Domenico Greco of Theotocopuli, om hem zijn waren naam te geven, is

een van die langen tijd miskende kunstenaars, die een glorie zijn voor

de steden, waar ze verblijf hebben gehouden. De strenge en forsche

kleuren, de compositie vol harmonie, de magistrale teekening en de

uitdrukking der gezichten zijn treffend. Deze waardige afstammeling

van de groote kunstenaars uit Hellas was in Griekenland geboren,

zooals zijn naam en zijn bijnaam aanduiden, en daarna was hij, na

Italië te hebben doorreisd en daar een leerling van Titiaan te zijn

geweest, naar Spanje gekomen en had zich te Toledo gevestigd. Buiten

deze begrafenis van graaf Orgaz, dagteekenend van 1584, bezit de stad

nog eenige prachtige portretten door dien grooten meester gemaakt

en geschilderd in de grijze tinten, welke aan de manier van Frans

Hals herinneren.

De kathedraal is nog tegenwoordig wel het middelpunt van Toledo. Van

alle trekt zij het meest de aandacht. Nu eens ziet men haar boven de

huizen verrijzen, dan weer vult ze open hoeken in het uitzicht tusschen

de straatjes, die alle op dat kerkgebouw uitloopen. Aan beide zijden

heeft zij zware contreforten, rondom zijn open galerijen, en boven

steken dikke torens en spitse torentjes hun punten in de blauwe lucht

op. Aan haar voeten dringen zich huizen samen en paleizen; maar men

let daar niet op, zoo overheerschend is de kathedraal voor den geest

en voor het oog.

Men vindt niets anders in de ruimte, en als men, gelijk opeenvolgende

geologische lagen, de bijgebouwen, de sacristieën en de kapellen

uit allerlei tijden naast en in het primitieve gebouw vindt, gaan

die zaken, die al zoo langen tijd met elkaar in aanraking zijn

geweest, zoo goed te zamen, dat de eeuwen er als ineensmelten,

zonder dat men haar grenzen uit elkander houden kan. De kathedraal

is de Sint-Pieterskerk van dit andere Rome, van die stad der zeven

heuvelen; maar dan een zeer mystieke Pieterskerk, een zeer vrome,

die ernstige gedachten wekt en niet de herinnering aan de fiere pracht

van het Keizerrijk. Ik neem het Mariana kwalijk, dat hij haar de Rijke

heeft genoemd, terwijl door de eeuwen heen Jupiter, Jezus, Allah en

toen weer Jezus eerbiedig werden aangebeden op die plaats. De plek,

waar zooveel menschelijke wezens hun geest tot de hoogte eener ideale

wereld verhieven, zou een andere aanduiding verdienen.

De geschiedenis der kathedraal is niet alleen die van de stad Toledo,

maar zij is die van geheel Spanje. De eerste christenkerk, die op de

heidensche tijden volgde, moet opgericht zijn in de 4de eeuw. Zonder

twijfel werd voor dat primitieve gebouw de kerk in de plaats gesteld,

die gesticht was door Recarede, dien gothischen koning, die het

Arianisme afzwoer en, het kerkgebouw onder de bescherming stellend van

de H. Maagd, het den 12den April 587 inwijdde. Het moet een eenvoudig

huis zijn geweest; maar binnen zijn muren werden de heilige bisschoppen

van Toledo tot het pontificaat verheven. Dat geschiedde met Eugenius,

Eladio, Ildefonso en Julianus; onder de gewelven der kerk kwamen de

conciliën samen, waar de gothische monarchie haar wetten gaf en zich in

theologische haarkloverijen verdiepte, terwijl de Arabier in den galop

van zijn snel en vurig paard al meer naar het westen den teugel wendde.

De Halve Maan werd geplant op den grond, dien Viriathes zoo lang aan

de Romeinen had betwist. De kerk werd omvergehaald en vervangen door

een schitterende moskee, met kostbaar marmer bekleed. En toen na drie

eeuwen de stad door de Christenen heroverd werd, was zij zoo schoon,

dat de Mooren erdoor een afzonderlijk artikel van de capitulatie

beslag op legden en van den overwinnaar de belofte kregen, dat zij

er vrij hun godsdienstoefeningen zouden mogen houden. Koning Alfonsus

beloofde onder eede, altijd aan deze plechtige overeenkomst trouw te

zullen blijven.

