van Castilië. In de laatste jaren van haar leven begiftigde zij haar
nog met het toevluchtsoord van Santa Cruz voor vondelingen. Toen zij
den bouw van dit schoone gebouw ondernam, trad zij op als uitvoerster
van den uitersten wil van haar getrouwen minister, kardinaal Mendoza,
denzelfden staatsman, wien zij met geweld een laatste rustplaats
schonk in de Capilla Mayor van de kathedraal.
De kardinaal was gestorven in 1495, vóór de eerste steen was gelegd. De
koningin kwam dadelijk tusschen beide, hief de moeilijkheden op,
die rezen naar aanleiding van de verwerving van terreinen, in handen
van kloosterorden, en toen zij op haar beurt stierf, in 1503, waren
alle schikkingen zoo goed getroffen, dat de bouwmeester Enrique de
Egas op geen enkelen hinderpaal stuitte. Tien jaren later was het
gesticht gereed. Het is gebouwd in den vorm van een grieksch kruis of
het kruis van Jeruzalem. De kerk bevond zich vroeger bij het snijpunt
van de armen van het kruis; de gebruiksverandering tot Kadettenschool
heeft ertoe geleid, dat het altaar verplaatst werd naar het uiteinde
van een der armen.
Ofschoon het vondelingenhuis van Santa Cruz zeer weinige jaren na San
Juan de los Reyes gebouwd is, lijken de stijlen niets op elkaar. De
velerlei aanraking met Italië had Spanje de oogen geopend voor nieuwe
richtingen. Dadelijk had het die met geestdrift aanvaard, vergetend
zijn eigen verleden en de overleveringen, die uit Bourgondië en
Vlaanderen in vroeger eeuwen waren overgekomen. Alleen de prachtige
houtbetimmeringen met de houtmozaïeken in de vier zijbeuken zijn van
die mozarabische kunst, waarvan Toledo zooveel kostelijke voorbeelden
bezit.
Rechts van de ruimte, die tegenwoordig tot ingang dient, is een
kloostergang met zuilen in klassieken stijl. Men komt op de
bovenverdieping langs een zeer fraaie trap, die begint onder
een portiek, gevormd door drie zuilen met verrukkelijk fijn
snijwerk. Groote treden uit één stuk fijn, wit marmer voeren naar
galerijen, waar bedelaars en plunderaars de houtbekleeding van hebben
weggeroofd, zoodat men nu van balk op balk moet springen op gevaar
af in de spleten te vallen en door het dunne plafond terecht te komen
op de steenen van de lager gelegen gang.
Deze gang staat in verbinding met een andere kleinere, die zware
zuilen en kapiteelen heeft, afkomstig uit de antieke kapel van
de H. Leocadia. Uit de weinige vensters, die een paar cellen van
die kloostergangen verlichten, ziet men neer in de kloof, waar de
Taag door stroomt, op de brug van Alcantara en het kasteel van San
Cervantes, dien mooien, strengen toegang tot Toledo. Men kan zich zeer
goed voorstellen, dat de overlevering op de terreinen, nu door het
hospitium ingenomen, het oude Alcazar heeft geplaatst, dat zich in 1085
aan koning Alfonsus VI overgaf, gedwongen door een hongersnood, dien
een streng en langdurig beleg had veroorzaakt. Op geen enkele plaats
kon men een betere positie innemen ter verdediging van de rivier. Wat
is er van die vesting overgebleven? Niets dan een vervallen en half
ingestorte toevlucht, die er uitziet of ze een beleg heeft doorstaan,
en dan de diepe melancholie van de dingen die niet worden gebruikt.
Het werk van Karel V is niet enkel vertegenwoordigd door de
Visagrapoort, Toledo is ook aan hem verschuldigd het mooie binnenplein
van het Alcazar, en bovendien dateert uit zijn regeering het hospitaal
van San Juan a Fuera, gebouwd door den kardinaal-aartsbisschop Dom
Juan Tavera. In 1541 begonnen, werd het eerst in 1624 voltooid. De
indrukwekkende gevel van uitstekenden smaak strekt zich uit over
een lengte van ongeveer honderd meter. Uit de kerkpoort zagen wij de
zusters van Sint Vincentius a Paulo komen met haar witte mutsjes, die
alleen al door haar tegenwoordigheid den indruk van orde en netheid
geven, die ieder moet treffen zoodra hij den drempel overschrijdt.
