hevigen wind zou het hulkje toch nog kunnen vergaan; zij zal er een
mastje opzetten; slaat het scheepje dan soms op zijde, dan zal het
kleverig mastje het water raken, daarop steunen, om zich later weer op
te richten als de vlaag voorbij is. (Zie fig. blz. 11 en blz. 50.)
Dat mastje spint ze in opgerichte houding, met den kop naar beneden, de
draden legt ze in de lengte tegen elkaar; elke volgende een eind langer
dan de vorige, zoo kan het mastje een paar centimeter lang worden. Ook
hierbij hebben sommigen het mannetje zien helpen; wanneer het mastje
zoo hoog is geworden, dat het achterlijf van het wijfje er niet meer
bij kan, drukt het mannetje door zijn gewicht het nestje onder.
Als ge zoo iets bijzonders merkt, noteer het dan. Lang niet alle
pikzwarten bouwen op dezelfde wijze. Ik heb niet ’t geluk gehad, het
ooit te zien; wel nam ik in dit voorjaar waar, dat het wijfje het best
alleen af kan. Zij richt zich met ’t grootste gemak half uit het water
en bespint den top van het mastje met haar penseelachtige spinbuizen.
De bijgevoegde teekening heb ik gemaakt, terwijl ’t diertje bezig was.
Is het wijfje eens begonnen eieren te leggen, dan kunt ge gerust het
nestje verplaatsen, of het in de hand nemen met den kever er bij, om
beter waar te nemen. Het diertje laat zich niet meer storen, en gaat
zelfs op uw hand, buiten het water, verder met het eieren leggen of met
het dekseltje te maken.
Leg het maar weer in het water; zie eens, hoe het dier om het nestje
heendraait, hier en daar nog wat bijflikt, verschikt of aanvult,—en
teeken den datum van het eierenleggen aan. Tien dagen later moet ge van
tijd tot tijd naar het nestje kijken; dan beginnen soms de larven al te
leven in het nest. Het kan geen kwaad, ten minste als ge meer dan één
nestje hebt, eens voorzichtig een stuk uit het dek van het scheepje te
steken of te knippen; dan kunt ge de verandering en de kleurwisseling,
die er binnen in plaats grijpt, ook zien.
Binnen 14 dagen zijn alle larfjes uitgekomen, ze eten den eersten dag
spinsel en eierhulsels, maar den volgenden dag reeds begint hun
moordtocht door het water in uw kommen; dan is er geen slakje, geen
wormpje meer veilig voor hun kaken; ze groeien verbazend snel en worden
larven, zoo leelijk, zoo griezelig, dat ik, en velen met mij, ze niet
zonder een kleine rilling van afkeer kunnen aanpakken, en we zijn
anders niet zoo vies of angstvallig op het stuk van
insecten-aangrijpen.
De larve van de gerande is een monster, maar—’t is hem aan te zien; die
van de spinnende waterkever evenwel is een dikke weeke, zwarte, sterk
gerimpelde worm, die zich dood houdt, als ge hem opvischt, en die
dubbelgevouwen als een slappe vellerige darm voor u ligt; ge wilt het
vieze ding met den vinger op zij gooien, maar op eens hoort ge een vrij
sterk, gillend geluid en, plotseling zich opblazend en zich krommend,
slaat het verraderlijk schepsel zijn kaken in uw vel; als ge hem
eenmaal kent, zult ge op uw hoede zijn, en hem eenvoudig met uw
tangetje uit de mee opgeschepte planten oppikken.
Merkt deze larve in het water gevaar, dan omgeeft hij zich plotseling
met een zwart vocht, waardoor hij zich aan de vervolging door zijn
vijanden in de sloot onttrekt, evenals de inktvisch dit doet in de zee.
In uw aquarium kunt ge hem gemakkelijk voeden, hij vreet alles en nog
wat; in korten tijd is hij volwassen, en op dezelfde wijze als bij de
gerande moet ge het aanleggen, om het bijterig, roofziek gedrocht over
te halen, zich in de mooie, belangwekkende, spinnende waterkever te
veranderen.
Geheel op dezelfde manier gaat deze gedaanteverwisseling niet, maar de
verschillen merkt ge, als ge beide kevers kweekt, zonder aanwijzing van
anderen, licht zelf op. Let vooral eens op den zonderlingen stand van
de pop in de holte; de vijf haken aan den kop zijn steunsels.
Vreemd, niet waar, dat met die verandering niet alleen de oude vorm
verdwijnt, maar ook de geheele aard, de geheele levenswijze van het
dier verandert.
Hebt ge succes gehad met uw kweekerij, zijn de larfjes goed uitgekomen
in de flesschen of kommen, waarin de ouders waren, dan is het zaak alle
bewoners van die flesschen een ander plaatsje te geven, of er blijven
ten slotte niet anders over, dan òf de larven van Dyticus òf die van
Hydrophilus. Dyticus is de latijnsche naam voor de gerande watertorren,
het woord beteekent „duikelaar”.
Beter nog is het, alle jonge larven weer in dezelfde sloot te werpen,
waaruit de kevers geschept zijn.
Hebt ge daartoe geen lust of gelegenheid, breng er dan een paar
waterwantsen en eenige scorpioenen in (zie de teekening blz. 19 en 43)
of anders een stuk of twee, drie stekelbaarsjes; ge weet wel, die
kleine, 4 à 5 cM. lange vischjes, met 3 of 11 stekels op den rug. Ze
zijn in elke sloot bij massa’s te vinden. De elfstekelige noemen de
jongens hier moddermannetjes. Die lieve diertjes met hun snoekenbek
zorgen wel, dat de larven niet te sterk vermenigvuldigen; dat doen ze
in de sloot ook.
Wemelt het in den tijd, dat de eieren van Dyticus uitkomen, in alle
slooten en plassen van jonge larven,—een veertien dagen later, maakt ge
ze niet meer met elke schep buit. Zorgen de volwassen gerande torren,
dat de stekeltjes niet oppermachtig worden in het water,—diezelfde
stekelbaarsjes houden duchtig huis onder de keverlarven. Toch blijven
in de meeste slooten deze vischjes ten slotte de baas. Ze zijn ook zoo
strijdlustig en zoo vraatzuchtig tevens, dat ze heele slooten
ontvolken, tot ze dan zelf bij gebrek aan voedsel te gronde gaan, want
zij kunnen het water in geval van hongersnood niet verlaten, zooals de
meeste andere slootdieren.
De sierlijke, vlugge, meestal driftige bewegingen van het stekeltje
maken, dat het voor een poosje een vroolijk, levendig aanzicht aan het
aquarium geeft.
Zijn manier van aanval en verdediging, zijn gezellige aard—ze zwemmen,
als het aquarium niet te klein is, graag in scholen—alles aan het
diertje trekt en boeit de aandacht; maar uw aquarium zou al te gauw
leeg zijn.
Eén paartje moet ge in elk geval houden, al is het maar alleen om de
levenswijze na te gaan, en u zelf daardoor te verklaren, hoe dat
beestje zoo licht de overhand krijgt in de sloten, ook in groote
plassen en vischvijvers, ja soms in de rivieren; zoo zelfs, dat de
visschers of karperkweekers vaak verplicht zijn, er opzettelijk jacht
op te maken. Want ze maken de teelt van alle andere visschen
onmogelijk, doordien ze vischeieren en de jonge vischjes verslinden.
