Het is zeer moeilijk te begrijpen, aan welk gevoel een hervormer

als Ximenes gehoorzaamt, als hij door den bouw van een eigen

kapel het voortbestaan waarborgt van een eeredienst, die bezig is

te verdwijnen. Hoe het zij, het gebouw, dat in 1504 werd begonnen

naar de plannen van Enriques de Egas en gebouwd door mohammedaansche

meesters, Faraux en Mahomet genaamd, heeft niets opmerkelijks. Maar op

den muur tegenover den ingang is een mooie fresco te zien van Jan van

Bourgondië, gedagteekend 1514. De schildering stelt voor de episoden

der ontscheping van het spaansche leger onder aanvoering van den

grooten kardinaal vóór de stad Oran, en beslaat drie prachtig bewaarde

groote schilderijen. De gebeurtenis had plaats in 1509 en de inneming

van Oran, nog in denzelfden avond van den dag der ontscheping, was de

groote triomf in het leven van Ximenes. Na zijn gebed had de hemel,

volgens het zeggen der soldaten, het wonder van Jozua vernieuwd en

de zon doen stilstaan tot de Christenen de muren van de muzelmansche

vesting hadden vermeesterd.

Het is niet te verwonderen, dat de kardinaal, in spijt van zijn vurig

geloof en zijn nederigheid, die algemeen bekend zijn, bezweken is

voor de verzoeking, om voor het nageslacht de herinnering te bewaren

aan den grooten dienst, welken hij aan zijn vaderland had bewezen,

een dienst, die hem op de afgunst van Ferdinand kwam te staan, en hem

voor verscheiden jaren veroordeelde tot een soort van ballingschap

in zijn universiteit van Alcala.

De mozarabische kapel heeft niet alleen het voorrecht, het getrouw

weergegeven portret van den grooten kardinaal te mogen bewaren. Men

vindt ook zijn ascetengezicht onder de portretten der primaten van

Spanje aan de wanden der Capitulatiezaal, en eveneens op een fresco

boven de deur van die zaal. Dat schilderij stelt het Jongste Oordeel

voor en de eindbestemming van den mensch. Toen de kunstenaar den

kardinaal onder de uitverkorenen wilde plaatsen in de glorie des

hemels, zei de prelaat: "Dat is te veel eer!"

"Moet ik dan Uwe Eminentie in de hel doen plaats nemen?"

"Dat zou een te groote vernedering zijn!"

Er werd een gemiddelde gevonden, en de kardinaal werd in het vagevuur

gezet, maar geheel gereed om het te verlaten en van zijn kleederen

ontheven, ten einde zoo snel mogelijk naar de oorden der gelukzaligen

te kunnen verhuizen.

Een andere groote figuur, maar deze onderworpen aan een bloedig en

tragisch lot, had vóór Mendoza gepreekt onder de gewelven van het

oude gebouw. Ik bedoel Alvaro de Luna, den gunsteling en minister

van Juan II, vader van Isabella de Katholieke, wiens troon en hoofd

in de kapel van Santiago rusten, welke hij bij zijn leven had laten

bouwen en die een der schoonste is gebleven van de kathedraal. Nooit

is een leven zonderlinger geweest dan dat van dezen laaggeboren man,

tot macht verheven door de gunst van zijn heer, over Spanje regeerend

gedurende twee-en-dertig jaren, stervend op een schavot, ten slotte in

de kathedraal een bijna vorstelijk graf vindend en eerst langen tijd

gerust hebbend in een graf op het kerkhof der terechtgestelden. Alleen

het lot van kardinaal Wolseley kan met het zijne worden vergeleken.

Omstreeks 1437, toen hij op het toppunt van zijn macht was, had Alvaro

de Luna de kapel van Santo Tomé gekocht, die in 1177 gesticht was door

graaf Dom Muno de Lara. Hij had er naburige terreinen bijgevoegd en had

de prachtige kapel laten bouwen, die aan den H. Jacobus was gewijd ter

herinnering aan de Orde, waarvan hij tot Grootmeester was benoemd. Op

de plaats, die hij voor zijn graf had bestemd, had hij een automaat

van brons laten zetten, bezet met émail en verguldsel en op hemzelven

gelijkend, die op kon staan en bij de zegenspreking kon knielen.

