II.

Nog nooit heb ik een wandeling buiten gedaan, of ik heb iets gezien,

dat mij nieuw was: een plant of dier, nog niet te voren ontmoet, of wel

de een of andere gebeurtenis uit het planten- of dierenleven. Nu eens

was het een koekkoek, die rustig zat te roepen, alsof er geen

nieuwsgierige op vijf pas afstand hem stond te begluren, dan een

zeldzame varen op een ouden kerkhofmuur, dan weer rietkevertjes, die

pas hun pophulsel verlieten of wielewalen, bezig hun kunstig nest vast

te naaien. Velden met orchideeën in allerlei variëteiten, een vlucht

lepelaars op een weiland onder den rook van de hoofdstad, brandnetels

stuivend op klaarlichten dag en boschviooltjes met kleurlooze bloempjes

zoo groot als een speldeknop—te veel om te noemen, in eindelooze

verscheidenheid.

Tientallen jaren van natuurgenot zijn al achter den rug en nog brengt

ieder nieuw voorjaar nieuwe vreugde, nieuwe verrassingen; steeds

kleiner wordt het aantal van planten, vogels of insecten, die in de

handboeken gemerkt staan met „zeer zeldzaam” of „slechts eenmaal

aangetroffen” en waar mijn blikken zich niet aan verlustigd hebben.

Maar wat kunnen sommige natuur-voorwerpen zich schuil houden! Wat heeft

’t lang geduurd, eer ik mijn eerste klapekster te zien kreeg—die naam

klinkt nog al zoo dood gewoon alledaags—en hoe goed herinner ik mij tot

in de kleinste bijzonderheden mijn eerste ontmoeting met het

muskuskruid en de baardmeesjes!

Ook hoop ik nog eens een waterspreeuw te zien en ’t nest van een

ijsvogeltje en... de waternoot.

Vooral die waternoot! In wat rietpoelen en veenplassen heb ik er al om

rondgezworven, in hoeken en gaten die er uit zagen, alsof nog nooit een

mensch daar geweest was, echte schuilhoeken, juist geschikt voor een

laatste toevluchtsoord van een arme vervolgde waterplant. Hoe heerlijk

zou ze daar kunnen liggen droomen van den tijd, toen ze allerwege

slooten en poelen bedekte, toen haar bloempjes, gesteund door de

ruitvormige bladeren, drijvend op hun opgeblazen holle bladstelen op

elk stilstaand water hun wit tapijt vormden.

En dat is nog zoo heel lang niet geleden, nog geen veertig, geen dertig

jaar! In 1860 begon de tegenspoed en dat was, naar men zegt, de schuld

van een Nederlandsch professor, van een man, die het beter had moeten

weten, een man, die niet besefte, wat hij deed. En dan een

hooggeleerde! O tempora!

Hoogstwaarschijnlijk wist hij wel, wat hij deed, maar dan heeft hij

ongetwijfeld het gevoel gehad van iemand, die voor een open zolderraam

staat, en die, wetende dat het hem nek, armen en beenen zal kosten,

naar beneden springt, alleen beheerscht door de gedachte: „als ik er

eens uit sprong!”

Maar de professor is er niet uit gesprongen; misschien wel later

figuurlijk „uit zijn vel”, toen hij van welmeenende vrienden en

kennissen moest hooren, dat al spoedig de gevolgen van zijne

lichtzinnigheid aan de gemeente Utrecht jaarlijks op eenige honderden

guldens te staan kwamen.

En toch had hij niets anders gedaan, dan een halfverwelkt takje in een

gracht gegooid—dat was alles.

Maar dat takje was afkomstig van een plantje, dat gekweekt en

onderhouden werd in den botanischen tuin—in Leiden verheugde men zich

ook in ’t bezit van een bakjevol—want het was een waterplant. En een

merkwaardige plant ook, afkomstig uit het land van de gele koorts en de

colorado-kever en alom bekend onder den minder schoonen naam van

Waterpest. Nu stel ik mij voor, dat zijn hooggeleerde gelezen had van

de wonderbaarlijke groeikracht van dit plantje en hoe het in de laatste

twintig jaren—dus na 1840—in ’t Noorden van Engeland zoo voortgewoekerd

had, dat het de scheepvaart op de kanalen zeer ernstig belemmerde.. en

daar stond hij nu voor ’t zoldervenster. Zou ’t hier ook zoo snel

groeien? Als ik dit takje eens in het water wierp? De grachten zijn

juist schoongemaakt; dus ’t kan een poosje rustig liggen. Maar die

verstopte kanalen bij Berwick!

’t Takje lag in ’t water. Was de man ’t maar nagesprongen—om ’t er weer

uit te halen. Want het ding is gaan groeien, groeien, en onze

binnenscheepvaart ondervindt er den last van, evengoed als de Engelsche

50 jaar geleden—nu ook nog, natuurlijk—, onze slooten zijn er vol van.

Niet alleen onze, maar die van heel Noord Duitschland, verleden jaar al

tot Polen toe!

Meteen was het vonnis van de waternoot geteekend. Evenals de meeste

waterplanten zoekt deze ’s winters een schuilplaats op den bodem van

slooten en plassen, in de modder—net als soms de kikvorschen. En ’t

zoele voorjaar, dat de vroolijke kwakertjes tot nieuw leven roept, doet

ook de sluimerende plantenknoppen ontwaken. Er zijn er, die vroeg

wakker worden, doch ook de langslapers ontbreken niet; onze waternoot

is er zoo een, en ’t is hem duur te staan gekomen. Want als de trage

Europeaan ontwakend licht en lucht zoekt, dan is de slimme Canadees met

echt Amerikaansche vlugheid en voortvarendheid hem reeds voor geweest

en heeft alle plaatsen bezet. De jonge waternootspruitjes kunnen niet

aan de oppervlakte komen, ze kwijnen weg door gebrek aan lucht en licht

en brengen het niet eens zoover, dat ze bloesem of nieuwe knoppen

kunnen vormen. Zoo is hun geslacht verdrongen en uitgestorven, gelijk

in ’t verre Westen de roode man en de bison verdwijnen, als het

bleekgezicht zich eenmaal vertoond heeft.

Nu is de vraag: heeft de Nederlandsche flora bij den ruil gewonnen? Wij

zagen reeds, dat Elodea lastig kan worden voor de scheepvaart en dat is

mij van de waternoot nooit ter oore gekomen.

Aan den anderen kant is de waterpest een heel aardige aanwinst voor het

aquarium, waar hij gemakkelijk gekweekt kan worden. Doe maar als de

professor; neem een stukje bebladerde stengel en gooi dat in ’t water.

In weinige dagen ontwikkelen zich witte draadachtige wortels, die den

zandbodem van uw bekken opzoeken; al heel spoedig vertakt zich ’t

stengelbrokje, en de smaragdgroene stelen met de eenigszins donkerder

bladeren slingeren zich bevallig door ’t water en schijnen het met een

groenen glans te verlichten. Werkelijk wordt het water door de plant

verhelderd. Gij kunt de proef er van nemen, door vóór het planten van

waterpest het water van uw aquarium opzettelijk troebel te maken,

d.w.z. er vuil water in te gooien, want uw bodemzand zal wel zoo schoon

zijn, dat het omroeren er van geen „troebelen” veroorzaakt. Gij hebt

dan—natuurlijk met een zelfmoordenaarsgevoel—vuil water in uw aquarium

gedaan, en daarna Waterpest—erger kan het haast niet, zult ge

denken,—maar binnen vierentwintig uren is het water zoo helder als

kristal en de plant glanst als een edelsteen. Waar het vuil gebleven

is? Dat blijft voorloopig een raadsel.

Het spreekt van zelf, dat de waterpest dit zuiverend vermogen in de

vrije natuur evenzeer of in nog hoogere mate bezit; en wanneer ge op

frissche, zonnige Aprildagen naar buiten trekt, om ’t ontwakend leven

der natuur gade te slaan en gij in ’t kristalheldere water de kleinste

diertjes op den bodem kunt zien, dan hebt ge dat voor een groot deel

aan den vreemden indringer te danken.

In Juli en Augustus bloeit de Waterpest met kleine lila of purperroode

bloempjes op steeltjes, die zoo lang zijn, dat de bloemen juist aan de

oppervlakte van ’t water drijven. Als ge er niet opzettelijk naar

zoekt, zult gij ze niet licht vinden; doch ’t loont de moeite wel, en

ge kunt tegelijk uitzien naar larven en eitjes van water-insecten.

Het bloemomhulsel bestaat uit zes puntjes, waarbinnen zich een

driedeelige stempel bevindt. Bij nader onderzoek blijkt het, dat die

stempel het einde is van een lange draadvormige stijl, die heelemaal

onder in ’t steeltje uit het vruchtbeginsel ontspringt. Meteen zien wij

nu, dat de bloemen ongesteeld zijn en dat, wat wij voor een steel

hielden, eigenlijk kroonbuis of kelkbuis of zoo iets behoort genoemd te

worden.

Meeldraden zitten in deze bloem niet.

Nu ja, zegt ge, dan is de bloem vrouwelijk, laat ons maar eens zien, of

er geen mannelijke aan dezelfde plant zitten.

Neen, geen mannelijke bloemen te vinden; dus de plant is tweehuizig,

misschien vinden we in deze sloot nog wel een mannelijk exemplaar, of

een eindje verder.

Zoek maar niet; in heel Nederland is geen mannelijke Waterpest te

vinden en in heel Europa ook niet.

En dat is erg jammer. Want de Waterpest heeft een manier van bloeien,

die tot de allermerkwaardigste behoort en waarvan de wonderlijkheid nog

maar door één plant overtroffen wordt; die heeft daardoor in de wereld

der plantenkenners, plantenliefhebbers en aquariumvrienden (om met de

Duitschers te spreken) een groote reputatie verworven.

De mannelijke bloemen van onze Waterpest bevatten negen meeldraden—een

tamelijk ongewoon aantal ook. Tegen den tijd, dat die meeldraden „rijp”

zijn—dus als zij gaan openbarsten en hun stuifmeel vrijlaten,—laat de

geheele mannelijke bloem los van de plant, waarop zij zich ontwikkeld

heeft, om vrij in het water rond te drijven. De helmknoppen, met

klevend stuifmeel overdekt, steken dan buiten het bloembekleedsel

uit—zij kijken overboord. Voort drijven de ranke bootjes over ’t

spiegelend vlak—in Juli en Augustus waaien geen stormen. Waarheen

drijven ze? Sommige stranden aan den waterkant en gaan verloren, andere

blijven van de wal af en komen terecht bij de vrouwelijke bloemen, die

gelijk met het water liggen en wier uitstekende stempels met de

helmknoppen in aanraking komen. Eenige stuifmeelkorrels blijven op de

stempelpapillen kleven, groeien door den stijl naar ’t eitje en het

zaad kan rijpen.

In hoofdzaak is deze manier van bloeien dezelfde als bij de Vallisneria

spiralis, de beroemde plant, waarvan ik zoo even sprak. Deze groeit in

het wild in Zuid-Europa, maar ieder liefhebber van aquariums bezit er

wel een paar plantjes van en zal u graag een stekje geven. Ze wortelen

in den bodem en groeien geheel onder water, lange bandachtige groene

bladeren, die rechtop staan—een weinig uit elkander gebogen. Als ze

goed licht hebben, gaan ze in ’t aquarium wel bloeien ook en dat is de

moeite waard.

Sommige planten ontwikkelen groene knopjes, onder water, op rechte

steeltjes van 1 à 2 cM. lang, andere krijgen dergelijke knopjes, maar

die zitten op een lang steeltje, dat net als een kurketrekker

ineengedraaid is. Na eenigen tijd strekt die kurketrekker zich uit,

totdat het knopje de oppervlakte van het water bereikt heeft. Daar

opent het zich en nu blijkt het te bestaan uit 3 lichtgroene blaadjes,

waarbinnen een vruchtbeginsel met drie stijlen, die buiten het bloempje

over ’t water uitsteken. (Teekening blz. 121 rechts).

Intusschen is er met de knopjes, die op de rechte steeltjes zaten, ook

iets gebeurd. Die steeltjes zijn erg broos: bij de minste aanraking

breken ze af, als ’t hun tijd is. De knopjes, die lichter zijn dan ’t

water, stijgen dan omhoog en drijven aan de oppervlakte rond. Nu zoudt

ge denken, dat het met hen uit was—een losgerukt deel van een plant

moet sterven. Maar onze Vallisneriaknopjes leven nog een poosje door.

Ze gaan open, alsof ze nog deel van de plant uitmaakten, en de

meeldraden, die binnen de drie blaadjes zitten, worden rijp en buigen

naar buiten om.

Die blaadjes gelijken ieder op een bootje, drie bootjes met elkander

vormen een bloem, die door wind en stroom wordt meegevoerd. Drijft nu

zoo’n meeldradenbootje tegen een stamperbloem aan, dan raken de

helmknopjes precies aan de stempels, waaraan dan het kleverig stuifmeel

vast blijft zitten. Maar nu komt nog het mooiste. Ge zoudt nu denken:

de stempels zijn voorzien van stuifmeel, dus nu kunnen de zaadjes

rijpen. Dat is ook zoo, maar om te rijpen behoeven ze niet meer boven

water te blijven—daar beneden is het veel veiliger—en wat gebeurt er

nu? De steel krult weer in tot zijn vorigen kurketrekkervorm en trekt

het rijpend vruchtje met zich mee in de groene diepte.

Nu weet men nog niet juist, of de Waterpest precies zoo doet. Dat

meeldradenschuitjes naar de stamperbloemen varen, is wel waargenomen,

maar of het vruchtje ook onder water rijpt, is nog niet met zekerheid

te zeggen. Dat komt, doordat de waterpest in zijn eigen vaderland ook

maar zelden bloeit; de mannelijke bloemen zijn er zeldzaam en vruchten

en zaadjes onbekend.

Maar door de wonderlijke levenskracht en het ongelooflijke

ontwikkelings-vermogen der losgerukte stengeldeelen is het voortbestaan

van de plant toch voor lange jaren verzekerd, doch eens komt er een

eind aan; volgens ’t beweren van sommige botanici vermindert de

waterpest al weer in Engeland. Wanneer een ongewone beweging in ’t

water haar broze stengeltjes knakt en vernielt op eene wijze, die

iedere andere plant noodlottig zou worden, dan heeft dat voor haar

slechts dit tengevolge, dat ieder brokstuk ergens anders een nieuw

leven begint.

Zie in den zomer een zwerm eenden bezig in de ondiepe plas, geheel

begroeid met waterplanten! Dat is een rukken en trekken en snuffelen en

snavelen zonder oponthoud; kroos en waterpest worden verscheurd en

verzwolgen terwille van ’t klein gedierte, dat zich erin en er tusschen

ophoudt, terwijl van tijd tot tijd een of meer naar den bodem duiken,

om zwaarder kost te bemachtigen. ’t Zijn allemaal woerden—de

wijfjeseenden zitten allen te broeden. Laat ons wat dichterbij sluipen,

om te zien, welke soorten er vertegenwoordigd zijn, want er zijn eenden

en eenden.

Voorzichtig! Wel is de jacht nog niet geopend, en zit de hagelschrik

hun nog niet in de leden, maar er is geen wantrouwiger gevogelte dan

eenden en misschien zijn de stroopers al bezig geweest. Er zijn van die

lui, die altijd moeten schieten!

Kwêk—daar heeft er ons al een gezien en maakt zich uit de voeten. Die

het dichtst bij hem waren, bemerkten ook onraad en volgen hem. Hun

heengaan baart opzien bij de overigen en zoo is in korten tijd

geleidelijk de geheele zwerm verdwenen, verspreid naar alle kanten.