De stekels op den rug vallen hier in het oog; de driestekelige soort,
die het veelvuldigst voorkomt, zet de rugvin, waarvan de scherpe
naalden de stralen zijn, meestal alleen bij den aanval op,—de tien of
elfstekelige is veel wilder en strijdlustiger; die heeft zijn wapen
bijna voortdurend in gereedheid.
Behalve die geduchte stekels, heeft hij er nog een paar, die niet
dadelijk in het oog vallen; deze liggen op de plaats, waar zich bij de
meeste andere visschen de buikvinnen bevinden, en zijn naar achteren
plat tegen het lichaam aangedrukt. Alleen in doodsgevaar zet hij ze op,
en de andere visschen schijnen de vervaarlijke priemen niet gering te
schatten, die hun in den bek blijven steken, als ze op visschenmanier
hun kleinere stamgenooten in willen slokken. De snoek zelfs blijft met
zijn bek wel van het kleine stekeltje af, en de eend raakt ze ook maar
zelden aan. Aan een dood stekeltje staan die zij-pennen bijna altijd
opgezet, en aan zoo eentje kunt ge ook nog voelen, dat het een goed
gewapende bek heeft; nog beter kunt ge de aanwezigheid van de fijne
tandjes bemerken, door het gehoor, wanneer ge namelijk met een speld of
een griffelpunt over de kaakranden strijkt.
Zoo gewapend, zoo gevreesd en tegelijk van zoo’n goede eetlust
voorzien, moet het vischje in de vijvers wel lastig en voor het
voortbestaan der overige waterbewoners gevaarlijk worden. Maar in de
natuur wordt het evenwicht niet zoo licht verbroken; er is voor
gezorgd, dat de boomen niet tot in de wolken doorgroeien.
Heel vaak ziet ge stekeltjes, die lang niet zoo levenslustig zijn als
hun kameraadjes; ze zijn anders heel dik en schijnen ook gezond, maar
het is slechts in schijn; over een paar dagen ligt het vischje
herhaaldelijk op zij aan de oppervlakte, en eindelijk sterft het; dan
komen kleine, platte witte draden uit zijn lichaam te voorschijn, die
over de oppervlakte heenkronkelen; het zijn een soort lintwormen, die
het vischje de dood hebben aangedaan.
Maar nauwelijks hebben de eenden in de sloot of de vijvers die
dingetjes bemerkt, of ze schieten er op af, en de wormpjes zijn naar
binnen en dood; dood, jawel, maar nog niet geheel en al; de wormpjes
hadden ontelbare eieren bij zich, die levend het lichaam van de eend
weer verlaten, niet als eieren, maar als uiterst kleine, alleen met een
vergrootglas zichtbare diertjes; ze draaien en kronkelen met behulp van
fijne trilhaartjes door het water, en bij het ademhalen door de
stekeltjes, geraken ze weer tusschen hun kieuwen en zoo in het lichaam,
waar ze zich opnieuw tot wormen ontwikkelen.
Zoo komen er vele stekeltjes in den vijver om het leven, maar hun dood
is toch niet geheel nutteloos voor de andere stekeltjes, al is het erg
voor hen die dat lot treft; op die wijze wordt een al te sterke
vermeerdering tegengegaan, die ten slotte immers den hongerdood van
allen moest ten gevolge hebben.
Zorg nu vooral, wanneer ge uit een groot aantal stekeltjes een paartje
uitzoekt, om in het aquarium te houden, dat ge gezonde neemt; bemerkt
ge, dat een enkele erg op zijde zwemt, neem hem dan uit de flesch, vóór
dat hij sterft; wel schijnt het waar te zijn, dat de eieren van de
stekelwormpjes eerst een eendenmaag moeten passeeren, om weer voor
andere stekeltjes gevaarlijk te kunnen zijn; maar zeker is dat nog
niet, en er zijn nog andere vischparasieten, waardoor uw ziek stekeltje
aangetast kan zijn; die konden ook de overige wel eens besmetten.
Een parasiet die in Amsterdam veel op stekelbaarsjes gevonden wordt,
heb ik hier zeer vergroot geteekend. De jongens noemen het dier
stekel-botje; werkelijk een goede naam. De parasiet is zoo plat en rond
als een bot, maar de grootte is niet meer dan een halve centimeter. Ook
is’t stekel-botje natuurlijk geen visch; ’t is een kreeftachtig dier,
familie van de daphnia’s, cyclops, garnalen, waterspringers en zoo veel
andere zoetwater schaaldieren.
Ik zei, dat ge een paartje moest nemen, een mannetje en een wijfje, of,
zooals het bij de visschen heet, een hommer en kuiter; het mannetje
kunt ge in Mei, Juni of Juli gemakkelijk onderscheiden aan de kleur;
zijn keel en borst prijken dan met goudroode, paarse en purperen
kleuren; ook is hij veel onstuimiger dan de wijfjes; hij valt op alles
aan, en jaagt onophoudelijk de wijfjes uit elkaar, die vaak in een
hoekje van de waterkom bij elkaar schuilen en haast niet voor den dag
durven komen.
Neem zoo’n wakker kereltje apart, geef hem één, hoogstens twee groote
wijfjes tot gezelschap. Zorg nu vooral voor kleine waterplanten, kroos,
hoorn- of duizendblad, of nog beter voor een kleine hoeveelheid
waterdraden; zoo heeten heel eigenaardig, die frischgroene draadvormige
planten, die ge in elken sloot kunt vinden en die bij elke schep in het
net raken. De boeren noemen ze ook wel vlag of flap; zij zijn het, die
in het najaar die gele vellen op het water vormen.
Stoor nu uw beestjes niet, kijk steeds op een afstand naar hun doen en
laten; hebt ge maar een beetje geduld en geluk tevens, dan bemerkt ge
op een goeden dag in Juni midden of in een hoek van het aquarium een
kluwen van door elkaar gevlochten waterdraden, zoo groot als een
walnoot. Bij nader bekijken, bespeurt ge, dat het een liggend tonnetje
zonder bodem of deksel is, waarbij het mannetje de wacht houdt.
Blijft hij voortdurend in de buurt van het nestje—ge begrijpt wel, dat
het groene kokertje zoo iets is—dan hebt ge veel kans een aantrekkelijk
natuurtafereeltje te zien afspelen; ik herinner me, dat ik het als
kleine schooljongen eens gezien heb in een aquarium, dat in mijn
geboorteplaats voor de winkelkast van een horlogemaker stond; op een
school, waar ik later kwam, hadden we ook jaren achtereen
stekelnestjes. Het nestje dat de tien-stekelige soort maakt, ligt
zelden op den grond.
Het mannetje jaagt onophoudelijk het wijfje na, drijft het in een hoek,
bijt het er weer uit, tot het hem gelukt, het wijfje dwars door het
open nestje te drijven; maar de opening is wat nauw, het wijfje kan er
amper door heen, het blijft met haar stekels in de draden zitten en....
legt haar eieren in het nestje neer.