De Mooren hadden met den koning onderhandeld, maar niet met

koningin Constantia. In overleg met bisschop Bernard maakte zij van

de afwezigheid van den vorst, die in verre landen oorlog voerde,

gebruik, om te komen tot wat zij de kostbaarste der overwinningen

noemde. Op een nacht vereenigden zich drieduizend goed gewapende

Christenen onder haar bevelen en, door den bisschop aangevoerd,

stormden zij op de moskee los. De deur bezweek onder hun slagen,

en de verraste bewakers konden geen weerstand bieden. San Vincentius

Ferrer moest het voorbeeld van overgave twee eeuwen later volgen.

Den dag na de inneming werd de moskee voor den christelijken eeredienst

gewijd, en gesteld in het bezit van de kanonnieke rechten der kerk,

die zij had vervangen, in spijt van de protesten van Aboe Valid,

die met verontwaardiging eischte, dat het verdrag der capitulatie

zou worden nageleefd.

Dadelijk zonden de Mooren een bode naar den koning met de opdracht,

hun beklag te doen en naast de vervulling der belofte van den vorst

ook de bestraffing te eischen van de koningin en den bisschop.

Alfonsus, in woede ontstoken, beloofde de schuldigen te straffen en

sloeg in groote haast den weg naar Toledo in.

Toen ze den haastigen terugkeer van den koning vernamen, waren de

koningin en de bisschop zeer verschrikt en vol vrees. Nu was er onder

de Mooren een wijs en voorzichtig man, die niet te vergeefs zielkunde

had bestudeerd.

"Wat zult gij lieden nu beginnen?" vroeg hij zijn

geloofsgenooten. "Koning Alfonsus is eerlijk; hij zal zijn woord

houden en hij zal, naar ze verdienen, straffen de koningin, die hij

liefheeft en den bisschop, die zijn geheele vertrouwen bezit. Gij zult

voor een oogenblik getriomfeerd hebben, maar weest er zeker van, dat,

als er recht is gedaan, de rechter een wrok tegen u zal behouden. Om

in het bezit te blijven van een moskee, die voortaan te groot voor

ons zal zijn, zoudt gij de goede gezindheid van uwen souverein jegens

u verspelen. Neemt u in acht voor de gevolgen, waardoor hij ons de

strengheid zal doen berouwen, die wij van hem hebben gevorderd."

Deze alfaqui of wetgeleerde wist zijn gehoor te overtuigen, en nog

dienzelfden avond reisde hij, door zijn geloofsgenooten afgevaardigd,

den koning te gemoet, om zijn goedertierenheid ten gunste der

schuldigen in te roepen.

Alfonsus gaf zijn groote ontevredenheid aan de koningin te kennen en

aan den bisschop; maar in den grond van zijn hart gelukkig, dat hij

niet de strengheid behoefde uit te oefenen, die de eer van hem eischte,

toonde hij voortaan aan de in Toledo gebleven Arabieren zijn goeden

wil en een welgezindheid, die slechts een rechtvaardige vergoeding

waren voor het geweld, in zijn afwezigheid gepleegd.

Toledo behield gedurende meer dan anderhalve eeuw, de arabische moskee

als kathedraal en eerst onder de regeering van Ferdinand III, den

heiligen veroveraar van Sevilla, werd ze afgebroken. De eerste steen

van de tegenwoordige kerk werd door dien monarch gelegd, bijgestaan

door bisschop Dom Jimenez de Rada, op 4 Augustus 1227. Met den bouw is

men bezig geweest tot op het einde van de 16de eeuw. De mozarabische

kapel, die der laatste koningen, die van Sagrario, van Ochavo, de

Sacristie, het huis van den Schatmeester, de Zaal der Onderhandelingen,

de Leeuwenpoort en die der Voorstelling, het snijwerk van het koor

en een menigte andere toevoegsels dateeren van nog lateren tijd.

De naam van den eersten bouwmeester is ons bewaard gebleven. Hij

heette Pedro Perez, zooals men kan lezen op zijn grafschrift, dat in

de kapel van Santa Maria gevonden is, toen die kapel werd afgebroken

bij den aanleg van het Sagrario. Hij stierf op hoogen leeftijd in

1285. Onder zijn talrijke opvolgers moeten wij niet vergeten den

beroemden Juan Guaz, wien de Katholieke koningen den bouw opdroegen

van het klooster San Juan de los Reyes.