Volgens sommige kronieken werd de automaat vernield nog bij het leven

van den Grootmeester door Dom Erique van Arragon in den oorlog, dien

deze vorst tegen Castilië voerde in 1440. Een van die kronieken laat

Dom Alvaro tot Dom Enrique zeggen:

"Waarom hebt gij mijn beeltenis niet geëerbiedigd en waarom hebt gij

ze vernield, gij, die op het slagveld voor mij zijt gevlucht?"

Volgens andere schrijvers werd het beeld weggenomen op bevel van

Isabella, de Katholieke, die gehinderd werd door de afleiding voor de

geloovigen, als het zijn bewegingen uitvoerde. Het is waarschijnlijk,

dat de eerste lezing de goede is, want het standbeeld van den

Connétable zal zijn schande niet hebben overleefd, om tot de regeering

van Isabella te wachten, eer het van zijn voetstuk neerdaalde. Hoe

het zij, het brons van den automaat was niet verloren, en men meent

er de overblijfselen van terug te vinden in de twee gebeeldhouwde

preekstoelen, die links en rechts in de Capilla Mayor staan.

Op de beide sarcofagen, midden in de kapel geplaatst, liggen de

marmeren beelden van Alvaro de Luna, gekleed in de wapenrusting en den

mantel van de Grootmeesters der Orde van Santiago, en van zijn vrouw,

Donna Juana de Pimentel. Een opschrift geeft niet anders dan den datum

van den dood van den Connétable, die plaats had in 1453. De trekken

van den beroemden gunsteling van Juan II doen denken aan die van het

kleine portret, dat op het altaarblad is geschilderd, een portret,

dat zeker naar een origineel is gecopiëerd, want het altaarblad werd

ten geschenke gegeven en op zijn plaats gebracht in 1498, op bevel

van Donna Maria de Luna, dochter van den Connétable. De sarcofagen,

beide zeer mooi, zijn het werk van Pedro Ortiz.

Niet ver van de kapel van Santiago, en gekenmerkt door de veelkleurige

standbeelden van de wapenherauten van Leon en van Castilië, vindt

men de poort van de kapel der Nieuwe koningen, gebouwd door Alonzo

Covarrubias, op bevel van Karel V. Zij is in den platereskenstijl

opgetrokken, dat is de spaansche vroegrenaissance, en geeft daarvan

een zeer schoon voorbeeld. Trots de betrekkelijke nieuwheid van het

gebouw en vooral van de altaren, die van het einde der 18de eeuw

zijn, leeft men er nog te midden van oude herinneringen. Onder de

sierlijke ornamenteering van de Renaissance liggen in hun strenge

heiligheid op hun graftomben de beelden der stichters van de eerste

kapel, die op deze plaats werd opgericht, Dom Enrique van Castilië

en zijn vrouw Donna Juana, gestorven, de eerste in 1378 en de tweede

in 1381. Verderop die van Enrique III en zijn vrouw, Donna Catalina,

gestorven in 1418.

In den hoek van de kapel hangt een zeer belangwekkend en zeer goed

portret van Dom Juan II, den eerst te zwakken en later te strengen

meester van den ongelukkigen Alvaro de Luna; het is het werk van Juan

van Bourgondië.

De kunstenaar moet zich hebben laten inspireeren door het een of

ander getrouw portret, want in die blauwe oogen, die frissche tint,

de gevulde wangen en het ronde hoofd vindt men al de trekken terug,

die op de meest authentieke portretten van Isabella, de Katholieke,

werden aangetroffen. De blik van de dochter is alleen dieper en vaster

dan die van den vader.