Maar nu moet het er weer uit, het krijgt een paar happen in den staart,
weg is het; ook niet in de buurt blijven, neen, een heel eind uit de
voeten: eierendiefje als het is, zou het haar eigen eieren niet sparen,
maar het waakzame mannetje is op zijn hoede,—hij kent zijn volkje.
Een paar malen schuift hij zelf door het tonnetje heen; daarbij laat
hij wat homvocht (ge kent de hom van de haring wel) uit zijn lichaam op
de kuit vallen; de eieren worden daardoor bevrucht, zooals men zegt;
zonder dat homvocht zouden er geen jonge vischjes uitkomen; net zoo min
als er weer jonge planten uit zaden kunnen komen, indien er geen
stuifmeel op den stamper van de bloem is geraakt; in den stamper waren
die zaden, net als witte eitjes, aanwezig.
Als het mannetje zich uit het nestje gewerkt heeft, maakt hij de beide
openingen wat nauwer en blijft in den omtrek kruisen; ieder die in de
buurt komt, wordt met opgezette stekels verdreven.
Na een week, soms eerder, dat hangt van de temperatuur van het water
af, komen de jonge vischjes uit; al zien ze er eerst wat vreemd uit
door den dikken kop en een soort van zak, die aan de keel hangt, het
zijn toch al vischjes; met een gedaanteverwisseling hebben we hier niet
te doen, dat is duidelijk.
Als de vischjes ongeveer een centimeter groot zijn, maakt de zorgvolle
vader de openingen van het nest wat wijder, en de jongelui mogen eens
even buiten komen; het lijkt wel een nevelwolkje in het lichtgroene
water. Nog een paar dagen—en papa gaat met zijn familie uit zwemmen.
Wee het wijfje of het kevertje of de salamander, die te dicht bij de
school kleintjes komt; het mannetje hapt als een dolle in ’t rond, zijn
stekels worden ieder oogenblik in een dreigenden stand gebracht.
Al zijn er waterplanten in de sloot of in ’t aquarium, dan bouwt het
driestekelig stekeltje zijn nestje toch op den bodem. Als de eiertjes
er in zijn, spoelt hij er zaadkorreltjes over heen, zoodat er niet veel
van te zien is. Alleen een kleine opening in den bodem, waar wat
wortelvezels of grashalmpjes uitsteken, duidt de plaats aan, waar het
nest verscholen is. Toch kunt ge ’t wel vinden en het machtig worden,
nu ge zijn aard en levenswijze kent. Ziet ge in Mei of Juni zoo’n
eenzaam stekeltje in zijn bruiloftspak driftig op dezelfde plaats heen
en weer zwemmen, dan kunt gij er zeker van zijn, dat zijn nest niet ver
af is.
Breng langzaam uw stok in het water—het stekeltje zwemt er als dol om
heen; nader met den punt den bodem en strijk er mee heen en weer—op het
oogenblik dat de punt het nest raakt, vliegt het diertje, dat nu bijna
geheel purperrood wordt, naar den bodem, bijt in den stok en tracht
dien met zijn bek weg te stooten. Zoo slim als een kievit of leeuwerik
is het stekeltje dus niet; zonder heel veel moeite kunt ge het nestje
met zijn bewaker, die het niet verlaat, opscheppen, in uw flesch mee
naar huis nemen en voorzichtig in een groot aquarium overbrengen. Vindt
het diertje, wat echter lang niet altijd gebeurt, daar zijn nestje
terug, dan herstelt en verzorgt hij het als te voren. Zijn roode kleur,
die hij eerst verloren had, komt dan ook weer terug.
Misschien hebt ge dan ook gelegenheid, eens op te merken, hoe aardig
hij zoo’n ingegraven nestje van de noodige zuurstof voorziet. Hij staat
soms minutenlang loodrecht boven de opening, den kop naar benedenen,
drijft met alle vinnen en met den zijwaarts gebogen staart een
bestendigen stroom van versch water, in en door het eiernest heen.
Nestbouwende visschen zijn er maar weinig; in ons land maar één; en
opmerkelijk is ’t, dat het stekeltje, die ééne, zoo’n gering aantal
eieren legt, een twintig of dertig hoogstens, en die zijn soms nog van
meer dan één wijfje afkomstig. Dat voor de veiligheid van al de
honderdduizenden eieren, die een haring of een kabeljauw schiet, niet
gezorgd behoeft te worden, is duidelijk; als er maar een klein deel van
uitkomt, zal de visch niet uitsterven.
Maar het stekeltje heeft er in vergelijking zoo weinig, daarom zorgt
het mannetje er zoo goed voor. Daarom? Och, dat is maar bij wijze van
spreken,—het stekeltje met zijn goudroode borst, weet van de inrichting
in de natuur immers niets. Het is geen mensch, die vergelijken,
nadenken en oordeelen kan, wat nuttig voor hem of zijn nakomelingen is.
Hij doet het, omdat hij het moet doen, hij kan niet anders, de
natuurdrift dwingt hem er toe, en—als wij het hem zien doen, bewonderen
wij niet alleen dat redelooze vischje, maar in dat vischje de wijze
inrichting der levende wereld zelve, Hem, die in dat vischje die drift
heeft ingeschapen, of gezorgd heeft, dat die er in den loop der tijden
in kon ontstaan.
Maar hoe nu onze kleintjes in het leven te houden, om ze te zien
wassen? Dat is zeer lastig in een kleine flesch, iets minder in een
groot aquarium, maar toch in beide mogelijk.
Houd bij alle pogingen, die ge doet, om uw dieren of planten in het
leven te houden, toch steeds in gedachten, dat daartoe vier zaken
onmisbaar zijn: voedsel, lucht, licht en reinheid. Het laatste klinkt
misschien wat vreemd voor dieren uit een moddersloot, maar de
ondervinding zal het u leeren. Alles wat dood is, plant of dier, moet
zoo spoedig mogelijk verwijderd worden, of uw vischteelt mislukt
deerlijk.
Nu behoeft ge niet alles zelf te doen, ge kunt een reinigingsdienst
instellen zonder bezwaar voor uw zakgeld. Breng een flinke hoeveelheid
kleine slakken in de flesschen; die nemen het grootste deel van uw taak
over. ’t Doet er niet toe, of het gewone waterslakken, met min of meer
langwerpige huisjes,—of wel slakken met platte huisjes zijn, waarvan de
windingen naast elkaar in plaats boven elkaar liggen—posthoorntjes,
zeiden wij jongens; planorbis heeten ze in de dierkunde. Zie de
teekeningen hierbij. Groote slakken betalen zich zelf voor hun
diensten, door uw waterplanten aan te tasten, en dat is lastig.
Ofschoon ook al weer niet zoo heel erg; want in een studieaquarium
plaatst ge toch geen dure of zeldzame planten.
Ook wordt die schade weer eenigszins vergoed, door de gelegenheid, die
zij u geven, hun eigenaardige vreetmanieren en bewegingen na te gaan;
hun spreekwoordelijke traagheid maakt dit bijzonder gemakkelijk, en aan
zoo’n slakkengang zit nog meer vast, dan gij, zoo oppervlakkig
beschouwd, zoudt denken.