Welk een verrassing is het, de steenen van de gangen zonder vlekken te
zien, de hoeken zonder vuil en de oude mannen gewasschen en gekamd,
terwijl er geen bewakers rondloopen, die bedelen met een dreigement
in den blik! Men gevoelt, dat Frankrijks goede engelen over de bergen
zijn gevlogen, en dat voor haar goede werken de wereld nooit groot
genoeg zal zijn.
Bij de kruising van het schip der kerk met de armen van het kruispand
welft zich een zeer hooge en wijde koepel over het graf van den
stichter van het liefdehuis. Dat is het laatste werk van Alonso
Berruguete. Mogelijk is de koepel zelfs wel afgemaakt door zijn zoon,
in 1561. De jaren hadden de hooge vlucht van den kunstenaar wat
getemperd, want hij heeft nooit beter de zachte kalmte van den dood
van den rechtvaardige weergegeven. De versieringen van de sarcofaag
zijn van een lateren tijd dan het beeld van den doode, en hoewel
in goeden italiaanschen stijl, zijn ze veel minder waard. Zij zijn
het werk van een inlandschen kunstenaar; maar in dien tijd, en als
ze zich aan het marmer waagden, waren de spaansche beeldhouwers zoo
gewend aan de italiaansche manier, dat het moeielijk wordt, hun werk
te onderscheiden van wat uit de werkplaatsen in Genua en Florence kwam.
De burgers van Toledo mogen graag hun stad vergelijken bij de hoofdstad
der Christenheid. De parallel valt dan geheel in hun voordeel uit. Men
oordeele:
Toledo en Rome hebben zeven heuvels, Toledo en Rome hebben een
tarpeïsche rots; Toledo en Rome zijn beide vol kloosters; Toledo
en Rome hebben beroemde prelaten zien geboren worden; maar het Rome
van Italië heeft ernstige fouten begaan en dwaasheden, waarvoor het
Rome van Spanje zich heeft weten te behoeden. En eindelijk steekt
Toledo haar mededingster de loef af door de algemeene vermaardheid,
die haar marsepein heeft verkregen, het marsepein met amandels; op
dat gebied behoeft niet te worden gestreden, daar komt de eerepalm
toe aan het Roma del Marzapan.
Ik geloof, dat geen vreemdeling Toledo beter heeft gezien dan ik onder
het geleide van mijn uitstekenden vriend, professor Ventura y Reyes. Er
is geen stukje van de oude stad, of hij heeft het onderzocht met een
talent, dat alleen te vergelijken is met zijn bescheidenheid. Daar
vandaag, Zondag, het provinciaal museum gesloten was, had de doctor
mij ten zijnent geïnviteerd, om dan samen een wandeling buiten de
stad te doen.
"Wij hebben daar," had hij tot mij gezegd met een zekere
geheimzinnigheid, "twee vrouweportretten, die u zeer zullen
interesseeren".
"Uit welken tijd?"
"Uit den tijd van Filips IV."
"Een Velasquez, een Greco?"
"Wie weet?"
Ik ging heen in groote spanning. Wat een rijkdommen heeft toch dat
Spanje, dat zoo geheimzinnig is en zoo bescheiden! De ontroering
deed mijn hart sneller kloppen, toen wij in de bibliotheek binnen
gingen. Achter in de zaal, in een soort van afgesloten hoekje bij den
katheder van den professor, hingen twee doeken van vrij groote afmeting
tegenover elkander. Ik liep er snel op toe; mijn oogen doorboorden de
duisternis, en ik zie een prachtige vrouw met een baard, omringd door
haar man en kinderen. Een roode sluier bedekte het gelaat, terwijl
het laag uitgesneden corsage de borst van de kleur van leliën en
rozen liet zien.
Natuurlijk heeft Velasquez niets met dit portret uit te staan.