Het zou vervelend zijn de optelling te hooren van het aantal pilaren,

die het schip van de kathedraal van Toledo dragen; van de vensters, die

er licht geven; van de vierkante meters gewelven, die het overdekken;

van haar kapellen, vensterruiten, deuren en binnenpleinen. De

kanunniken zelf zouden u geen completen inventaris kunnen geven van

de schatten van allerlei aard, die men er vindt. Ik wil mij er dus

toe bepalen, de hoofddeelen te bespreken en allereerst mijn aandacht

wijden aan drie groote figuren, die scherp uitkomen tegen de groepen

van koningen, ministers, krijgslieden en bisschoppen, die allen

te rusten gelegd zijn in de kathedraal of haar iets van hun eigen

roem hebben meegedeeld. Ik zal namelijk spreken over Alvaro de Luna,

den beroemden en ongelukkigen minister van Juan II, van den grooten

kardinaal Mendoza, minister van Isabella de Katholieke, en van den

niet minder grooten Ximenes de Cisneros, die, bekleed met koninklijke

macht op het eind van het leven der groote koningin, ze behield in de

eerste jaren der regeering van haar dochter, Johanna de Krankzinnige.

Zooals in bijna alle gothische kerken van Spanje, wordt de schoonheid

van het centrale schip bedorven door de zware massa van het koor,

dat onvermijdelijk voor de kanunniken moest gereserveerd. Maar

toch, omdat het koor zoo mooi is, kan men het veel vergeven. Nadat

men het prachtige hek van verguld koper en verzilverd ijzer heeft

bekeken, waarin men de karakteristieke ornamenten aantreft van den

platereskenstijl of dien der spaansche vroeg-renaissance; nadat men

daarboven de wapens heeft herkend van kardinaal Siliceo, primaat van

Spanje in den tijd toen de beroemde meester van het smeewerk, Domingo

Cespedes, dit kunststuk voltooide in 1548; nadat men het opschrift

heeft ontcijferd, dat vertelt, hoe dit wonder werd gewrocht onder

de regeering van Karel V en onder het pontificaat van Paulus III,

begint men de grieven te vergeten, die voor een opmerkzaam beschouwer

van het schip der kerk geheel verdwijnen.

Langs de muren, die zich tot halver hoogte de zuilen verheffen, staan

twee verdiepingen van koorstoelen van rijkgebeeldhouwd notenhout,

maar van verschillende stijlen. De benedenste rij is niet de schoonste;

maar wel is ze de oudste en de interessantste. Elk basrelief stelt een

gebeurtenis voor uit den strijd, ter verovering van het koninkrijk

Granada, door de Katholieke koningen gevoerd, en de daarna volgende

inneming van de talrijke versterkte plaatsen, waardoor de tien jaren

van den oorlog gekenmerkt waren. Die koorstoelen, die in 1495 werden

voltooid, dateeren uit den tijd van kardinaal Mendoza en zijn het werk

van den meester-beeldhouwer Rodriguez. Ze zijn in den bloemrijken

gothischen stijl gemaakt en vloeien over van curieuse en aardige

bijzonderheden over de vestingen, de kleederdrachten, de wapens, de

gewoonten der Christenen en der Mooren op het tijdstip der verovering.

De stoelen van de bovenste rij zijn afkomstig uit de 16de eeuw en

dragen alle den duidelijken stempel der Renaissance. Marmermozaïeken

en inlegsels van jaspis en albast zijn ingevoegd in het notenhout

van een mooie, warme tint, om de versieringen mee aan te brengen.

Filips Vigarni, genaamd van Bourgondië, heeft de linker koorstoelen

gemaakt, terwijl Berruguete die aan den rechter kant vervaardigde. De

figuren, die bijna levensgroot boven de leuningen zijn aangebracht,

zijn ontleend aan het Oude en het Nieuwe Testament. De stoel van den

aartsbisschop, die zoo bijzonder mooi is, was voor Berruguete bewaard

gebleven. De dood overviel hem, en zijn medewerker had de eer het

kunstwerk te snijden. Er staat het schild op van kardinaal Siliceo,

onder wiens bestuur het werk werd voltooid in plaats van dat van den

aartsbisschop Talavera, dat men op de andere stoelen vindt.