In elk geval, het reinhouden van uw vischkweekerij kunt ge gerust aan
uw slakken overlaten; alleen groote doode dieren en planten moet ge
noodzakelijk zelf weg nemen. Al gebeurt dat in de sloot, waar de
stekeltjes toch opperbest gedijen, niet door menschenhanden, ge moet
niet vergeten, dat uw best ingericht aquarium toch nog maar nagebootste
natuur is.
Wat het licht betreft, daarvoor is wel het gemakkelijkst te zorgen.
Voor een venster, als het mogelijk is voor een, dat geopend kan worden,
is de beste plaats; maar langdurig direct zonlicht is schadelijk,
tenzij ge van een groote voorraad schaduwgevende planten voorzien zijt;
drijvende, vooral kikkerbeet of duitblad, zijn voor het aanbrengen van
schaduw zeer geschikt en dat goedje gedijt weer kostelijk, als ge veel
vischjes kweekt; daar het op zijn beurt gebruik maakt van het koolzuur,
dat uw diertjes in het water uitademen. Dus zoo ongeveer door dezelfde
oorzaak, die de planten in een goed bevolkt en zonnig schoollokaal zoo
flink doet wassen.
Door die drijvende waterplanten in ’t aquarium te brengen hebt ge dan
meteen aan uw kweekelingen de noodige levenslucht verschaft; toch
moeten er wat ondergedoken planten b.v. waterdraden en waterpest bij.
Bovenal waterdraden, die scheiden veel gas af; ze zitten als de zon er
maar eventjes door heen schijnt, zelfs in den winter bij de kachel, vol
belletjes zuurstof. Deze zuurstof verrijkt de reeds in ’t water
aanwezige lucht; die wordt voortdurend den bek in, en de kieuwen weer
uitgestuwd; let maar eens op, hoe de borstvinnen onophoudelijk in
beweging zijn (ook als uw vischjes stilstaan) om het verbruikte water
weg te drijven, en ander aan te voeren.
Er komen soms ook wel ongenoode planten in uw flesschen, juist als ze
goed verlicht zijn, Eerst zinken er lichtgroene bolletjes, als zeer
kleine speldeknoppen door ’t water; die stipjes groen, blijven op den
bodem liggen, of zetten zich tegen de kanten vast. Langzamerhand
overtrekt nu een licht groen beslag de glaswanden; dat doet de visschen
eer goed dan kwaad; het zijn uiterst kleine plantjes van dezelfde soort
als de waterdraden, algen heeten ze; maar zij beletten u het gadeslaan
van de dieren, en daarom is het toch in de eerste plaats te doen.
Goudvisschen en bittervoorns eten graag algen, maar die zouden meteen
de jonge kweek-vischjes uit de wereld helpen, dus dat gaat niet.
Welnu, zet wat meer en wat grooter slakken in het water, die maaien
heel aardig die algenwei af; hun tong gaat onophoudelijk langs het glas
en laat kaalgevreten strepen na. Daarentegen brengen ze er weer wat
anders op, geleiachtige, langwerpige, doorschijnende massa’s van een
paar centimeter lengte; als ge een goede loupe hebt, kunt ge daarin, na
een paar dagen duidelijk kleine slakjes met huisje en al ontdekken, en
van dag tot dag hun ontwikkeling uit de eieren nagaan.
Die slakkeneieren zijn meteen een gezocht voedsel voor uw jonge
stekelbaarsjes, evenals muggenlarven, die overal in massa te scheppen
zijn.
Dat ik u als voorwaarden tot het in leven houden van de pas uitgekomen
vischjes ook het voedsel noemde, mag u wellicht wat onnoozel
toeschijnen. Toch vroeg mij nog niet lang geleden, eens iemand, hoe het
toch komen zou, dat zijn vischjes in het aquarium de één voor de ander
na, stierven. Ik noemde allerlei dingen, die hij misschien verzuimd kon
hebben, maar.... dit was het bepaald niet, en dat ook niet.
„Misschien geef je ze te veel voedsel?” vroeg ik.
„Voedsel?” zei hij. „Neen daaraan ligt het zeker niet, ze krijgen niets
dan duinwater!”
Mal toch, dat zoo iemand niet begrijpt, dat ook visschen van honger
kunnen sterven.
Het hangt juist van het voedsel af, of de teelt gelukken zal; veel, wat
de volwassen vischjes verorberen kunnen, is voor de kleintjes
ongeschikt,—omgekeerd niet. Slakkeneieren kunnen ze na een dag of tien
al vrij goed van het glas krijgen, maar vóór dien tijd is er ook
voedsel noodig.
Nu zijn er gewoonlijk in het water, wel voor het bloote oog meestal
onzichtbare diertjes, de infusiediertjes—ook al door Leeuwenhoek
ontdekt,—maar die voorraad schijnt niet voldoende en te gauw uitgeput
te zijn, bij de gezonde appetijt van de jonge visschen.
Ga liever tegen den avond van een zonnigen zomerdag nog eens naar een
sloot in de buurt. Ver hoeft ge niet te loopen, of ge ziet, dicht aan
den kant, een roodachtige wolk in het water; is de sloot door
eendenkroos bedekt, schuif het dan voorzichtig op zij, en de wolk wordt
hier of daar zichtbaar.
Breng op een eindje afstand van die wolk, uw groote flesch omgekeerd
onder water, zoodat er weinig of geen lucht ontsnapt, keer hem dan
midden in die wolk om. Dat is volstrekt geen gevaarlijk werkje, daar de
wolk dicht bij de kant is, en ge altijd wel een vast plekje kunt
vinden, om te staan; anders geeft ge uw linkerhand maar aan uw
kameraad, die op den wal zit.
Hebt ge bijgeval geen kennis mee kunnen krijgen, of is de kant te
steil, haal dan uw fijnmazig schepnet een paar keer door die zwevende
wolk en keer het in het water van de wijdmondige flesch om.
Al dadelijk ziet ge in uw flesch, waaruit die wolk bestond; duizenden
rondachtige diertjes huppen en schieten er door elkaar heen;
wriemelende, geweiachtige sprieten doen dienst als springpooten bij de
eene soort,—een vertakte staart bij de andere; want meestal hebt ge
twee soorten watervlooien tegelijk geschept: daphnia, dat zijn die
ronde, met hertengewei—cyclops zoo heeten die kleine met een staart en
met vaak twee zakjes met zwarte stippen aan weerszijden van het
lichaam; dit zijn wijfjes met eieren.
Hebt ge met uw groote stopflesch vlug en handig gemanoeuvreerd, dan
wemelt het er in—behalve van daphnia’s en cyclopen—van allerlei
grootere dieren; garnaalachtige doorschijnende springers; larven van
libellen, kenbaar aan hun langen staart van luchtbuizen; dikkoppige
beestjes zonder pooten, zwart met grijzen buik: bullekopjes of
donderpadden heeten ze hier en daar in ons land; allemaal toekomstige
kikkers, salamanders of padden; draaitorren van allerlei soort, die
even hun lustige quadrille aan de oppervlakte gestaakt hebben;
muggelarven of poppen, net bokken met horens, die als dol over den kop
buitelen; en.... jonge stekeltjes, die evenals die andere dieren daar
in die daphniawolk kwamen soupeeren.
