoudt
gij iets tegen dat bezoek hebben? Zou u dat hinderen?"
Vrouw Hansen keek hare dochter een oogenblik aan, maar hernam spoedig
daarop:
»Kom, Hulda, doe de deur dicht en laten wij slapen gaan. Ik heb rust
noodig."
»Gij gevoelt u toch niet onwel, lieve moeder? Gij maakt mij inderdaad
bezorgd."
»Neen, ik gevoel mij integendeel zeer wel. Maar waarom die vraag? Waarom
die bezorgdheid?"
»Omdat gij zoo vroeg te bed wilt, moeder. Dat ben ik niet van u gewoon."
»Dat is zoo; maar ik moet vroeg te bed gaan, omdat ik morgenochtend
bijtijds wil opstaan."
»Waarom, moederlief?"
»Ik ben voornemens naar Moel te gaan. En daartoe mag ik mij niet te laat
op weg begeven."
»Naar Moel? Wat wilt gij er doen?"
»Moet ik onzen voorraad levensmiddelen niet aanvullen voor het
zomerseizoen, dat voor de deur staat?"
»Is dan de bode van Christiania met zijne kar met wijn en eetbare waren
te Moel aangekomen?"
»Ja, Hulda," antwoordde vrouw Hansen. »Dezen namiddag heeft Lengling,
de meesterknecht van den houtzaagmolen, hem ontmoet, en die heeft mij
in het voorbijgaan op de hoogte gebracht. Van onzen voorraad ham en
gerookte zalm is niet veel over, en ik wil niet op een gegeven oogenblik
het noodige missen. Wanneer het weer beter wordt, zult gij de toeristen
voor en na zien opdagen, om hunne uitstapjes in het Telemarksche te
beginnen. Onze herberg moet dan behoorlijk voorzien zijn, om hen naar
eisch te kunnen ontvangen, en zij moeten er alles kunnen vinden, wat
zij gedurende hun verblijf noodig mochten hebben. Weet gij wel...."
»Wat, moeder?"
»Dat het reeds de 15de April is, Hulda. De fraaie dagen zullen nu wel
ras komen."
»De 15de April!" mompelde het jonge meisje binnensmonds en als in
gedachten verzonken.
»Ik zal mij dus morgen met dat alles bezighouden," hernam vrouw Hansen.
»In twee uren tijd zal ik onze inkoopen gedaan hebben en zal ik zorgen,
dat de bode het gekochte hier zal brengen. Daarna zal ik met Joël in
zijn karretje terugkeeren. Mij dunkt, dat dit zoo goed en wel overlegd
is. Vindt ge niet?"
»Zeker, moeder, maar wanneer gij den postbode mocht ontmoeten, vergeet
dan niet hem te vragen, of hij niet een brief voor ons heeft.... Zult
gij het niet vergeten?"
»Een brief voor ons of.... voor u, nietwaar? Het is intusschen niet
onmogelijk, want de laatste brief van Ole dagteekent reeds van meer dan
een maand geleden."
»Ja, een maand!.... meer dan een maand!" zuchtte het jonge meisje zacht,
maar toch hoorbaar.
»Berokken u geen voorbarig verdriet, Hulda," vervolgde vrouw Hansen.
»Het uitblijven van dat schrijven kan ons niet bevreemden. Daarenboven
al zou de postbode van Moel niets meegebracht hebben, dan moet u dat nog
niet ontmoedigen; want wat niet langs Christiania komt, kan ons langs
Bergen bereiken."
»Ongetwijfeld, moeder," antwoordde Hulda, »maar kan ik het helpen,
dat ik bezorgd ben? Ja, het is mij bang om het hart, maar is dat te
verwonderen? De vischwaters van New-Foundland zijn zoo ver van hier! Een
geheele Oceaan scheidt ons en dat nog wel in het barre seizoen! Het zal
weldra een jaar geleden zijn, dat mijn arme Ole vertrokken is! En wie
zal kunnen voorspellen, wanneer hij ons weer te Dal zal komen bezoeken?
Niemand, nietwaar? O, dat visschersbedrijf is toch het ellendigste
bestaan op de wereld!"
»En, of wij er bij zijne terugkomst nog zijn zullen?" prevelde vrouw
Hansen zoo zacht, dat hare dochter onmogelijk kon hooren, wat zij zeide.
Hulda ging de straatdeur der herberg sluiten, die op den weg van het
Vestfjorddal uitkwam. Zij nam niet eens de voorzorg om den sleutel in
het slot om te draaien. In dat gastvrije land van Noorwegen zijn die
veiligheidsmaatregelen volmaakt overbodig. Men acht het oirbaar, dat
ieder reiziger zoowel des nachts als over dag de huizen der gaards en
der soeters kan binnentreden, zonder dat het noodzakelijk zij, dat hen
de deur geopend worde. Geen bezoek van nachtelijke rondsluipers of van
boosdoeners is te vreezen, zoomin in de baljuwschappen als in de meest
afgelegen gehuchten van de provincie. Geen misdadige aanslag tegen de
goederen of de personen der ingezetenen heeft er ooit het
veiligheidsgevoel der bewoners verzwakt of gekrenkt.
Moeder en dochter bewoonden twee vertrekken, die op de eerste
verdieping aan den voorkant van de herberg gelegen waren. Het waren twee
frissche en uiterst zindelijke kamers, die wel is waar op bescheiden
wijze gemeubileerd waren, maar waarin bij de geheele inrichting en
rangschikking de liefelijke en zorgzame hand der degelijke huisvrouw te
ontwaren was. Daarboven onder de dakbedekking, die als de nokluifel van
een Zwitsersch huisje breed uitstak, bevond zich de kamer van Joël, die
het daglicht slechts ontving door één venster, dat evenwel door eene
keurig bewerkte omlijsting van dennenhout omgeven was. Vandaar kon het
oog niet alleen een prachtig en grootsch vergezicht op het gebergte
genieten, maar ook dringen in de diepte van het nauwe dal, waarin de
Maan, eene rivier, die volkomen het karakter van een woesten bergstroom
had, bruiste. Een houten trap met fraai bewerkte leuning en gladde
treden verleende van uit de groote zaal, die gelijkvloers gelegen was,
toegang tot de bovenverdiepingen. Er was niets bekoorlijkers uit te
denken dan het gezicht van die woning, waar den reiziger eene verpleging
wachtte, zooals hem slechts zelden in de herbergen van Noorwegen ten
deel valt.