Aan het zeer hooge gewelf van de vestibule hangen aan den ingang van

de kapel twee beroemde trofeeën, die Isabella zelve had laten plaatsen

boven het graf van haar voorouders en die werden overgebracht naar de

nieuwe kapel, gebouwd door haar kleinzoon, Karel V. De eene is een

portugeesche vlag, buitgemaakt in den slag van Toro, die in 1476 is

geleverd door de Katholieke koningen, en ten gevolge waarvan Isabella

onbetwist meesteres bleef van Castilië; de andere is de volledige

wapenrusting van den aferez Dom Duarte de Almaïda, die, toen hij in

dienzelfden slag ernstig aan den arm gewond was, den koninklijken

standaard bleef dragen tusschen zijn tanden tot aan het einde van

het gevecht.

De historie zal het voorbeeld van de Katholieke koningen volgen en

zal den vaandeldrager van Toro zich blijven herinneren.

Als men een bezoek heeft gebracht aan het groote schip der kathedraal

van Toledo, en aan de tallooze kapellen, die erbij behooren, kent

men nog slechts een deel van het monument. Er blijven nog over de

sacristieën en magazijnen, de archieven en de bibliotheek, waar men

sinds eeuwen bezig is de giften der koningen, prinsen en primaten

van Spanje te rangschikken en behoorlijk te verzamelen. De omhulling

is den inhoud waardig. De lambrizeeringen, de deuren, de kasten zijn

voor het meerendeel meesterwerken van houtsnijwerk. Het plafond der

groote sacristie met de ster- en kruisvormige vakken, rood of blauw,

met goud ingelegd, is een wonder van de mudejarsche of mozarabische

kunst. De bronzen, die er talrijk zijn, kunnen wedijveren met de

bekleeding van de Leeuwenpoort.

Verscheiden boekdeelen zouden nauwelijks voldoende zijn, om een

beschrijving te geven van de kostbaarheden, de tapisserieën, de

banieren, de sieraden, de meubels en de historische herinneringen,

waaronder men allereerst de tent van goudlaken aanwijst, die Isabella

de Katholieke, vóór Granada liet opslaan. Dan zijn er beeldhouwwerken

en schilderijen, het portret van kardinaal Borgia, geschilderd door

Velasquez, alleen bekend bij enkele ingewijden, en de H. Antonio

d'Alonso Cano, een beroemd beeldje, dat in werkelijkheid van Pedro

de Mena is, een der leerlingen van den meester uit Granada.

En wat te zeggen van den schat der bibliotheek en der archieven,

die nog zoo goed als ondoorzocht is? Wat zou het een genot zijn voor

den onderzoeker, daar in de afdeeling voor muziek de werken terug te

vinden, waarvan de meeste onuitgegeven, van de beroemde kapelmeesters

uit de 15de en 16de eeuw, Francisco Penalosa, Bernardio Ribera,

Andres Torrentes, Morales, Escovedo, Pedro Fernandes, Antonio Bernal,

Navarro. Als men de bladzijden van enkele dier beroemde meesters

inziet, moet men dan niet verbaasd zijn te constateeren, dat die in

cijfers zijn geschreven, en in hun aanteekeningen de grondbeginselen

aan te treffen van de methode Galin-Paris-Chevé, die dertig jaar

geleden zooveel opgang maakte?

Maar diep binnen te dringen in de geheimzinnige schuilhoeken van de

antieke kathedraal en haar inwendig leven grondig te leeren kennen

is den stervelingen niet gegeven. Drie duizend sleutels zijn, naar

het schijnt, noodig, om al haar deuren te sluiten; ik geloof, dat er

nog veel meer vereischt worden, om ze te openen. Den H. Petrus zou dat

niet gelukken, en wijs is hij, die zijn wenschen binnen de grenzen van

het mogelijke weet te houden. Al peinzend over dat oude voorschrift,

nam ik afscheid van mijn gidsen en verliet de kathedraal.

III.