Waarheen? Naar een andere plas, of naar de slooten in de weilanden,

waar de purperen orchideeën en de roode koekoeksbloem den tijd van ’t

jaar vermelden. Daar strijken ze neer, en, zindelijke beestjes als ze

zijn, hun eerste werk is zich te reinigen van wat bij hun overhaaste

vlucht uit de poel in hun veeren is blijven steken. Een voor een worden

de slagpennen en staartveeren afgeschuurd, een dolle dompelpartij

besluit het toilet maken, en het gevolg: in de sloot zweven

kroosplantjes en... stukken waterpest.

Binnen eenige maanden is de sloot volgegroeid—tot groot verdriet van

den boer—die nu al opziet tegen het tochtmaaien en den polderschouw en

alvast het mogelijk voordeel aan meststof en kantverhooging opweegt

tegen het te betalen arbeidsloon voor slootreiniging.

Als die jaarlijksche slootreiniging niet gebeurde, dan zouden er al

heel gauw geen slooten meer zijn. De waterpest en zijn confraters

zouden binnenkort alle beschikbare ruimte innemen—zeer tot hun eigen

nadeel natuurlijk; want zij zouden, als ze ’t water eenmaal in

veenmodder veranderd hadden, zelve niet meer kunnen groeien en moeten

onderdoen voor de modderplanten. Zoodat bij slot van zaken de

jaarlijksche groote slachting onder de waterplanten weer op hun eigen

voordeel uitloopt.

Wie zijn de confraters van de waterpest? Welke Hollanders kunnen nog

naast den gevaarlijken Amerikaan een rustig leven leiden? Natuurlijk

die planten, die ’t meest op hem gelijken en in levenswijze nagenoeg

met hem overeenkomen,—in de eerste plaats het hoornblad en het

vederkruid. Dit zijn beide planten, die evenals de waterpest met hun

lange stengels, met blaadjes omkranst, de geheele watermassa

doordringen. Hun bladeren spreiden zich niet zooals die der plompen en

zooals het kroos, aan de oppervlakte van het water uit—maar ook in de

dieper gelegen waterlagen vinden zij nog, wat zij voor hun bestaan

noodig hebben. Deze eigenschap maakt ze bijzonder geschikt voor

aquariumplanten, niet alleen, omdat hun smaragdgroene guirlanden en

festoenen de kleurlooze watermassa opvroolijken en een dubbelen glans

geven aan de roode vinnen van baars of rietvorentje—maar ook om den

heilzamen invloed, dien ze op ’t water zelve uitoefenen en die bijna

geheel zou uitblijven, wanneer ze alleen aan de oppervlakte leefden.

Welke die heilzame invloed is, gist ge reeds. Evenals waterpest,

bezitten hoornblad en vederkruid het vermogen, om het water te zuiveren

van de slijkdeeltjes, die er in zweven—echter op andere wijze. Blijft

het bij de waterpest een raadsel, waar de slijkdeeltjes heengegaan

zijn, daar noch de plant, noch de bodem eenig spoor ervan vertoonen—bij

’t hoornblad zetten ze zich op de buitenhuid der sprietige, taaie,

buigzame blaadjes vast, totdat de geheele plant met een slijklaag

overdekt is.

Men kan zoodoende gemakkelijk een troebel geworden aquarium

schoonmaken, door telkens schoon hoornblad erin te plaatsen. Slaat ’t

eindelijk in ’t geheel niet aan, dan is het een voldongen feit, het

water is zuiver. Onzuiverheid, veroorzaakt door planten- of

dierenlijken, kan op deze wijze echter niet verholpen worden,—daarvoor

gebruike men zooals reeds gezegd is, vlijtig de hevel!

Die reinigingsdienst is nu heel mooi en goed—zult ge zeggen—maar ik kan

zelf mijn aquarium ook wel schoonhouden en ik zal wel oppassen, er geen

klei in te brengen. Daarvoor alleen behoeven Elodea en Ceratophyllum en

Myriophyllum niet zoo opgehemeld te worden! Gij hebt natuurlijk

volkomen gelijk—maar er is nog meer.

Neem weer eens een van die suikergoed-flesschen, die ge op uw

jachttochten naar klein waterwild gebruikt, maar kies een heel lichte;

bewaar de groene maar voor ’t geval, dat ge dieren hebt, die

afgezonderd moeten worden, zooals de geelgerande watertorren en hunne

larven of dergelijke roovers. Ga nu naar uw sloot (ieder

natuurliefhebber bezit natuurlijk in de buurt van zijn woonplaats een

sloot, een moeras, een boschje enz. waar hij steeds de meest

voorkomende planten en dieren voor onmiddellijke waarneming kan vinden)

en vul uw flesch met frissche, gezonde takken van de drie planten,

waarover ik nu eenmaal aan ’t praten ben geraakt. Glippen er soms wat

van die lange groene draden, die in alle slooten drijven, mee in de

flesch, dat is zoo erg niet—ook niet, als er een paar stukjes kroos in

komen—die doen toch ook allemaal mee. Doe de flesch maar flink

vol—natuurlijk niet zoo, dat de planten opeengeperst zitten, maar ze

mogen de flesch toch van den bodem tot den rand vullen. Natuurlijk

zitten er ook nog kleine diertjes tusschen, maar liefst had ik, dat hun

aantal zoo klein mogelijk was; dan alleen kunnen wij, wat er gebeuren

zal in onze flesch, toeschrijven aan de bezigheid der planten.

Nu naar huis; zie daar een emmer met water en een diep bord machtig te

worden en jaag alle nieuwsgierigen de keuken uit. Neem nu de flesch met

de planten en dompel die onder in de emmer met water, leg daarna de

holte van het diepe bord op de opening van de flesch, en keer nu flesch

en bord om—steeds zorgende, dat beide onder water blijve. Pak dan het

bord, dat nu onderaan ligt, beet—zooals men een bord gewoonlijk aanvat

met twee handen—en til bord en flesch de emmer uit. Het bord is dan vol

water—de flesch, die er omgekeerd op staat, ook—gij weet al lang door

welke natuurkundige wetten, en herinnert u dadelijk alles van drukking

van de lucht en communiceerende vaten en barometers en dergelijken.

Als nu de rand van de flesch heel zuiver en de bodem van het bord juist

vlak is, dan is er van communiceerende vaten geen sprake; het water in

de flesch is dan geheel afgesloten van dat in het bord, maar—dat wil ik

juist niet. Indien er dus vrees bij u bestaat, dat het water uit de

flesch niet vrij in het bord kan komen, snij dan vier plakjes van een

kurk en schuif die voorzichtig onder den fleschrand, natuurlijk zorg

dragende, dat de rand niet boven komt, anders loopt de flesch leeg en

dan kunt ge van voren af beginnen. Nu zal geen enkele Hollandsche

huismoeder uw gemors in haar huis willen dulden, zet daarom uw toestel

maar op een helder plekje in de tuin of in de vensterbank. Gij moogt

uit het bord wel zooveel water verwijderen, dat het niet overstort;

maar pas op, dat de rand van de flesch niet boven water komt, of, enz.

Nu zullen er wel Fransche thema’s te maken zijn, of sommen, of je moet

nog een kaartje van Midden-Amerika teekenen; laat dus het toestel maar

aan zijn lot over en kom over een paar uur eens kijken.

Word nu niet in eens kwaad, en zeg niet dat Johan er weer aangezeten

heeft en dat je het wel zien kunt, want dat het diepe bord overloopt en

dat er lucht in de flesch is gekomen. Gerust, Johan is er zelfs niet

bij geweest en de meid heeft er ook niet aan gescharreld. Overtuig u.

Hevel wat water uit het diepe bord weg—en ga dan erbij zitten—wakende

over uw schatten. Binnen korten tijd is de luchtruimte boven in de

flesch grooter geworden, het bord lijkt voller en weldra loopt het

over. De lucht of wat het dan ook is, ontwikkelt zich in de flesch

zelve! Die ontwikkeling wordt echter gaandeweg langzamer en houdt

eindelijk geheel op, of wordt onmerkbaar. Laat gij het geheel nu nog

eenige dagen staan, dan sterven de planten.

Lucht of wat het anders zijn mag! Laat ons eens onderzoeken, wat wij in

de flesch gekregen hebben. Het is een kleurloos gas. Wat voor

kleurlooze gassen kent gij? Lucht, lichtgas, koolzuur, waterstof,

zuurstof, dat zijn er al vijf—of vier en een allegaartje, zooals ge

weet. Roep nu Johan er bij en je zusjes, als je ze hebt, en de meid

(die kunnen gillen, als ’t noodig is, dat geeft meer voldoening). We

zullen maar dadelijk de brandproef nemen, ongelukken zullen niet

gebeuren, daar sta ik voor in. Een moet het lucifertje gereed houden,

een ander de flesch onder water sluiten (met een nat stuk bordpapier of

liever nog met een goed sluitende groote kurk) en overeind zetten.

Als wij nu de brandende lucifer in ons „gas” houden, kunnen er

verschillende dingen gebeuren. De lucifer blijft rustig doorbranden,

dan is het gewone lucht; het gas ontploft met een roode of gele vlam,

dan is ’t lichtgas. In koolzuur dooft de lucifer uit, en waterstof

ontploft met een blauwe vlam. Niets van dat alles gebeurt, maar de

lucifer zelve begint ineens verblindend helder te branden, waardoor wij

de zekerheid krijgen, dat in onze flesch zuurstof ontstaan is.

Waaruit? en waardoor? Dat kunnen wij zoo dadelijk niet zeggen, daarvoor

moeten we de proef—(wij spraken thuis altijd van „de groote proef”)—nog

eenige malen herhalen, onder andere omstandigheden.

We richten alles weer precies zoo in, alleen doen we in plaats van

planten, dieren, b.v. stekeltjes in de flesch. In een paar dagen gaan

de stekeltjes wel dood, maar ge neemt geen gas-ontwikkeling waar. Vul

nu de flesch weer met planten, doch beplak haar aan de buitenzijde met

dik zwart papier. Ook nu krijgen we geen zuurstof, of maar een heel

klein beetje, waaruit volgt, dat de planten, die we in onze flesch

gehad hebben, onder den invloed van het zonlicht zuurstof voortbrengen.

Ze zijn dus als ’t ware gasfabrieken.

Wilt ge het wat mooier en eenvoudiger doen, koop dan een kookfleschje

van dun glas van een halven liter inhoud. Vul het met water en

waterplanten geheel en sluit het af met een kurk met een glazen buisje

er door, dat bijna tot aan den bodem van ’t fleschje komt. Zet de

flesch gewoon in ’t licht, dan is na korten tijd de hals vol zuurstof.

Uit uw aquarium zelve stijgt voortdurend zuurstof op in kleine

belletjes, meestal zoo klein, dat ze onopgemerkt blijven. Als ge eens

met aandacht door een opstaanden wand in uw aquarium kijkt, dan kunt ge

heel fijne loodrechte draadjes in het water zien hangen, dunne

parelsnoertjes; ze bestaan uit heel kleine zuurstofbelletjes, die

omhoog stijgen, maar dat kunt ge haast niet zien, want de belletjes

zijn zoo gelijk van grootte en bewaren zoo steeds denzelfden afstand

onderling, dat er in de draad geen verandering waar te nemen is, geen

beweging. Toch kunt ge u er van overtuigen. Plaats boven een plekje,

waar eenige van die parelsnoertjes dicht bij elkander hangen, een

omgekeerde toegestopte glazen trechter of een reageerbuisje, met water

gevuld, en na eenigen tijd is het water eruit verdwenen en vervangen

door zuurstof. Het zal u wel eenige moeite kosten, de trechter of het

buisje eenigen tijd—een paar uren—stil boven de opstijgende belletjes

te houden, maar ik vertrouw op uw geduld en vindingrijkheid en op een

oordeelkundig gebruik van stukjes kurk en eindjes ijzerdraad, waarvan

ge natuurlijk groote voorraden bijeengegaard hebt. Iedere jongen heeft

immers een „arsenaal”, zooals wij het thuis noemden.

Het is voor ons Nederlanders een groote voldoening, te weten, dat deze

uiterst belangrijke proef, en de groote ontdekking omtrent het leven

der planten, die er het gevolg van was, nu ruim een eeuw geleden voor

’t eerst gedaan zijn door een landgenoot, den beroemden Jan Ingenhouss

van Breda.

Wilt ge u alleen tevreden stellen met belletjes te zien opstijgen en

wel gelooven, dat het zuurstof is, scheur dan van een groeiende

waterpestplant onder water een paar blaadjes stuk. Van tijd tot tijd

stijgen daaruit vele en groote bellen zuurstof omhoog.

Waaruit bereiden de planten die zuurstof? Gij weet, dat het water

bestaat uit 2 deelen waterstof en 1 deel zuurstof. Zouden onze

waterplanten nu de waterstof uit ’t water gebruiken en zoodoende de

zuurstof vrij maken? Dat lijkt wel mogelijk, maar gij herinnert u, dat

de gasontwikkeling op een gegeven tijdstip eindigde, ofschoon er nog

water genoeg in de flesch was. Neem de proef nog eens—en het zal weer

gebeuren. Maar als nu weer het doode punt in de gasontwikkeling bereikt

is, hevel dan het diepe bord zoover mogelijk leeg en vul het dan weer

aan met spuitwater. Het spreekt vanzelf, dat dit spuitwater zich door

de geheele watermassa verspreidt en dus ook in de flesch met de planten

doordringt. En wat gebeurt er nu na eenige oogenblikken? Weldra is de

gasfabriek weer in vollen gang—en telkens als er staking in de

werkzaamheden komt, kunt ge door nieuwe bijvoeging van spuitwater weer

nieuwe ontwikkeling te voorschijn roepen. Voor de zuurstofvorming is

dus iets noodig, dat zich in het spuitwater bevindt—gij weet, dat dit

ook een gas is, en wel koolzuur. Meteen maakt ge natuurlijk de

gevolgtrekking, dat gewoon frisch water dan ook koolzuur bevatten moet,

hetgeen volkomen juist is; gij kunt u door de kalkwaterproef ervan

overtuigen.

Ook koolzuur is met gewone dampkringslucht in ’t water opgelost en kan

door verwarming er uit gedreven worden. Laten wij zulk afgekookt water

afgesloten weder bekoelen, en brengen wij er dan voorzichtig wat

waterplanten in, dan zullen we geen gasontwikkeling waarnemen en de

planten sterven. Gij weet reeds, dat dieren in zulk van gassen beroofd

water ook niet leven kunnen.

Onze planten veranderen dus koolzuur in zuurstof door een eenvoudige

aftrekking; ze slikken met kleine hapjes het koolzuur in, bereiden de

kool eruit tot voedingsstof en geven de zuurstof als overschot weer

terug. De zuurstof zet zich in uiterst fijne blaasjes aan de

oppervlakte der bladeren af, die blaasjes vereenigen zich tot

belletjes, welke we zien omhoog stijgen, als ze groot genoeg zijn. Niet

al de zuurstof bereikt echter de oppervlakte, veel ervan blijft in het

water zelve opgelost en dat maakt dan weer, dat de dieren, die zuurstof

uit het water moeten inademen, er in leven kunnen. De dieren ademen dan

weer koolzuur uit—waarvan de planten weer de kool gebruiken, om in ruil

zuivere zuurstof terug te geven. Zoo maken planten en dieren elkander

het leven mogelijk.