Hulda en hare moeder betrokken dus de eerste verdieping. Daar zonderden
zij zich beiden af, wanneer zij zonder gasten waren. Reeds was vrouw
Hansen de trap opgeklommen, waarbij zij zich door middel van een
veelkleurigen glazen kandelaar voorlichtte, toen zij zich bedacht en
plotseling staan bleef.
Buiten werd toch aan de deur geklopt en eene luide stem vernomen:
»Vrouw Hansen! Vrouw Hansen!" riep zij.
Vrouw Hansen daalde de trap weer af. Haar gelaat teekende blijkbaar
nieuwsgierigheid.
»Wie kan nog zoo laat komen?" mompelde Hulda zacht en op vreesachtigen
toon.
»Dat vraag ik mij al af," antwoordde hare moeder, die ook ongerust
scheen.
»Als Joël maar niets overkomen is," hernam het jonge meisje met gejaagde
stem.
En haastig stapte zij naar de deur, die zij in een oogwenk openmaakte.
Daar stond een jonge borst--een van die knapen, die het beroep van
skydskarl uitoefenen, een beroep dat daarin bestaat zich aan het
achterste gedeelte der karretjes vast te klemmen om zoo mede te draven,
ten einde het paard naar de vorige verspanningsplaats, wanneer van
trekdier verwisseld moet worden, terug te kunnen voeren. Die knaap
stond, toen de deur openging, rechtop op den drempel en nam met
vriendelijk gebaar zijne pet af.
»Wat verlangt ge op dit uur?" vroeg Hulda.
»Vooreerst u goedenavond te wenschen," antwoordde de knaap, beleefd
groetend.
»Is dat alles?" vroeg het meisje den groet met een hartelijken glimlach
beantwoordende.
»Neen."
»Wat dan nog?"
»Neen, dat is niet alles; maar nietwaar, ik moest toch beginnen met
beleefd te zijn."
»Volkomen juist. Maar wie zendt u? Gij hebt gegroet, spreek nu! Dan
geschiedt alles op zijn beurt."
»Ik kom vanwege uwen broeder Joël."
»Joël?.... Wat is er met hem?" vroeg vrouw Hansen op zeer angstigen
toon. »Spreek, wat is er met hem?"
Zij trad naar de deur met dien langzamen en afgemeten pas, die den
gang der bewoners van Noorwegen kenschetst. Dat er kwikzilver in de
mijnaderen van hunnen bodem aanwezig is, kan mogelijk zijn; maar in de
aderen van hun lichaam wordt het niet of slechts bij wijze van sporen
aangetroffen. Zij zijn de kalmte en bezadigdheid verpersoonlijkt.
Het antwoord van den skydskarl had toch eenige aandoening in het
moederlijke hart teweeggebracht, want vrouw Hansen herhaalde hare vraag
eenigermate onstuimig.
»Wat is er met Joël?.... Is hem iets overkomen?.... Spreek dan toch,
mijn jongen!"
»Dat hem iets overkomen zou zijn?.... Dat weet ik niet. Maar wel weet
ik, dat hij iets gekregen heeft."
»Wat?"
»Een brief, dien de postbode van Christiania uit Drammen heeft
meegebracht."
»Komt die brief uit Drammen?" vroeg vrouw Hansen met gedempte stem.
»Dat weet ik niet," antwoordde de knaap. »Alles wat ik weet is, dat Joël
niet voor morgen terugkeeren kan en dat hij mij naar u toegezonden
heeft, om u dezen brief over te brengen."
»Er is dus haast bij?" vroeg Hulda vrij bedremmeld. »Zeg, is er haast
bij?"
»Dat schijnt zoo."
»Geef op," zei vrouw Hansen op een toon, die genoegzaam eene vrij hevige
onrust aanduidde.
»Zie, hier is hij," antwoordde de knaap, terwijl hij den brief toonde,
»geheel zindelijk en niet gekreukt. Maar...."
»Maar wat?... Geef dien brief toch over, jongen. Hoort gij niet?"
»Maar hij is niet voor u bestemd."
Het was alsof vrouw Hansen gemakkelijker kon ademen, na het vernemen van
dat bericht.
»En voor wie is hij dan bestemd?"
»Voor uwe dochter. Ziehier. Lees dit adres maar:
_Aan Mejuffrouw Hulda Hansen te Dal._"
»Voor mij!" riep Hulda uit. »O, het is een brief van Ole, daar ben
ik zeker van, een brief die over Christiania gekomen is. Mijn goede
broeder, wetende hoeveel genoegen hij mij verschaffen zou, heeft mij
niet noodeloos willen laten wachten. Dat vind ik heerlijk! Geef hier,
jongen!"
Hulda had den brief aangenomen. Zij greep toen den kandelaar, die op de
tafel geplaatst was, lichtte zich bij en herlas toen het opschrift.
»Ja!" riep zij, »de brief is van hem!... Ja, van hem!... O, dat hij toch
de tijding moge bevatten, dat de _Viken_ op de terugreis is! Dat zou nog
heerlijker zijn!"
Inmiddels had vrouw Hansen, die de vreugde van hare dochter met
welgevallen waargenomen had, den jongen gevraagd:
»Komt ge niet binnen, jongen? Daar is een stoel, neem plaats bij het
vuur."
»Een minuut slechts, om wat uit te blazen en mij wat te warmen,"
antwoordde de skydskarl.
»Hebt ge zoo weinig tijd?"
»Ik moet hedenavond te huis zijn, omdat ik besproken ben om
morgenochtend heel vroeg een karretje te begeleiden."
»Welnu, zeg dan aan Joël, dat ik van plan ben hem op te zoeken. Hij kan
mij verwachten."
»Wanneer? Morgenavond?"
»Neen, in den ochtend. Hij moet Moel niet verlaten, zonder mij gesproken
te hebben. Wij zullen dan te zamen naar Dal terugkeeren."
»Dat 's afgesproken, vrouw Hansen."