Intocht van Isabella en Ferdinand volgens de kronieken.--San

Juan de los Reyes.--Het hospitaal van Santa Cruz.--De zusters

van Sint Vincentius a Paulo.--De beroemde portretten van de

universiteit.--De engel en de pest.--De heilige Leocadia.

De groote naam van Isabella, de Katholieke, heeft vele malen in de

kathedraal weerklonken, en in den loop van mijn herhaalde bezoeken heb

ik hem door alle echo's hooren herhalen. In dit schoone heiligdom,

vroom juweel aan de kroon van Castilië, kwam de bewonderenswaardige

koningin God danken, toen de overwinning in den slag van Toro haar in

het bezit had gesteld van den schepter, dien zij met zoo grooten roem

zou voeren. De verhalen uit dien tijd hebben een trouwe herinnering

bewaard van dien beroemden intocht. Hij had plaats op 31 Januari 1476.

De straten en het Zocodover waren reeds van zonsopgang af gevuld met

een luidruchtige, zeer opgewonden menigte. De rechters en de wethouders

waren op straat gekomen, dezen in costumes van schitterende kleuren;

genen in lange, prachtige zijden gewaden. Aan de deuren en aan de

weinige buitenopeningen van de huizen had men fijne geweven stoffen

opgehangen, oostersche tapijten, heerlijke stoffen uit Venetië of

geweven door bekwame weefkunstenaren uit Toledo. Langzamerhand was het

in de stad leeg geworden, en de menigte, die de aanwijzingen van de

hoofden der aanzienlijke families volgde, had zich verspreid naar den

kant van de hermitage van Sint Eugenius, waar men reeds jongleurs,

zangers, dichters, muzikanten, en danseressen had bijeengebracht,

die alle rijk gekleed waren.

Weldra verscheen, aangekondigd door fanfares en begroet met gezang,

dat de vereeniging van Castilië met Arragon blij begroette, de

koninklijke stoet; de hoofden gingen omhoog en de halzen rekten zich

uit, om de souvereinen beter te kunnen zien, wier overwinning den vrede

verzekerde aan de twee koninkrijken, en wier glorie op aller lippen

was. Ferdinand, nog zeer jong, met goed figuur, donkere oogen en haren,

intelligent gezicht, bereed al uitstekend een prachtigen klepper. De

koningin was gezeten op een muildier, dat rijk was opgetuigd, en geleid

werd door twee pages uit de edelste geslachten van het land. Zij was

niet groot, maar er sprak uit haar houding en haar trekken een fiere

majesteit. Haar hoogblonde haren waren bijna geheel verborgen onder

de sluiers, die om haar hoofd waren geslagen; haar zeer blanke huid,

de grijsblauwe oogen herinnerden er aan, dat van vaderszijde zij

vermaagschapt was aan het huis van Lancaster. Een uitnemende gratie en

een engelachtige glimlach maakten de strengheid van het voorhoofd en de

vastheid van den blik zachter. Isabella was zes-en-twintig jaar, twee

jaar ouder dan haar echtgenoot, en reeds had ze een rijk onderworpen,

dat haar betwist werd door vreemdelingen en oproerlingen.

Na den eed te hebben afgelegd, dat zij de privileges zouden handhaven,

die aan de stad geschonken waren, en na de wallen overgetrokken te

zijn, begaf het koningspaar zich naar de kathedraal. Zij traden er

binnen door de poort der Vergeving, terwijl jeugdige kinderen, die

engelen voorstelden, hun met muziek welkom heetten. En geknield aan

den voet van het altaar, dankten zij den Eeuwige, die hun had vergund,

den vreemdeling uit Castilië te verdrijven en hem had gedwongen,

zich over de grens terug te trekken naar Portugal. Misschien plantte

de onvergelijkelijke vorstin op dien dag in den tuin van het klooster

den nu veel honderden jaren ouden taxisboom, waarvan elk eenigszins

begunstigd reiziger eenige bladeren ontvangt bij wijze van souvenir.

