Van Toledo naar Granada.
Naar het Fransch van Mevr. JANE DIEULAFOY.
I.
De aanblik van Castilië.--De rondtrekkende kudden.--De
Mesta.--De Taag en haar dichters.--De Cuesta del Carmel.--De
Cristo de la Luz.--De hydraulische machine van Juanilo
Turriano.--De Zocodover.--Oude paleizen en antieke
synagogen.--De Joden van Toledo.--Een herinnering aan de
overstrooming van de Taag.
"Van Madrid naar Toledo," schrijft een spaansch schrijver uit de 18de
eeuw, "leidt een volkomen vlakke weg."
Hoe waar is dat nog steeds, en wat is die weg somber en eentonig, die
zich tusschen de hoofdstad van het moderne Spanje en de oude hoofdstad
van het westgothisch rijk uitstrekt! Nauwelijks heeft men de huizen
van Madrid, die amphitheatersgewijs gerangschikt zijn boven den blauwen
halven cirkel van de Guadarramaketen, uit het gezicht verloren, of men
betreedt een streek zoo verlaten, dat ze iemand een huivering bezorgt.
Boven zich ziet men den hemel onverstoorbaar blauw, en beneden strekt
zich eene eentonige, grijze vlakte uit, bezaaid met sprieten van een
harde grassoort, en hier en daar de asch van het stroo, dat terstond
na den oogst verbrand wordt. De zeer weinige dorpen, waarvan de hutten
gebouwd zijn van aarde of van steenen, die de kleur van den grond
hebben, zijn haast niet te onderscheiden. Men zou ze heelemaal niet
zien, wanneer niet enkele boomen een mager bouquetje van groen deden
oprijzen rondom de armoedige plaatsjes. Als men door de kale vlakte
gaat, komt men tot de overtuiging, dat de bevelen van den Raad van
Castilië, waarbij aan elken dorpsbewoner de plicht werd opgelegd,
minstens vijf boomen per jaar te planten, wel slecht werden opgevolgd.
De oorsprong van die antieke verordening klimt seker wel op tot een
periode uit het grijs verleden. Zou zij mogelijk nog in verband staan
met zekere oude wetten van den godsdienst, waarbij het aanplanten van
boomen, het ontginnen van woeste gronden en het telen van vee behoorden
tot de vrome werken, door Ormuzd, den god van het oude Perzië, bevolen
en gezegend? De Arabieren hadden zich in hun omzwervingen te zeer
gemengd onder de volken, die ze onderworpen hadden, en de Perzen hadden
door hun wetenschap, hun intelligentie en hun kunstzin te veel indruk
op hen gemaakt, dan dat zij aan dien invloed konden zijn ontsnapt. Moet
men zich erover verbazen, als ze aan dat volk hun wetten ontleenden en
de daar heerschende overleveringen meebrachten naar Spanje, wetten,
die de Christenen na de verdrijving van den erfvijand wijs genoeg
waren te behouden? Wat zou het te wenschen zijn geweest, dat ze de
bepalingen onveranderd hadden gelaten, die den akkerbouw regelden; de
helft van Spanje zou niet onvruchtbaar en dor zijn zooals tegenwoordig.
Hoe het zij, men behoeft geen moeite te doen, boomen te zoeken tusschen
Madrid en Toledo. Men zou er zijn oogen vruchteloos bij inspannen en
er zijn geduld bij verliezen.
Zeker, de Castiliaan houdt wel van schaduw, die de hitte van de
gloeiende zon tempert; maar hij houdt meer van de graankorrels, die
opgegeten zouden worden door de vogels, nestelend in het gebladerte
der boomen. Wat kan den landman het gekweel der vogels schelen, van
die beeldige bouquetjes van vederen, zooals Calderon ze zoo aardig
noemt, als hij denkt aan den oogst, dien hij heeft gezaaid, gewied en
ingehaald met zwaren, noesten arbeid! Enkel de nachtegaal en de zwaluw
vinden genade in zijn oogen, maar alleen omdat ze insecten verdelgen
en de insecten verderfelijk zijn voor den oogst. De Castiliaan is arm;
hij heeft slechts te kiezen tusschen het eene of het andere kwaad!
Als vergoeding mogelijk is Castilië rijk aan historische en
legendarische herinneringen.
Te Esquivias zal men niet nalaten, zich het huwelijk en het langdurige
verblijf van Cervantes ter plaatse te herinneren; iets verder zal
men zich de schaduw van den ridder van de droevige figuur voor
den geest roepen, die van Sancho Pansa en zelfs die van Dulcinea,
wier geboortedorp het in de onmiddellijke nabijheid gelegen Toboso
was. Al wat in die geschiedenis voorkomt, heeft sporen nagelaten in
het land, en tot Rossinante toe, tot het rijdier van Sancho Pansa,
tot de kudden; waar de Ridder op aan viel, hebben een talrijke
nakomelingschap gekregen in magere paarden, domme ezels en langharige
merinosschapen. Wie zou eraan durven twijfelen? Om zoo'n ongeloovigen
Thomas te straffen, zou het nog niet eens voldoende zijn, dat men de
Inquisitie weer in het leven riep.
Het is niet de eerste keer, dat ik die rondzwervende kudden aantref,
die al sedert oude tijden van de eene naar de andere weide trekken
van het eene eind van Spanje naar het andere, al naar de wisselende
seizoenen. Ze zijn niet van heden of gisteren, die zwervende kolonies,
geleid door herders te paard en gehoed door halfwilde honden, alle
planten wegvretend van den grond en dien daardoor onvruchtbaar houdend,
terwijl ze hem onder hun voeten treden.
Millioenen schapen in het bezit van een soort van genootschap, bekend
onder den naam van Mesta en waartoe de grootste heeren en de abten van
de rijkste kloosters behoorden, lieten zich in de lente en den herfst
in sommige streken neer, waar hun korte, gretige tanden weldra elk
grassprietje hadden afgegraasd. Er waren bepaalde privileges aan het
genootschap toegekend, waardoor de omzwervingen begunstigd werden,
en de Mesta werd zelfs zoo machtig, en kon zoo autoritair optreden,
dat het durfde verbieden, bepaalde vruchtbare landen te bebouwen,
om er overvloedige weidegronden te behouden.