»Wilt gij een borrel brandewijn? Die zal bij dit frissche weer smaken.
Wilt ge?"
»Met genoegen, vrouw Hansen, en ik ben u zeer dankbaar voor het aanbod."
De knaap was de tafel genaderd, en vrouw Hansen reikte hem een glaasje
van dien hartsterkenden brandewijn aan, die als zeker middel beschouwd
wordt tegen de schadelijke invloeden van de avondnevelen. Hij slurpte
tot den laatsten droppel op, zette het glaasje op de tafel neer en zei
eindelijk:
»_God aften._"
»_God aften_, mijn jongen!" was het antwoord der goede vrouw. »_God
aften!_"
_God aften_ is de Noorweegsche avondgroet. Hij wordt hartelijk maar
eenvoudig gewisseld, waarbij zelfs geen hoofdknik te pas komt. Zoo ook
handelde de skydskarl.
De jonge borst vertrok toen, onbekommerd over het lange eind weegs, dat
hij af te leggen had. Zijne voetstappen waren weldra niet meer waar te
nemen, verdoofd als zij werden onder het ontluikende loof der boomen,
dat het pad begon te belommeren, hetwelk langs den bergstroom voerde.
Een deuntje, dat hij lustig floot, werd evenwel nog lang vernomen.
Hulda beschouwde nog steeds den brief van Ole en scheen niet gehaast te
zijn den omslag open te maken. Daar was wel reden toe. Men bedenke toch.
Dat zwakke papieren omhulsel had den geheelen Atlantischen Oceaan, die
overgroote wereldzee, waarin zich de rivieren van Westelijk Noorwegen
uitstorten, moeten oversteken om haar te kunnen bereiken. Met de meeste
aandacht bekeek zij de verschillende postzegels, die er opgeplakt en
de poststempels, die er op afgedrukt waren. Die brief was den 15den
Maart te Sint Johns in de bus gegleden en kwam eerst op den 15den April
te Dal aan. Hoe, het was reeds een maand geleden, dat Ole dien brief
geschreven had! Hoevele gebeurtenissen hadden gedurende die maand in de
omstreken van New-Found-land--naam, dien de Engelschen aan het eiland
gegeven hebben, hetwelk de Franschen Terre Neuve heeten--kunnen plaats
grijpen! Men was nog in het wintertijdvak, niet ver verwijderd van de
nachtevening. Die vischterreinen zijn, wat de gesteldheid der zee
betreft, de slechtste der wereld, waar de meest geduchte windvlagen
heerschen, die van af de Noordpool ongehinderd over de vlakte van
Noord-Amerika waaien! Het visschersberoep is daar een zeer moeielijk en
uiterst gevaarlijk baantje. En Ole had dat beroep gekozen! Maar waarom?
Was het niet om de winsten aan haar, aan zijn verloofde, thuis te kunnen
brengen, aan haar met wie hij bij zijne terugkomst in het huwelijk zou
treden! Arme Ole! Wat vertelde hij toch in dien brief? Ongetwijfeld het
eeuwige liedje: dat hij Hulda steeds liefhad, zooals Hulda hem steeds
zou liefhebben, dat hunne gedachten in weerwil der afwezigheid, in
weerwil van den afstand, die hen scheidde, in elkander smolten en dat
hij naar den dag smachtte, die zijne aankomst te Dal zou verlichten!
De brieven van geliefden zijn toch veelal uiterst eentonig.
[Illustratie: Siegfrid Helmboë.]
Ja, dat alles moest hij schrijven, Hulda was er verzekerd van; maar...
wellicht voegde hij er bij, dat zijn terugkeer aanstaande was, dat
de tocht ter vischvangst, die de Bergsche zeelieden zoover van hun
geboortegrond voerde, zijn einde naderde. Misschien berichtte Ole, dat
de lading in de _Viken_ gestuwd was, dat het schip zeilreê lag en dat
de laatste Aprildagen niet voorbij zouden snellen, zonder dat beiden in
dat gelukkige huis van het Vestfjorddal vereenigd zouden zijn? Misschien
verzekerde hij haar, dat de dag reeds vastgesteld kon worden, dat de
predikant van Moel zoude komen om hunnen echt in te zegenen in de
bescheiden houten kapel, waarvan de toren boven een dichte groep boomen
uitstak en die op weinige honderden schreden van de herberg van vrouw
Hansen gelegen was. Hare gedachten dwaalden al meer en meer af, en het
zou onmogelijk zijn om weer te geven, wat in dat brein omging.
[Illustratie: Hij slurpte tot den laatsten droppel op. Blz. 6.]
Om evenwel te weten te komen, wat in dien brief stond, was het eenvoudig
voldoende om den omslag te openen, den brief er uit te halen, hem te
lezen, zelfs door de tranen heen, die de smart of de vreugde in hare
oogen zoude doen opwellen. En ongetwijfeld zou een meer ongeduldig
meisje dan Hulda was, bijvoorbeeld eene dochter van de provincie
Dalecarlië, of eene dochter van Denemarken of van Nederland, met hare
toch bij uitstek zoo koelbloedige geaardheid, reeds geweten hebben, wat
de jeugdige Noorweegsche nog niet wist! Maar Hulda droomde en, zooals
men weet, worden de droomerijen niet afgebroken, voordat God wil, dat ze
eindigen zullen. En hoe dikwerf, helaas! betreurt men den droom, omdat
de werkelijkheid daartegenover in den regel zoo ontnuchterend is!
»Hulda, lieve dochter," vroeg toen vrouw Hansen belangstellend, »die
brief, welke uw broeder u toegezonden heeft, is wel degelijk een brief
van Ole, nietwaar?"
»Ja, moeder, ik heb zijn handschrift herkend. Die brief is van hem. Ja,
van hem!"
»Welnu, gij schijnt niets nieuwsgierig. Wilt gij tot morgen uitstellen
om hem te lezen?"
»Neen, moeder... maar..."
Hulda bekeek voor de laatste maal den omslag. Het was alsof die
poststempels een soort betoovering op haar uitoefenden. Daarna brak zij
hem evenwel zonder overhaasting open, en bracht een brief te voorschijn,
die met veel zorg geschreven was, en las het navolgende:
Saint-Pierre Miquelon, 17 Maart 1882.