Voordat ik dit wist, heb ik mij er dikwijls over verwonderd, waarom in

aquariums en goudvischkommen altijd het water ververscht moest worden

en waarom met veel kosten in een aquarium vaak de morserij van

fonteintjes en afvoerbuizen voor de luchtverversching moest aangebracht

worden, terwijl toch in stilstaande poelen het rijkste leven zich kon

ontwikkelen. Bracht de regen daar versche lucht mee? Maar als het dan

in maanden niet regent? Het ligt voor de hand, dat in stilstaand water

de levende wezens, planten en dieren door onderlinge samenwerking in

leven blijven. Ook is het heel wel mogelijk, jaren lang een aquarium

met levende planten en dieren te houden, zonder een enkele maal het

water te ververschen.

In parken, die goed (al te goed soms) onderhouden worden, zijn wel

vijvers, waarin men geen enkele waterplant duldt. Ik ken een groote

stad, waar een heel mooi park is en in dat park zijn reusachtige

vijvers, waarin geen waterplantje drijft en waar langs de oevers geen

een van al die prachtige oeverplanten—lisch, zwanebloem, riet,

dullen—wordt toegelaten, ’t Is vreeselijk jammer, dat het zoo is, maar

het bestuur van ’t Park schijnt het niet anders te willen en handhaaft

in zijn vijvers een echt Broek-in-waterlandsche zindelijkheid. Dit

neemt niet weg, dat op sommige tijden van ’t jaar de watervlakte met

een vuil wierschuim bedekt is, maar daar kan ’t vlijtigste parkbestuur

niets aan doen, want die wierkiemen komen om zoo te zeggen, maar ineens

uit de lucht vallen.

Maar daar wilde ik het niet over hebben. De gewone toestand in die

saaie vijvers is dus, dat er geen waterplanten in groeien. Toch leven

er visschen in, mooie groote brasems in overvloed, en zoo groot, dat de

hengelaars, die ’t park passeeren slechts noode al watertandend de lust

kunnen weerstaan, om eens in ’t verboden vischwater een kansje te

wagen.

Hoe houden die visschen ’t nu uit zonder waterplanten, hebben zij dan

geen zuurstof noodig? Wel zeker, en zij krijgen er genoeg van ook.

Ge hebt wel eens stekeltjes in een flesch gehad zonder waterplanten. Na

een poosje ziet ge, dat ze alle dicht bij de oppervlakte van ’t water

zwemmen en daar naar lucht happen. Maar zij happen niet in de lucht,

doch alleen in ’t bovenste laagje water, dat door zijn onmiddellijke

aanraking met de lucht zelf, een voldoende hoeveelheid gassen in zich

opneemt, absorbeert, zooals we in de natuurkundeles leerden zeggen.

Nu is ’t water in den vijver eigenlijk maar een heel dun laagje en in

vergelijking met zijn diepte is er zoo’n groote oppervlakte met de

lucht in aanraking, dat daardoor alleen het water al voldoende

geventileerd wordt, vooral als de wind van tijd tot tijd meehelpt, door

de krullende golfjes met lucht te vermengen.

Het is duidelijk, dat deze luchtverversching meteen ophoudt, wanneer de

lucht niet meer in aanraking met ’t water kan komen, b.v. ’s winters,

als een dikke ijslaag de vijvers bedekt. Dan hebben de visschen gebrek

aan zuurstof; en dat weten de visschers wel, die bijten in ’t ijs

hakken, waar dan binnen weinige oogenblikken de visschen elkander

verdringen om een enkel hapje lucht machtig te worden.

Wie nu weinig planten in een aquarium heeft, doet niet goed met het toe

te dekken, want daardoor wordt een belangrijke hoeveelheid

luchtverversching onmogelijk gemaakt. Toch is ’t dekken van een

aquarium zeer noodig, eensdeels, om te beletten, dat de vliegende

insecten ontsnappen, anderdeels, om het schadelijke stof te weren.

Zorg maar ervoor, het steeds goed van planten te voorzien, en de

afgestorven blaadjes en takjes zorgvuldig te verwijderen. De meeste

planten, ook die in ’t water groeien, zijn afhankelijk van ’t licht;

goed licht is voor hen levensvoorwaarde. Nu kan uw aquarium nooit erop

rekenen, evengoed verlicht te worden als een sloot in ’t vlakke

weiland, waar den geheelen dag de zon zich in kan spiegelen en waar

slechts een smalle schaduwrand een toevluchtsoord blijft vormen voor de

meestal lichtschuwe dieren.

Vandaar dat uw planten maar zelden voortdurend gezond en tierig

blijven, vooral als ze „bovenlicht” missen moeten,—na eenige weken gaan

ze kwijnen—ze sterven wel niet, maar ze worden tenger en bleek en slap;

ze krijgen bloedarmoede. Wie het goed met zijn aquarium meent, vervangt

bijtijds zulke zwakkelingen door nieuwe frissche planten.

Dat geeft meteen gelegenheid, om eens een middagje met schepnet en vork

er op uit te gaan, en zoo de kans om merkwaardige vondsten te doen. Het

behoeft niet altijd alleen maar Waterpest of Hoornblad of Duizendblad

te zijn. We kunnen ook drijvende waterplanten gebruiken. Onze vischjes

houden van schaduw en kunnen die in de ijle of draadvormig verdeelde

blaadjes van onze drie voornaamste zuurstof-vormers niet gemakkelijk

vinden. Er moet een groen dak bovenop het waterpaleis, dan eerst is het

genoegelijk rond te dwalen in de koele ruimte tusschen de groene

pilaren en guirlanden! Wat zou een sloot zijn zonder kroos! Waar zouden

de kleine zilveren steenkarpertjes hun leven moeten slijten, als er

geen kroos was, kroos, waartusschen en waaronder het wemelt en krioelt

van allerlei klein watergedierte, maar waartusschen door maar al te

dikwijls de scherpe haak en het verleidelijke wormpje van den lastigen

hengelaar een eind aan hun zorgeloos bestaan komt maken.

Het zou een lange lijst worden, indien we al de wezens eens gingen

opsommen, die in en onder het kroos naar buit uitzien, van de kleine

hydra’s af, tot hengelaars en liefhebbers van natuurlijke historie

incluis. Ook de logge eenden doen er ’t hunne bij en slobberen, à la

walvisch, water, kroos en klein gedierte, daphnia’s en hydra’s tegelijk

naar binnen. En groene, glazige kikkeroogen loeren tusschen ’t kroos op

de kleine vliegjes, die er op heen en weer loopen; kleine vliegjes

schijnen nooit iets anders te doen te hebben dan heen en weer loopen.

En ’t kroos zelf koestert zich in ’t zonnetje en eet en groeit. En

bloeit—dat rijmt zoo mooi en dat behoort zoo bij „groeit”. Maar hebt ge

wel eens kroosbloempjes gezien? Ik maar zeer zelden; ik heb ze maar een

enkelen keer gevonden en ik twijfel er niet aan, of gij krijgt ze ook

nog wel eens te zien, want zoo heel zeldzaam zijn ze nu niet, lang niet

zooals de waternoot. Ga er in Juli maar eens op uit, maar neem uw loupe

mee en onderzoek geduldig een paar kroosplantjes. Wellicht vindt ge

geen bloemen of bloesems, maar daarom is uw moeite toch nog niet

vergeefsch—wie weet hoeveel hydra’s ge vindt. Ook ontdekt ge, dat alle

kroos nog niet hetzelfde is.

Vooreerst vindt ge het gewone eendenkroos; van boven groen, onderaan

wit: ronde schijfjes, plat op ’t water drijvend, veelal bij drie, vier

of vijf met de randen samenhangend en elk voorzien van één wit, dradig

worteltje, dat aan zijn punt in een mutsje uitloopt—de meeste

worteltjes eindigen in zoo’n mutsje, wortelkapje geheeten, en dat dient

om het teere, groeiende eindpuntje van het worteltje zelve te

beschermen.

Wanneer de schijfjes dik zijn, aan de bovenzijde soms een weinig hol,

en onderaan bolvormig—dan hebt ge bultig kroos gevonden—dat anders vrij

wel op ’t eerste lijkt—ook ieder schijfje met één worteltje. Er bestaat

ook veel-wortelig kroos, dat aan de onderzijde voorzien is van vier of

vijf worteltjes, in een bosje uit ’t midden van ’t schuifje

ontspringend.

Deze drie kroossoorten drijven op ’t water, hun groen vlak is in

aanraking met de lucht, het zijn dus luchthappers—eigenlijk geen echte

waterplanten meer. Als een sloot uitdroogt, kunnen zij op den vochtigen

bodem ook nog heel goed blijven leven en betere tijden afwachten. De

zuurstof, die zij afgeven, komt dan ook niet het water ten goede—zij

helpen in de sloothuishouding alleen mee, doordat ze schaduw en koelte

geven en een schuilplaats voor ’t klein gedierte. Daarvoor mogen zij in

ruil genieten van het voedende slootwater,—want, zoomin als een mensch

van brood alleen kan leven, zoo weinig kan een plant alleen bestaan op

lucht—een schraal diëeet trouwens.

Uit de lucht kan een plant zich alleen maar koolstof verschaffen en nu

weet ge heel goed, dat het plantenlichaam nog uit heel wat andere

stoffen is gebouwd; of wist ge het nog niet, dan kunt ge u er

gemakkelijk van overtuigen door in een heet vuur wat stroo te

verbranden. Bestond dat stroo alleen uit kool, dan zou ’t geheel in ’t

vuur verdwijnen; er blijft echter een witte asch over, die, hoe heet

het vuur ook zij, van geen verbranden weten wil.

Geleerden en landbouwkundigen weten precies wat dat is, en hoeveel van

elk—later spreken wij er misschien ook wel eens over—maar de stoffen,

waaruit die asch bestaat, en nog meer dat met de kool in de vlam

verdwenen is, heeft de graanplant moeten bereiden uit stoffen, die zij

uit den grond moest opnemen, waar ze in water waren opgelost.

Slootwater bevat al die stoffen ook, afkomstig uit den bodem of van

vergane dieren of planten, en al wat in de sloot groeit, gaat er

heerlijk op te gast. Elk kroosplantje pompt zich door zijn wortel en

door zijn onderkant vol met voedend water, haalt het voedsel er uit,

doet aan de bovenzijde door kleine openingetjes het onverbruikte

verdampen, om aan den onderkant weer nieuw op te nemen. Het tiert en

groeit en wordt dik en breed voor een kroosplant—bot aan zijn rand uit,

zoodat er weer drie, vier, vijf nieuwe plantjes ontstaan, die, na

eenigen tijd met de oude plant verbonden te zijn geweest, zich weer

losmaken en op eigen gelegenheid weer voortgroeien en uitbotten tot in

het oneindige—of liever—totdat de winter komt.

Er is ook een soort van kroos—in alle slooten kunt gij het vinden, dat

op zijn broertjes weinig gelijkt, want het is niet rond en drijft niet

op ’t water, maar zweeft meestal een eindje onder de oppervlakte, dus

een echte waterplant, die zijn lucht ook uit ’t water moet halen. Het

drijft aan bosjes vereenigd en als ge het uit ’t water neemt, komt er

een heele boel tegelijk mee. Net allemaal snippers van een knipselwerk,

driekant, aan ’t breede eind afgerond en met ’t smalle eind kris en

kras over elkander geplakt. Aan ’t smalle eind is ook een worteltje.

Dit driekant kroos moet ge vooral in uw aquarium doen, vooreerst omdat

het een zuurstofvormer is, evenals Elodea en Ceratophyllum en

Myriophyllum en dan, de stekeltjes verschuilen zich er zoo graag in, ze

zitten altijd erin op de loer.

Dit zijn al onze kroossoorten; vindt ge nu nog heel klein kroos (zoo

groot als een speldeknop) zonder worteltjes; schrijf dan aan ons

Tijdschrift, De Levende Natuur, dat ge daar en daar en dan en dan,

wortelloos kroos gevonden hebt. Dat komt in Midden-Duitschland voor en

kon wel eens door watervogels hierheen gebracht zijn.

Nu hebben we kroos genoeg gevonden, maar bloempjes nog niet, ze zijn

ook zoo klein en kleurloos daarbij.—Aan plantjes ontbreekt het anders

niet, vele slooten zijn er als mede bevloerd, in drie scheppen hebt ge

een mand vol en de varkens kunnen smullen! Die zijn dol op kroos!

Wij doorzoeken onze schepvol en vinden nu eens een larve, dan weer een

klein slakje, een aaltje, een hydra, waarmede we langzamerhand onze

stopflesch vullen, maar de kroosbloempjes verschijnen niet. We zullen

maar eens naar andere bloemen omzien; in en bij het water groeien er

heel wat, die niet in het oog vallen, doordat ze kleurloos zijn. Op die

manier kunnen we ons wat oefenen.

Daar staan in een ondiep hoekje een menigte plantjes, die wel wat van

dennetakjes hebben, ze steken 2 à 3 dM. boven het water uit, mooi, fijn

donkergroen, een beetje stijf. Gij ziet geen bloempje, en toch: ze

staan in vollen bloei; ieder plantje draagt honderden bloemen! Maar het

zijn er ook bloemen naar, zoek maar eens in de hoekjes tusschen stengel

en blad: een stampertje en één meeldraad—dat is alles, de geheele

bloemenpracht van de Lidsteng (Hippuris vulgaris).

Neem nu ook eens een hoornblad, dat bloeit nu ook—alle waterplanten

bloeien zoowat tegelijk in het begin van Juli. Gij moet weer naar de

bloempjes zoeken en ge vindt ze natuurlijk in de hoekjes, waar de

blaadjes uit den stengel komen, ’t Is, dat wij ons er nu voor

interesseeren, maar anders zoudt ge honderd jaar kunnen worden en

midden in het hoornblad zitten, zonder ooit een bloempje ervan te zien.

Als ge nu goed toeziet, dan vindt ge telkens een vijfentwintigtal

meeldraden of daaromtrent bij elkander, omgeven door een uitgetand

vliesje; op andere plaatsen weer bestaat het bloempje uit één stamper

met een draadvormige stijl en stempel, ook gehuld in een vliezig zakje.

En dat alles onder water.

Heb ik u al verteld, dat water de dood voor meeldraden of voor

stuifmeel is? Niet? Maar gij hebt het toch wel kunnen merken bij Elodea

en Vallisneria, zelfs bij de Lidsteng, hoe ze hunne bloemen boven water

brengen; en als we nog wat meer bloemen vinden, dan krijgen we

gelegenheid in overvloed, om op te merken, dat ze allemaal trachten,

hun stuifmeel tegen regen en vochtigheid te beschermen. Maar hoornblad

doet dat niet en een soort van vederkruid ook niet, ze bloeien getroost

onder water en laten hun stuifmeel door den stroom naar de stempels der

stamperbloemen voeren. Zulke planten zijn er maar zeer weinig, en wel

merkwaardig is het, dat twee van de meest voorkomende waterplanten in

ons land deze zeldzame manier van stuifmeelvervoer er op nahouden.

Ik sprak daareven van een soort van vederkruid. Gij zult n.l. op uwe

speurtochten naar waterplanten er twee soorten even veelvuldig van

aantreffen, misschien wel drie, maar die derde is, zooals uw

determineerboek u zal leeren, een zeldzaamheid. De eene soort van

vederkruid dan heeft zijne bloempjes à la Ceratophyllum in de oksel der

bladeren, kleine meeldraad-bloempjes met 4–8 meeldraden en

stamperbloempjes met één vruchtbeginsel met vier stempels—het

meerendeel onder water. Toch zijn bij deze plant al sporen van

beterschap op te merken, want als ze in ondiep water groeit, of in

slooten die half dichtgeslibd zijn, steekt ze de einden van de takken,

die bloempjes dragen, boven water uit, de bloemen openen zich in de

vrije lucht en de wind moet zorgen voor de overbrenging van het

stuifmeel.