En terwijl de herders, die zoo in bescherming werden genomen, al
stoutmoediger werden, verloor de onderdrukte boer allen moed, want
niets beschermde hem tegen een gevreesden inval van den vijand. Het
zou hem niets geholpen hebben, had hij zich beklaagd over de door de
kudden aangerichte verwoestingen, kudden, die toebehoorden aan de
edele heeren van Santiago of Calatrava, of dat hij zich verdedigde
tegen de veertig duizend tot den ongehuwden staat veroordeelde
herders, daar de eischen van het nomadenleven hun niet toestonden te
trouwen, en die vaak nog veel woester en boosaardiger waren dan hun
honden! Zonder hoop en zonder ergens een toevlucht te kunnen vinden,
liet de boer zijn ploeg in den steek en verliet het ouderlijk dak. Het
was dan nog beter tot landverhuizing zijn toevlucht te nemen, naar
de Nieuwe Wereld te gaan, die fabelachtige streken op te zoeken,
waar men het goud met de spade opschepte; waar men niets wist van de
onderdrukking door de groote grondbezitters, van den dwang tot arbeid,
uitgaande van de kloosterorden, en vooral niet van de schapen! In de
Middeleeuwen was het zachte, lieve schaapje een plaag, nog veel erger
dan de sprinkhanen; het moderne Spanje gaat nog onder de gevolgen
gebukt. De boer keert nooit terug naar den grond, die hem is lief
geweest, als hij eenmaal zijn hart en zijn krachtige armen ervan
heeft losgemaakt. Bij hem is een dergelijk besluit onherroepelijk.
Zoodat terwijl oudtijds de oevers van de Guadiana bezaaid waren
met steden en groote dorpen, die een bloeiend aanzien hadden, men
er tegenwoordig slechts ruïnen ziet of armoedige dorpjes, gebouwd
rondom een kerk, die driemaal te groot is voor de luie en verarmde
bevolking. Van eeuw tot eeuw zijn de moedigsten en sterksten van elke
generatie heengegaan, om Zuid-Amerika of de Philippijnen te bevolken,
en de beste qualiteiten zijn erdoor in de verdrukking gekomen.
Sedert 1835 zijn de voorrechten van de Mesta afgeschaft, en de
rondtrekkende kudden mogen zich nu slechts bewegen over een oppervlakte
ter breedte van tachtig meter; maar het gaat niet in een paar dagen,
dat een zoo ingewortelde kwaal wijkt voor een zoo laat toegediend
geneesmiddel, en er zullen nog eeuwen verloopen, eer de Castiliaan
weer smaak krijgt in den landbouw. Ernstig, statig en somber en
onverschillig, zal hij nog langen tijd de zorg voor het bebouwen van
zijn velden overlaten aan de Galiciërs, de bewoners der Balearen,
of van de Baskische Provinciën, die op zijn kosten leven. Hij zal
er de voorkeur aan geven, honger te lijden in alle vormen, door de
etiquette gewild, dan van de gewoonte af te wijken, door werk te doen,
dat voor dienenden is en dat een hidalgo onwaardig is.
Dat alles komt van dat domme schaap; het is niet te ontkennen, dat het
beest wat op zijn rekening heeft! Zijn wol alleen pleit voor hem en
bezorgt hem mogelijk vergiffenis; maar zijn côteletten! O wee, men moet
eens in Spanje hebben gereisd, om voor eeuwig er genoeg van te hebben.
Daar is de Taag; een krans van donker groen wijst aan, waar de
rivier stroomt. Het is een kalme rivier tusschen groene populieren,
en zij vloeit zoo slaperig, dat noch de boomen haar hooren passeeren,
noch het zand iets van haar voorbijgaan bespeurt. In haar stille
rust waarschuwen haar de vroolijke nachtegalen met luider stem, dat
de zon is opgegaan, en dat zij ook wakker worden moet. Tusschen het
riet aan de oevers zegt de zoet voortvloeiende stroom niet, dat het
water is ontwaakt, maar dat het althans bewegelijk is.
Om strijd hebben de dichters haar bezongen. Garcilaso de la Vega roept
de grillige nimfen aan, die aan de oevers spelen, en zingt van de vier
stroomgodinnen, door de Taag bemind, die te zamen er op uit gingen. Op
deze nimfen doelt ook Cervantes, als hij gewaagt van de schoonheden,
die het kristalheldere water tot woning hebben gekozen en zich op de
groene weide neerzetten, om met haar vlugge vingers kostbare stoffen
te weven, waarin zijde, parelen en goud gemengd zijn.
Op zijn beurt ondergaat Moratin de bekoring van de golfjes der Taag
en hij viert ze in idyllen, waar Theocritus, noch Virgilius zich voor
zouden moeten schamen; maar niemand heeft beter den statigen stroom
gehuldigd, zooals hij aan het einde van zijn tocht is gekomen dan de
onsterfelijke dichter van de Lusiade. De Taag is niet enkel voor hem
de klare stroom, waarmee de helden uit zijn herderszangen dwepen, neen,
zij is de epische, de heilige rivier, een soort van bezielende godin.
"Muzen van de Taag," zegt hij "die mij van mijn prille jonkheid af
met uw adem hebt bezield, indien ik altijd in landelijke zangen de
schoonheid van uw rivier heb gevierd, wilt mij dezen keer een verheven
stijl verleenen, een statigen, indrukwekkenden toon.... Verleent mij
de kracht tot het vinden van klanken, wier grootschheid, zoo mogelijk,
evenaart de heldendaden, door uw krijgshaftig volk verricht."
De Taag, die al lang geblaseerd is door den hyperbolischen lof
der dichters, zet traag haar loop voort als een verouderde rivier,
terwijl de spoorweg zich er van verwijdert en recht op Toledo aan
rijdt. Gelukkig komt hij niet dicht bij de wallen der oude stad. Toen
hij den spoorweg aanlegde, is de ingenieur daarvoor als voor iets
heiligs teruggedeinsd. De reis wordt voortgezet of in een of ander
ouderwetsch voertuig, van niet te beschrijven aard of in een grooten
wagen met vele banken, al naar gelang er meer of minder reizigers
zijn of dat ze meer of minder eerbied afdwingen. De zweepen klappen,
de muildieren schoppen achteruit, de koetsiers vloeken en de stijging
naar de stad der zeven heuvelen begint te midden van wolken stof, zoo
dicht, dat de goden van den Olympus ze vurig zouden hebben begeerd,
als het hun lustte, op de aarde neer te dalen. Helaas, wat zouden ze
hier nu nog te doen hebben, nu ze zooveel reden hebben, om boos op
ons te zijn!
Nog wat knarsend wielgeratel, en links verschijnt op de rotsen,
waar ook niet het kleinste mosplantje groeit, de allerdecoratiefste
ruïne, die men zich kan denken, juist geschikt, om de etsnaald van
den kunstenaar aan het werk te zetten. Het is het oude kasteel van
San Cervantes met zijn zware, onvriendelijke muren, waar de zon van
tallooze zomers op heeft gebrand.
Nu rijst het nog boven de Taag op, maar vroeger verdedigde het de
rivier. Een vertooning van oorlog en machtsbesef is het gebouw geweest,
thans door den tijd gebroken.