»Dierbare Hulda!
»Gij zult voorzeker met genoegen vernemen, dat onze
visschersbedrijvigheid zeer voorspoedig is geweest, en dat zij binnen
weinige dagen afgebroken zal worden. Wij zijn het einde van den tocht
nabij. O, hoe gelukkig gevoel ik mij, dat ik na een lang jaar van
afwezigheid naar Dal zal kunnen terugkeeren, om daar de eenige
verwanten, die ik bezit en die ook de uwen zijn, weer te zien. Zie,
ik durf aan het oogenblik van weerzien niet denken.
»Mijn aandeel in de winst der vischvangst is prachtig. Dat komt goed
te pas om ons huishoudentje op te tuigen, nietwaar? Aan de heeren
gebroeders Help, onze Bergsche scheepsreeders, is medegedeeld, dat de
_Viken_ waarschijnlijk tusschen den 15den en 20sten Mei terug kan zijn.
Gij moogt mij dus tegen dat tijdstip, dat nog maar eenige weken
verwijderd is, verwachten. O, dat ik de dagen toch vleugelen kon
verleenen!
»Waardste Hulda, ik hoop u nog schooner weer te vinden dan gij reeds bij
mijn vertrek waart, en dat daarbij u en uwe goede moeder eene blakende
gezondheid deelachtig moge zijn. Diezelfde hoop uit ik ook voor mijn
wakkeren en koenen makker, voor mijn neef Joël, uwen broeder, die, ik
ben er overtuigd van, verlangend is ook mijn broeder te worden.
»Als gij dit schrijven ontvangt, moet gij mijne hartelijke groeten
aan vrouw Hansen overbrengen. Ik zie haar van hier in haar houten
leuningstoel in de groote zaal naast de kachel gezeten. Verzeker haar,
dat ik haar dubbel liefheb, eerst en vooral omdat zij uwe moeder is, en
verder omdat zij mijne moei is. Zult gij die boodschap niet vergeten?
Zij is zulk eene goede, brave vrouw, die ons aller liefde overwaardig
is.
»Maak nu vooral geen omslag, om mij tot Bergen te gemoet te komen.
Het is toch mogelijk, dat de aankomst van de _Viken_ eerder geseind
wordt dan ik hierboven mededeelde. Maar wat er ook moge gebeuren,
vier en twintig uren nadat ik ontscheept zal zijn, zal ik te Dal zijn
aangekomen, daar kan mijne dierbaarste Hulda verzekerd van zijn. Wees
evenwel niet te zeer verbaasd, wanneer ik vroeger mocht aankomen. Gij
zult wel kunnen begrijpen, dat het ongeduld om bij u te zijn, mij geen
oogenblik rust zal gunnen.
»Wij zijn door veel slecht weer onbarmhartig heen en weer geschud
geworden gedurende dezen winter, die wel de ongunstigste geweest is,
welken onze zeelieden in eene lange reeks van jaren hebben doorgestaan.
Gelukkig was er veel kabeljauw op de vischplaten aanwezig. De _Viken_
heeft eene lading van vijf duizend centenaars aan boord, die te Bergen
afgeleverd moeten worden, en die door de bemiddeling van de heeren
gebroeders Help verkocht zijn. Het belangrijkste voor u allen is,
nietwaar, dat wij geslaagd, en de winsten goed te noemen zijn, vooral
voor mij, die mijn aandeel met niemand te deelen heb.
»Bovendien, al breng ik geen vermogen te huis, zoo beheerscht mij toch
het denkbeeld, of beter ik heb er een voorgevoel van, dat dit vermogen
mij bij den terugkeer wacht. Ja! een vermogen... zonder het geluk
daarbij te rekenen! Hoe dat in zijn werk zal gaan? vraagt ge wellicht.
Dat is mijn geheim, waardste Hulda, en gij zult mij vergeven, nietwaar,
dat ik voor u een geheim heb. Wees evenwel gerust, het is het eenige,
dat ik u daarenboven zal mededeelen... Wanneer... Ja, dat is de vraag.
Welnu, wanneer het geschikte oogenblik gekomen zal zijn;--vóór ons
huwelijk, wanneer dat door eene onvoorziene omstandigheid uitgesteld zou
moeten worden;--daarna, wanneer ik op den bestemden tijd wederkeer, en
wanneer gij dan in de week, volgende op mijne terugkomst te Dal, mijne
vrouw geworden zult zijn, zooals ik dat vurig wensch.
»Ik omhels u, waarde Hulda. Ik draag u op, om voor mij vrouw Hansen en
mijn neef Joël te omhelzen. Ik kus in gedachte uw voorhoofd, waaraan de
schitterende Telemarksche bruidskrans een stralenkrans als aan eene
heilige zal verleenen. Nogmaals vaarwel, waarde Hulda, vaarwel!
»Uw liefhebbende bruidegom
OLE KAMP."
II.
DE HERBERG VAN VROUW HANSEN.
Dal is een onaanzienlijk plaatsje en bestaat slechts uit eenige huizen,
waarvan sommige langs den weg, die niet meer dan een voetpad genoemd mag
worden, geschaard staan; terwijl de andere op de naburige berghellingen
en nokken verrijzen. Zij staan alle met hun voorgevel naar het
Vestfjorddal gekeerd, met hun achtergevel naar de heuvelenrij, die ten
noorden den gezichteinder afsluit en aan welker voet de rivier de Maan
stroomt. Het geheel van die gebouwen bij elkander beschouwd, zoude een
der gewone gaards, zooals zij in dat land aangetroffen worden, vormen,
wanneer het onder het bestuur van één landeigenaar of van een algemeenen
pachter gestaan had. Maar kan de plaats geen aanspraak maken op den naam
van gehucht, dan toch op dien van vlek. Eene kleine kapel, die in 1855
gebouwd werd en waarvan de gevel van vensters met kleine glasruiten
voorzien is, verheft zijn kleinen vierkanten toren, die evenals het
geheele gebouw uit een houten getimmerte bestaat, boven de loofkruinen
der boomen. Hier en daar zijn over de beekjes, die zich naar de rivier
spoeden, overlaten in ruitvormige bouworde, welker tusschenvakken met
bemoste steenen aangevuld zijn, aangebracht. Iets verder wordt het
geknars vernomen van een zeer oorspronkelijken houtzaagmolen, die door
woeste bergstroomen in beweging gesteld wordt en een rad bezigt om de
zaag op en neer te bewegen en een tweede om den te bewerken balk vooruit
te brengen.