De andere soort van vederkruid bloeit nooit onder water; dat is

Myriophyllum spicatum (het vederkruid, dat een aar draagt): ik denk

wel, dat het iets meer algemeen voorkomt dan de vorige soort, die

Myriophyllum verticillatum heet, (vederkruid, dat zijn bloemen in

kransjes heeft).

Die Myriophyllum spicatum nu, steekt het bloeiende eind van zijn takken

altijd boven water uit, en alsof het die uiteinden nu lichter heeft

willen maken, zijn de fijnverdeelde groene bladeren vervangen door

heele kleine blaadjes, in wier oksels de bloemen staan, bovenaan de

stuifmeelbloemen, onderaan de stampers.

Dat begint al heel wat op bloeien te gelijken en de aar is mooi ook; de

helmknoppen hangen te wiegelen aan heel dunne draadjes; ze zijn rood,

zoolang ze nog niet open zijn, dan heldergeel. Voordat ze opengaan,

zijn ze beschermd door vier fraai karmijnroode blaadjes, maar die

vallen heel spoedig af.

Nu we eenmaal de bloeiaren van vederkruid gevonden hebben, zien we nog

meer andere aartjes boven water uitsteken. Haal er met de vork een paar

naar u toe, er valt weer iets aan te bekijken, we hebben nog wel den

tijd—de zomerdagen zijn lang.—Gij moet rukken, de plant zit in den

bodem vastgeworteld.—Knap! daar hebben we een tak. Donkergroene,

bruinachtige bladeren zitten op verschillende hoogte aan den stengel.

Die bladeren zijn niet vlak, zooals gewoonlijk, maar over hun geheele

oppervlakte gegolfd, het meest aan de randen. De bloeiaar komt uit een

van de bovenste bladoksels, en bevat eene menigte bloemen, dicht op

elkander. Deze plant heet Potamogeton crispus (gekruld fonteinkruid).

Er zijn in onze slooten nog veel andere fonteinkruiden te vinden; ge

kunt de verschillende soorten onderscheiden met behulp van de tabel aan

’t eind van dit boek. Het meest komt voor het drijvend fonteinkruid (P.

natans), dat zeer welig groeit, zoodat soms slooten en vijvers er

geheel mee bedekt zijn. Dan is de sloot vol „theeblaren” zeggen de

jongens.

Op ’t eerste gezicht lijkt het wel, of de bovenste stamperbloemen zijn.

De onderste hebben meeldraden, vier, die in hun dikke helmknoppen

overvloedig stuifmeel hebben, maar middenin bevindt zich ook een

stamper, of eigenlijk vier stampers, ieder met een dikken naar buiten

staanden stempel. Maar kijk nu nog eens naar de bovenste bloempjes. De

vier stampers zitten goed ingepakt in vier bruingroene blaadjes. Alleen

de stijlen en stempels steken er buiten uit. Neemt ge echter die vier

blaadjes—de dekschubben—weg, dan vindt ge, tegen stijf de stamper

aangedrukt, vier, dikke, gele, glimmende meeldraden. Eigenlijk moest ik

zeggen meelzakken, want van een helmdraad is bijna niets te bespeuren;

ze zijn een en al helmknop. Iedere helmknop bestaat uit twee gelijke

deelen, de helmhokken, die door het helmbindsel met elkaar verbonden

zijn. Stuifmeel ziet ge aan deze meeldraden niet, want ze zijn nog niet

rijp, ze zijn nog niet open. Gij kunt echter op ieder helmhokje al een

overlangsche streep opmerken. Over eenigen tijd, als het stuifmeel rijp

is, barst het helmhokje langs die streep open en het stuifmeel valt er

uit. Dit gebeurt nooit, terwijl het regent.

Wanneer het droog, windig weer is, dan wordt het stuifmeel door den

wind meegevoerd, als het stof op de wegen. Tien, twintig meter verder

waait het tegen een andere bloeiaar van fonteinkruid aan en blijft aan

de stempels kleven. Natuurlijk valt er ook heel wat in ’t water, maar

dat komt er niet op aan. Als op iedere stempel van ons fonteinkruid

maar eenige korreltjes stuifmeel komen is het al genoeg—dus als uit

ieder helmknopje enkele stofjes hun bestemming bereiken, kunnen er

zaden gevormd worden—en ieder hokje bevat duizenden en duizenden van

die stofjes.

Springen de helmhokken bij windstilte open, wat ook wel gebeurt, dan

valt het stuifmeel eruit, niet in het water, maar op de onderste

dekschub, die als het ware een schoteltje eronder vormt. Daar blijft

het dan liggen, totdat een flinke windvlaag het eruit jaagt. Regent het

voor dien tijd, dat is ook niet erg, want dan sluit het bloempje zich

en het stuifmeel blijft droog.

Op deze wijze wordt ervoor gezorgd, dat nooit het stuifmeel uit de

helmhokjes terecht komt op stempels van dezelfde bloem, maar bijna

altijd op stempels van een andere plant. Men drukt dit korter uit door

te zeggen, dat bij de fonteinkruiden gezorgd is voor kruisbestuiving en

het is bekend, dat zaden, welke door kruisbestuiving ontstaan, veel

krachtiger planten opleveren, dan die welke gegroeid zijn uit zaden,

gevormd doordat stuifmeel terecht kwam op de stempels van de bloem,

waarvan het zelf afkomstig was.

Bij de meeste bloemen bestaan inrichtingen, die kruisbestuiving

bevorderen. Bij Elodea, Vallisneria, Ceratophyllum en Myriophyllum

spreekt het vanzelf, dat er altijd kruisbestuiving moet plaats hebben,

doordat hunne bloemen òf alleen stampers óf alleen meeldraden bezitten.

Bij de fonteinkruiden is eigenlijk het zelfde het geval; wel bevinden

zich meeldraden en stampers in dezelfde bloem, maar ze zijn nooit

tegelijk rijp; als de stempels geschikt zijn, om stuifmeel op te nemen,

dan zijn de meeldraden in dezelfde bloem nog dicht en verborgen, en ze

openen zich eerst, wanneer op de stempels reeds van elders stuifmeel is

aangevoerd. Dan zijn die stempels al half verdord, zooals ge aan de

onderste bloemen van een aar duidelijk kunt zien.

Nog altijd geen kroosbloempjes, maar wat is dat aan de rand van die

rietpoel? Stap er voorzichtig heen, we zijn hier op een gevaarlijk

plekje, de bodem trilt onder ons en golft voor ons heen; hier en daar

blinken tusschen ’t mollig veenmos groene slijmerige poelen. Stap op de

elzestronken en beproef iedere tred, maar dat plantje daar moeten we

hebben—de vondst is eenig—ik ben er blijder mee dan met de eventueele

kroosbloempjes. Zeldzaam? Och, vraag niet altijd en alleen naar

zeldzaam—het niet zeldzame, het algemeene is vaak het meest

belangwekkend. Doch dit preekje voegt me niet, want al is de

plant—waarvoor we nu ons leven wagen—lang niet zeldzaam, algemeen kan

ze toch ook niet genoemd worden. Vooruit dus. Naar den rand van de poel

wordt de bodem wat vaster—dat heb je meer in de moerassen—en met onze

vork kunnen we de buit naar ons toehalen. Als ik op waterplanten uitga,

heb ik altijd een ijzeren vork, die ik aan de stok van het schepnet kan

vastmaken.

Ziezoo, dat is binnen. Nu kunnen we even op een wilgenstoof gaan zitten

en zeg me nu eens; wat zou dit zijn?

„Gele waterleeuwenbekken met haarbladen en er zitten beestjes tusschen

ook!”

Goed geantwoord.

Die bloemen lijken werkelijk op leeuwenbekken, er staan er een stuk of

vijf bovenop een stengel, die rechtop een decimeter of twee boven het

water uitsteekt. Ze zijn mooi geel met donkerder vlekken en streepen op

de plaats waar onderlip en bovenlip stevig tegen elkander gedrukt

zitten, haast net als bij de bekende gele vlasbek, die in Augustus en

September overal aan dijken, ruigten en wegen te vinden is. Die heeft

echter vier meeldraden, terwijl onze waterplant er maar twee heeft, die

ge in vele gevallen zoo kromgebogen vindt, dat hunne helmknoppen, tegen

den stijl aangedrukt staan—waaronder de stempel, zoodat het stuifmeel

uit de helmknoppen onmogelijk op de stempel kan vallen. Er moet dus

stuifmeel van andere bloemen worden aangevoerd, zooals bij de

fonteinkruiden, maar hier kan de wind ons niet helpen. De stempels en

de meeldraden zitten opgesloten in de gele kroon—die kroon is dicht en

blijft dicht, zoolang er niet iemand komt, die hem openmaakt, en dat

kan de wind niet doen.

Willen we nog eens naar de gele bloemen kijken, die daar nog in het

water staan?—Misschien vinden we de oplossing van het raadsel.

Het is zulk mooi, stil warm weer; de berken, waar ons moeras vol van

staat, verspreiden hun heerlijke kruidige geur als van.... zure

peper—zooals een van mijne jonge vrienden eens zei. Over de duizenden

kleurige bloemen een gegons van allerlei insecten—blauwe schichten

schieten er door heen en over het water; dat zijn zwaluwen op jacht;

blauwe zwaluwen. Ook andere, dof grijs met wit—dat zijn oeverzwaluwen;

zij hebben hun nest ergens in de buurt, diepe holen in een dijk of

steilen slootkant.

Zij zijn het vooral, die over het watervlak jagen—want ook daar zijn

insecten in overvloed—ook bij onze gele bloemen. Daar plompt een klein

hommeltje met geel en bruin aan zijn achterlijf tegen een bloem

aan—vlak er tegen. Het onderste deel van de bloem buigt onder zijn

gewicht neer, zijn kop verdwijnt tot de schouders in de opening. Drie,

vier tellen blijft hij zoo zitten, dan heeft hij den honing uit de

spoor opgezogen en zoekt een andere bloem op. Zoo werkt hij

achtereenvolgens al die gele bloemen af en vliegt dan heen, echter niet

zonder haar een wederdienst bewezen te hebben.

De meeldraden zijn zoo geplaatst, dat de hommel onvermijdelijk met zijn

tong er langs moet strijken, als hij de honing uit de spoor wil

opzuigen. Natuurlijk blijft er wat van het kleverige stuifmeel aan die

tong vastzitten, en als hij die daarna in een andere bloem steekt, dan

raakt hij daar den stempel aan, waaraan dan weer de stuifmeelkorrels

zich hechten, zoodat de kruisbestuiving volbracht is.

Ja maar, zegt ge, verliest de tong het stuifmeel al niet in de eerste

bloem bij het terugtrekken langs den stempel?

Dat is nog zoo kwaad niet opgemerkt—laat ons eens zien.

Neem eens een grassprietje en boots daarmee in een levende bloem de

beweging van een hommeltong na. Gij opent de bloemkroon, steekt het

grassprietje erin; het strijkt langs de onderste afdeeling van de

stempel heen, tusschen de meeldraden door, de spoor in.

Maar wat is dat? In het aangeraakte deel van de stempel komt beweging,

langzaam maar gestadig krult zich het lipje omhoog, totdat het vlak

tegen de bovenste afdeeling komt te liggen. Als ge uw grassprietje

terug trekt, raakt het geen stempel meer aan; die is uit de weg gegaan.

Thuis, voor uw vensterraam of in den tuin hebt gij misschien een

plantje, dat dezelfde merkwaardige inrichting vertoont—ik bedoel de

gele Mimulus. De bloem daarvan is ook leeuwenbekachtig, maar open, de

stempel is net als die van het Blaasjeskruid (zoo heet onze gele

waterbloem) „tweelobbig” en de onderste lob krult zich bij de minste

aanraking omhoog. Het is een verrassend gezicht, in planten—die men

over het algemeen toch voor bewegingloos houdt—zulke bepaalde,

plotselinge bewegingen te zien gebeuren.

Nu wil ik u van de bloem van ons blaasjeskruid nog iets vertellen. Het

gebeurt wel eens, dat de insecten een bloem niet bezoeken; bij

ongunstig, regenachtig weer b.v. wagen zij zich niet graag boven het

gevaarlijk element. Hoe komt dan het stuifmeel op den stempel? Ja, dan

moet de bloem zich behelpen. De onderste stempellob krult zich dan

langzaam (aarzelend, had ik haast geschreven) naar omlaag, tot ze de

open meeldraden aanraakt. Er is dan stuifmeel uit dezelfde bloem op de

stempel gekomen, er rijpen nu ook zaden, al zijn ze niet zoo goed als

die, welke door kruisbestuiving ontstaan.

Een aardige inrichting, nietwaar? Doch hiervoor behoefden we ons leven

niet te wagen (de waaghalzerij was anders zoo groot niet), er zijn

bloemen genoeg, die nog „aardiger” erop ingericht zijn, om door

kruisbestuiving sterke zaden te krijgen.

Maar er is meer! Leg de bloem eens ter zijde en kijk eens naar de

bladen—of liever naar het groen, want die vertakte draden kunnen

eigenlijk niet anders genoemd worden.

Straks zaagt ge er beestjes tusschen, niet waar? Ze zijn er nog—we

zitten nu al een kwartier op onzen wilgenzetel over de bloemen te

praten en nog zijn ze niet tusschen het vochtig veenmos weggekropen om

weer in hun element hunne duikelingen en wendingen te beginnen. Nu ge

er een grijpen wilt, merkt ge dat het vastzit aan de plant, dat het

eraan gegroeid is: uw beestjes zijn geen dieren, maar bladertjes of

iets, dat erop lijkt.

Daar zit ge nu.

Leefden we nu een driehonderd jaar vroeger, dan gooiden we het plantje

weer in de sloot, en gingen naar huis om daar een paar folianten met

wonderverhalen op te zoeken, liefst in ’t Latijn. Daar snorden we dan

wat plaatsen in op, die ons op onze ontdekking toepasselijk leken en

namen daarna een nieuwversneden ganzenpen, om een lijvig boek te

beginnen over de dierenbarende slootbloem, opgehelderd met aanhalingen

uit Aristoteles en Plinius en Dioscorides etc. Ja, ge kunt erom lachen;

maar zoo hebben ze vroeger gedaan en ik zal later nog wel gelegenheid

vinden, om u plaatjes te laten zien van rotganzen, die aan de boomen

groeien of levende schapen, die van onder een varenplant komen kuieren,

waar ze eerst den dienst van wortels verricht hebben. In allen ernst

stonden zulke dingen in boeken, met koninklijk privilegie gedrukt.

Wij echter pakken ons blaasjeskruid tusschen wat vochtig mos in onze

plantenbus en plaatsen het thuis in ons aquarium—of, als we dat nog

niet rijk zijn, in een diepe schotel met water. Laat ons ook in onze

stopflesch wat water meenemen met vertaktsprietige watervlooien en

dergelijke vierpootige met één oog (Daphnia en Cyclops) en meer van dat

kleingoed, om dat alles thuis in dezelfde schotel bij het blaasjeskruid

te gieten. Later gaan we nog eens erop uit, om kroosbloempjes te

zoeken.

Het planten van ons blaasjeskruid veroorzaakt niet veel last, want het

bezit geen wortels: we behoeven het maar rechtop in ’t water te zetten,

dan zinkt het zoover, totdat het drijft (Natuurkunde, hoofdstuk

zooveel) en tegelijk spreiden de takken met de draadvormige blaadjes

zich uit. De blaasjes vormen dan als ’t ware een kudde vreedzame

daphnia’s verdiept in herkauwende bespiegelingen. Dat woord

„herkauwende” gebruik ik hier niet alleen, omdat het woord „kudde” mij

aan koeien of schapen doet denken. Dat zal u spoedig duidelijk worden.