Ook San Cervantes is door dichters bezongen.
"Gij, die u naast Toledo verheft, koning Alfonsus stichtte u aan
de Taag. Er wordt verteld, dat gij ijzer steldet tegenover de houten
oorlogswerktuigen van uwe vijanden.... En nu, nu staat gij daar veracht
op die kale rots; uwe kasteelen, die u eertijds tot een kroon dienden,
zijn thans zitplaatsen voor troepen kraaien en zien er uit als eenzame
tanden in den mond van een grijsaard, zeggend, hoe oud hij wel is.
"Luister naar mij, gij stout kasteel, en volbreng, wat ik van u vraag,
hoewel twee dozijn verzen juist geen belooning verdienen. Indien mijn
geliefde, die boos is als de hel en schoon als de hemel, of beter
nog gezegd, die trotsch is als de stad Toledo, uitgaat, om van de
bloeiende amandelboomen te genieten, als zij dan van het water van de
Taag een spiegel maakt voor haar schoonheid, stel haar dan uw ruïnen
tot voorbeeld en vertel haar, zonder te spreken al die duizend dingen,
die gij zoo goed weet...."
Het oude kasteel is niet alleen door dichters bezongen; zijn legenden
en zijn histories van strijd en liefde, vol van ridderlijkheid,
zijn gewijd door den romancero.
Koning Alfonsus had zich verwijderd aan de spits van een dapper leger
en liet het opperbevel over Toledo over aan Bérangère, die door afkomst
een der edelste vrouwen uit het rijk was, door huwelijk tot koningin
was verheven en om hare schoonheid toch reeds souvereine was.
De Mooren, die er van onderricht waren, dat de stad door haar
verdedigers verlaten was, snelden toe; maar vóór ze over de Taag
trokken, moesten ze het kasteel veroveren, dat aan den ingang zich
verhief.
Toen beklom de koningin een der torens van het Alcazar, en met
verwoede oogen zag ze, welk gevaar het handjevol dapperen liep,
dat in het fort was opgesloten en dat weldra onder de slagen der
opdringende ongeloovigen zou bezwijken.
En daar komt tot de Mooren de heraut van koningin Bérangère. Zij laat
op een toon van verwijt zeggen:
"Is het niet laf van u, een zoo zwakken vijand aan te vallen? Indien
gij zoo dapper zijt, als gij de menschen wilt doen gelooven, gaat dan
heen en valt koning Alfonsus aan, zijn echtgenoot en zijn christenen
onder de muren van Carelië."
De bevelhebber der Mooren was door dit verwijt vernederd, en hij wist,
dat de koningin zeer schoon was.
"Laat dan boven van het meest nabijzijnde bolwerk Donna Bérangère
ons haar gelaat ongesluierd vertoonen, en ik zal het beleg opheffen."
Tegen zonsondergang verscheen de koningin en stond op het muurwerk
met ongesluierd gelaat, omringd door haar jonkvrouwen in prachtige
gewaden, schooner dan de opkomende maan te midden der eerste sterren,
die aan den hemel schitteren.
De Moorenvorst zag haar lang aan, en groette haar met de teekenen
van den grootsten eerbied.
Bij het aanbreken van den morgen brak hij met de zijnen het beleg op
van het kasteel en sloeg den weg naar Carelië in.
In den tijd van Lope de Vega was het oude kasteel, dat ongebruikt
stond, zoo verlaten en eenzaam, dat personen van hoogen rang, die om
eerezaken genoodzaakt waren te duelleeren, elkaar onder zijn muren
rendez-vous geven. In het aardige blijspel, getiteld "Beminnen, zonder
dat men weet wie", moet de held van het stuk er tot getuige dienen in
een van die duels, die in dien tijd zoo veelvuldig waren. Als het niet
uit de mode was, zou men er nu nog wel, zonder vrees voor stoornis
te moeten hebben, zulke tragische conflicten kunnen uitvechten.
Nadat wij een kudde buffels waren tegengekomen van zeer mooien bouw
en zwart als de duivel, wel te verstaan, als de duivel zeer zwart is,
reed mijn rijtuig over de brug van Alcantara, die aan beide zijden
is afgesloten door twee versterkte poorten met het wapen van het
huis Oostenrijk.
Van dit punt gezien, ziet de Taag er zeer dreigend uit, en in
de diepte der kloof, waarin ze stroomt, schijnt de rivier de stad
Toledo te omstrengelen, als om haar te verstikken, eerder dan om haar
in liefhebbende armen op te nemen. Zonder twijfel heeft de eene of
andere hemelsche Durandal die bedding in de rotsen uitgehold dwars
door den berg heen en de steile rotsen boven het slijkerige water
afgeslepen. Ik hef de oogen op, en daar omhoog staat op den top der
rotsen, als een kostbaar juweel, gevat in ijzer, de stad der gothische
concilies, de oude hoofdstad van Nieuw-Castilië. Onder de lompen van
haar aziatische kleêren slaapt de sombere, kloosterachtige stad,
juist als in de Middeleeuwen en dat op slechts twee uren afstands
van het levende, vroolijke Madrid. Zulk een snelle reis door veertien
eeuwen heen is verwarrend voor den geest, en een langdurig verblijf
is noodig, om iemand van den schok te doen bekomen.
Als men de tweede poort is doorgegaan, en onder de waakzame oogen der
douaneambtenaren is gepasseerd, komt men op een weg, die sterk helt
en den naam draagt van Cuesta del Carmel. Het is de ontaarde zoon
van een nog steileren weg, die dicht langs de kerk Cristo de la Luz,
een zeer oud en eerwaardig monument, voorbij ging.
Het is ongeveer zeven eeuwen geleden, dat Alfonsus de dappere
binnen Toledo verscheen, dat hij juist had bevrijd van het juk der
ongeloovigen, en dat hij naast zich had den Cid Campeador. Toen
werden de blikken der beide helden plotseling aangetrokken door een
zacht licht. De wanden van het oude heiligdom hadden zich geopend,
een hemelsche muziek liet zich hooren, en de lamp der christelijke
kapel, die sedert 369 jaren niet opgehouden heeft te branden, ofschoon
niemand zorg er voor heeft gedragen, schittert voor de verrukte oogen
der zegevierende krijgers.
Alfonsus en de Cid stegen van hun paarden, knielden neer en gaven
bevel, dat men in het aan den eeredienst teruggegeven heiligdom een
heilige mis zou opdragen.
Bekoorlijke droom van vrome zielen. Daaraan heeft dit kleine gebouw
zijn naam te danken van El Cristo de la Luz.