De bronzen zuilen, die het koepeltje steunen, dat zich er boven

uitbreidt, zijn wonderlijk mooi gesneden. Op de leuning stelt een

basrelief van albast, dat wij aan de beitel van Gregorio Vagarni

verschuldigd zijn, broeder van Filips, genaamd van Bourgondië,

de H. Maagd voor, zooals zij een kasuifel om de schouders van

den H. Ildefonsus hangt. De bevalligheid en de schoonheid der

heilige kunnen slechts vergeleken worden bij de verheven en verrukte

uitdrukking van dengene, die haar aanschouwt. Een belangrijke groep is

aangebracht boven het koepeltje en stelt de transfiguratie van Jezus

voor, die tusschen Elia en Mozes staat. Berruguete had den tijd het

werk te voltooien en zelfs om oneenigheid te krijgen met het kapittel

over de betaling van zijn arbeid. De bouwmeester van het Alhambra,

Pedro Machuca, werd als deskundige gekozen en stelde den prijs vast

op 82628 realen, een zeer belangrijke som voor dien tijd, want ze

staat gelijk met 13000 hollandsche guldens.

Boven de koorstoelen vindt men rechts en links orgels, die om de

schoonheid der registers en de voortreffelijkheid van het mechanisme

terecht beroemd zijn. Het eene is van 1756, het andere van 1796,

en beide zijn vervaardigd door bekende orgelbouwers. De overige

meubels van het koor kunnen wedijveren met de stoelen. In het midden

draagt een arend met ontplooide vleugels, de klauwen rustend op een

gothisch voetstuk van ouderen stijl, de enorme en zware boeken van

de liturgieën. Die schoone vogel is zeker uit Duitschland gekomen

in den tijd der Renaissance. Twee andere lessenaars van verguld

brons van verschillenden vorm, staan een weinig lager, gelijk met de

stoelen. Zeer mooie basreliefs, die den doortocht door de Roode Zee en

David, dansend vóór de ark, voorstellen, versieren de vlakke deelen van

die lessenaars. Ze zijn zoo stevig verguld, dat men ze het gebruik niet

kan aanzien, ofschoon ze van 1750 moeten dagteekenen. Indien dan al het

kapittel veel van kunst hield, het hield ook veel van zuinigheid, want

er rezen nog moeilijkheden met den vervaardiger Nicolaas de Vergara,

den Oude. Er volgde een twist, maar ten slotte werd men het toch eens.

Tusschen het koor en de Capilla Mayor van tegenwoordig, die

afgesloten wordt door een hek, waar een prachtige Christus aan

het kruis boven hangt, ligt een vrij groote ruimte. Zij werd tot

de 15de eeuw ingenomen door de oude Capilla Mayor, terwijl aan de

achterzijde zich de kapel der Oude Koningen verhief, gesticht door

koning Dom Sancho den Dappere, om als begraafplaats voor zijn familie

te dienen. Toen Ximenes de Cisneros kardinaal en primaat van Spanje

was geworden, verkreeg hij van de Katholieke koningen vergunning,

om de stoffelijke overblijfselen hunner voorgangers naar elders

over te brengen, en tevens om van de beide kapellen een enkele te

maken van grooter afmetingen en dus meer in overeenstemming met de

belangrijkheid van het gebouw. Zulk een optreden heeft natuurlijk

meer sporen nagelaten. De Capilla Mayor ziet er, nadat ze de beelden

en sieraden uit de beide heiligdommen heeft geërfd, overladen en vol

en niet in harmonie met het andere uit. Onder de beelden van koningen

en koninginnen is ook een binnengedrongen van een boer.

Toen de beroemde slag van las Navas aan den gang was, en het leger der

Christenen door de ongeloovigen in het nauw was gebracht, en dreigde

vernietigd te worden, verscheen er een herder voor koning Alfonsus VIII

en bood hem aan, hem langs een onbekenden, maar volkomen veiligen weg

buiten den pas te brengen, waar de troepen ingesloten waren. Toen hij

zijn woord had gehouden, verdween de herder, zonder op den dank des

konings te wachten of om een belooning te vragen. Dadelijk liep het

gerucht, dat de redder van het leger der Christenen een afgezant van

den hemel was. Ten bewijze van zijn dankbaarheid gaf Alfonsus bevel,

een standbeeld op te richten voor den hemelschen gids en beschreef

hem aan den kunstenaar, zooals hij hem had gezien.

Tegenover dien Pastor de las Navas staat de waardige gestalte van den

alfaqui Aboe Valid, die door zijn beleid koningin Constantia redde van

de straf, die zij wel een weinig verdiend had. Voorbij de koninklijke

standbeelden dichterbij het altaar vindt men boven elkaar een rij van

graven, waar de leden der koninklijke familiën rusten, die niet zijn

overgebracht naar de kapel der Nieuwe Koningen. Daar heeft zich op

een echt koninklijke plaats een persoon ingedrongen, die door zijn

geboorte niet voor zulk een eer bestemd was. Het is niemand minder

dan de beroemde Dom Pedro Gonzales de Mendoza, kardinaal, primaat

van Spanje en eerste minister der Katholieke koningen.