Hier hebben we het natuurlijk voedsel voor onze vischjes; elke dag een
scheutje uit den voorraad, en binnen korten tijd kunt ge met
rechtmatigen trots uw kameraden volwassen vischjes toonen, die ge uit
het ei, ab ovo, zeggen de geleerden, hebt geteeld.
En niet alleen voor die jonge stekeltjes zijn ze het hoofdvoedsel; de
oude visschen lusten ze ook dolgraag en worden er dik en vet van; ook
heel veel andere vischsoorten leven hoofdzakelijk van daphnia’s; men
plant ze met vaten vol in karpervijvers over; vooral in de meren zou de
visch heel gauw uitsterven, als er geen daphnia’s bestonden: dat is in
de laatste tijden bij onderzoek gebleken. Ja, tegenwoordig kan men ze
in het buitenland versch of gedroogd per kilogram uit den winkel halen,
ten gerieve van aquariumhouders of vischkweekers. Dat uitmuntend
vischvoer wordt daar tegenwoordig ook opzettelijk in het groot geteeld.
In een verloren uurtje moet ge zoo’n levende daphnia eens in een
droppel water met de loupe bekijken; dat het diertje maar een oog
heeft, en wel, een, dat hij als een molentje in het rond kan draaien,
ziet ge al heel gauw; misschien ook nog, dat het grootste deel van het
lichaam van het diertje in een dubbele schaal is besloten, die veel van
een mosselschelp heeft, en waarbuiten de vertakte sprieten uitsteken.
Voor de rest is het een gewriemel en gedraai en geslinger of er honderd
wieltjes aan het diertje zaten, alle tegelijk in beweging. Eerst als de
daphnia het verkiest, een oogenblik koest te zijn, ziet ge, dat er in
de opening tusschen de schalen een groot aantal kreeftachtige pooten
aanwezig zijn, die tot alles dienen, behalve te loopen. De daphnia’s en
cyclopen worden dan ook tot de schaaldieren gerekend, evenals de
garnaalachtige springers, die ge tegelijk met de wolk geschept hebt,
deze heeten gammariden; ze geven in een aquarium nog al leven; maar als
er visschen in zijn, duurt hun pret niet lang.
Zijt ge nog op school, breng dan den onderwijzer of leeraar eens zoo’n
paar daphnia’s mee, en verzoek hem, ze u eens door een microscoop te
laten zien. Dan blijkt zoo’n diertje lang niet leelijk te zijn; de
parelmoerachtige schalen prijken met allerlei kleuren en teekeningen;
bovendien valt er daarbij iets waar te nemen, dat ge niet elken dag te
zien krijgt: de bloedsomloop in een levend, ongeschonden dier. Dicht
bij den rug, ontdekt ge het hart, een rooden zak, die door beurtelings
samentrekken en uit te zetten, den bloedstroom met glasachtige
lichtroode lichaampjes er in, inzuigt en uitstuwt; ook de eieren zien
er dan heel anders uit dan met de loupe.
Het zal u misschien opmerkelijk voorkomen, dat bijna alle volwassen
daphnia’s in uw flesch wijfjes met eieren zijn: de veel kleinere
mannetjes krijgt ge dan ook eerst laat in het najaar, soms eerst in het
begin van den winter te zien. In den zomer komen uit de eieren der
wijfjes diertjes, die meer op mijten of spinnetjes gelijken dan op
daphnia’s; uit de wintereieren komen in het voorjaar weer nieuwe
daphnia’s; deze eieren vormen het eenige overblijfsel van onze
onvermoeide huppers, dat den winter overleeft.
De visschen, donderpadden, ruggezwemmers, en de ontelbare kever- en
libellen-larven zijn het niet alleen, die de dichte drommen der
éénoogige daphnia’s ijler maken.
Onder het groene blad van het drijvend kroos verborgen, loert een
monster op die ongelukkige diertjes, dat zijn weerga niet heeft in onze
zoetwaterslooten of plassen. Alleen in de volle zee vindt het zijn
gelijken, maar dan in reusachtige afmetingen.
Ge hebt misschien wel eens gehoord van de reuzenpolypen, die met hunne
lange voelarmen den parelduiker omstrengelen, zoodat door zijn
kameraden in de boot zijn terugkomst aan de oppervlakte tevergeefs
wordt verwacht; of ge hebt wel eens een plaat gezien van de kraken, die
fabelachtige monsters uit de Noord-Atlantische Oceaan, die met hun
reuzenarmen het schip om de masten grijpen en het met onweerstaanbare
kracht in de diepte trekken; of anders zeker wel eens gelezen van de
inktvisschen, die vleeschzakken met 8 of 10 armen, die als slappe
touwen door het water zweven, tot een visch, een kreeft of een
schildpad binnen het bereik der voelarmen komt; deze tentakels beginnen
dan plotseling als slangen te kronkelen en zuigen zich met honderden
zuignappen vast aan de prooi; in hun kronkels verstikt het gevangen
dier, het wordt naar den mond van de vleesch-zak gevoerd, waar het
spoedig verdwijnt.
Zoo’n monster, maar gelukkig voor de meeste slootbewoners, in zeer
kleine afmeting, bewoont ook onze streken. Het is de zoetwaterpolyp,
een diertje van hoogstens een centimeter lengte, wat het lichaam
betreft.
Leeuwenhoek was al weer de eerste ontdekker van het bestaan van dit
vreemdsoortig wezen. Zijn ontdekking werd vergeten en een goede honderd
jaren geleden, meen ik, werd het opnieuw ontdekt door iemand, die de
werken van onzen landgenoot niet kende. Het is geen wonder, dat het
diertje zoolang onbekend bleef; wie zijn bestaan niet vermoedt, zal het
niet licht vinden; zelfs als men weet, dat er polypen in een of andere
sloot leven, kost het moeite ze te vinden.
Leeuwenhoek had al meermalen opgemerkt, dat tegen het glas van zijn
fleschje met slootwater zich voorwerpen hechten, die hij voor planten
hield. Het waren groene of bruine steeltjes, van een centimeter lengte,
en zoo dun als een breinaald, vaak nog dunner, van boven echter wat
dikker dan van onder; aan het dikkere gedeelte ontsprongen een 6 of
8tal zeer dunne, kronkelige, spinnewebachtige draden, die zich ver in
het water verspreidden, tot ze onzichtbaar werden.
Wel was er beweging in die draden te bespeuren, maar hij schreef dat
toe aan een zwakke beweging van het water, die door de kleine, ook door
hem ontdekte infusie-diertjes werd veroorzaakt.
Voor een onderzoek met zijn microscopen leenden ze zich minder goed;
want nam hij voorzichtig zoo’n takje uit het water, dan viel het geheel
in elkaar tot een geleiachtig, bruin bolletje, zoo groot als een
speldeknop en hieraan was onder het microscoop weinig bizonders te
ontdekken.