De bouwmeesters hebben druk beraadslaagd over de vraag, tot welken
tijd men moet opklimmen om den datum vast te stellen van het oudste
deel van de kapel. Enkelen van hen hebben er een uiting in willen
zien van arabische kunst uit een zeer primitieve periode, ongeveer
vallend in den tijd der sarraceensche verovering. Zij wilden er
ook een prototype in zien van de vermaarde moskee van Cordova. Het
vierkante grondplan, de zijbeuken met de ijzeren bogen en de zuilen
van zeer grove bewerking kunnen wel tot steun dienen van hun theorie,
maar geven daaromtrent toch geen zekerheid.
Er zijn nog zoo laat als 1871 frescoschilderingen ontdekt, voorstellend
de heilige martelaren van Toledo, en waarschijnlijk afkomstig
uit de twaalfde eeuw. Zij kwamen voor den dag door het vallen van
brokken der kalklaag, die ze bedekte. Zij behooren thuis in een tijd,
toen de Ridders van Sint-Jan op die door een wonder aangewezen plek
een afdeeling van hun Orde stichtten. Ter aanvulling dient ook nog
gesproken van de tweede kapel, gebouwd in 1842 door kardinaal Mendoza,
en die eigenlijk zou moeten worden weggenomen, om aan het oude gebouw
zijn oorspronkelijk karakter terug te geven.
Een weinig hooger dan Cristo de la Luz staat, trotsch en eenzaam als
een triomfboog, de wondermooie Puerta del Sol. De steenen van die
poort, die zoo lang door de zonnestralen zijn gebrand en verguld,
lachen den reiziger toe. Wat is zij vaak in proza geprezen, in verzen
bezongen en op allerlei manieren verheerlijkt! Zelfs de Taag zou
reden kunnen hebben, daarop jaloersch te zijn.
Ik herinner mij, dat ik vroeger eens onder hare bogen ben
doorgegaan. Tegenwoordig loopt de rijweg er langs, zeker opdat men
de poort beter zou kunnen bewonderen, en mogelijk ook om een zachtere
helling te geven aan een weg met een zeer druk karrenvervoer. Het is
inderdaad altijd vol op de Cuesta del Carmel, en soms heeft men moeite,
zich een weg te banen door de troepen ezels, die aan de rivier water
gaan halen, want Toledo, dat op een rots is gebouwd, schijnt bijna
even dorstig als de Manzanares zelf.
Het is niet sinds gisteren, dat men er van droomt, de zoete
wateren van de geliefde Taag omhoog te voeren tot aan de lippen der
stedelingen. Het gelukte reeds aan Karel IV. Daar hij altijd veel
belang stelde in mechanica, en, zooals men zich zal herinneren,
langen tijd ontstemd was, doordat een zeker aantal klokken niet
juist gelijktijdig wilden slaan, belastte hij een ingenieur uit
Cremona, Juanilo Turriano geheeten, met het oplossen van de vraag der
watervoorziening. De Italiaan stelde een hydraulisch toestel samen,
dat door de tijdgenooten met meer geestdrift wordt verheerlijkt,
dan dat het met juistheid wordt beschreven. Alvarez de Colmenar,
die in de vorige eeuw leefde, spreekt er over naar hooren zeggen,
want het bestond niet meer in zijn tijd. Het schijnt een soort van
besproeier te zijn geweest.
"De Machine van Juanilo bestond uit groote ijzeren vaten, die aan
elkander bevestigd waren en een soort van ketting vormden, die van het
kasteel naar de Taag afdaalde; het water kwam in den eersten binnen,
werd dan in den tweeden gedreven door raderen en zoo achtereenvolgens
in de andere tot bij het slot, waar het in een vergaarbekken werd
opgevangen en zich door de geheele stad verspreidde door een kanaal,
hetgeen een groot gemak opleverde."
Juanilo stierf in 1585, en zijn machine, door een joodschen
werktuigkundige verbeterd, werkte nog vier en twintig jaren, maar
toen ook die man was gestorven, stond ze voor altijd stil.
Buiten enkele bogen van het metselwerk vindt men niets terug van het
werk van den ingenieur; maar de italiaansche vervaardiger gaat nog
tegenwoordig in de stad door voor een toovenaar, in staat, de natuur
en de bovennatuurlijke wereld aan zijn wil dienstbaar te maken.
Juanilo, die onderhouden werd op kosten van het kapittel der
kathedraal, had een automaat vervaardigd, die elken dag op een vooraf
vastgesteld uur uit zijn huisje trad, zich dan met onverstoorbare
kalmte naar de keuken der kanunniken begaf, daar in een mandje den
maaltijd voor zijn meester ontving, den kok eerbiedig groette, dan
op zijn hielen omdraaide en zonder de minste onbescheidenheid of
de allergeringste gulzigheid dadelijk naar de woning van zijn heer
terugkeerde. De straat, waar hij door moest, heet nog de Straat van
den Houten Man.
Eindelijk is de hoogte bereikt, en mijn rijtuig houdt zijn plechtigen
intocht op het Zocodoverplein. Zocodover! Welk een deftige en verheven
naam, ofschoon hij eenvoudig beteekent de Paardenmarkt, en wat schijnt
hij goed te passen bij de heldenherinneringen van de keizerlijke
stad! Op dit plateau was het wapenplein, waar de krijgers samenkwamen,
vóór ze uittogen op een veldtocht; hier speelden de ridders bij de
plechtige intochten der katholieke koningen; hier vereenigden zich de
Communero's, die aangevuurd werden door de groote Maria de Padilla;
hier werd de rechtbank opgeslagen, waarvan de aartsbisschop van Toledo,
primaat van Spanje, rechtens Groot-Inquisiteur was. Alle souvereinen
van Spanje, alle beroemde mannen, moesten hun beeld vinden op den
Zocodover, want bijna allen hebben dien grond betreden.
Als men thans het plein aanschouwt, vervliegen alle wonderbaarlijke of
tragische herinneringen! Het Zocodover is niet anders dan een banaal,
onregelmatig plein, waar de armoedige en karakterlooze huizen door
ruwe zuilen worden gesteund. Onder de zoo gevormde portieken verkoopen
bescheiden kooplui meloenen, sandalen en couranten.
Op een ronde steenen bank liggen, slapend of rookend, bedelaars, die
onbeschrijfelijk vuil zijn en fier schijnen te wezen op hun lompen. Ze
doen maar hazeslaapjes, want ze kijken uit naar elken vreemdeling,
die op het plein verschijnt of aan den ingang van de Handelsstraat,
die naar de kathedraal voert. Deze fraaie gewoonte dateert niet
van gisteren.
In een van zijn verhalen vertelt Cervantes van de ontelbare menigte
bedelaars, valsche gebrekkigen en zakkenrollers, die dezen uitverkoren
observatiepost innemen. Hij kon ze naar het leven schilderen uit zijn
nabijzijnde woning. Er verandert niets in dien mooien zonneschijn
van Spanje, die een mensch tot luiheid geneigd maakt en den geest
verstompt.