Onze echte daphniden moeten wel bijzondere gedachten krijgen van die

vreemde onbewegelijke stamgenooten. Zij zelve schieten op hunne bekende

schokkende manier door het water heen, terwijl ze op elkander jacht

maken of op nog kleinere diertjes. Soms naderen ze nieuwsgierig onze

blaasjes, soms heel dicht bij, ja ze kruipen er wel eens in.

Na een paar dagen maakt ge de opmerking dat uwe levende daphnia’s

geducht onder elkander hebben huisgehouden, of dat er een epidemie

onder hen is uitgebroken—want hun aantal is aanzienlijk verminderd.

Echter zijn nergens daphnialijken te zien, ook geen leege schalen.

Dat lijkt geheimzinnig en ge raadt nu al wel, dat de blaasjes in ’t

geheim betrokken zijn. Knip een takje met blaasjes van uw plant af en

leg het op een stuk wit filtreerpapier, dan hindert het water, dat

eraan blijft hangen, u niet bij uw onderzoek. Nu ziet ge wel, dat ieder

der eivormige blaasjes aan zijn spitse punt vier vertakte „sprieten”

bezit; begin daar met twee naalden het blaasje open te scheuren—dan

zult ge eens zien, wat erin zit.

Niets? Goed, neem dan een ander blaasje, desnoods een derde. Daar hebt

ge het al: een doode daphnia. Maak nog een blaasje open.—Een

zieltogende Cyclops. Nog een! Begrijpt ge het nu?

De blaasjes van het blaasjeskruid zijn vallen voor klein gedierte, het

blaasjeskruid zelve is eene vleeschetende plant! De watervloo, die uit

nieuwsgierigheid of in zijn angst om aan den een of anderen vervolger

te ontkomen in zoo’n blaasje gekropen is, kan er nooit meer uit. In

duisternis en afzondering moet het diertje na herhaalde vruchtelooze

pogingen om te ontsnappen den honger- en verstikkingsdood sterven. De

val is gesloten met een klep, die naar binnen, o zoo gemakkelijk

opengeduwd kan worden, maar die door elke drukking naar buiten den

uitgang slechts nog steviger afsluit.

De inrichting is heel eenvoudig.

Gij ziet, dat de blaasjes niet zuiver eivormig zijn, maar dat zij een

bollen en een meer afgeplatten kant hebben. Die platte zijde, zouden we

de buikzijde van het blaasdiertje kunnen noemen. De punt van die

buikzijde is, waar de sprietvormige uitsteeksels zitten. Nu moet de

loupe erbij te pas komen.

Op eenigen afstand van de punt ziet ge in de buikzijde een

ongelijkheid, de blaasjeshuid is daar ingebogen. Neemt ge nu een dun

stokje of een naald zonder punt, dan kunt ge u ervan overtuigen, dat

het gedeelte van de punt af tot aan die inbuiging, los op den rand der

inbuiging ligt en naar binnen er een eindje overheen steekt. Bij de

minste aanraking ontstaat daar een opening. Zwemt nu een klein diertje

tegen dit gedeelte aan, dan wijkt het onmiddellijk terug en de

argelooze zwemmer, misschien door zijn instinct aangezet, om dit

donkere hoekje na te snuffelen, raakt er binnen. Nu ligt de klep weer

vlak op den rand, alleen door een trekkende beweging zou hij omhoog

gehaald kunnen worden, maar onze gevangene kan niet anders dan duwen,

en dat kost hem het leven.

Het lijk gaat tot ontbinding over en de verrottingsproducten, door den

binnenwand van het blaasje opgezogen, zijn voedsel voor de plant. Gij

weet, dat volwassen daphnia’s een schaal hebben. Die schaal verteert

niet, maar kan evenmin als eerst het gevangen dier uit ’t blaasje weg

en blijft daar dus liggen. Naarmate het blaasje meer slachtoffers

maakt, komen er meer van die onverteerbare overblijfselen, zoodat het

ten slotte vol raakt en buiten gebruik moet worden gesteld. Een

onderzoeker heeft eens in zoo’n vol blaasje het stoffelijk overschot

van 24 verschillende diertjes gevonden.

Zoo kan een enkele blaasjeskruidplant, die over een paar honderd vallen

te beschikken heeft, een geduchte opruiming onder de kleine

waterbewoners houden. Het zijn vooral soorten van Daphnia, Cyclops—al

die éénoogigen—die gevangen worden, maar ook larven en zelfs kleine

vischjes, want de blaasjes worden wel een ½ cM. groot.

Op de afbeelding hiervoor kunt ge zien, hoe zelfs jonge vischjes

gevangen kunnen worden. Dat in fig. 2 is bij ongeluk met zijn staart in

de opening geraakt, het kan er echter niet meer uit, daar de klep

klemmend sluit. Hoe die twee blaasjes in fig. 3 samen dat eene vischje

machtig geworden zijn, is een raadsel, maar ’t is toch waar gebeurd; al

de afbeeldingen zijn naar de natuur geteekend door een Russisch

onderzoeker.

In fig. 4 is een doorsnede van een blaasje gegeven, twintigmaal

vergroot, terwijl in fig. 5 zeer vergroot (400 ×) de binnenwand van

zoo’n blaasje te zien geeft. De uitsteeksels, vier aan vier geplaatst

zuigen de voedende vloeistof op, welke door de ontbinding der gevangen

dieren ontstaat.

Wanneer ge Utricularia’s houdt in een kom met zuiver water, dan gaan ze

kwijnen, al zorgt ge nog zoo goed voor overvloedig licht. In heldere

sloten, waar zich geen klein watergedierte ophoudt, kunnen ze ook niet

tieren. Ze verhongeren letterlijk, ze kunnen uit het water niet genoeg

voedingsstof opnemen: ze moeten gevoerd worden! Ze zijn zoo aan vette

bouillon gewoon, dat ze van de dunne waterpap, waar andere planten mede

tevreden zijn, ziek worden.

Gij begrijpt nu ook, dat het Blaasjeskruid geen wortels noodig heeft,

zooals het kroos b.v. De blaadjes doen er min of meer den dienst van:

zij toch zuigen de opgeloste voedingsstof op. Het hoornblad heeft ook

maar zelden wortels, het ligt zoo geheel omringd door het voedende

water, dat het vanzelf er geheel mede doordrongen wordt. Dat „vanzelf”

is natuurlijk bij wijze van spreken—ik bedoel daarmede ongeveer

hetzelfde als wanneer ik zeg dat water, waarin een varkensblaas vol

melk wordt opgehangen vanzelf verandert in water en melk—de melk in de

blaas ook—gij begrijpt alweer: Natuurkunde, Hoofdstuk zooveel, over

Osmose.

Het kroos heeft zijn wortels wel noodig; de onderzijde van ’t plantje

alleen zou niet genoeg kunnen opzuigen. Waterpest zou het wel zonder

wortels kunnen stellen, voor zoover de voeding aangaat, maar hij heeft

ze nog ergens anders voor noodig. De meeste waterplanten hebben

wortels, die of vrij in ’t water hangen, zooals bij ’t kroos, of zich

in den bodem vasthechten zooals bij waterpest, duizendblad,

waterlelies, watergentianen, fonteinkruiden enz.

De wortels komen uitstekend te pas, als de sloot leegloopt of

uitdroogt. Ik heb u al gezegd, dat eendenkroos dan niet het lot van de

vischjes deelt, maar zich erin schikt, om op den modder nog te blijven

leven.

Ja, de vischjes gaan dood, als de sloot uitdroogt, behalve de alen; die

kruipen in den nacht door het gras, nat van den dauw, naar een ander

waterpaleis. Larven verpoppen zich bij zoo’n gelegenheid, als ze ten

minste niet al te jong zijn; dat de kikkers en salamanders en torren

zich weten te redden, behoef ik u niet te zeggen. Heel kleine

waterdiertjes hullen zich bij droogte in een dubbele huid, verslapen

zoo den drogen tijd en worden door een plasregen weer tot nieuw leven

gewekt.

Nu de meeste waterplanten, die in den bodem wortelen, kunnen den

tegenspoed goed verdragen. Utricularia en hoornblad gaan onverbiddelijk

dood, doch duizendblad en waterpest en de fonteinkruiden houden zich

taai. Duurt de tijd van droogte wat lang, dan verwelken ook hun takken,

en sterven af, maar dan zijn de planten zelven toch nog niet dood.

Loopt de sloot weer vol, dan ontspruiten uit den bodem weer nieuwe

takken. Deze planten zijn zoo voorzichtig, zich niet geheel en al bloot

te geven—hun eigenlijk lichaam zit in den vochtigen modder geborgen en

wacht daar gelaten betere tijden af. Graaft ge een slootbodem om, dan

vindt ge die stengels of wortelstokken gemakkelijk. Ze blijven soms

heel lang hun levenskracht behouden; wanneer jaren na de uitdroging

door de een of andere oorzaak de sloot weer vol komt, ontwikkelen zich

onmiddellijk weder bebladerde stengels en bloemen. Houdt de droogte

heel lang aan, dan moeten ze eindelijk sterven, of ertoe overgaan, een

andere leefwijze aan te nemen en landplanten te worden.

Dit laatste is echter slechts weinigen mogelijk; wel zijn er planten

genoeg, wien het tamelijk onverschillig lijkt te zijn, of ze al dan

niet in ’t water staan—riet, blaartrekkende boterbloem, waterkers,

veldkers—maar dat zijn toch eigenlijk allemaal echte landplanten, die

tegen wat vochtigheid kunnen. Of ze in ’t water zijn of niet, brengt in

hun uiterlijk geen verandering te weeg.

Maar ga nu nog eens in Juli of Augustus met mij uit waterplanten

zoeken—misschien vinden wij de zeer verlangde kroosbloempjes dan ook

nog—dan zal ik u nog eens een merkwaardig plantje laten zien. We

behoeven niet veel breede slooten af te zoeken—vooral als het water

niet al te brak en vuil is, of we hebben het gevonden. Plat op het

water drijven een aantal spits-ovale bladeren (8 à 9 cM. bij 3), wel

gelijkend op die van het drijvend fonteinkruid (de theeblaren), maar

smaller en spitser, geel groen van kleur. Te midden van die bladeren

verheffen zich een dM. hoog eenige rijkbloemige, rozeroode aren,

allerliefste bloemetjes—waar ook nog wel iets aan te bekijken valt.

We zullen maar eens probeeren, zoo’n plant machtig te worden. Ze groeit

ver van den kant, dus de haak moet erbij te pas komen en heel

gemakkelijk gaat het ook niet, telkens slipt de kersroode bloemaar

onder de vork vandaan: de plant is stevig in den bodem vastgeworteld.

Nu kunt ge het topje grijpen, houd vast en trek voorzichtig—met kleine

rukjes, anders breekt de stengel af. Knap—stuk is het reeds—afgebroken

bij den wortel. Wat hebben wij nu?

Anderhalven meter slappe stengel, waaruit van afstand tot afstand lange

slappe stelen ontspringen, die aan hun einde de reeds vermelde bladeren

dragen. Dragen eigenlijk niet, de stelen zijn zoo slap, dat ze zichzelf

niet eens kunnen dragen; zij verbinden de bladeren aan den stengel,

zullen we maar zeggen. Het einde van den stengel, de roode bloemaar, is

steviger: die kunt ge rechtop houden—maar overigens is de geheele plant

een slappekoord geschiedenis—slap en glad; alles ligt in een lam hoopje

op het gras.

Waartoe zou een waterplant ook stevig moeten zijn? Ja, een boom moet

stevig wezen, anders waait hij om, en de slanke graanhalmen moeten

kracht genoeg bezitten, om de aren omhoog te houden—maar een

waterplant? Die vindt steun genoeg in het water, zoolang haar

drijfkracht niet verloren gaat; en daarvoor is gezorgd, doordat

stengels en stelen en bladeren voorzien zijn van luchtruimten,

zwemblazen als ’t ware. Zoodoende staat een waterplant rechtop op

dezelfde wijze als een stokje, aan welks eene eind ge met een touwtje

een steen hebt vastgebonden, in het water rechtop blijft staan. Kroos

drijft op het witte holle weefsel, dat aan de overzijde der blaadjes te

zien is; het driekante kroos mist dat en drijft dan ook niet, maar

zweeft gelijk het hoornblad, alles volgens dezelfde wet van Archimedes.

Nu begrijpt ge ook, waarom de bloeiaar van onze veenwortel (Polygonum

Amphibium)—zoo heet de plant, die wij gevangen hebben—zoo stevig moet

zijn, die heeft geen steun van ’t water te wachten. Laat ons de plant

nog eens bezien. Gij merkt op, dat de onderste bladstelen langer zijn

dan de bovenste—juist, zegt ge, dat is, omdat alle bladeren op het

water moeten drijven en dus evenhoog moeten komen.

Goed, maar stel u dit nu eens voor. Als de bladstelen nu alle juist zoo

lang zijn, en hun einde, waar aan de bladschijf bevestigd is, de

oppervlakte van het water bereikt, dan komen de twaalf tot twintig

bladeren van onze plant vlak bij elkaar, bij drieën of vieren op

elkander gedrongen tegen de stengeltop aan te liggen—waarlijk geen

voordeelige schikking, als ge bedenkt, dat ieder blaadje met zijn

oppervlakte voedende lucht moet ophappen. Er moet een fout schuilen in

onze redeneering.

Kijk maar in de sloot; daar verheffen zich nog meer van onze rozeroode

aren en daar liggen de bladeren niet zoo dicht opeen, er zijn zelfs

vrij groote ruimten water tusschen. Hoe is daarvoor nu gezorgd.

Doodeenvoudig. De stelen, waarvan het begin 20 cM. onder water ligt,

zijn niet 20 maar 30 cM. lang. Ze missen de kracht, om hun bladschijf

die 10 cM. boven het water uit te tillen, de bladschijf moet op ’t

water liggen, de steel, die door zijn drijfkracht niet in een bocht

omhoog kan hangen, komt schuin gestrekt in het water en de bladschijf

is 15 of 20 cM. van de bloemaar verwijderd—zoo komen de onderste

bladeren het verste van den stengel af te liggen en elk blad heeft

ruimte en lucht in overvloed.

Stop nu onze vangst in de plantenbus—botaniseertrommel zeggen ze in de

winkels—straks zullen we er nog wel eens naar moeten kijken, hoop ik.

Laat die kroosplantjes nu maar met rust, ge vindt toch de bloempjes

niet en ik heb wat anders in petto.

Vroeger stond deze sloot hooger, voor een paar jaar echter is het

polderpeil verlaagd; een vijvertje aan het eind van de sloot is

drooggeloopen en nu een laag slecht weilandje geworden—nog nat en vol

ontuig.

Ook een menigte roode bloemaren. Vergelijk ze met wat we in de bus

hebben en ge zult zien, dat de bloempjes precies overeenstemmen!

Maar de planten zelve verschillen hemelsbreed—hier bij de landplant

geen spoor van dat gladde, slappe en langgerekte. De stengel is matig

lang, dik en stevig, de bladstelen kort en krachtig, de bladeren zelf

ruig en bruin en kleverig. De heele plant is kleverig. En toch hebben

we hier te doen met dezelfde plant. Wanneer we zaadjes ervan doen

ontkiemen op den bodem van het water, dan ontwikkelt zich de watervorm,

terwijl bij ontkieming op het droge de landvorm te voorschijn komt.