Hij bleef het raadselachtige plantje langen tijd zorgvuldig gadeslaan,
en bemerkte al spoedig, dat er zich aan den steel hier en daar een
knobbeltje vertoonde; dat knobbeltje groeide aan en werd een takje,
geheel gelijk aan dat, waaraan het gegroeid was. Het bleef eenige uren,
soms ook wel een dag lang, met het oude. takje in verbinding, liet
daarna los en hechtte zich, een eindje van het eerste af, op dezelfde
wijze met zijn voet aan het glas vast.
Deze manier van voortplanten herinnerde Leeuwenhoek aan de
voortplantingswijze van sommige gewassen, en het versterkte hem in de
meening, dat hij hier eveneens met een plant te doen had. Toch had hij
er geen vrede mede; telkens en telkens keerde hij tot zijn zonderling
plantje terug, en bespeurde toen, dat het zich op de een of andere
wijze verplaatst moest hebben.
Op zekeren dag dat hij, zooals gewoonlijk in zijn sitsen kamerjapon
gekleed, voor zijn groote tafel aan het venster zat, en last had
gegeven, hem in geen geval te komen storen, bemerkte hij, dat het
plantje zich bewoog; Leeuwenhoek had al heel wat nieuws en wonderlijks
onder zijne oogen zien gebeuren, maar dat gezicht deed hem hevig
ontstellen, het glaasje trilde in zijn handen.
Geen wonder, wat hij daar zag, had hij nooit kunnen vermoeden. Het
steeltje kromde zich; de knop, waar de draden ontsprongen, die nu allen
waren ingetrokken, naderde den glasrand en hechtte zich daar vast,—wat
eerst de voet was, werd nu de top, ook die boog en kromde zich tot een
hoepeltje; nu liet de top weer los; het diertje—er was nu geen twijfel
meer aan of het was een dier—richtte zich overeind en de draden kwamen
één voor één weder te voorschijn. Het geheele diertje had zich op deze
ongewone wijze, door langzaam over den kop te buitelen, verplaatst.
Maar die zonderlinge voortplanting door knoppen, die zijtakken worden!
Een dier, al is het nog zoo eenvoudig georganiseerd, bot niet uit,
groeit niet als een boom, het legt ten minste eieren, waaruit de jonge
dieren voortkomen!
Daardoor twijfelde Leeuwenhoek nog; tegenwoordig weet men er meer van.
Daar doet zijn gelukkig gesternte hem op den inval komen, eenige
daphnia’s bij de polyp, in het fleschje te werpen. De diertjes huppen
lustig rond. In de grootste spanning tuurt de onderzoeker naar de
polyp,—hij houdt het glaasje tegen het licht en ziet duidelijk de
zachte beweging der golvende draden, die zich soms tot een vinger
lengte uitstrekken en zoo dun als spinrag worden. Daar nadert een
daphnia één der voelarmen van de polyp; als door den bliksem getroffen
valt het diertje geheel verlamd neer, maar het valt niet diep, het is
of het aan een onzichtbare draad een oogenblik blijft hangen,—nu zinkt
het op den bodem en blijft dood liggen. Een andere daphnia raakt bij
zijn dolle bokkensprongen een tentakel aan, ook dit diertje valt,
plotseling bewegingloos geworden, een eindje neer, maar bereikt den
bodem niet. Het diertje blijft aan den voelarm kleven, zoo ’t schijnt;
die kronkelt er zich om heen, en tot Leeuwenhoeks onbeschrijflijke
verbazing, wordt het door diezelfde tentakel gevoerd naar de plaats,
waaromheen alle armen van de polyp als een stralenkrans ontspringen.
Daar opent zich de top, een wijde mond gaat open en de daphnia wordt
als in een zak naar binnen geschoven.
In het lichaam van de polyp was de vorm van de prooi duidelijk te zien.
Het onderste deel van het steeltje, een derde ongeveer van het geheele
dier, bleek werkelijk een steel of een voet te zijn; tot zoover zakte
de daphnia door en dit deel was dus niet hol. De polyp, die, nu hij
zijn prooi binnen had, de armen had ingetrokken, werd langzamerhand
weer dunner, en na een uur of vier was hij weer zoo dun en zoo lang als
te voren. De daphnia was opgelost, verteerd, en de voelarmen tastten
opnieuw in ’t rond, zoekend naar een tweede prooi.
Het spreekt van zelf, dat zulk een merkwaardig dier een voorwerp van
onderzoek werd van tal van natuurvorschers. En het werd er hoe langer
hoe merkwaardiger door.
Al spoedig werd ontdekt, dat een polyp, die door een of ander ongeval
een of meer zijner tentakels had verloren, daarvan niet voor zijn leven
verstoken bleef, maar dat die afgerukte lichaamsdeelen weer
aangroeiden. Men probeerde eens hoever die herstelkracht in het diertje
wel gaan zou; en het bleek, dat die verbazend was; als alle voelarmen
op één na werden weggenomen, kwamen er nieuwe, soms meer dan er
oorspronkelijk geweest waren. Dit bezorgde de polyp de naam van hydra,
naar het monster uit de fabelleer, dat voor elken afgehouwen kop er een
aantal nieuwe in de plaats kreeg.
Ja, sterker nog; splijt men het diertje tot aan den steel toe in de
lengte op, dan groeit elk deel weer tot een nieuw lichaam aan. Het was
in de vorige eeuw zelfs een tijdlang mode, op de gezellige
bijeenkomsten der natuurvrienden monster-hydra’s te vertoonen, die, op
deze wijze verminkt, tot dertig nieuwe takken en lichamen met voelarmen
op één steel droegen.
Dat zulke proeven op dieren, als ze voor de aardigheid genomen worden,
voor de wetenschap geen nut hebben, is voor ieder duidelijk. En al komt
de hydra, vooral ook door dat herstellings-vermogen, heel veel met een
plant overeen, het blijft een wreed vermaak; al is het diertje
waarschijnlijk lang niet zoo gevoelig als hoogere dieren, geheel
gevoelloos is het zeker niet.
Een grens schijnt dat opnieuw aangroeien niet te hebben. Het lijkt wel,
of Baron van Münchhausen bij het ranselen van zijn vos geen grooter
leugen bedenken kon, dan deze: dat ’t dier zich binnenste buiten keerde
en wegliep. Maar bij de polyp schijnt dit nog mogelijk te zijn: Na heel
veel mislukte pogingen is het namelijk aan een onderzoeker gelukt,
zoo’n zoetwaterpolyp binnenste buiten te keeren, en zie! het diertje
stoorde zich aan die merkwaardige operatie al heel weinig, de buitenzij
deed, zoo scheen het, dienst als binnenzijde, als maag, en nam
doodgewoon voedsel op.
In den laatsten tijd, nu er op het gebied van de allerkleinste
microscopische diertjes niet zoo gemakkelijk nieuws te ontdekken
schijnt te zijn, als een poos geleden, is men weer met het waarnemen
van grootere dieren en ook van onze inheemsche hydra begonnen. Nu is
onlangs aan een Japansch natuuronderzoeker gebleken, dat die polyp, als
een gevangen prooi wat te groot voor zijn mondopening is, zich zelf een
eindje binnenste buiten keert, en den zoo omgeslagen zoom van zijn
lichaam dan over de daphnia of het kevertje heenslaat. Dit terugslaan
gaat zoo snel in zijn werk, dat de oude onderzoekers van de
ongelooflijke omkeeringsproef zich wel eens vergist kunnen hebben,
doordat het diertje, nadat het binnenste buiten was getrokken,
bliksemsnel, zijn normalen stand kon hernomen hebben.