Indien men eenige dagen te Toledo blijft, doet zich het moeilijke
probleem voor, of men al of niet aalmoezen moet geven, waar er met
zooveel aandrang om gevraagd wordt. Zult ge een klein beetje goeden
wil toonen? Goed, maar onmiddellijk zijt ge bekend, en ge zult niet
kunnen uitgaan, of dadelijk hechten zich vijftig vuile handen met
haakvingers aan uw kleêren, zien u onderzoekend honderden oogen aan
en waagt men het, den onderzoekingstocht tot in uw zakken voort te
zetten, om daar ... pikante herinneringen achter te laten.
Houdt ge u doof, dan wordt ge toch gevolgd, bedrongen en met
scheldwoorden bovendien overladen onder het vaderlijk oog van een
politieagent, wiens hart de bedelaars hebben weten te verteederen.
Dus is het probleem onoplosbaar. Is men eenmaal tot dat besluit
gekomen dan gaat men de dieven te slim af worden en men doet een
wandeling door den dichten doolhof van straatjes en steegjes, die de
stad doorsnijden, en waar het stil en rustig is. Soms loopt men op
die smalle verkeerswegen, waar een beladen muilezel beide muren raakt,
gevaar, verpletterd te worden, en er moet vlug een schuilplaats worden
gezocht in een inspringend gedeelte van een huis, om niet te worden
platgedrukt. Maar welk gevaar zou men niet willen loopen, om maar niet
de Handelsstraat binnen te gaan en in handen der bedelaars te vallen!
Het gebeurt wel eens, dat men in die bochtige straten antieke koetsen
tegenkomt, verschijnend uit de monumentale ingangen van oude paleizen,
en de zaak krijgt een tragischen kant, als twee rijtuigen zonder
elkaar op te merken, van beide einden dezelfde straat inrijden. Het
eenige redmiddel is dan af te spannen en den wagen met de handen
terug te schuiven.
Maar wie moet uitspannen? Wie zal achteruitgaan? Ernstige vraag in
een land, waar het gevoel van eer een eeredienst is geworden, en waar
de bewustheid van eigen waardigheid nog eerder dan het geloof bergen
zou verzetten.
Het is ... een zeker aantal jaren geleden, dat er een beroemd
geworden ontmoeting plaats had tusschen de koets van de echtgenoote
van den President van den Raad van Castilië en die der vrouw van den
President van den Raad van Indië. Door bemiddeling van de palfreniers
hadden de dames de onderhandelingen gevoerd, zonder dat ze elkaar
konden overtuigen. Geen van beide wilde teruggaan. Al meer dan drie
uur stonden de paarden neus aan neus, en de koetsiers scholden op
elkaar. Bij gebrek aan een Salomo, die al eenige jaren dood was, en bij
ontstentenis van de scheidsrechters in den Haag, die nog niet waren
geboren, stelde een goede ziel, die zich het ernstige geval aantrok,
voor, haar te onderwerpen aan het oordeel van den Kardinaal en zich
aan diens beslissing te onderwerpen.
"Hier bestaat in het geheel geen moeilijkheid," zeide de prelaat,
volkomen op de hoogte van vraagstukken van étiquette, "de jongste
van de dames moet aan de andere den doorgang vrij laten."
Nauwelijks was deze beslissing aan de partijen meegedeeld, of uit de
beide koetsen hoorde men terzelfdertijd het formeele bevel:
"Span de paarden uit en ga terug; ik wijk voor de Presidente van den
Raad van Castilië. Zooals Zijne Eminentie terecht zegt, geeft haar
leeftijd haar daar recht op."
"Ga zoo spoedig mogelijk achteruit; ik laat den voorrang aan de
Presidente van den Raad van Indië; zooals Zijne Eminentie terecht
heeft beslist geven haar jaren haar aanspraak op die eer."
Ik heb geen dergelijke ervaring opgedaan, want ik stapte af in een
echt spaansche herberg, een fonda, waarvan de deur in prachtig snijwerk
allerlei wapens vertoonde en uitkwam aan de breede straat, die van het
Zocodover naar het Alcazar voert, 't Is een paleis, dat er heel mooi
moet hebben uitgezien, vóór het voorplein of de patio ter hoogte van
de eerste étage overdekt is geworden, om er een eetzaal van te maken.
Magnifieke deuren, zwaar en massief als die van een kathedraal,
voorzien van sleutels van een armslengte, gaven toegang tot de
kamers. De mijne was dubbel, dat wil zeggen, voorzien van een
alkoof, die zeer groot en zorgvuldig afgesloten was, en waar niet
alleen twee reuzenbedden stonden, maar buitendien alles, wat tot de
waschbenoodigdheden behoort, te vinden was. Noch geluid, noch licht,
noch warmte zouden daar kunnen binnendringen, zelfs al zouden er
honderd menschen zich op de patio bevinden, en al zond de zon van het
zenith haar stralen naar omlaag. En hier besteeg weldra mijn geest
zijn geliefd ros, dat mij dezen keer snel wegvoerde naar Sjiras en
Zasjan. Want is ook niet aldus in de rijke perzische huizen elke
kamer samengesteld uit drie achter elkaar gelegen vertrekken, waar
het al koeler en geheimzinniger wordt, en die men al of niet bewoont
naar het seizoen of zelfs naar het uur van den dag?
Ik was ongeveer twintig jaren geleden in Toledo geweest en sinds
dien tijd had ik er altijd spijt van gehad, dat ik de stad alleen
als toeriste had gezien. Nu moest ik mijn verzuim goed maken.
Maar hoe zou ik methodisch kunnen te werk gaan in deze stad van helden,
waar alle beschavingen van Spanje vertegenwoordigd zijn geweest en waar
elk van haar sporen heeft nagelaten? Toledo in wijken verdeelen, zou
dat niet zijn, alles door elkander mengen en alles tegelijk overhoop
halen? Daar zij op een niet zeer groot plateau is gebouwd, heeft de
stad zich niet ver kunnen uitbreiden of verplaatsen, zoodat zoowel
in het Noorden als in het Zuiden, in het Oosten als in het Westen de
heerschers hun paleizen en hun tempels hebben gebouwd. Zal het niet
beter wezen, door de eeuwen heen, van stap tot stap het zedelijk en
godsdienstig leven en de kunstuitingen te volgen, dan zonder overgang
tot de bestudeering over te gaan van monumenten, die soms vier of
vijf eeuwen van elkander in leeftijd verschillen?