Loopt een sloot, waarin de watervorm groeit, droog, dan zinken stengel

en bladeren onmachtig op den bodem neer en sterven daar af, maar de

wortelstok blijft in den bodem voortleven en ontwikkelt dit jaar

nog—als ’t seizoen te ver gevorderd is, in ’t volgende jaar—een

stevigen ruigen stengel met kortgesteelde kleverig behaarde bladen.

Er is zelfs wel in ons land een plant van deze soort gevonden, die uit

zijn wortelstok twee stengels ontwikkeld had; de eene in het water, de

andere op het land. Bladeren en stengels der beide helften geleken in

het geheel niet op elkander, maar hadden den vorm aangenomen, die hun

in hun omstandigheden het beste te pas kwam.

Wat beteekent die kleverigheid? Dat moet de bloem ons leeren. Zooeven,

toen we de bloempjes vergeleken, hebt ge gelegenheid gehad, om te zien,

dat ze maar klein zijn, doch heel sierlijk gevormd. Wanneer ge een van

de ruim honderd bloempjes van de bloemaar afzonderlijk beziet, dan zult

ge merken, dat een kelk ontbreekt en dat de kroon een fijn rozerood

vijfpuntig klokje is, waarbinnen 5 meeldraden en 2 stijlen. Onderin,

tusschen de meeldraden, ziet ge op de kroon vijf gele vlekjes.

Misschien glimmen ze een beetje. Dat komt, doordat daar honing wordt

afgezonderd, nog al veel ook. Die honing—daar is de bloem heel trotsch

op en tegelijk erg zuinig mee. De heele wereld moet het weten, d.w.z.

de geheele insectenwereld—een andere kennen de bloemen bij ons niet—en

de bekendmaking geschiedt op tweeërlei wijze.

Ten eerste door de kleur: de opeenhooping van honderden bloempjes op

een aar maakt, dat ze reeds van verre in ’t oog vallen, en dan nog door

een fijne doordringende geur, die niet alleen de reukzenuwen van ons,

menschen, maar ook die van de zespootige honingsnoepers aangenaam

streelt. Gij weet, dat deze laatsten de reukzenuwen in hun voelsprieten

hebben—twee beweeglijke neuzen!

Gij kunt ervan opaan, dat een vlieg of een bij, of kleine hommel, dien

geur gewaar wordt, dan kijkt hij rond en stuurt dan onmiddellijk op de

mooie, roode stang toe. Daar zien we meteen de 5 gele vlekken in een

kroontje, ze weten al lang, wat dat beduidt, haastig grijpen ze de

bloem, steken kop en tong naar binnen en doen zich te goed. Schrokken

als ze zijn, hebben ze in een paar seconden de bloem van zijn lekkers

beroofd; zoo werken ze de heele stang af en zweven dan verder.

Nu bezitten onze veenwortels of waterveelknoopen echter een bijzondere

inrichting. Zoek nog eens wat verschillende bloeitakjes bij elkander en

stel dan een onderzoek in naar de lengte van meeldraden en stijlen, dan

merkt ge al dadelijk, dat in geen enkel bloempje de stijlen en de

meeldraden even lang zijn. Maar ook—dat in sommige bloeiaren de

stempels zoo lang zijn, dat ze buiten het kroontje uitsteken, terwijl

de korte meeldraden den rand niet bereiken. In andere bloeiaren is het

weer net andersom: daar zitten de stijlen in het kroontje geborgen en

de meeldraden steken ver naar buiten. Waar is dit nu weer goed voor?

Natuurlijk voor de kruisbestuiving. Ga maar eens na. Wanneer een

insekt, een kleine hommel b.v. op een bloempje met lange meeldraden,

zijn mondjevol honing komt zoeken, dan moet hij met zijn ruige

onderzijde de vijf helmknoppen aanraken. Het kleverige stuifmeel blijft

in zijn haren vastzitten. Met zijn kop raakt hij wel aan de stempels

der stijlen. Nu gaat hij verder. Komt hij nu opnieuw aan een

„kortstijlige” bloem, dan krijgt hij nog meer stuifmeel aan zijn buik.

Bezoekt hij evenwel een „langstijlige” bloem, dan raken de stempels

ervan juist de plek aan de onderzijde van zijn lichaam, waar al het

stuifmeel uit de kortstijlige bloemen zit. Die stempels zijn

kleverig—het stuifmeel blijft bij het vertrek van den hommel

gedeeltelijk eraan kleven en de eitjes in ’t vruchtbeginsel kunnen zich

tot ontkiembare zaden ontwikkelen.

Onze hommel, die wegvliegt, heeft echter van deze bloem ook weer een

souvenir meegekregen van de korte meeldraden, die in ’t kroontje

verborgen zaten en waarvan het stuifmeel nu aan de haren van zijn kop

en snuit zit vastgekleefd. Dat hiermede nu weer kortstijlige bloemen

bevrucht worden, kunt gij wel, om zoo te zeggen, op uw vingers

natellen.

De waterveelknoop zorgt dus voor kruisbestuiving door er twee vormen

van bloemen op na te houden—de plantkundigen zeggen daarom met een

geleerd Grieksch woord, dat hij dimorph is (di, 2, morph = vorm). Ook

schelden ze hem wel uit voor heterostyl (d.w.z. ongelijk van stijlen).

Voor de overbrenging van het stuifmeel zorgen de vliegende insecten,

die voor dien dienst met honing beloond worden—de ongevleugelde mogen

van de zoetigheid afblijven.

Zoolang nu onze plant in ’t water groeit, kunnen alleen gevleugelde

gasten haar een bezoek brengen, maar op het land—daar is het anders.

Daar zouden de langpootige, gladlijvige mieren, die zoo op zoetigheid

belust zijn, in minder dan geen tijd de gansche honingvoorraad

verbruikt hebben, zonder in het minst iets in ’t voordeel van de plant

zelve te verrichten. Zoo’n mier eet de boel op, kuiert naar beneden,

misschien zonder een enkel korreltje stuifmeel aan zijn gladde lijf, of

heeft hij er bij ongeluk een opgedaan, dan raakt hij dat onderweg toch

kwijt, doordat hij tegen een grasstengel aanbonst, van een aardkluit

naar beneden rolt, of doordat eenig ander mierenongeval hem treft.

Daarom wacht onze plant geen bezoek van mieren af, maar weigert hun

beleefd—of onbeleefd—de toegang.

Wanneer een mier het in zijn dikke kop krijgt, om polygonum-honing te

gaan proeven en hij klimt tegen een stengel op, dan komt hij niet

ver—telkens en telkens weer blijven zijn pooten aan de kleverige haren,

waarmede de geheele plant bedekt is, vastzitten en als hij niet gauw

rechtsomkeert maakt—dan kan hij voorgoed blijven steken en van honger

omkomen.

Zoudt ge niet haast moeten toegeven, dat zoo’n polygonum de zaakjes

netjes weet te overleggen?

Roode bloemen in ’t water zijn er niet veel, de meeste zijn geel of

wit—ik ken er eigenlijk nog maar één, de waterviolier (Hottonia

palustris), maar die is dan ook veel mooier dan onze veenwortel—ook van

Mei af te vinden bij duizenden, overal, maar niet in te brak water.

Rondom Amsterdam is een tooverkring, waarbinnen Hottonia niet komen

kan; de linie Geinbrug, Abcoude, Uithoorn Aalsmeer, Haarlemmermeer

(ongeveer hetzelfde wat in onze krijgskunde tegenwoordig de „stelling

Amsterdam” heet.).

Maar eerst zal ik u vertellen, hoe de bloem er uitziet. Boven het

watervlak verheft zich een slanke, rechte stengel van 2–6 dM. hoogte,

die aan zijn topgedeelte vijf tot tien kransen draagt, die elk bestaan

uit 3 tot 6 groote bleekroode bloemen, duidelijk herinnerend aan

primula’s—vijfkant met een geel vijfkant hartje. Ik moet altijd denken

aan lichtkronen of kandelaars, als ik die bloemen zie, of wanneer ik ze

mij voorstel. Ze staan zoo rechtop en de bloemen zijn zijdelings

gericht, zoodat hun grootste kleur-oppervlak in het oog valt.

Nooit zal ik vergeten, hoe wij op een natten Meidag in ’94 de sloten en

plassen tusschen Ankeveen en Uitermeer vol met Hottonia vonden. Een

sloot was er, recht, wel 2 K. M. lang, daar stonden ze in een

onafzienbare rij; vlak vóór ons blonken de luchtkransen afzonderlijk,

maar verderop smolt alles ineen tot een rozerood, blozend bloemenkleed.

Rechts en links evenzoo.

Wilt ge in Mei een mooi aquarium met bloemen hebben, verzamel dan in de

eerste dagen van de maand waterviolieren, die nog in knop staan. Trek

ze voorzichtig uit de sloot, de plant is erg bros, wortels behoeft ge

niet te hebben, als ge maar zorgt, de fijnverdeelde vindeelige

bladeren, die onder water uitgespreid liggen, en uit wier midden de

bloeistengel opstijgt, ongeschonden mede te nemen.

Tegelijk kunt ge op moerassige plekken uitzien naar een nog mooiere

bloem, de mooiste bloem uit onze plassen en moerassen, het

waterdrieblad. Die is wat te groot voor een aquarium, maar heel goed te

kweeken in een kuipje met klei, die ge zoo nat mogelijk houdt. Behalve

door de prachtige knoppen trekt de plant de aandacht door de mooie

witte kroesharen aan de binnenzij van de kroon. Niemand weet waar ze

voor dienen.

Waterviolen en waterdrieblad zijn allebei dimorph, evenals onze

veenwortel. Ge moet dus zorgen beide vormen te vinden, die met lange

stijlen en die met korte stijlen. ’t Valt niet moeilijk want ze groeien

meestal door elkaar.

De meeste slootbloemen zijn wit. Ge denkt hierbij onmiddellijk aan de

witte plompen, waarvan ge al zooveel gehoord hebt en die de dichters

als „waterleliën” zoo vaak op ’t water laten droomen.

De waterlelies zijn de grootste bloemen van Nederland, de witte

tenminste, die worden wel 12 cM. in doorsnede. Dit is een heel nuchter

begin, om over deze heerlijke bloemen te gaan spreken, doch het zijn nu

maar eenmaal geen madeliefjes, en hun grootte is wel de oorzaak ervan,

dat ze zoo algemeen bewonderd worden. Er zijn genoeg bloemen, fijner

van samenstel, teederder van kleur, bewonderenswaardiger van

inrichting, die door de meeste menschen niet gekend worden—wie dweepte

vroeger met de waterdrieblad of met de moerasandoorn?

Maar de plompen zijn zoo schitterend, zoo groot, zoo overvloedig en ze

bloeien weken achtereen in den heerlijksten tijd van het jaar, gelijk

met het lied van den nachtegaal of—wat beter bij hen past—met dat van

den moeras-rietzanger. Al bezit ge maar weinig belezenheid, dan weet

ge, hoe van de oevers van den Nijl tot in het verre Japan de lotos

vereerd wordt—de lotos, die niets anders is dan een lila plomp, wiens

bloemen zich iets hooger boven het water verheffen en sterker geuren

dan de onze—ze zijn het zinnebeeld van rust en reinheid.

Een ander familielid is de Victoria regia, de koningin van de

Amazonestroom, waarvan de bladeren het gewicht van een mensch kunnen

dragen.

Bij ons loopen alleen de vlugge waterhoentjes over de ronde bladeren,

of een groene kikker komt er zich zonnen, en aast op dikke vliegen en

slanke waterjuffers. Aan de onderzijde der bladeren zitten stellig

Hydra’s en de dikke holle bladstelen, rechtopstaand door hun

drijfkracht, zijn vol met eieren van slakken en visschen.

Die drijfkracht hebben ze te danken aan de tallooze luchtkamertjes, die

ze bevatten. Het binnenste van een waterplantensteel is altijd zoo

sponsachtig. Dat is wel aardig. Een landplant doet alle mogelijke

moeite om tot bovenaan toe vol met water te zitten; ’t is haast niet te

begrijpen, hoe een boom van dertig of veertig meter hoog dat aanleggen

moet, maar hij slaagt er toch in. Waterplanten daarentegen zijn er

altijd op uit, om in al hun deelen luchtvoorraad te bezitten, water

hebben ze genoeg, maar lucht is even onmisbaar. Dat moet ge vooral

nooit vergeten.

Een plant heeft even goed versche lucht noodig als een dier en om

dezelfde reden. Bij de „groote proef” hebben we gezien, dat de planten

koolzuur verbruiken en dan zuurstof afgeven. Ge zoudt nu misschien

denken, dat een plant, in enkel koolzuur geplaatst, bijster in zijn

schik zou zijn. Mis hoor! Hij zou erin stikken en sterven, net zoo goed

als een muis of een kikker.

Planten hebben het noodig, dat al hun deelen voorzien kunnen worden van

versche zuurstof. De dikke wortelstokken van de waterlelie, die daar

heel onder in de sloot in de modder verborgen liggen, moeten ademen,

moeten versche lucht hebben. En die wordt hun toegevoerd door de

luchtkanalen in de dikke bladstelen, die zoodoende van de allergrootste

beteekenis voor het leven van de plant zijn.

Aan die dikke stelen liggen de bladeren voor anker, onbeweeglijk stil

op het spiegelgladde water, als er geen wind is, zacht meedrijvend met

de richting van den stroom, zoover de stelen het veroorloven. Jaagt de

voorjaarswind langs de watervlakte, dan krijgt de luchtstroom wel de

bladeren te pakken, de ronde randen ervan krullen voor een oogenblik

omhoog, zoodat ge de paarsbruin gekleurde ondervlakte te zien krijgt.

Die paarsbruine kleur is eene herinnering aan het voorjaar; op uw

wandeling in April en Mei hebt ge die wel meer opgemerkt—vooral bij

waterplanten. Midden in den zomer zult gij hem aan bladeren en knoppen

zelden opmerken, maar in den herfst vertoont hij zich weer overal: in

de vallende bladeren van de eiken, zoowel als in de jonge blaadjes van

uw vlierstruik, die onvermoeid in October nog weer eens uitbot.

Men meent vrij zeker te weten, dat deze kleurstof, die met een vreemd

woord anthokyaan (bloemenpaars) genoemd wordt, het vermogen bezit, om

licht te veranderen in warmte. In die kleur vinden de planten dus

gelegenheid, om in den kouden tijd nog warmte genoeg te verzamelen, om

te kunnen leven, het zij dat leven begint, zooals in ’t voorjaar, of in

de droeve herfstmaanden nog wat gerekt moet worden.

Zonder warmte is er voor de planten geen leven! De warmte is het ook,

die in het voorjaar het sein tot ontwaken geeft. Een kleine

temperatuursverhooging is voor de wortelstokken in den slootbodem het

teeken, dat het ijs en de sneeuw geweken zijn en dat de watermassa van

de sloot doorwarmd is. Nu boren de spitse knoppen van de waterlelie

door het slijk omhoog, ze lijken wel puntige sigaren; ze bestaan

eigenlijk uit een enkel opgerold blad, dat zich in het water dadelijk

ontplooit. Blijft het onder water, want verscheidene bladeren van

waterlelies bereiken de oppervlakte nooit, dan is het dadelijk groen,

maar de opstijgende worden geheel paarsrood, naarmate zij de

oppervlakte naderen.

Na eenige dagen wordt hun bovenkant groen, maar de onderzijde blijft

rood, den heelen zomer door. Dat rood vangt de warmte op en houdt die

in het blad. Hoe heerlijk koel moet het in den heeten zomer onder die

bladeren zijn—dat weten de vorentjes ook!