Ook is thans opgehelderd, hoe het mogelijk is, dat de polyp zoo
geheimzinnig een daphnia kan verlammen, als zijn tentakels het dier
nauwelijks hebben aangeraakt. Wonderlijke organen zijn met behulp van
den microscoop in die tentakels ontdekt. Op verschillende plaatsen
bevinden zich daarin holten, waarin een spits pijltje is geborgen,
waarmee een lange opgerolde draad, in die holten van den voelarm vast
zit; iets als een harpoen dus. Bij de geringste aanraking schiet de
polyp zoo’n harpoen-draad af; als hij kan, verscheidene tegelijk; de
einden slingeren om het lichaam van de prooi en, blijven ze hangen, dan
kan de polyp de kabel inpalmen en zijn prooi naar zich toe halen.
Maar of dit nog niet wonders genoeg was, heeft het merkwaardige dier
nog een tweede soort jachtwapenen in gebruik. Kleine holten in de
tentakels bevatten een menigte losse werpspiesen, uiterst fijne
naaldjes; deze gebruikt de hydra in massa tegelijk; een natuurkundige
heeft een gevangen daphnia onderzocht, die op het punt stond in den
mond van de polyp getrokken te worden, en hij zag het diertje van alle
zijden, als een egel met pennen, bespikkeld met die fijne spiesjes.
Waarschijnlijk dienen zij den polyp om een te zware prooi in ’t water
zwevend, en zoodoende binnen zijn bereik te houden; dit maakt men op
uit het feit, dat zoo’n honderdvoudig gespieste daphnia bovendrijft en
een ander dood exemplaar in het slootwater terstond zinkt.
Ook bij andere kleine waterdieren zijn zulke naald- of harpoenvormige
aanvalswapenen ontdekt; die draden met pijlen hebben den naam ontvangen
van netelorganen en de dieren, die ze voeren, den naam van neteldieren;
wellicht om de overeenkomst aan te geven met de werking der brandharen
van de groote brandnetels.
Om het holle, zakvormige lichaam worden deze neteldieren ook wel holte-
of zakdieren genaamd. Als ge bijgeval eens gelegenheid hebt, een
uitgebreid werk over dierkunde in te zien, dan kunt ge ze onder een
dezer rubrieken beschreven vinden en er nog veel meer bizonders van
gewaar worden.
Alleen moet ik nog zeggen, dat onze hydra, behalve de voortplanting
door vertakking, nog een andere meer dierachtige manier van
voortplanting heeft. In het najaar vormen zich eieren onder in dit
holle lichaam; die zinken, vóór het diertje sterft naar den slootbodem
en zorgen, dat er ook in den volgenden zomer nog hydra’s zijn.
Een onbekommerd leventje heeft de polyp echter niet: verdelgen zonder
kans te loopen, zelf verdelgd te worden, dat zou een uitzondering zijn
op den regel; zoo iets is in ’t leven van een slootbewoner nog maar
zelden opgemerkt.
Zooals heel veel kleinere dieren heeft hij zijn parasiet, zijn belager,
die hem aanvalt en hem bij levenden lijve verorbert. Soms ziet men een
hydra ongewone, heftige bewegingen maken; zijn armen strijken snel
langs het lichaam en langs elkander, als was hij bezig zich te
reinigen. En dit is werkelijk het geval, ten minste hij probeert het,
maar het lukt hem zelden. Hij is aangevallen door een heel kleine mijt,
die hem letterlijk den dood aandoet; dat beestje holt met zijn acht
pootjes verbazend snel over het lichaam van de polyp heen, nu hier, dan
daar hem knauwend. Gelukt het de hydra niet, de mijt te spietsen, of
ten minste af te strijken, dan is ’t met hem gedaan.
Afstrijken helpt echter niet steeds afdoend, want de mijt beschrijft
wel een boog in het water en bespringt zijn offer opnieuw. Is de hydra
vermoeid, dan begint de parasiet hem de tentakels af te bijten.
Ook voor sommige visschen schijnt onze hydra een lekkerbeetje te zijn,
zooals blijkt in de kleine aquariums van de Amsterdamsche diergaarde,
zij snappen de hydra, met de daphnia er in, van het glas of van de
waterplanten weg.
In de eendenvijvers van Artis komen de polypen in groote menigte voor;
met het kroos, dat daar uitgenomen, in de bakken wordt gebruikt,
geraken zij ook in de aquariums. Daar veroorzaken zij ook heel veel
last, door het dooden van de daphnia’s en cyclopen, die tot voedsel
voor de visschen bestemd zijn. Niet alle visschen vallen hen aan; de
aal b.v. met zijn gevoelige snuit is er niet op gesteld, in aanraking
te komen met de harpoenen van onze hydra. De waterslakken maaien ze met
hun vijltong van het glas weg; ook moet ge geen stekelbaarsjes bij
hydra’s plaatsen, die ge in leven wilt houden.
Het kroos van de vijvers uit Artis wordt geschept uit de slooten langs
den Sloter- of den Amstelveenschenweg; ook komen hydra’s voor langs den
Haarlemmerweg, dus aan drie zijden van Amsterdam; en waarschijnlijk
zijn ze overal in ons land te vinden; maar het meest in slooten, waarin
van tijd tot tijd eenden en ganzen zwemmen; in de mest van die vogels
schijnen de wintereieren der daphnia’s goed te ontkiemen.
Er zijn verschillende wegen in te slaan, om polypen machtig te worden.
Breng een flinken voorraad eendenkroos mee en verdeel die over een
aantal flesschen; laat de blaadjes vijf minuten rustig aan de
oppervlakte drijven en onderzoek dan, stuk voor stuk, de onderzijde;
ook aan de onderzijde van de waterlelie-bladen komen ze veel voor; de
bruine bolletjes lijken veel op eieren van waterslakken of kevers, maar
in water geworpen nemen ze zeer spoedig de niet te miskennen
polypenvorm aan.
Een ander minder tijdroovend middel is dit: Werp een massa eendenkroos
in een emmer met water, roer er een poosje flink met een stok in, giet
daarna het water, zonder het kroos, snel in een witte kom over en de
polypen, die er zich bevinden, vallen op den bodem, waar gij ze met
behulp van een dun buisje kunt inzuigen. Ge weet wel, door van den
luchtdruk op ’t water gebruik te maken: de duim houden op het eene open
eind van het buisje, het andere eind boven de polyp in het water
brengen, de duim er boven af (het water stijgt met de polyp in het
buisje) den vinger er weer op, en den inhoud overbrengen, waar ge dien
hebben wilt.
Maar, ne cherchez pas midi à quatorze heures! wat ge met zooveel moeite
tracht te verkrijgen, ligt heel vaak zoo nabij voor het opnemen.
Het is mij meer dan eens gebeurd, dat ik lang en nog wel vergeefs naar
hydra’s heb gezocht, om ten slotte bij toeval te bemerken, dat ik ze
thuis al lang had.