Ik heb een besluit genomen in laatstbedoelden zin, ook al op raad
van mijn geleerden vriend, professor Ventura Prosper y Reyes, dien
geheel Toledo hoog vereert om zijn talenten en zijn ongeëvenaarde
goedheid. Geen deur blijft voor hem gesloten, als hij vraagt om te
worden binnen gelaten en den magischen groet uitbrengt, die nooit
uit een zondigen mond wordt gehoord, "Ave Maria purissima", waarop
geantwoord wordt met een "Sin pecado concebida" en een vriendelijken
glimlach.
Na het bezoek aan de kapel van Cristo de la Luz en aan de in een winkel
veranderde overblijfselen van de oude moskee der Torneria moest volgen
het bekijken van de oude synagogen, bekend onder den naam van Santa
Maria la Blanca en Transito. Als men de israëlietische families mag
gelooven, door de vervolging al sinds vijf eeuwen naar de overzijde der
straat van Gibraltar teruggedreven, zouden de Hebreeërs in Spanje zijn
gekomen na de vernietiging van Jeruzalem door Titus. Allen, die aan de
gevangenschap konden ontkomen, volgden de kusten der Middellandsche
Zee en aarzelden niet, om de zee over te steken, ten einde zich
in het vruchtbare Andaluzië te vestigen. Men is niet gehouden, deze
overlevering als een geloofsartikel aan te nemen. De eerste vermelding
van de spaansche joden klimt op tot de vierde eeuw en komt voor in
een zeer onvrijzinnig besluit. Daar er onder de joden een krachtige
geest van initiatief was te vinden en groote werkzaamheid, namen zij
toe in rijkdom en daar zij zich sterk vermenigvuldigden, kregen zij
een voorsprong op de Westgothen, die lui en zorgeloos waren. Maar
toen de arische heerschers tot het orthodoxe geloof waren overgegaan,
begon de geest van vervolging vaardig over hen te worden. Een wreede
wet veroordeelde het gansche jodenvolk tot slavernij. Montesquieu kon
zonder veel overdrijving de opmerking maken, dat het gothisch wetboek
in principe alle voorwendsels bevatte, waarvan later de Inquisitie
en de vorsten uit de veertiende eeuw gebruik maakten in hun strijd
tegen de Israëlieten.
De verovering van Spanje door de Mohammedanen was een weldaad voor de
Joden. Zij muntten uit in kunst en wetenschap; zij monopoliseerden
het bankwezen en waren zoowat de eenigen, die aan geneeskunde deden
en medicijnen verkochten. De scholen van Cordova, Toledo en Barcelona
telden hen onder hun beste leerlingen. Zelfs verkregen ze in dien tijd
zulke hooge betrekkingen, dat men ze na de bevrijding der Mooren er
niet weer uit durfde ontzetten.
Men ontmoet een menigte joodsche namen onder die van geleerden en
financiers uit den tijd en aan de hoven van Alfonsus X, Alfonsus XI,
Hendrik IV en vele andere christelijke vorsten. Alfonsus de Wijze
gebruikte hen voor de samenstelling van zijn beroemde astronomische
tabellen; Jacobus I van Arragon had een Israëliet tot leermeester;
Johan II, vader van Isabella de Katholieke, droeg een van hen op,
de liederen te verzamelen, die het Cancionero nacional vormen.
In dezen tijd richtten de Joden uit Toledo de beide synagogen op,
die een zoo gunstig getuigenis afleggen voor hun smaak en voor hun
rijkdom. De kerk, die den naam draagt van Santa Maria la Blanca
is de oudste van de beide heiligdommen. Zij heeft tot 1405 haar
oorspronkelijke bestemming behouden. Maar op dat tijdstip kwam
Vincentius Ferrer, wiens heftige bekeersijver zooveel Israëlieten tot
het Christendom had bekeerd, in Toledo het Evangelie prediken. Hij
preekte verscheiden malen per dag in Santiago de Arabal, een kerk
dichtbij de Visagrapoort, waar men u nog zijn preekstoel kan laten
zien, die een wonder is van fijn smeedwerk. Maar de joden van Toledo
gingen naar de preek, doch werden niet bekeerd. Gewend aan de zachtheid
en meegaandheid der Andaluziërs, werd Vincentius Ferrer boos om de
mislukking van zijn pogingen. Op een avond, toen het christelijk
gehoor talrijk was en vol geestdrift, kwam de monnik, die door zijn
eigen woorden buiten zichzelven was geraakt, van den preekstoel
naar beneden, greep een kruis, sleepte zijn geheele schare mee,
die aangroeide bij het trekken door de stad, trad met geweld in de
synagoge binnen, dreef de rabbijnen eruit, en wijdde het gebouw voor
den christelijken eeredienst onder het aanroepen van Santa Maria la
Blanca, ter herinnering aan een wonder, dat in Rome was voorgevallen
in 152 onder het pontificaat van den H. Liberius.
Sedert die transformatie heeft de oude synagoge nog menige lotwisseling
beleefd. In 1550 werd het gebouw door den kardinaal aartsbisschop
Johan Siliceo vergroot, en er werden enkele gebouwen bijgevoegd. Hij
maakte er vervolgens een soort van Bagijnenhofje van voor boetvaardige
vrouwen en meisjes. Maar hetzij dat de toledo'sche vrouwen alle
deugdzaam waren, of dat ze, zooals een sceptisch schrijver opmerkt,
zelden zich berouwvol voelden, het Bagijnenhof kwam nooit tot bloei en
moest eindelijk worden gesloten bij gebrek aan Bagijntjes. Santa Maria
la Blanca, nu verlaten en ongebruikt, zou afgebroken zijn geworden,
als men niet besloten had er troepen te herbergen en er later een
militair magazijn van te maken.
Nog slechts even dertig jaren geleden is dat wonder van bouwkunst
door de Commissie voor de historische Monumenten opgeëischt. Sinds
dien tijd heeft men het gebouw een belangrijke restauratie kunnen
doen ondergaan, dank zij een jaarlijksche subsidie der regeering en
den inkomsten, gevormd door de entrées van de vreemdelingen.
Het uitwendige heeft niet veel bekoorlijks of sierlijks, maar pas is de
deur geopend of men ziet in hun geheel vijf kerkbeuken, verdeeld door
drie rijen achthoekige pilaren, waar bogen op rusten. De kapiteelen,
met gebeeldhouwd stuc versierd, herinneren door hun prachtige fijnheid
en door den aard van het ornament aan hun prototypen, nog bewaard
in sommige oude perzische moskeeën. In de boogruimten zijn rijke
rozetten aangebracht, terwijl langs het astragaal zich een slinger
windt van ineengevlochten bladeren met pijnappels er tusschen, zooals
men ook vindt in de versieringen van het Alhambra en die opklimmen
tot den tijd van het Kalifaat. Een rijk houten plafond, ingelegd met
parelmoer en ivoor, bedekt het hoofdschip en geeft aan dit gedeelte
van het gebouw groote sierlijkheid.