"Wat zegt u ervan?" vraagt mij lachend mijn gids.
"Dat moet een reclame wezen van een fabrikant van schoonheidsmiddelen
of van een middel voor den haargroei."
"U vergist zich; het is het authentieke portret van een dochter van
het blonde Germanië. Geboren in Duitschland, in 1620, kwam zij in 1664
in Spanje, en zoowel om haar baard als om haar talent als organist
wist zij belangstelling te wekken. Dit portret en het uitvoerige
opschrift dat het draagt, zijn er de onmiskenbare blijken van. En nu,
keer u eens om."
't Is, of het om een weddenschap te doen is! Daar sta ik weer tegenover
een vrouw met een baard!
"Meent u dan, dat Spanje bij Duitschland achter heeft willen blijven?"
De eerste vrouw was hoogblond en zag er vroolijk uit; deze tweede
met witten baard heeft een zeer streng uiterlijk. Hier geen laag
uitgesneden kleed; een hooge guipure en een stijve kraag omsluiten hals
en borst en het gezicht kon dat zijn van een uit China teruggekeerden
zendeling. Onder dit beeld zocht ik te vergeefs naar een opschrift,
en ik vond er slechts een cijfer. Deze tijdgenoote van Filips IV was
vijf-en-vijftig jaar, toen men haar weinig aantrekkelijk uiterlijk
vereeuwigde.
Neen, de jeugdige leerlingen van het provinciale lyceum worden niet
op de proef gesteld door wat men hun te zien geeft!
Maar wat is de aanleiding geweest tot de dwaasheid, dat deze dochteren
Eva's er zoo op gesteld waren, aan de wereld den rijkdom van haar
baard te vertoonen? De methodische exploitatie en het winstgevend
bedrijf om phenomenen te laten zien, was nog niet in de zeden
doorgedrongen.... Een paar eeuwen later zou Barnum haar fortuin en
het zijne hebben gemaakt.
De dag, die onder zoo gelukkige voorteekenen was begonnen, was als
een vergoeding voor de ernstige studiën van de vorige week. Sedert
mijn aankomst had ik vertoefd in de geheimzinnige schaduw der kerken,
onder kloostergewelven, bij graven en tot ruïnen vervallen paleizen;
had ik dan niet verdiend, ook eens naar buiten te gaan?
Zoodra we de stad hadden verlaten, was het alles een schittering van
licht en vreugde; de herfstzon glimlachte met haar vriendelijkste
gezicht. Toch keerde ik mij even om, en keek naar de versterkte
poort, die ik was doorgegaan. Een engel stond daar met een zwaard
in de hand, streng en toornig tusschen twee zware torens. En de
bewoners van Toledo, de jongen en de ouden hebben zich afgevraagd,
waarom die godsgezant hun een zoo donker gezicht liet zien. Er moest
een verklaring wezen, en er is een legende ontstaan.
De engel des Heeren waakt over Toledo en verbiedt de rampen en
ellenden de stad te naderen; zij, die zooveel leed over de arme
menschheid brengen.
Eens verscheen de afschuwelijke pest en vroeg om te worden toegelaten.
"Wat komt gij hier doen?" vroeg de engel in woede ontstoken.
"Ik ben een gezant van God, gij hebt niet het recht mij te weren."
"Mijn volk is vroom; als God in zijn ontevredenheid enkele armzalige
visschers wil tuchtigen, dat hij er ten minste rekening mee houde,
dat Toledo trouw de Heilige Maagd heeft gediend. Beloof mij, dat gij
u met twintig slachtoffers zult tevreden stellen."
De engel bad en smeekte; maar de pest vond dat niet genoeg en wilde
niet met minder dan tweehonderd tevreden zijn.
Toen moest de vreeselijke schatting, die gevraagd werd, worden
toegestaan. De pest ging binnen, en gedurende drie maanden richtte
zij vreeselijke verwoestingen aan en deed de bewoners van Toledo bij
duizenden sterven.
"Ellendeling, leugenaarster, meineedige!" schreeuwde de engel, toen
de ziekte eindelijk vertrok. "Ik zal u bij den hemel aanklagen."