Het heeft moeite gekost, om het stoffelijk overschot te plaatsen in

een graf, dat meer op een kapel gelijkt, en waar een altaar staat. Op

dat altaar moesten volgens de laatste wilsbeschikking van den prelaat

drie missen per dag worden gelezen. Toen de kardinaal gestorven was,

haastten zich de kanunniken, die hem misschien tijdens zijn leven wel

eens lastig hadden gevonden, tegen de bepalingen van zijn testament

te protesteeren.

De plaats, die de overledene had aangewezen, om er zijn graf te graven,

kon, zoo zeiden zij in den aanvang, slechts aan een vorst of een prins

van koninklijken bloede worden afgestaan. Toen Isabella, die door

den slimmen Mendoza tot zijn executrice testamentaire was aangewezen,

hoorde van den tegenstand, zond zij aan het kapittel het bevel, zich

naar den laatsten wensch van den kardinaal te voegen. Toen men zich

niet haastte om te gehoorzamen, dacht zij aan koningin Constantia. Door

metselaars vergezeld, begaf zij zich des nachts naar de kathedraal en

beval den werklieden, in haar tegenwoordigheid den dikken muur door

te breken. Toen de kanunniken den volgenden morgen in de kerk kwamen,

vonden ze de doorboring zoo goed als voltooid. Het gaf toen niets,

nog langer te protesteeren.

De kapel, het graf en het mooie beeld, dat op de sarcofaag

is geplaatst, zijn het werk van den meester Alonso de

Covarrubias. Zeven-en-twintig beeldhouwers hielpen hem bij zijn

arbeid. In vier jaren was die voltooid, en in 1504 werd het monument

ingewijd, na den dood van Isabella.

Door aan het stoffelijk overschot van Mendoza een plaats af te staan

tusschen die van koningen en prinsen van Castilië, had de koningin

den trouwen dienaar willen beloonen, en den dapperen krijgsman, den

grooten staatsman, die na den slag van Toro er toe had meegewerkt,

haar den troon te verzekeren, en die vóór Granada haar zoo krachtig

hielp in het winnen van een koninkrijk. Hij was het, die, zich

stellende boven de vooroordeelen van zijn tijd, en van zijn Orde,

het oor leende aan de smeekbeden van Columbus, voor diens inzichten

gewonnen werd en hem den nog wel wat weifelenden steun van de koningin

bezorgde. Zonder Mendoza zou Isabella misschien nooit vorstin over

een Nieuwe Wereld zijn geworden.

Daar zij edelmoedig van aard en dankbaar was, nam zij het hem niet

kwalijk, dat hij bij zijn leven zich den bijnaam had verworven van

"den derden beheerscher van Spanje", en na zijn dood voerde zij

gewetensvol zijn laatste wilsbeschikking uit. De kloosterschool van

Santa Cruz te Valladolid en het hospitaal van denzelfden naam, waarvan

zij den eersten steen te Toledo legde, zijn ook een uitvloeisel van

die gevoelens.

De groote kardinaal was juist een man, zooals men zich de groote

vorsten van dien tijd kan denken. Eens maakte een geestelijke,

die op een dag in de tegenwoordigheid van den kardinaal preekte,

van de gelegenheid gebruik, om uit te varen tegen de verslapping

van den godsdienst in de tijden, die hij beleefde, en deed dat in

zulke bewoordingen, dat het onmogelijk was, zich in zijn bedoeling

te vergissen.

Het gevolg van den prelaat kookte van ongeduld en wilde zich op den

overmoedige wreken. Maar wel verre van zich beleedigd te toonen, beval

Mendoza den prediker een schotel wild te brengen, dien men hem nog

denzelfden dag moest voorzetten, en hij liet het geschenk vergezeld

gaan van een beurs, gevuld met dubloenen bij wijze van specerij.

Ter verontschuldiging van den wereldschen zin van Mendoza moet men

bedenken, dat aan het celibaat der geestelijken niet de hand werd

gehouden en dat het in Arragon zelfs aan afstammelingen van priesters

geoorloofd was te erven van hun overleden ouders, ook al hadden

dezen geen testament gemaakt. Dit zijn gebruiken, die men mudejarisch

of mozarabisch zou kunnen noemen en die tot de westersche zeden in

dezelfde betrekking staan en er op dezelfde wijze van verschillen als

de architectuur der paleizen van Toledo, voor de Christenen gebouwd,

van die der in denzelfden tijd in Frankrijk opgerichte gebouwen.