De Joden konden niet protesteeren tegen den roof aan hen gepleegd;
zij onderwierpen zich en kwamen later samen in een grootere en mooiere
synagoge, gebouwd door Samuel Levy, den beroemden schatmeester van
Peter den Wreede, volgens de plannen van den rabbijn Don Meir Abdeli,
en voltooid in 1336. Zij hielden er hun godsdienstoefeningen tot
1492, het jaar, dat tegelijk zoo roemvol en zoo verschrikkelijk was,
waarin Isabella Granada innam, waarin de Nieuwe Wereld werd ontdekt,
en door een hand in onbedachtzaamheid het decreet werd geteekend, dat
Spanje beroofde van 120,000 ijverige, intelligente en welvarende Joden.
De synagoge van Samuel Levy onderging op haar beurt het lot van haar
voorgangster en werd een christenkerk onder den naam van Transito de
Nuestra Senora. Het gebouw vertoont de weelde, die in harmonie was
met den rijkdom van den stichter en is een der mooiste voorbeelden
van de arabische kunst in Andaluzië. Het bestaat uit één enkel
schip, overdekt ter hoogte van veertien meter door een merkwaardig
schoone zoldering van lorkenhout, ingelegd met ivoor en parelmoer,
als die van Santa Maria la Blanca. Op de muren ziet men zeer fijne
stucornamenten, zoo sierlijk en elegant, dat men ze op het eerste
gezicht voor teedere venetiaansche kant zou houden, die sinds eeuwen
daar was blijven hangen. In het bovengedeelte, waar fraaie vensters
zijn aangebracht, leest men tusschen bloemen en lofwerk een prachtig
opschrift in hebreeuwsche letters. Daarin wordt de lof gezongen van den
stichter der synagoge, Samuel Levy en van Don Pedro, den regeerenden
vorst. Toen de waardige schatbewaarder ter dood veroordeeld werd door
een meester, die inhalig en afgunstig was, moest hij uit den grond
van zijn hart het geld betreuren, dat hij besteed had aan het koopen
van zijn beul. Het opschrift heeft intusschen weerstand geboden aan
den tijd, en aan zijn hooge plaatsing is het toe te schrijven, dat
het de woede der Christenen heeft kunnen tarten en hen heeft kunnen
uitdagen in den tijd, toen ze de synagoge tot Christenkerk wijdden.
Thans wordt het schip der kerk door een reusachtig steigerwerk
met opeenvolgende zolderingen, waarheen trappen toegang verleenen,
verdeeld in verscheiden verdiepingen, zoodat het moeilijk wordt, de
schoonheid van het geheel te waardeeren. Toch is het mogelijk, enkele
prachtige fragmenten te bewonderen, den tempel in zijn groote lijnen
te reconstrueeren, en in te zien dat, als de ondernomen restauratie
op de nu begonnen wijze wordt voortgezet zij mogelijk wel een halve
eeuw kan duren, maar dat ze tenminste wordt uitgevoerd met echte
kennis van zaken en een onvergelijkelijk helder inzicht in wat aan
zulk een kunstwerk toekomt.
Rondom het Transito, waar het paleis van Samuel Levy dichtbij was,
en in de buurt van Santa Maria la Blanca. is de oude jodenwijk
geweest. Helaas, op die plek, waar het volk van Israël een toevlucht
voor goed had hopen te vinden, ziet men nu slechts puin en stof. Welk
een droeve uittocht is dat geweest van dat ongelukkige volk, dat
den grond moest verlaten, waar het sedert eeuwen woonde, en binnen
enkele maanden al zijn goederen te gelde maken, zonder dat het de
kleine hoeveelheid goud mee mocht nemen, die er de belachelijk lage
prijs voor was!
Aan den voet van de beide synagogen daalt de bodem af naar een vlakte
aan de Taag, die soms door de rivier wordt overstroomd, als ze buiten
haar bedding treedt. De woningen zijn er weinige; maar een huis,
dat hooger was dan de andere en er wat welvarender uitzag, trok mijn
aandacht. Op den voorgevel en op meer dan acht meter hoogte was er een
groote steen in aangebracht, waarop een in zwart gegraveerd opschrift
te lezen was, dat mij vertelde, dat de Taag tot hier gestegen was
bij een hoogen vloed, die beroemd was gebleven.
Verbaasd, vroeg ik aan een vrouw om inlichting, die op de stoep van
haar huisje haar kind het haar kamde.
"Wel, wel! Komt het water der rivier soms tot zulk een hoogte?"
"O, neen!... De hoogste vloeden zijn nooit hooger gekomen dan een paar
meter, en dat is waarlijk al hoog genoeg!... Maar toen de kinderen
altijd met ballen tegen het opschrift gooiden en het dreigden te
bederven, heeft de alcade ons bevolen, het buiten hun bereik te
plaatsen."
Nadenkend over de wijsheid en voorzichtigheid van dien uitgezochten
ambtenaar, wandelde ik voort tot aan de Visagrapoort, een massief
bouwwerk, dat tot den tijd van Karel V opklimt, en door zijn nauwheid
een groote last is voor de muilezeldrijvers.
Ergens anders zou men zulk een sta-in-den-weg opruimen, maar te Toledo
heeft men eerbied voor het verleden, zooals de voorzorg bewijst, die
er genomen wordt om de herinnering aan een overstrooming te bewaren.
II.
De Taller del Moro en de salon van het Casa de Mesa.--De
pupillen van bisschop Siliceo.--Santo Tomé en het werk van
Green. De moskee van Toledo en koningin Constantia.--Juan
Guaz, de eerste bouwmeester van de kathedraal.--Wat er
veranderd en aan toegevoegd is.--Herinnering aan den slag
van las Navas.--Het graf van kardinaal Mendoza.--Isabella de
Katholieke en haar testamentaire beschikking.--Ximenes.--Alvaro
de Luna.--De vaandeldrager van Isabella in den slag van Toro.
"Ik heb veel huizen gezien, veel leêgloopers en, in de straten, de
rijke zoowel als de arme, hoopen vuil. Ik heb den hemel aanschouwd
door venstertjes, zoo klein als schietgaten, en er is mij verteld,
dat een vriendelijk gezicht dikwijls het masker is van den snoodaard,
dat de perziken in den zomer rijp worden en dat er in den herfst
muskieten zijn."
Deze beschrijving van Toledo, die in het midden van de zeventiende
eeuw gegeven is door den hoofschen Garcia de la Chataigneraie in het
beroemde drama Francisco de Rojas, past nog volkomen, en als men bij
het vuil ook nog allerlei puin voegde, zou men er geen tittel of jota
aan behoeven te veranderen.