Eenigen tijd na de bladeren komen de bloemen te voorschijn—in de

laatste helft van Mei. Gevulde bloemen zijn het—die komen in ’t wild

anders niet zoo heel veel voor. Weet ge, hoe de tuinier gevulde rozen

kweekt? Een roos in wilden staat is altijd enkel; hij bezit maar een

krans van vijf kroonbladen, daarbinnen eene menigte meeldraden. Door

kweeking nu brengt de tuinier het zoover, dat de meeldraden zich

weelderiger ontwikkelen, zich vergrooten en verbreeden, kortom, zich

veranderen in kroonbladen.

Hoe dit nu mogelijk is, kunt gij gemakkelijk zien bij het ontbladeren

van een witte waterlelie. Eerst komen vier kelkbladen, van buiten groen

van binnen wit; daar lijken ze dus al op kroonbladen. Dan volgen eenige

kransen smetteloos witte kroonbladen.

Hoe verder ge echter met het ontbladeren vordert, des te smaller worden

ze en weldra krijgt ge er te zien, die aan hun top een weinig

verfrommeld zijn en een geel tipje dragen. Verder naar binnen

ontwikkelt dat gele tipje zich langzamerhand tot een helmknop, terwijl

het versmalde kroonblad zelf ineenslinkt tot een platte helmdraad.

Binnen die meeldraden zit de stamper, een groote, met vele platte

stempels, en daar valt meestal het stuifmeel uit meeldraden van

dezelfde bloem op. Want de witte waterlelie heeft geen bijzondere

inrichting voor kruisbestuiving. Alleen zijn de meeldraden iets later

rijp dan de stampers, zoodat de laatste in die korte poos met stuifmeel

van andere bloemen, door insecten aangebracht, bedekt kunnen worden.

Maar wij vragen bij de waterlelies niet naar bijzondere inrichtingen,

het is ons voldoende, hun stille pracht gade te slaan, onder den

wolkeloozen Junihemel in de warme zomerzon! Een eenig genot is het, dan

op een van onze groote veenplassen in een bootje rond te drijven,

omgeven door duizenden en duizenden dezer witte waterrozen. Ze steken

even boven het water uit, een of twee centimeter; maar de nog niet

geheel ontwikkelde knoppen liggen gedeeltelijk nog in het water, een

weinig schuin. Omlaag tusschen de bruine stelen schieten heele scholen

vorentjes voorbij, duistere, spookachtige gestalten. Voor horizon

hebben we een dichten rietzoom, waar boven de warme lucht trilt en van

waaruit van alle zijden het gezang der karakieten ons tegenklinkt.

Binnen den rietzoom niets dan bloemen en plekjes water, blauw, doordat

de blauwe lucht erin spiegelt. Tusschen die tallooze witte waterlelies

ontwaart ge ook gele, die vallen niet zoo in het oog, al is hun aantal

misschien grooter.

Zij hebben dezelfde bladeren, maar de bloemen zijn veel kleiner en

minder schoon. Ze zijn wat zuiniger, wat de kroonbladen betreft. Eenige

kleine blaadjes of eigenlijk buisjes, honingbuisjes, is alles, wat er

van de kroon over is en de kelk moet nu de eer van de bloem redden; die

is wat grooter en aan de binnenzijde heldergeel, zoodat een beginner in

de bloemenwetenschap hem voor de kroon zelve gaat houden, en denkt, dat

een kelk ontbreekt. Waarom die vijf heldergele blaadjes nu toch kelk

moeten heeten? Laat ons bootje maar in een veld gele plompen drijven,

dan zult ge het zien.

Ge weet, dat de plantkundigen onder kelk verstaan: een of meer meestal

groene blaadjes, die het buitenste bloembekleedsel vormen en

voornamelijk tot taak hebben, de bloem te beschermen, zoolang ze nog

niet geopend is.

Zie nu eens om u. Daar drijven tien, twintig knoppen van onze gele

waterlelie, ze zijn allemaal groen, het knopomhulsel wordt gevormd door

vijf groene blaadjes, die met de randen over elkander sluiten. Opent ge

een jongen knop, dan zijn die blaadjes aan de binnenzijde nog groen,

bij grootere echter geel, zoodat, als de knop zich opent, vijf gele

blaadjes te zien komen, die echter aan den kant, naar het water

gekeerd, nog groen zijn—herinnering aan hun kelktijd.

Fijner, vlugger, fraaier dan de gele waterlelies zijn andere gele

bloemen, maar van lichter geel, het geel van zwavel. Ze zijn vrij groot

in omtrek, niet veel minder dan de gele waterlelies, en verheffen zich

op een dun steeltje boven het water, zoodat de geheele bloem met haar

dunne, vloeipapieren kroonbladeren met iedere windvlaag meewappert, met

ieder zuchtje meetrilt. De bladeren van de plant—ook weer rond—drijven

op het water—ze zijn iets grooter dan een rijksdaalder—bruingroen,

dikwijls met een krans van bruine, ook wel van heldergroene vlekken.

Die bladeren en de bloemen komen uit een bleekgroenen stengel, die

schuin opstijgend uit den bodem te voorschijn komt, waar in den modder

de lange wortelstok ligt vastgeworteld. Het is de watergentiaan

(Limnanthemum nymphaeoïdes). We hebben menige dure buitenlandsche plant

in onze vensterramen, die lang zoo mooi niet is.

Het zou eigenlijk veel prettiger zijn, indien we in onze huizen wat

meer Nederlandsche bloemen teelden. Ik zou u er dadelijk vijftig kunnen

noemen, die op zijn minst even mooi zijn, als al uw Cineraria’s en

Petunia’s. Gij kunt ze zelf buiten gaan halen en groeien ze dan

voorspoedig in uw vensterraam, dan hebt ge op ieder oogenblik van uw

drukke stadsleven een aanleiding om te denken aan de bonte wei, de

blonde duinen, de geurige hei of de frissche waterplassen, en aan den

heerlijken lentedag of zomermorgen, toen gij uw pleegkinderen hebt

ingezameld.

Ik zeg dat hier, omdat ik drie jaren achtereen watergentianen geteeld

heb op een derde verdieping, niet in een vijver, maar in potten, gewone

roode, aarden bloempotten. De eenige kunst is maar, de planten te

krijgen—anders gaat alles bijna van zelf.

Eerst moet je een plaats weten, waar altijd veel watergentianen

groeien. Ga daar in April heen—dan zijn de blaadjes van de plant nog

niet eens zichtbaar, want de watergentiaan bloeit pas met het begin van

Juli. Nu komt het er op aan een stuk wortelstok uit de bodem machtig te

worden en dat doet ieder weer naar zijn bijzonderen aanleg en natuur.

Ik ga altijd maar te water, en grabbel dan net zoo lang tot ik iets,

dat in het gevoel op een wortelstok lijkt te pakken heb. Dat wordt dan

met kracht en geweld losgerukt en ik ben dan tevreden als ik een

zwartig, glimmend stokje van een dM. lengte bezit, waaraan zich op

onregelmatige afstanden eenige dikke knoppen bevinden. Je kunt ook wel

kunstige dreggen en graafmachines uitvinden, om wortelstokken te

krijgen, zonder te water te gaan; ook herinner ik me, dat we eens een

stuk sloot ervoor hebben leeggehoosd—maar dat is allemaal erg

omslachtig.

We hebben nu een stuk wortelstok. De beide uiteinden zien er wat

gescheurd en gehavend uit; snij die met een scherp mes glad

af—natuurlijk zoo zuinig mogelijk, opdat wij een groot brok overhouden.

Ook bevinden zich aan onzen wortelstok al worteltjes; merkt ge er daar

een bij, die gescheurd is, dan moet hij netjes afgesneden worden, ook

weer zoo dicht mogelijk bij de verminkte plek. Dit glad afsnijden doen

we, om de wonden gemakkelijker te doen helen; gij weet bij ondervinding

dat een wond, met een scherp mes toegebracht, betrekkelijk vlug

geneest.

Nu onze buit ingepakt in vochtig mos en dan naar huis! Het planten is

heel eenvoudig. We vullen een gewone bloempot met klei, niet met

bloemaarde of tuinaarde, maar met klei tot een paar cM. beneden den

rand. Daarin planten we den wortelstok op een diepte van 5 cM. en

zetten dan het heele boeltje vierentwintig uren in een emmer vol water.

Dan heeft de klei zooveel water opgenomen, als zij maar kan—en klei kàn

veel water opnemen.

Nu zetten we de pot in een schoteltje voor ’t raam—liefst buiten: en

als we nu alleen maar zorgen, dat we voortdurend een halve cM. water

boven de klei houden—iets, waarvoor gemakkelijk te zorgen valt, vooral

als de klei wat ineengestampt is—dan hebben we binnen een week of vijf

een prachtige sierplant, en een overblijver op den koop toe. Want

iederen zomer komt de plant weer rijkelijker op, totdat uw pot bedekt

is met de ronde rijksdaalder-bladen, die elkander omhoog dringen en

waaruit tien, twintig prachtige gele sterrebloemen zich verheffen.

De menschen, die je bezoeken, hebben natuurlijk nooit zoo iets gezien

en als het ergens goed voor was, zou je ze kunnen wijsmaken, dat je

daar Oost Indische kers van de Sierra Leona hadt, of iets dergelijks.

In een gewoon aquarium wil de Watergentiaan ook wel bloeien, als hij

goed licht krijgt en niet alleen maar in zuiver zand wortelt.

Nu zijn er honderd redenen, om den bodem van ’t aquarium met zuiver

zand bedekt te hebben—liefst zelfs gezuiverd zand—gewasschen in helder

water, tot het geen troebeling meer opleverde en nagespoeld met kokend

water. Ook de kiezelsteenen en schelpen, die tot opvroolijking van den

bodem en tot schuilplaats voor de dieren dienen, moeten eerst

behoorlijk gewasschen en gereinigd worden.

Willen we nu toch planten in ons aquarium kweeken, die kleigrond of

veengrond noodig hebben, dan moeten we die in afzonderlijke potjes

planten, welke in den zandbodem worden vastgezet. Leege vleeschextract

potjes zijn hiervoor uitstekend geschikt. Om nu te voorkomen, dat de

aarde uit deze potjes het water van het aquarium verontreinigt, is het

wenschelijk, ze niet geheel met klei of veen te vullen, maar er een

bovenste laag van 1 cM. dik, bestaande uit gewasschen grof zand of

fijne kiezel in aan te brengen.

De zandbodem in het aquarium zelve behoeft niet dikker te zijn dan 3

cM.; de potjes, waarin we onze bloeiers telen zijn al gauw 6 cM. hoog

of hooger. Ze moeten daarom liefst in de hoeken geplaatst worden en

omgeven met stukken kiezel of schelpen; dat staat keurig.

Witte en gele plompen kunnen op dezelfde wijze gekweekt worden, maar

hebben veel meer ruimte noodig.

Probeer het maar eens—een vensterbank met zes potten vol rijkbloeiende

witte waterrozen is de moeite en inspanning, die er voor vereischt

worden, wel waard. Het spreekt van zelf, dat Waterpest en de andere

waterplanten, die gewoonlijk in den slijkbodem wortelen, maar welke gij

gerust in het zuiver zand van uw aquariumbodem kunt plaatsen, ook wel

een hapje klei willen. Onthaal de waterpest er eens op in goed licht,

dan blijft er in uw heele aquarium geen plaatsje voor een andere plant

over!

Naast en tusschen de plompen, maar ook in smalle slootjes, waar de

groote planten geen ruimte genoeg vinden, drijft en groeit het

kikkerbeet.—Dat is weer een mooi plantje voor het aquarium—want het

drijft vrij in het water, 2, 3, 4 rozetten van verkleinde plompblaadjes

aan een langen dunnen liggenden stengel. Uit ’t midden der rozetten

verheffen zich de witte bloemen, bestaande uit 3 groote, witte blaadjes

met drie kleine groene er buiten. Ze staan op stengeltjes, die ongeveer

1 cM. boven het water uitsteken. In sommige rozetten hebben de bloemen

alleen meeldraden met gele helmknoppen, in andere alleen 6 stijlen met

gele stempels. Vliegen zorgen voor de overbrenging van het stuifmeel.

De bloemen staan in groepjes van drie of meer bij elkander en zijn vóór

hun ontluiken geborgen tusschen twee holgebogen blaadjes.

De wetenschappelijke naam van kikkerbeet is Hydrocharis morsus ranae,

hetgeen overgezet zijnde luidt: iemand, wien het water dierbaar is en

die tegelijk een lekker hapje oplevert voor de kikkers.

De vleeschetende kikkers worden er wel meer en ten onrechte op

aangezien, dat ze nog in meer planten of bloemen happen; aan die

omstandigheid heeft de geheele familie der Ranonkels haar naam te

danken, want Ranunculus beteekent alweer kikkertje, en Batrachium, de

Grieksche wetenschappelijke naam der waterranonkels, beteekent

hetzelfde.

Tegen de Batrachiums heb ik verschillende grieven, gelukkig niet van

zoo ernstigen aard, of ik kan nog met genoegen denken aan de witte

bloemen-kussen, waarmede ze in Mei en Juni en Juli onze slooten

bedekken. Maar vooreerst weten ze nog maar weinig van kruis-bestuiving;

bijna altijd komt stuifmeel van dezelfde bloem op de stempels, ja, bij

hoogen waterstand getroosten vele Batrachiums zich niet eens de moeite,

hun bloemen boven water te verheffen om ze daar te ontplooien. Ze

houden de koppen stilletjes onder water, daar gaan dan de helmknoppen

open en het stuifmeel valt zoo maar op de stempels. Dat getuigt van

weinig liefhebberij.

Dan nog hebben de geleerden verscheidene soorten van Batrachium

onderscheiden, die op papier ook nog al tamelijk uit elkander te houden

zijn, maar er zijn in de natuur zooveel tusschenvormen, die met twee of

drie beschrijvingen tegelijk overeenkomen, dat ge met uw „Flora’s” er

bij, hoe langer hoe meer in onzekerheid en twijfel verzinkt. Eindelijk

besluit ge er toe, uw exemplaar dan toch maar voor uw herbarium te

drogen en er Batr. Peteveri met een vraagteeken of een dergelijke

wanhoopskreet op te plakken, maar als ge na eenige dagen uw pers opent,

is de geheele kwelgeest een zwart monster geworden.

Eigenlijk ligt dat alles aan de inrichting der bladeren. De Batrachiums

toch, hebben vaak drijvende en tevens ondergedoken bladeren, de

drijvende vertoonen vormen, wisselend van den klimopvorm tot die van de

bladeren van de gewone boterbloem; de ondergedoken zijn à la Hoornblad

of à la Blaasjeskruid fijn haarachtig verdeeld. Maar de bloempjes zijn

mooi wit en ze hebben gele hartjes en—zooals ik reeds gezegd heb—ze

vormen in de zomermaanden op slooten en plassen een dicht, schitterend

wit, sneeuwen dekkleed.

Ook willen ze in het aquarium altijd heel goed voort; ’t zijn eigenlijk

de eenige waterplanten, die in een gewoon aquarium echt welig willen

bloeien, die ik ken. Vooral de soort met fijnverdeelde, stijve blaadjes

(B. divaricatum) kan ik aanbevelen, die is in alle veenslooten te

vinden, maar neem de voorzorg, uw planten terdege af te wasschen in

schoon water, voor gij ze in uw aquarium introduceert, want zoo’n

veensloot zit vol ongerechtigheid!

Nu hebben we nog een waterplant, ook met witte bloemen; daar zullen we

nog even naar omzien, dan hebben we voor dezen zomer genoeg gedaan.