Bij een der laatste bezoeken, die Isabella bracht aan haar stervenden

minister, vroeg de koningin hem, zijn opvolger aan te wijzen, een

keuze, die van bijzonder groot belang was, daar de aartsbisschop uit

den aard der zaak president was van den Raad van Castilië. Gedrongen,

om den naam te noemen van dengene, die het meest waardig was deze

dubbele functie te vervullen, beval Mendoza haar den broeder Francisco

Ximenes de Cisneros, van de orde der Franciscanen aan, die reeds haar

biechtvader was, ofschoon dan zeer tegen zijn zin. Nooit heeft Mendoza

zijn vaderland een grooteren dienst bewezen, want hij vertrouwde den

staat toe aan reiner handen dan de zijne, en stelde de leiding onder

de hoede van een veelomvattenden geest, die in staat was Spanje verder

te voeren op den weg der eenheid en de unificatie tot een goed einde

te brengen.

Ximenes rust niet als zijn voorganger in de kathedraal van Toledo. Hij

had als plaats om zijn laatsten slaap te slapen een bescheidener

hoekje gekozen, namelijk in de universiteit van Alcala, die hij had

laten bouwen; maar toch leeft de herinnering aan hem in zijn kerk

en vooral in de mozarabische kapel, waar allerlei oude en de eeuwen

trotseerende herinneringen opleven.

Wat is dat eigenlijk, die mozarabische eeredienst?

Toen de Mohammedanen Toledo hadden ingenomen, oefenden zij er zulk

een gematigde heerschappij uit, dat de Christenen vergunning kregen,

er hun eeredienst uit te oefenen. Drie eeuwen later vond Alfonsus VI,

bij het heroveren der stad er een christelijke bevolking, die alle

vormen van den ouden gothischen eeredienst had behouden, terwijl

ze zich sterk hadden gewijzigd in landen, die christelijk waren

gebleven. De toledaansche ritus werd dus bewaard in de zes kerken,

waar hij in stand was gebleven tijdens de vreemde overheersching;

maar langzamerhand nam het aantal Mozarabieren af, en die dienst

zou onherroepelijk verloren zijn geweest, als Ximenes er niet een

kapel aan had gewijd, die in directe gemeenschap werd gesteld met

de kathedraal. De mis, die er dagelijks met groote praal wordt

voorgediend, verschilt van de zoogenaamd romeinsche mis. Ofschoon

er hier slechts sprake is van bloote vormquaesties, zooals van

het breken der hostie in negen stukken, de volgorde der gebeden,

de weglating van het laatste Evangelie enz. toch was er vroeger een

hevige strijd tusschen de aanhangers der twee richtingen. Er werden

formeele gevechten voor geleverd; ieder had zijn ridders, die voor

haar in het strijdperk traden, en als de kamp onbeslist bleef, ging

men tot de vuurproef over, om des hemels wil te vernemen. Er werd

een brandstapel ontstoken, en in tegenwoordigheid van een angstig

wachtende menigte werden de boeken van den eeredienst van Toledo en

de latijnsche richting er tegelijk op geworpen. De eerste bleven

ongedeerd, terwijl de andere verteerd werden. De stem des hemels

had gesproken; de toledaansche ritus of die van den H. Isidorus

werd behouden.

Tegenwoordig wordt de mozarabische mis min of meer als een

curiositeit beschouwd; zij behoort tot het gebied der christelijke

archaeologie. Hoewel de vreemdelingen er in grooten getale heen

stroomen, kan men dat zelfde niet zeggen van de stadgenooten, die

enkel door de ceremoniën der groote kerkfeesten er nog eens worden

heengelokt. Het steeds afnemend aantal van de Mozarabieren behoeft

geen verwondering te baren, als men bedenkt, dat bij de gemengde

huwelijken de echtgenoot, die den latijnschen ritus aanhangt, meer

voorrechten heeft dan hij, die den toledaanschen ritus volgt. Zoo

ook moet in het eerste geval de vrouw terugkeeren in den schoot der

latijnsche kerk, terwijl in het tweede zij niet mozarabisch wordt.

Van Toledo naar Granada De Aarde en haar Volken, 1906 · 第 2 / 4 段