"Waarom die woede? Gij hadt mij de levens van tweehonderd slachtoffers
afgestaan. Die heb ik genomen. De anderen zijn allen van vrees
gestorven. Daar heb ik geen schuld aan!"
Van de vlakte, waarop men uitkomt, als men de wallen achter zich heeft
gelaten, rust het oog eerst op de meer dan middelmatige beelden van
eenige koningen van Spanje, om daarna in het dal af te dalen naar
de ruïnen van een romeinsch circus, dat systematisch verwoest werd,
toen Abd el Rahman, gouverneur van Tolestane, zich onafhankelijk
trachtte te maken.
Langzaam dalend, komt men bij het heiligdom van Cristo de la Vega. Het
kerkgebouw is opgericht op de plek, waar de heilige Leocadia den
marteldood onderging.
Leocadia was schoon en werd bemind. Toen men van haar eischte,
dat zij het Christendom zou afzweren, was zij bang, niet sterk te
zullen zijn en door de pijn te zullen worden overwonnen en haar God te
verraden. Daarom riep zij hem te hulp en smeekte hem, haar tot zich te
roepen en haar de smadelijke ontrouw aan het geloof te besparen. En
terwijl zij met haar hand een kruis op den grond teekende en dat
eerbiedig kuste, stierf zij met den naam van Jezus op de lippen.
Er verloopen eeuwen. Pas tot het Christendom bekeerd, heeft koning
Sisebuth een prachtigen tempel laten oprichten op de plek, waar de
martelares gestorven is. In de nabijheid van haar hoogvereerd graf
werden conciliën gehouden. Monarchen en bisschoppen hebben naast haar
willen rusten, en daar op eens doet een nieuw wonder de vroomheid
van het volk en de koningen nog stijgen.
Het was op 9 December 666. Bisschop Ildefonsus vierde in het heiligdom
den jaardag van den dood der heilige. Plotseling verdween de grafsteen
in den glans eener lichtende verschijning. Een engelengedaante
gehuld in witte sluiers, vertoonde zich voor de blikken der
aanwezigen. Leocadia leeft, zij glimlacht, zij spreekt, zij prijst
Ildefonsus, dat hij op het Concilie de maagdelijkheid van de Moeder
Gods heeft verdedigd.
De bisschop is op de knieën gevallen, hij luistert, beeft en
twijfelt. Neen hij is niet het slachtoffer van een gezichtsbedrog,
de verrukking, die op aller gezichten te lezen staat, stelt
hem gerust. Hij beeft van vreugde, strekt zijn handen naar de
verschijning uit, en, aangemoedigd door den koning, wil hij de
stralende grijpen. Maar Leocadia behoort niet meer tot deze wereld van
smarten; zij zal zich niet door een aardsch wezen laten aanraken. Zij
wordt minder duidelijk zichtbaar en verdwijnt als een vluchtige
schaduw onder den steen, die zich weer sluit. Maar de verdwijning
heeft niet snel genoeg plaats gehad. Een slip van haar lichten sluier
is tusschen den steen en den vloer blijven zitten. De vorst springt
naar voren om die te grijpen, maar plotseling tegengehouden door het
gevoel zijner onwaardigheid, reikt hij den bisschop zijn degen toe,
die het kostbaar stuk, getuigenis van het wonder, afsnijdt.
"Maagd en martelares," roept de bisschop uit, "gij, die waardig zijt,
den Verlosser in zijn hemelsche glorie te aanschouwen, die uw leven
hebt gegeven, om zijn liefde te verdienen, zie met genadig oog neder
op de stad, waar het Gode behaagd heeft, u te doen geboren worden,
bescherm haar, en laat uw tusschenkomst strekken tot heil van den
monarch, die plechtig uwen feestdag viert."
Nog heden wordt in de kathedraal de eenige reliek der schutsvrouw
van Toledo bewaard. Een standbeeld van de H. Leocadia, dat echter
niet veel kunstwaarde heeft, is in de kapel te zien.
End of Project Gutenberg's Van Toledo naar Granada, by Jane Dieulafoy