Kroosbloempjes schijnen we maar niet te kunnen vinden, daar zullen we

het volgend jaar nog eens naar uitzien, als we de bloemen van den

waterkant onderhanden zullen nemen. Gij kunt ook niet alles ineens

vinden. Doch ter zake.

Die plant dan, welke ons nog rest, is alweer geen zeldzaamheid, maar

toch een allermerkwaardigst gewas. Millioenen en millioenen groeien er

in ons veenachtig vaderland en ze hebben niet weinig tot de vorming

ervan bijgedragen. Van verscheidene onzer vaarten bedekken ze den bodem

geheel—neen, niet de afgestorvene, maar de levende planten—want ze

leven bijna altijd geheel onder water. Bijna altijd—slechts tweemaal in

het jaar komen ze boven, ééns, om te bloeien en eenmaal om hun zaden

uit te strooien. Het overige van hun leven brengen ze op den bodem

door, wortelend in den slijkbodem en zich vertakkend naar alle kanten.

Gij hebt ze dikwijls genoeg gezien, dichte rosetten van lange, spitse

bladeren, die aan hun randen voorzien zijn van stekelige punten,

daarnaar heeten ze water-aloë. (Stratiotes aloïdes: de weerbare

krijgsman, die wel wat heeft van een aloë).

Het volk noemt ze scheeren- of krabbeschaar. En dat bewijst weer, dat

„het volk”, als het er maar eenmaal aardigheid aan heeft, danig goed

weet op te merken, en voor een treffende waarneming altijd direct een

passenden naam bij de hand heeft. Een goede volksnaam is een schat voor

de wetenschap. De krabbeschaar in kwestie, waar onze plant zijn naam

aan ontleent, is te vinden aan den bloemsteel een paar cM. onder de

bloem zelf. Daar zitten een paar blaadjes, die zoo gevormd en vergroeid

zijn, dat ze zeer veel gelijken op de scharen van een krab of kreeft.

Van Mei tot Augustus vindt ge de bloemen. Die hebben het voor bloemen

nog niet heel erg ver gebracht; ze mochten wel wat meer moeite doen, om

tusschen de bladeren te voorschijn te komen, want dat hebben ze hard

noodig. Ze lijken veel op die van kikkerbeet (Hydrocharis morsus

ranae—dit latijn zet ik erbij om verwarring met Batrachium te

voorkomen). Maar ze zijn grooter en voller. Vielen ze maar wat meer in

’t oog, want zonder de hulp van insecten kunnen ze ook weer onmogelijk

zaden voortbrengen. Dat komt, doordat—evenals bij hydrocharis—op de

eene plant weer niet anders dan bloemen met meeldraden voorkomen,

terwijl die op een andere plant niet anders bevatten dan stampers.

Het stuifmeel is kleverig en niet overvloedig, de stempels zijn klein,

de bloemen steken in ’t geheel niet in de hoogte, zoodat de wind niet

voor de overbrenging van het stuifmeel kan zorgen, insecten moeten dat

doen. Nu doet de bloem wel eenige moeite, om insecten te lokken—ze

biedt ze honing aan—en nog al veel ook, want in iedere bloem zitten 24

honingmachines.

Gij kunt ze gemakkelijk vinden: gij hebt ze misschien al voor

meeldraden aangezien, een verklaarbare vergissing, waarvoor ge u niet

behoeft te schamen: de groote Linnaeus heeft ze ook begaan. Als gij de

3 groene kelkblaadjes en de 3 witte kroonblaadjes wegsnijdt, dan vindt

ge in een kring rondom de meeldraden of de stampers 24 gele tongetjes 2

cM. lang en 3 mM. breed. Ieder tongetje heeft aan zijn voet een wit

rond plekje en daar glinstert een droppel honing. Of zijn we aan den

avond van een heeten zomerdag en ziet ge de droppeltjes niet, zet dan

een paar van die ontbladerde bloemen in een glas water en de volgende

morgen vindt ge uw gouden kroontje voorzien van een kring van

diamantjes!

Jammer maar, dat de insecten de bloem toch in den steek laten, zoodat

ze bijna nooit rijpe zaden oplevert. Over het algemeen brengen de

waterplanten het maar zelden zoover. Elodea kan geen zaden vormen,

doordat er in ons werelddeel geen stuifmeelbloemen van voorkomen; de

zaden van Hoornblad en Duizendblad van Kikkerbeet en Scheeren worden

maar zelden rijp, van het kroos hebben wij nog altijd geen bloempjes

gevonden, zaden nog minder, met de Fonteinkruiden is het ook al zoo

schitterend niet gesteld. De plompen evenwel brengen flinke zaden voort

en de watergentiaan en waterboterbloem ook wel.

Het heeft er anders niet veel van, dat die planten, welke geen of maar

weinig zaad voortbrengen, zouden uitsterven—integendeel. Ze

vermenigvuldigen zich zoodanig, dat ze geheele watervlakten bedekken.

Sloten groeien dicht, de vaart in sommige binnenwateren wordt

bemoeilijkt en soms ernstig belemmerd, alles door de wonderlijke

groeikracht dezer waterbewoners. Heeft een verlept stukje stengel

waterpest in een kleine dertig jaar ons heele land en een goed stuk van

Duitschland veroverd, een enkele plant van Kikkerbeet of wateraloë is

voldoende, om in een jaar een vijver van 100 M2. oppervlakte te

bedekken.

Als ge een enkel plantje Kikkerbeet goed beziet, dan bemerkt ge, dat de

5 of 6 drijvende stelen der blaadjes niet op eenzelfde punt bij

elkander komen, maar dat ze op verschillende hoogte uit een zeer kort

stammetje ontspringen—ieder blad afzonderlijk. Nu—waar zulk een blad

uit het stammetje ontspringt, juist in den scherpen hoek tusschen de

opstijgende bladsteel en het stammetje zelf, is een veilig plekje, waar

de planten op hun gemak allerlei plannetjes ten uitvoer kunnen brengen.

Zie maar eens in den zomer naar de boomen; in ’t hoekje van elken

bladsteel vindt ge daar een klein groen puntje; in dat kleine groene

puntje wordt de groei voor den volgenden zomer voorbereid. Wanneer in

den herfst de bladeren afvallen, dan zijn op dat plekje, al geheel

gereed, takken, bladeren en bloemen voor het volgende jaar.

Maar om op onze Kikkerbeet terug te komen, „Kikkergeld” zeggen ze in

Harlingen. In het voorjaar vormt dat reeds knoppen in de bladoksels

(zoo heeten de veilige plekjes tusschen de bladstelen en de stengel).

Die knoppen groeien op lange stelen uit, doch deze stelen groeien niet

opwaarts, zooals die der bladeren, maar evenwijdig aan de oppervlakte

van ’t water—horizontaal dus. Ze groeien vrij snel (soms wel 1 cM. per

dag) totdat ze ongeveer 1 dM. lang zijn, wanneer de knop zich niet meer

in de schaduw der bovendrijvende bladeren bevindt. Dan houdt de groei

van de steel op, maar de knop, die aan het einde er van zit, begint

zich nu te ontwikkelen en zendt twee, drie, vier, vijf blaadjes omhoog,

die, aan de oppervlakte drijvende, een nieuw kikkerbeetplantje lijken.

Dat is het dan ook inderdaad, het krijgt worteltjes en brengt zelfs

binnen korten tijd behalve bloemen—die ook al uit de bladoksels te

voorschijn komen—op zijn beurt weer van die „uitloopers” voort.

Ieder plantje kan verscheidene uitloopers uitzenden, zoodat het u wel

gebeuren kan, dat als ge een bloempje uit het water wilt trekken—een

netwerk van twintig, dertig plantjes, door draadvormige strengels

saamverbonden, er uit haalt.

Scheeren (Stratiotes) groeien precies op dezelfde manier—zij kunnen dus

evengoed als kikkerbeet—zonder zaadvorming blijven voortbestaan. Dat

kroos, op dergelijke wijze bijna, door uitbotting zich vermenigvuldigt,

hebben we reeds gezien—gij begrijpt nu ook, dat onze kans op

kroosbloempjes bedroefd klein is—de kroosplantjes kunnen ze missen.

Maar ’s winters? Hoe komen al die losdrijvende planten, kroos,

blaasjeskruid, waterviolier, kikkerbeet, scheeren—den winter door?

Dat plompen- en fonteinkruid en waterranonkel en watergentiaan het ’s

winters wel kunnen uithouden, is licht te begrijpen. We zeiden het

vroeger reeds—hun eigenlijk lichaam zit beneden, onder den bodem in de

modder, waar het bijna nooit vriest! Voordat de modder bevriest, zou

eerst de geheele sloot in een ijsklomp moeten veranderen en anderhalven

Meter diep vriest het niet licht—’s winters zijn door hoogen waterstand

de slooten meestal nog dieper. De winterkwartieren van kikvorsch en

salamander, van de larven van Hydrophilus en Dytiscus en van nog zoo

vele andere waterbewoners, zijn dus ook een veilig verblijf voor de

laatstgenoemde planten. Maar de eersten—die losdrijvers? Hadden ze nu

maar zaden? Zaden kunnen wel tegen de koude, of zijn ze niet gehard,

dan worden ze wel tegen de vorst beschermd. Hottonia en Utricularia—die

de mooiste bloemen hebben en het hoogst boven water uitsteken, brengen

het nog wel zoover, dat ze zaden vormen—maar vast durven ze er toch

niet op te rekenen.

Ze nemen andere maatregelen tegen den winter en wij moeten op een

helderen Octoberdag er nog maar weer eens op uit—om te zien welke.

Het jaar wordt al oud—de wilgen zijn wit, veel witter dan in den zomer

en van vele boomen bedekken de leege, dorre bladeren reeds den grond.

Er zijn maar weinig bloemen te zien; in en om onze slooten en vaarten

bijna geene. De laatste zwaluwen scheren langs het water en in de weide

vertoonen zich de eerste bonte kraaien. De rietzangers, die zich in den

zomer zonder ophouden lieten hooren, zijn reeds lang heen, in de verte

tegen de donker grijsgrauwe rietzoom zwemt een zwarte koet met langzaam

schokkende bewegingen. Aan een slootkant, een paar weilanden van ons,

staat een groote vogel met langen nek en lange pooten; we behoeven ons

niet in te spannen, om te zien of het een ooievaar of een reiger

is—roodpoot bontmantel is al in Egypte of aan de Kaap—en de grauwe

schrokkerige hongerlijder moet hier maar zien, hoe hij den winter zal

doorworstelen.

De sloot draagt nog zijn groene mantel, maar er komen kale plekjes in

en vlekjes ook. De plompbladen zijn weer donker, niet purper bruin,

zooals in Mei, doch vuilzwart—ze zijn aan ’t rotten en zullen weldra

wegzinken. Daar drijft ook kikkerbeet. Grijpt er met de hand naar, dan

kunt ge meteen voelen, dat het water nog zoo kil niet is, als ge in

deze maand zoudt verwachten. Ge zoudt er nog wel in kunnen zwemmen,—als

wij soms nog om ’t een of ander belangrijks moeten waden, kunnen we het

ook nog gerust doen—voor half November zit er geen kramp in het water.

Maar ge houdt reeds eenige kikkerbeet-rozetten in de hand en ge hebt

het winter-mysterie van de plant al voor uwe oogen. Het komt natuurlijk

weer uit de bladoksels. Een stuk of vier uitloopers zijn het, maar iets

anders gevormd dan die in het voorjaar groeiden. De knoppen zijn

grooter en vaster, de stelen korter. Houdt ge het plantje in het water,

dan ziet ge, dat die stelen ook niet horizontaal verloopen, maar onder

het gewicht der zware knoppen naar beneden ombuigen. De

voorjaarsknoppen ontwikkelen zich naar boven, deze echter zoeken den

bodem. In een paar dagen laten ze los, zinken, en wachten beneden het

voorjaar af. De oude plant kan nu ook gerust verzinken en vergaan.

Wat verder is een plek met fonteinkruid—crispus is het. Ofschoon het

door zijn wortelstok er zeker van kan zijn, den winter te overleven,

neemt het nog andere maatregelen. Zie maar naar de toppen der drijvende

takken. Daar hebben zich wat blaadjes gevormd, die veel korter maar

tegelijk veel dikker en steviger zijn dan de andere. Ook staan ze veel

dichter bij elkander. Als nu de drijvende takken gaan verrotten,

blijven deze toppen levend—ze zakken ook naar den bodem, waar de

vergane bladeren een beschermend modderlaagje over hen heen vormen.

Scheren zien we niet—die moeten we ook niet aan de oppervlakte, maar op

den bodem zoeken. We vinden spoedig een ondiep plekje, dat er mede

bevloerd is, en wat zien we nu? De oude scheren zijn allemaal donker,

sommige zijn al vergaan, maar daartusschen liggen honderden jonge

scheertjes. Die overwinteren daar op den bodem, als volkomen plantjes.

Eigenlijk zijn de winterknoppen van het fonteinkruid ook nog plantjes,

maar minus de wortels, en wanneer we een winterknop van de kikkerbeet

uit elkander halen, dan vinden we binnen de buitenste harde blaadjes,

die een beschermend omhulsel vormen, ook een klein kikkerbeetplantje,

maar dicht ineengedrongen, en kleurloos en stijf. Bij de drie planten,

die wij gevonden hebben, komt het dus hierop neer, dat een verkleind

plantje den bodem opzoekt en daar in min of meer gunstige

omstandigheden den winter doorbrengt.

De gunstige omstandigheden bestaan hierin, dat de knoppen of planten

(want de winterscheeren zijn volkomen planten) kleinere afmetingen

aannemen, dat ze bedekt worden door de overblijfselen der vergane, oude

planten en dat ze zooals Hydrocharis, soms in een beschermend omhulsel

opgeborgen zitten.

Maar het is te koud, om hier zoo stilletjes over al die dingen te staan

keuvelen, en om zes uur is het donker. Laat ons nog eens verder zien.

Daar is hoornblad ook, dat heeft zijn winterknoppen ook al klaar, op de

manier van het fonteinkruid, maar de verdeelde blaadjes zitten zoo

dicht op elkander, dat ze afzonderlijk haast niet in het oog vallen—het

geheel is een ruige bol. Nu weet ik nog ergens een plek, waar

Hottonia’s gestaan hebben. Wat een verschil met Juni. Nu geen

lichtkaarsjes, maar een vuile, grauwe massa, waaruit wat scheeve

stengels omhoogsteken. Tusschen de rottende bladeren vinden we nog aan

de stelen vastzittend eenige groene ballen—juist als bij het

Hoornblad—dat zinkt alles naar den bodem in de modder. En het kroos?

Als we over een paar maanden gaan schaatsenrijden, dan zullen we nog

wel eens langs slooten komen, waar het ons in onze vaart stuiten zal,

vooral wanneer het wat gedooid heeft. Het rot niet weg gelijk de andere

planten, maar leeft tot in den winter en vriest dan in. Voor dien tijd

heeft het echter reeds zijn overwinteringsknoppen naar omlaag gezonden,

want als het ijs in Maart uit de slooten verdwijnt, dan is het oude

kroos dood en zinkt weg. Als ik u nu nog vertel, dat het Blaasjeskruid

op dezelfde manier overwintert als Hottonia, dan kunnen we wel naar

huis gaan.

We nemen wat winterknoppen mede voor ons aquarium. Zullen ze zich

daar—in de lauwe warmte van onze woonkamers eerder ontwikkelen en

vroeger weer naar boven komen drijven dan in de vrije natuur?

Neem maar eens de proef. Tot zoolang, vaarwel!—We moeten toch nog eens

samen op kroosbloempjes uit!

In sloot en plas · 第 13 / 17 题