Onder de regeering van Juan II, den vader der koningin, had de beroemde

gunsteling, Alvaro de Luna, eenige vertrekken van het Alcazar ter

beschikking van zijn heer laten stellen. Daarheen begaven zich de

vorstelijke personen. Er was een eenvoudig ontbijt gereed gezet, want

zij vastten dien dag; maar in spijt van de berooidheid der schatkist

werden de armen niet vergeten.

Den tweeden Februari kwamen de koning en de koningin weer in de

kathedraal met nog grooter luister.

Isabella straalde in verheven schoonheid; men had alleen oogen voor

haar, want alles verbleekte naast de lelie van het koningschap. Op

haar kleed van wit brocaat waren in goudborduursel de kasteelen en

de leeuwen, als symbolen van haar erfelijke rijken aangebracht; een

lange mantel van hermelijn viel neer van haar schouders en vormde

een lange sleep, door twee jonge pages opgehouden. Op haar hoofd,

door lichte sluiers omgeven, schitterde een gouden kroon, bezet met

edelgesteenten; om haar hals hing een prachtige collier van bleeke

robijnen. Het edelgesteente, dat op haar borst fonkelde, trok aller

blikken tot zich, niet enkel om zijn buitengewone grootte, en den

onvergelijkelijken glans, maar omdat het, naar men zeide, toebehoord

had aan Salomo. Het bewijs daarvoor vond men in het hebreeuwsche

opschrift, dat er op was gegraveerd.

Vóór het koningspaar uit wapperden hoog en fier de vlaggen van Leon,

Castilië en Arragon, terwijl de vlaggen van Lusitanië, die door

den vijand achtergelaten waren in de wanorde, die op den slag van

Toro was gevolgd, omgekeerd en in vernedering in den stoet werden

meegedragen. De triumphators, die na een gelukkig ten einde gebrachten

oorlog in de stad van Romulus binnentrokken, boden met geen grooteren

trots de op den vijand buitgemaakte eereteekenen aan het romeinsche

volk aan.

Na de mis te hehben gehoord, en na boven het graf van haar

voorvaderen, wien zoo vaak door de Portugeezen ontzag was ingeboezemd,

de getuigenissen van de zegepraal te hebben laten ophangen, wilde

Isabella in Toledo een duurzamer herinnering van de overwinning

achterlaten. Dat denkbeeld leidde tot de oprichting van het beroemde

klooster van Juan de los Reyes.

Het gebouw, dat aan den rand van het plateau is gelegen boven het

groene, bloeiende dal van de Taag, als de rivier zich van de stad

verwijdert, is aangelegd in den vorm van een latijnsch kruis,

en opgetrokken van witte kalksteen, die zeer fijn en hard is en

daardoor zich uitstekend leent voor de meest grillige fantazieën der

beeldhouwers. Midden tusschen de verschillende onderdeelen verrijst

tot op groote hoogte een zware en mooie koepel. De steunsels der

bogen rusten op twee sierlijke tribunes, die voor het koningshuis

waren gereserveerd, terwijl een gebeeldhouwd fries, rondom de beuken

der kerk loopend, een prachtig opschrift droeg in gothische letters,

verheerlijkend de roemrijke namen der stichters.

Aardige kleine onderdeelen trekken telkens de aandacht, zonder den

indruk van grootschheid en strengheid weg te nemen, die door het geheel

wordt gemaakt. Hier ziet men bloemen, kransen, vogels; ginds een aap,

als monnik gekleed, met een kap over het hoofd, in diepe aandacht

zijn brevier bestudeerend. Welk een zonderlinge oneerbiedigheid,

die men toeliet in die tijden van innige vroomheid!