Op een korten afstand gezien, is het alsof èn de kapel, èn de
houtzaagmolen, èn de huizen, èn de hutten, in een dicht waas gehuld
zijn door het sombere groen der dennen en het nog minder levendige der
berkeboomen, die zich, hetzij alleen staande, hetzij in groepen, van af
de kronkelende oevers der Maan tot nabij de toppen van de hooge bergen
van het Telemarksche op de hellingen verheffen. Het is alsof een groene
wand dat bekken omgeeft, die de meest uiteenloopende schakeeringen
vertoont.
Zoo is het vlek Dal, frisch en vroolijk met zijne schilderachtige
woningen, welker buitengevels meestal met zachte kleuren prijken, zooals
lichtgroen of zacht rose, maar waaronder er ook zijn, die met schelle
kleuren, zooals met schitterend geel of vuurrood beschilderd zijn. De
daken bestaan gewoonlijk uit berkenschors, en zijn met groene zoden
belegd. Deze worden tegen den herfst behoorlijk gemaaid, en zijn in den
regel met natuurlijke bloemen beplant, wat den prettigen en bevalligen
aanblik nog verhoogt.
Dat alles stelt een heerlijk geheel daar, hetwelk het plaatsje tot
een der bekoorlijkste plekken der aarde maakt. Om de lezers nu verder
behoorlijk op de hoogte te brengen, moeten wij nog mededeelen, dat Dal
in het Telemarksche gelegen is, dat het Telemarksche een onderdeel
van Noorwegen uitmaakt en dat Noorwegen het Noordsche Zwitserland
is, Zwitserland verrijkt met ettelijke duizenden fjords, die de zee
veroorloven om diep het land in te dringen, aan den voet der bergen te
komen brullen en breken, wanneer de westerstormen ontketend zijn en den
Atlantischen Oceaan in beroering brengen.
Het Telemarksche is gelegen in dat gedeelte van de onmetelijke
retortkolf, die Noorwegen tusschen de steden Bergen en Christiania
vormt. Dat Baljuwschap, hetwelk een onderdeel van de provincie Batsberg
is, bezit bergen en gletschers evenals Zwitserland; maar, daarom is
het Zwitserland nog niet. Het heeft grootsche watervallen evenals
Noord-Amerika; maar, daarom is het Noord-Amerika nog niet. Het kan op
landschappen wijzen met geschilderde huizen en met bewoners, die van
optochten houden in veelkleurige kleederdrachten, behoorende tot eene
vroegere eeuw, evenals de inboorlingen van Nederland; maar, daarom is
het Nederland nog niet. Het Telemarksche is meer en beter dan dat alles.
Het is het Telemarksche, dat wil zeggen: eene wellicht eenige landstreek
door de natuurlijke schoonheden, welke zij omvat. De schrijver dezer
vertelling heeft het genoegen gehad haar te bezoeken. Hij heeft haar
doorreisd, gezeten in een karretje, getrokken door paarden, die aan de
bespanningsplaatsen verwisseld werden, wanneer er namelijk voorhanden
waren. Hij heeft er zoo'n bekoorlijken en dichterlijken indruk van
gekregen, de herinnering aan die lieve landstreek is hem zoo dierbaar
geworden en zoo levendig bijgebleven, dat hij alles er voor geven wilde,
wanneer hij dit verhaal met die herinnering als het ware kon doorweven.
In het jaar 1862, waarin deze geschiedenis plaats vond, werd Noorwegen
nog niet doorsneden door de spoorbaan, die den reiziger thans
veroorlooft om van Stockholm over Christiania naar Drontheim te stoomen.
Thans bestaat er als het ware een onmetelijke rail-band, die de beide
Scandinavische landen vereenigt, die daarom nog niet zeer geneigd zijn,
om een gemeenschappelijk staatkundig leven te aanvaarden. Te veel
uiteenloopende belangen scheiden die beide rijken, die toch eene
geografische eenheid uitmaken.
Maar al reist de toerist ook sneller, gezeten in den waggon van die
spoorbaan, dan wanneer hij van zoo'n karretje gebruik maakt, zoo moet
als betreurenswaardige tegenstelling daarvan erkend worden, dat hij
niets meer van de oorspronkelijke schoonheden van het land ontwaart.
Hij mist het gezicht bij den doortocht van het zonderlinge kanaal van
Gotha, in het Zuiden van Zweden gelegen, en waarop de stoombooten, van
sluis tot sluis in de schutkolken opgeheven wordende, eene hoogte
van driehonderd voeten overschrijden. Hij kan ophouden noch bij de
watervallen van Trolletann, noch te Drammen, noch te Kongsberg, in
één woord bij geen enkel der bewonderenswaardige natuurtafereelen van
het Telemarksche. Het reizen met de spoorbaan geschiedt vlugger en
gemakkelijker, maar heeft daardoor in Noorwegen evenals overal elders
al zijn dichterlijkheid verloren.
In die dagen bestond de spoorwegbaan nog slechts op papier. Er moesten
zeker nog ongeveer een twintigtal jaren voorbijsnellen, voordat men het
Scandinavische rijk van de eene kuststreek naar de andere in veertig
uren zou kunnen doortrekken, en voordat men naar de Noord-Kaap zou
kunnen gaan, alwaar retourbiljetten voor het Beereneiland en voor
Spitsbergen zouden kunnen genomen worden, met eene waarschijnlijke
vertakking in de toekomst naar Nova Zembla.
Nu was Dal in die dagen--en het is te hopen, dat het dit nog lang moge
blijven!--het centraalpunt, hetwelk de vreemde en Scandinavische
toeristen aantrok. Deze laatsten bestonden voornamelijk uit studenten
van Christiania. Vandaar konden zij uitstapjes maken door de geheele
streek van het Telemarksche en het Hardangersche gebergte. Vandaar
konden zij langs de vallei van het Vestfjorddal, tusschen de meren Mjös
en Tin door, zich naar de bewonderenswaardige watervallen van de Rjukan
begeven.