De monumenten, die opgericht zijn in den loop der drie eerste eeuwen,
volgend op de herovering, en die den mudejarstijl of den mozarabischen
vertoonden, hebben het meest geleden, of doordat de booze mode het
zoo heeft gewild, of doordat de versieringen onsterk en niet duurzaam
waren. Ik heb dien stijl in Saragossa bestudeerd, met zijn moorsche
en gothische motieven dooreengemengd.
Zoo staat het met het prachtige paleis aan de Calle del Moro. Men stapt
een poort binnen en komt in een verwilderden tuin, waaromheen vele
arbeidersgezinnen wonen. Zij hebben hun schamele woningen aangeleund
tegen de nog sterke muren, en den rijkdom afgebroken om de armoede
plaats te geven. Van dit groote gebouw is slechts een zaal van mooie
afmetingen over, met een prachtige zoldering, gelijk aan die van
het Transito. Het bovengedeelte der muren, dat niet bereikbaar was,
noch voor den hamer van den werkman, noch voor het speeltuig van de
kinderen, is versierd met zeer lijn pleisterwerk.
Die schoone zaal, waaraan ter weerszijden twee kleiner vertrekken
grenzen, heeft langen tijd gediend tot bergplaats voor de steenen,
die voor het onderhoud der kathedraal noodig waren, en heeft naar die
bestemming den naam gekregen van Taller del Moro, dat is werkplaats
van den Moor. In de laatste jaren is het een gewone remise geworden.
En toch is eenmaal dit paleis bewoond geweest door Karel V. Er wordt
verteld, dat de erbij behoorende tuinen ineen liepen met die, welke
de woning omgaven van graaf Fuensaline, waar de echtgenoot van den
grooten keizer stierf, die sombere Isabella van Portugal, de moeder
van Filips II, wier door Titiaan geschilderd portret ons haar zachte
trekken heeft bewaard onder de fijne, zijdeachtige blonde haren.
Een ander voorbeeld van den eigenaardigen stijl, die ontstond uit
de vereeniging van de kunst van het Oosten met die van het Westen,
maar een dat veel kleiner is en in uitstekenden staat is gebleven,
is het salon van de Casa de Mesa. Ook dat heeft den mudejarstijl.
Het pleisterwerk, bij de bekleeding aangebracht, heeft veel
overeenkomst met de versieringen van het Transito, dat in 1366 werd
opgericht, maar het gelijkt nog meer op de ornamenteering van het
paleis van Ayala, dat van 1440 dagteekent. Het is dus niet gewaagd,
te veronderstellen dat het gebouw tot stand kwam in de XVde eeuw.
In 1551 vestigde de aartsbisschop Don Juan Martinez Siliceo er
een inrichting van onderwijs onder den naam van Collegio de las
Doncellas virgineas. De jonge meisjes, honderd in getal, werden
er slechts toegelaten, nadat ze bewijzen hadden bijgebracht, niet
alleen van haar kwartieren van adel, zooals men bij vergissing wel
heeft gezegd, maar van volkomen zuiverheid van bloed, wat nog heel
iets anders is. Om zuiver bloed te hebben of oud christenbloed, moest
men onder zijn verst verwijderde voorouders noch een jood, noch een
Arabier, noch een door de Inquisitie veroordeelde hebben van vaders-
zoo min als van moederszijde. Cervantes voegt er zelfs bij, en dat is
logisch, dat er een onafgebroken en bewezen wettige afstamming moest
bestaan. Natuurlijk was men niet zoo streng in zake het laatste punt
als in zake het eerste.
De pupillen van den aartsbisschop Siliceo werden tusschen zeven en tien
jaar in zijn school toegelaten. Zes plaatsen werden open gehouden
voor kinderen van de familie van den stichter. Zeer belangrijke
sommen werden haar levenslang uitgekeerd, als ze in de inrichting
bleven. In geval van een huwelijk ontvingen ze een bruidschat van
5535 realen; maar geen enkel gunstbewijs viel haar ten deel, als ze
de school verlieten om in een klooster te gaan, daar het hoofddoel
van den stichter was, goede en flinke huismoeders op te voeden, die
bekwaam waren in huishoudelijke zaken en in staat, een huishouding
goed te besturen.
In 1810 ging de Casa de Mesa over in het bezit van de Karmelieters,
die van den grooten salon hun kapel maakten. Aan hen is het uitstekend
behoud van die zaal toe te schrijven. Zij behoort thans aan iemand, die
ervoor zal zorgen, dat het interessante gebouw veilig en ongeschonden
blijft.
Behalve de bekende gebouwen zijn er nog een groot aantal arme woningen,
waar men interessante fragmenten van den ouden bouwstijl vindt. Om
die te zien te krijgen, moet men zich niet wenden tot de gepatenteerde
en zoogenaamd officiëele gidsen; liever moet men een bewonderaar van
de ruïnen van Toledo volgen, en met hem doordringen tot de patio's
en stallen, welker eigenaars de opvolgers zijn van Peter den Wreede
en der groote heeren van diens hof.
Terwijl de mozarabische metselaars en bouwmeesters in de verschillende
wijken der stad Toledo paleizen van den adel deden verrijzen, droeg
de geestelijkheid hun den bouw van kerken op. De meeste zijn verwoest
geworden door den ijver der priesters, die ontijdig smaak kregen in
een nieuwen stijl. San Justo, San Juan de la Penitencia, San Roman,
San Pedro Martyr, San Miguel, Santa Leocadia, het klooster van de
Ontvangenis en Santo Tomé hebben er nog een en ander van bewaard. Hier
is nog een toren in den vorm van een minaret te zien als een protest
tegen de verandering der kerken, die oudtijds onder hun hoede
waren geplaatst, daar is een fries of een plafond te bewonderen,
waar de technische bekwaamheid en de wetenschap der bouwmeesters
uit blijken. Al die kerken zijn een bezoek overwaard; maar Santo
Tomé bevat twee meesterwerken, die haar een eereplaats doen innemen,
namelijk het veelkleurig standbeeld van den profeet Elia, waarvan de
draperieën ongelukkigerwijze gerestaureerd zijn en de begrafenis van
graaf Orgaz, het bewonderenswaardigste kunstwerk, dat de wereld aan
het penseel van den realist Greco heeft te danken.
De olympische schoonheid van het hoofd van Elia, de krachtige
modelleering van de handen en de voeten, die uit het wollen gewaad te
voorschijn komen, doen dadelijk denken aan de spaansche leerlingen
van Michel Angelo. En daar men niet aan Berruguete wordt herinnerd,
moet het werk worden toegeschreven aan Tordesillas of misschien eerder
aan Bercera.