Toen Isabella aan de Franciscaners het klooster en de kerk San

Juan de los Reyes gaf, waar zij haar laatsten slaap wilde slapen,

begiftigde ze hen tevens met een inkomen van 7000 maravedi's,

(een koperen spaansche munt van nog geen nederlandsche cent waarde)

die genomen moesten worden uit de koninklijke schatkist, zonder dat

de inkomsten in geld en in natuurproducten, die van het land geheven

werden, ervoor behoefden te verminderen. Buitendien verrijkte zij hen

met kunstwerken, met miniaturen, juweelen en kostbare manuscripten, in

Duitschland gekocht en in Italië. Inderdaad meende de groote koningin

van Castilië, dat zulk een mildheid haar volk ten goede kwam. Met

het doel, haar volk te beschaven, wist zij de oprichting van twee

leerstoelen voor de theologie door te zetten voor de studenten, en

voor kinderen uit de provincie werden scholen gebouwd; zij stond erop,

dat men er de christelijke leer duidelijk uiteenzette op een wijze,

die deze leer begrijpelijk en bemind maakte. Nu was geen enkele orde

van geestelijken aard meer het vertrouwen van Isabella waardig dan

die der Franciscaners; geen godsdienstig genootschap verdiende zoozeer

om zijn talenten en deugden te worden uitverkoren door de vorstin.

Na de verovering van het koninkrijk Granada wijzigden zich Isabella's

denkbeelden, en in haar testament, een voorbeeld van wijsheid en

voorzichtigheid, beval zij, dat men haar stoffelijk overschot zou

bijzetten in de stad, die met zooveel opofferingen was vermeesterd.

De gunst, waarin zich het klooster van Toledo mocht verheugen,

verminderde niet onder de volgende regeeringen; Karel V voltooide het

werk van zijn bloedverwante; Filips II schonk er groote giften aan,

en deed het de verheven eer aan, het kapittel-generaal van alle groote

militaire orden van Spanje te mogen bewaren, en eindelijk bedekte

Filips III er de wanden met schilderijen en logeerde bij voorkeur in

het Alcazar bij de verkiezing van den Generaal der Franciscanen, bij

welke gelegenheid de vorst er feesten gaf en luisterrijke maaltijden.

Toen Mevrouw d'Aulnoy Spanje bezocht, was zij zeer getroffen door de

pracht van de kerk. "Zij is groot en schoon," schreef zij, "en staat

vol met oranjeboomen, granaatboomen, jasmijn en zeer hooge myrten,

die in hun bakken heele lanen vormen tot aan het hoofdaltaar, dat

met een zeer rijke versiering is getooid. Zoodat met al die groene

bladeren en al die bloemen van verschillende kleuren, en als men er

het goud en het zilver ziet fonkelen tusschen de borduurwerken en de

aangestoken waskaarsen, waarmee het altaar is overdekt, het is, of men

de zonnestralen zelve ziet. Er zijn ook kooien, mooi geschilderd en

verguld, waarin nachtegalen, sijsjes en andere vogels een bekoorlijk

concert geven."

De kerk en vooral het klooster hebben verschrikkelijk geleden van den

oorlog en van den brand, die in 1809 veel onheil stichtte en een deel

van het altaar, de geschilderde glazen, de bibliotheek en de helft

van het klooster verwoestte. In 1835, ten tijde van de Revolutie en

van de afschaffing der godsdienstige orden, werd het gebouw in een

kruitmagazijn veranderd.

Het zou geheel ten onder zijn gegaan, indien niet in 1844 de

Commissie voor de historische Monumenten er de beschermende hand

over had uitgebreid, door de gemeente van San Martino erheen over te

brengen. Aan den dienst teruggegeven, en voor de bedelaars gesloten

zoowel als voor de plunderaars, is de kerk bewaard gebleven voor de

verwoesting, waarmee ze werd bedreigd.