Het valt niet te ontkennen, dat er slechts ééne herberg in het vlek
bestond, maar zij was wel de aantrekkelijkste, de best ingerichte
die men wenschen kon, en ook wel de belangrijkste, daar zij vier
vertrekken--bedenkt eens--ter beschikking van de reizigers had. En dat
was, in één woord gezegd: de herberg van vrouw Hansen.
Langs de rooskleurige gevels, door een degelijk fondament van graniet
voor het vocht van den bodem beveiligd, waren banken aangebracht. De
balken en de vuren planken, die de muuromwanding uitmaakten, waren
door den tijd zoo hard geworden, dat het staal eener bijlsnede er op
omkrulde. De ruimte tusschen die nauwelijks vierkant bekapte balken,
die horizontaals gewijs, den een op den anderen gestapeld waren, was
dichtgemaakt of gebreeuwd met mos, vermengd met klei, zoodat zelfs de
hevigste slagregen door de reten onmogelijk kon binnendringen.
Boven de vertrekken waren de plafonds in zwarte en roode tinten
geschilderd, die bij de zachtere minder vroolijke kleuren der
omwandingen vriendelijk afstaken. In een hoek van de zaal stond een
groote cirkelvormige kachel, waarvan de pijp in den schoorsteen der
keuken verliep. Hier prijkte de uurwerkkast, welks kunstig gemaakte
wijzers over een geëmailleerde wijzerplaat voortgleden, terwijl de
slinger iedere seconde zijn eentonig tik, tak, tik, tak liet vernemen.
Daartegenover stond eene oude schrijftafel met oud geboend snijwerk
versierd, daarnaast een zwaren massieven drievoet, die in ijzerkleur
geschilderd was. Op een hoekplankje prijkte de traditioneele kandelaar
van gebakken aardewerk, die in een drie-armige candelaber verandert,
wanneer men hem omkeert. De fraaiste meubels van het geheele huis
versierden deze zaal. Eene berkenhouten tafel met sierlijk gebeeldhouwd
voetstuk; eene linnenkast met sluitwerk, dat geschiedkundige tafereelen
voorstelde, en waarin de fraaie kleederen voor de zon- en feestdagen
bestemd, gerangschikt lagen; een groote leuningstoel, hard en stijf
als eene kerkbank; de stoelen in geschilderd hout; een boerachtig
spinnewiel, in groene tinten opgeschilderd, die helder afstaken bij de
roode japonnetjes der spinsters. Verder hier en daar een pot om de boter
te bewaren, de tabakspot en de snuifrasp van gesneden been. Eindelijk
bevond zich boven de deur, die toegang naar de keuken verleende,
eene breede plankenstelling, waarop eene menigte koperen en tinnen
keukengereedschappen, alsmede schotels en borden, zoowel van porselein
en aardewerk als van hout, alle met levendige kleuren versierd, vroolijk
ten toon gesteld waren. Verder bevonden zich daar ook nog op, een kleine
ronde slijpsteen, die half verscholen lag in zijn overtrek, dat wel
ietwat op een slakkenhuisje geleek, en een oude beker, die wel voor kelk
had kunnen dienen. En welke liefelijke en leerrijke omwandingen omvatte
die zaal. Zij bestonden uit gespannen tapijtwerk op linnen, dat
onderwerpen uit den Bijbel voorstelde, die met de levendigste kleuren
voorgesteld, maar daarom niet minder verdienstelijk waren.
De kamers, voor de reizigers bestemd, waren wel is waar eenvoudiger,
maar boden toch ook alle gemakken aan. Zij waren ook netjes gemeubeld
en blonken van zindelijkheid. Aan de vensters prijkten behalve heldere
gordijnen ook festoenen van frisch groen, hetwelk van het zodendak
afdaalde. De bedden met hunne sneeuwwitte lakens en hun verhemelte,
waarop texten uit het Oude Testament met gele letters op een rooden
grond gesteld waren, bestonden uit matrassen, die een frisch weefsel van
»akloeda" tot beddetijk hadden.
Wij mogen ook niet vergeten, dat de vloerplanken, zoowel van de groote
zaal als van de kamers gelijkvloers en op de eerste verdieping, bezaaid
waren met kleine takjes van berken, dennen en jeneverboomen, welker
bladeren het huis met hunne frissche en opwekkende geuren vervulden.
Zou er eene bekoorlijker posada in Italië of eene verlokkender fonda in
Spanje te bedenken zijn?
Neen, waarlijk niet. En wat ook niet te versmaden was, de toeloop van
Engelsche toeristen had er--althans in dien tijd--de prijzen nog niet
zoodanig doen stijgen, als dat in Zwitserland het geval is.
Te Dal heerschte toen nog niet het pond sterling, het gouden pond, dat
zoo spoedig de beurs des reizigers ontglipt. Neen, het grootste muntstuk
was en is er nog de speciedaalder. Die is van zilver en heeft eene
ietwat grootere waarde dan de Nederlandsche rijksdaalder. Maar het
meest komen in aanmerking de onderdeelen van die munt, te weten de mark,
die eene waarde vertegenwoordigt van een halven gulden en de koperen
schelling, die niet met den Engelschen schelling mag verward worden;
want vertegenwoordigt deze laatste eene waarde van zestig centen, gene
staat slechts met een halven stuiver van onze munt gelijk. Ook werd er
nog niet de pedante banknoot aangetroffen, waarvan de toeristen zoo veel
gebruik en misbruik maken. Thans zijn er witte bankbiljetten van één,
blauwe van vijf, gele van tien, groene van vijftig en roode van honderd
speciedaalders in omloop. Bestonden er twee soorten meer, dan ware er
een regenboog van te vervaardigen!
[Illustratie: Van een zeer oorspronkelijken houtzaagmolen. Blz. 12.]