Wat het klooster betreft, dat heeft sinds 1858 een restauratie

ondergaan, die even talentvol wordt uitgevoerd als ze langzaam tot

stand komt, en het is tegenwoordig het kostbaarste en schitterendste

voorbeeld van den gothischen bouwtrant in Spanje. De bogen, die een

lengte van 26 meter innemen aan elk der vier zijden, zijn versierd met

een menigte beelden, sieraden, vogels, vruchten en bloemen, uitgelezen

kunstig bewerkt. Op den binnenmuur, die ook met beelden is versierd,

gedragen door elegante caryatiden, onder de fijne kroonlijst, ziet

men een lang opschrift in de castiliaansche taal. De mooie gothische

letters, die het vormen, zijn gelijk aan die, welke binnen in de kerk

zijn gebruikt, al zijn ze minder groot. Ferdinand en vooral Isabella

worden er uitbundig maar niet overdreven geprezen.

Dit klooster en de kerk werden opgericht op bevel van de katholieke

en zeer uitnemende vorsten Ferdinand en Donna Isabella, koningen van

Castilië, Arragon en Jeruzalem, vanaf de eerste fondamenten, voor

de eer en de glorie van den Koning der Hemelen en zijn gelukzalige

Moeder en tevens van den H. Johannes den Dooper en den H. Franciscus,

hun ijverige bemiddelaars. En na den bouw van dit huis veroverden zij

het koninkrijk Granada, roeiden de ketterij uit en verdreven alle

ongeloovigen, verkregen alle rijken in Spanje en Indië, en voerden

hervormingen in bij alle kerken en gemeenten van monniken en nonnen,

die in hun gebied hervorming van noode hadden; en na zoo groote

en voortreffelijke werken stierf de koningin te Medina del Campo,

gekleed in het gewaad van den H. Franciscus, den 5den November van

het jaar 1503.

Evenals de kerk is het klooster gebouwd naar de plannen van een der

beroemdste bouwmeesters van de kathedraal, Juan Guaz, een Vlaming,

naar men meent, en wiens trekken voor ons bewaard zijn gebleven op

een fresco, dat behoort in San Justo y Pastor. Om tusschen de beide

verdiepingen van het klooster een verbinding tot stand te brengen,

die het gebouw waardig was, beval Karel V later aan Covarrubias,

een prachtige trap te maken, die overdekt is met een koepel in den

vorm van een schelp, waarop het wapen van den grooten keizer voorkomt

naast dat van zijn voorvaderen. Op de bovenste galerij komt ook uit de

cel van Ximenes, die er met eerbied wordt vertoond. De latere groote

staatsman was de eerste nieuweling, die te San Juan het kleed der

Franciscanen aannam.

Nog in de allerlaatste jaren is San Juan de los Reyes bedreigd geworden

met een groot verlies. Na de inneming van Malaga had Isabella als

krijgstrofeeën de ketenen van de door haar in vrijheid gestelde

christelijke gevangenen erheen gezonden en had bevolen, ze te hangen

aan de buitenmuren der kerk. Sinds vier eeuwen beschreven die donkere

ringen hun kringen op het witte gesteente, toen een alcade met veel

practischen zin ze liet loshaken en bevel gaf ze om te smeden tot

deelen van banken en tot een slot voor den openbaren tuin. Gelukkig

had men den tijd, de volvoering van zulk een heiligschennend plan te

voorkomen, en de ketenen hernamen de zoo lang ingenomen plaats.

In een der lage zalen van het klooster, misschien een ruime sacristie,

heeft men een massa ongelijksoortige voorwerpen bijeengebracht,

die meer of minder droevige of merkwaardige gebeurtenissen in de

herinnering terugroepen, zooals schilderijen, stukken gebeeldhouwden

steen of houtsnijwerk, émails en eerwaardig ijzerwerk. Te zamen heet

het min of meer pompeus het Provinciaal Museum. Men kan er een bezoek

brengen, als de portier zoo vriendelijk is op het schellen aan de deur

te letten. Indien zijn bezigheden hem in zijn vertrekken vasthouden,

mag men wachten; maar als men niet wordt binnen gelaten, behoeft men

daar niet al te rouwig om te zijn; alle voorwerpen, die werkelijk

eenige waarde hadden, zijn naar Madrid gebracht.

Van Toledo naar Granada De Aarde en haar Volken, 1906 · 第 3 / 4 段