Verder--wat in die gastvrije woning niet te versmaden was--moest, in
tegenstelling van hetgeen elders in die Noordsche streken op te merken
viel,--de voeding goed genoemd worden. En inderdaad het Telemarksche
gewest rechtvaardigt volkomen zijne beruchtheid op dat gebied en zijn
naam van Karnemelkland. In de bergkloven van Tiness, van Listhüs, van
Tinoset en zoovele andere wordt nimmer brood aangetroffen of, bestaat
het er, dan is het zoo slecht, dat het iederen vreemdeling geraden is,
het te laten staan. Het is niet meer dan een haverkoek, die »flatbröd"
geheeten wordt. Het is kurkdroog, zwartachtig en hard als een keisteen,
in één woord een ruwe koek, die vervaardigd is van de binnenschors van
den berk, die met mossoorten of met fijn gehakt stroo gemengd is. Zelden
treft men in die streek eieren aan, tenzij de kippen acht dagen te voren
gelegd hebben. Daarentegen heeft men overvloed van middelmatig bier, van
zoete of zure karnemelk, en soms een weinig koffie, die evenwel zoo dik
is, dat zij eerder op overgehaald roet gelijkt dan wel op het heerlijke
aftreksel van de producten van Mokka, van Java, van Sumatra, van Bourbon
of van Rio Nunez.
Bij vrouw Hansen waren daarentegen kelder en dispens behoorlijk
voorzien. Wat kon ook zelfs de meest eischende toerist meer verlangen?
Versche of wel gezouten of gerookte zalm, zoetwatervisschen uit de
bergstroomen van het Telemarksche, die overheerlijk genoemd kunnen
worden, gevogelte dat noch te taai, noch te mager was, eieren, goede
versche eieren bij alle gerechten en sausen, fijne gebakjes van rogge-
of gerstemeel, heerlijke vruchten, waaronder voornamelijk geurige
aardbeien, heerlijk brood, lekker bier en flesschen met ouden Saint
Julien, die tot in die verre streken den roem van den Franschen wijn
staande hielden. Inderdaad, het was om van te watertanden.
De roep over de herberg te Dal was dan ook algemeen in die Noordsche
streken.
Men kon dat daarenboven zien in het vreemdelingenboek met zijne
geelgeworden bladen, waarin de reizigers gaarne naast hunnen naam een
tevredenheidsbetuiging voor vrouw Hansen stelden. Voor het meerendeel
waren dat Zweden of Noren van al de punten van Scandinavië daarheen
getrokken.
De Engelschen verschijnen er evenwel ook reeds in grooten getale en een
hunner, die gedurende een uur op den Goustaberg geduldig had zitten
wachten, totdat diens top van de morgennevelen bevrijd zoude zijn, had
met de gewone Britsche opgeblazenheid op een der bladzijden geschreven:
_»Patientia omnia vincit" of: het geduld overwint alles._ Geduld
gedurende een uur! Het was om te lachen.
Ook hadden ettelijke Franschen daarin hunne naamteekening gezet. Een
hunner, dien het beter is maar niet te noemen, veroorloofde zich achter
zijn naam te zetten:
_»Nous n'avons qu'à nous louer de la reception qu'on nous a »fait" dans
cette auberge!"_
Wij zullen dien man niet hard vallen om de taalfout, waaraan hij zich
schuldig maakte. De volzin duidt op meer dankbaarheid dan wel op
volledige kennis der Fransche taal. Maar in weerwil daarvan is hij eene
goede getuigenis voor vrouw Hansen en voor hare dochter, de bekoorlijke
Hulda van het Vestfjorddal.
III.
EEN NOORWEEGSCH HUISGEZIN.
Zonder heel ver in de ethnologische wetenschappen te zijn doorgedrongen,
kan de lezer toch op gezag van verscheidene geleerden aannemen, dat
er een soort van bloedverwantschap bestaat tusschen de familiën der
Engelsche aristocratie en de oude familiën van het Scandinavische
koninkrijk. Talrijke bewijzen worden daarvoor in de namen der oude
geslachten, die in beide landen nagenoeg gelijk zijn, aangetroffen.
En toch bestaat er in werkelijkheid geene aristocratie in Noorwegen.
Maar, al is er de democratie ook overheerschend, zoo belet zij niet,
dat de bevolking dezer streken in hooge mate aristocratisch gestemd is.
Allen zijn op den top der maatschappelijke ladder, niet op de laagste
sport aan elkander gelijk. Tot in de nederigste hutten wordt een
geslachtsboom aangetroffen, die volstrekt niet ontaard is, al heeft
hij ook zijne wortels in plebeïschen grond geschoten. Daar treft men
gekartelde blazoenen aan, afkomstig van adellijke familiën uit de
feodale tijden, waarvan die eenvoudige boeren afstammen. Nergens anders
ter wereld wordt zoo iets inderdaad aangetroffen.
Zoo was het ook met de Hansens te Dal gesteld. Ongetwijfeld stamden zij
af van die pairs van Engeland, welker waardigheid ten gevolge van de
overweldiging van Rollo van Normandië in het leven geroepen werd. En
al waren ook hun maatschappelijke beteekenis en hun rijkdommen in den
loop der tijden verloren gegaan, zoo is toch bij die afstammelingen de
eigenaardige fierheid, of beter gezegd de persoonlijke waardigheid, die
in alle maatschappelijke toestanden op hare plaats, maar veelal
verdwenen is, ongekrenkt overgebleven.
Wat kwam het er bovendien op aan? Al bezat Harald Hansen ook
hoogadellijke voorouders, dat belette volstrekt niet, dat hij herbergier
te Dal was. Het huis, hetwelk hij bewoonde, had hij van zijn vader en
zijn grootvader geërfd. Deze beiden hadden hetzelfde beroep als hij
uitgeoefend. Na zijn dood had zijne echtgenoote de zaak aangehouden en
behartigde zij haar op eene zoodanige wijze, dat zij de openbare achting
genoot en ook verdiende.
Had Harald in die betrekking van herbergier eenig vermogen gewonnen?
Dat wist niemand. Zooveel was evenwel zeker, dat hij aan zijn zoon Joël
en aan zijne dochter Hulda eene vrij goede opvoeding had kunnen geven,
zonder dat de eerste tijd van hun leven hun te zwaar was gevallen. En
zelfs had hij een zoon van de zuster zijner echtgenoote, den reeds
genoemden Ole Kamp, sedert zijne prilste jeugd tot zich genomen en had
hem met dezelfde zorg opgevoed als zijne eigene kinderen. Die wees zou
zonder zijn oom Harald een dier kleine ongelukkige wezens geweest zijn,
die slechts op de wereld verschijnen om haar dadelijk te verlaten. Niet
ten onrechte legde Ole Kamp voor zijne pleegouders eene dankbaarheid aan
den dag, die veel van kinderlijke liefde getuigde. Niets kon den band,
die hem aan de familie Hansen hechtte, verbreken. Zijn huwelijk met
Hulda zou hem nog inniger strengelen en hem onverbreekbaar voor het
leven doen zijn.
Harald was ongeveer achttien maanden geleden gestorven. Behalve de
herberg te Dal, liet hij aan zijne weduwe nog eene kleine soeter in
het gebergte na. Wat in Noorwegen soeter genoemd wordt, is eene soort
pachthoeve, die eenzaam gelegen is. De opbrengst daarvan is in den regel
middelmatig, namelijk wanneer zoo'n soeter iets opbrengt, wat niet
altijd het geval is. Nu kwam er nog bij, dat de laatste jaren niet
gunstig geweest waren. Alles had geleden, zelfs de weidevelden. Men
had in het voorjaar nachtvorsten gehad, of zooals de Noorweegsche boer
ze noemt, ijzeren nachten, waardoor ten gevolge van den killen wind,
die dan heerscht en de ijslaag, waarmede alles overtogen wordt, de
kiemkracht van het plantenrijk tot in het diepste van den teelgrond
vernietigd wordt. Bij zulke omstandigheden zijn de landlieden van de
Telemarksche en van de Hardangersche streken er ellendig aan toe.
Intusschen, hoewel vrouw Hansen volkomen op de hoogte van haren toestand
moest zijn, had zij daarover tegen niemand ooit een woord gerept,
zelfs tegen hare kinderen niet. Zij bezat een koelbloedige geaardheid
en was de stilzwijgendheid in persoon. Haar gebrek aan mededeelzaamheid
bedroefde Hulda en Joël zeer. Maar ten gevolge van den eerbied voor het
hoofd des huisgezins, die in de noordelijke landen bij de kinderen als
ingeboren is, betrachtten zij eene soort van terughoudendheid, die hen
toch pijnlijk was.
Daarbij kwam nog dat vrouw Hansen ongaarne hulp of raad vroeg, daar zij
zich als echte Noorweegsche van de onfeilbaarheid van haar oordeel
overtuigd hield.
[Illustratie: Vrouw Hansen was toen vijftig jaren oud. Blz. 21.]
Vrouw Hansen was toen vijftig jaren oud. De ouderdom had wel hare haren
doen grijzen, maar had hare hooge gestalte niet kunnen buigen en had
ook niet de levendigheid van den blik harer oogen, die donkerblauw
waren, kunnen verminderen. Dat heldere azuur was ook in het oog harer
dochter Hulda te ontwaren. De huid der bejaarde vrouw had slechts de
tint aangenomen van oud archiefpapier en hier en daar werd een rimpel op
haar voorhoofd zichtbaar.
De »madame", zooals men zich in de Scandinavische streken uitdrukt, was
steeds gekleed in een zwarte wollen japon, van dikke plooien voorzien.
Dat was het rouwgewaad, hetwelk zij sedert den dood van haren Harald
niet afgelegd had. Door de armopeningen van het bruine keurslijf werden
de mouwen van het hemd, van ongebleekt katoen vervaardigd, zichtbaar.
Een halsdoek van donkere kleur, was kruiselings vastgeknoopt op de
borst, daarenboven nog bedekt met het bovengedeelte van een boezelaar,
die van achteren door breede haken vastgemaakt was. Haar hoofd was
steeds gedekt met eene zijden muts, waaronder eene soort neepjeskap,
die door de mode langzamerhand verdrongen wordt. Steeds zat die goede
vrouw in haar houten leuningstoel recht als eene kaars en verliet haar
spinnewiel niet, dan om haar pijpje van berkenschors op te steken, en
haar hoofd met eene lichte wolk van tabaksrook te omhullen.
Het huis zou waarlijk zonder de aanwezigheid der twee kinderen een zeer
droevig aanzien gehad hebben.
Joël Hansen was een degelijke, brave jongen. Hij telde vijf en twintig
jaren, was flink en krachtig uit de kluiten geschoten, had evenals alle
Noorweegsche bergbewoners eene hooge gestalte en daarbij een fier
uiterlijk, dat evenwel niet uittartend was. Zijn geheele voorkomen
getuigde van stoutmoedigheid, die evenwel van roekeloosheid geheel vrij
was. Hij had een blonden haardos, daarbij donkerblauwe oogen, die het
zwarte nabij kwamen. Zijne kleederdracht deed zijne krachtige schouders
goed uitkomen. Men kon zien, dat die niet spoedig zouden buigen. In
zijne breede borstkas klopte een warm hart en werkten een paar longen,
die hem als berggids eer aandeden. Hij had krachtige armen en een paar
beenen, die er voor gemaakt schenen, om de hooge bergtoppen van het
Telemarksche te beklimmen. Wanneer hij zijn daagsche pak aanhad, zag hij
er als een ruiter uit. Zijn blauwachtig kort jasje, dat zijn middel goed
deed uitkomen, sloeg met twee breede borststukken over zijn breedgewelfd
lichaam, en was op de rugzijde met kleurrijke galons, die fraaie
teekeningen vormden, langs de naden versierd, evenals de keltische
vesten der Bretanjer boeren in Frankrijk. Zijn hemdsboord vormde het
beloop van een trechter. Zijn gele broek was even beneden de knie door
een soort kousenband met gesp opgebonden. Op het hoofd droeg hij
eenigszins schuins een bruinen hoed met breeden rand en met zwarte en
roode lussen omboord. Hij had hooge slobkousen om de beenen, terwijl de
voeten in sterke laarzen verdwenen, die van stevige zolen en platte
hakken voorzien waren, en die, door het uiterlijk van de schoenwreef
vol rimpels in het leer, veel op zeelaarzen geleken.