In dat schaduwrijk oerwoud van eendenkroos, waarvan de worteltjes de
stammen vormen en de ronde blaadjes het dichte looverdak, leeft een
wereld van allerlei wezens, die niet zoo gauw in het oog vallen. Schept
ge nu een netvol van dat kroos, alleen om schaduw en voedsel in het
aquarium te brengen, dan komt er al zooveel in, dat eerst later bemerkt
wordt; en plant ge er grootere waterplanten terstond uit de sloot in
over, dan is de kans nog grooter, dat ge op een goeden dag tot de
blijde ontdekking komt, dat ge al zoetwater-polypen hebt.
En heel dikwijls komen er meteen larven van salamanders binnen. Die
behouden tot in den nazomer meestal nog hun kieuwen; daaraan zijn ze
gemakkelijk te herkennen en te onderscheiden van kikkervischjes; want
deze verliezen hun kieuwen al in de eerste weken van hun bestaan, ook
zijn de meeste kikkervischjes in de zomervacantie reeds tot jonge
kikkertjes bevorderd.
Zulke salamander-larven moet ge zien op te kweeken. Dat gaat nog al
niet moeilijk, want de beestjes eten gretig al ’t kleine goed van ’t
slootwater en lusten ook gaarne heel kleine aardwormen; daarvan groeien
ze snel. Voert ge ze in ’t najaar goed en houdt ge ze ’s winters in een
niet te koud vertrek, dan blijven ze dooreten en doorgroeien; en dan
hebt ge kans, in ’t voorjaar bij de laatste wintervervelling een
volwassen salamander in zijn prachtkleed te zien; wel is ’t dier in ’t
eerste jaar klein van stuk, maar de kleuren zijn al vrij mooi. Honderd
tegen een, dat de larven, die ge bij ’t daphnia-scheppen meekrijgt, er
een is van den gewonen kleinen watersalamander: Triton taeniatus of
Molge vulgaris, de laatste naam is de juiste. Maar mogelijk is het, dat
er een larve bij is van den grooten-watersalamander (Molge cristata of
Kamsalamander); dit is een voor ons land vrij zeldzaam dier. Maar ’t
allerzeldzaamste is de Alpensalamander (Molge alpestris). Deze is een
kwart eeuw geleden (1895) voor ’t eerst in ons land ontdekt, en wel
door H. Beker het zoontje van een apotheker te Breda, later (1896)
heeft Chr. H. J. Raad er een groot aantal gevangen bij Groesbeek. Wie
zulke salamanders vangt, of weet waar ze gevangen zijn door anderen,
moet vooral een briefje schrijven aan „De Levende Natuur” waar ook de
eerste vondsten in vermeld zijn. Schrijf er den naam van mij of van
Thijsse maar bij; doch alleen met „De Levende Natuur” Amsterdam, tot
adres, komt de briefkaart ook terecht.
Die salamanders zijn eigenlijk geen echte waterdieren, alleen in ’t
voorjaar zijn ze in de sloot te vinden, na ’t eierleggen gaan ze aan
land. Eigenlijk hooren ze dan ook niet thuis in sloot en plas; maar de
kans op ’t scheppen van larven is nog al groot, daarom heb ik de drie
soorten maar even voor u geschetst; zoodat ge ze gemakkelijk van elkaar
kunt onderscheiden, als het toeval u eens larven van verschillende
soort in de handen speelt.
Zulke dieren met een dubbel leven zijn er meer in de slooten en plassen
aan te treffen; een poos lang voeren ze een waterleven, om op een
goeden dag het luchtleven aan te vangen. En ’t kost soms moeite, om
menschen, die nu niet zoo veel geleerd en gelezen hebben, te doen
gelooven, dat de larven van zoo’n tweeslachtig dier en ’t dier in
volwassen staat een en hetzelfde wezen zijn.
Vooral tusschen het kroos leven veel van die diertjes in larve-staat,
daar schijnen ze zich veiliger te voelen, dan in de onderste lagen van
’t water.
Ook met de overgebrachte slakkenhuisjes komt er heel wat anders binnen.
Gaat ge zoo nu en dan eens een kwartiertje zitten turen naar het brokje
natuur, waarmee ge uw huis hebt versierd, dan bemerkt ge wellicht een
onverklaarbare beweging in kleine holle rietstukjes, in aan elkaar
hangende blaadjes, in kleine leege of bewoonde slakkenhuizen, die aan
elkaar schijnen te kleven, in de schelpjes van de zoetwatermossels—die
ook al in het aquarium gekomen zijn, zonder dat ge weet hoe—ja,
beweging in zandkluitjes soms.
Die raadselachtige beweging, dat voortglijden of dat drijven van
levenlooze voorwerpen in stilstaand water, houdt op, zoodra ge die
voorwerpen met een stokje aanraakt. Komt ge een dag of acht later nog
eens kijken, dan zijn die rare dingen grooter geworden; de fijne
blaadjes, de mosselschelpjes en slakkenhuizen zijn aan elkaar gegroeid
tot langwerpige buizen, tot kokertjes, tot doosjes, tot nestjes, soms
rond, soms vierkant, soms zeshoekig.
Daar moet ge natuurlijk meer van weten, en dat gelukt al heel gauw.
Kijk, daar komt iets zwarts uit de voorste en wijdste opening van dat 2
cM. lange holle pijpje te voorschijn; een kop, een borst, 6 pooten,
meer niet! Weg is het weer!
Een larve, zegt ge dadelijk; ja, een larve, maar van een bizonder
soort, een kluizenaar, die zijn cel nooit meer dan ten halve verlaat,
althans niet vrijwillig.
En hij heeft die beschutting wel noodig, zijn achterlijf is zoo week,
de chitinehuid is daar zoo dun, dat een enkele hap van een tor of een
stekeltje hem zijn hachje zou kosten.
Daarom steekt hij, even als de kluizenaarskreeft—waarvan ge zeker wel
eens gehoord hebt en die ook zoo’n lastig, week achterlijf heeft—zijn
zwakke zijde in een hulsel, dat niet zoo gemakkelijk is door te happen.
De kreeft doet dat meestal in een gestolen of een gevonden huis van een
zeeslak, een zoogenaamde wulk of kinkhoren—onze kokerlarve is minder
diefachtig van aard: hij bouwt zijn huisje zelf.
De kalk of beter de lijm heeft hij bij zich, en met bek of pooten,
bijt, en kneedt en lijmt hij net zoo lang, tot zijn kluis naar zijn
smaak is. Met een paar haken houdt hij zich achterin vast, en om zijn
achterlijf heeft hij een netje van zilverachtige draden, waartusschen
de noodige lucht wordt bewaard; daartusschen eindigen luchtbuisjes, die
den voorraad aanspreken als het noodig is.
Nu weet ik zeker, dat ge zoo’n phryganide, (dat is de geleerde naam
voor deze belangwekkende diertjes) wel eens uit zijn kluisje zult zien
te krijgen. Dat kan volstrekt geen kwaad, al is het diertje er
volstrekt niet op gesteld. Neem hem apart op een schoteltje. Duw maar
zachtjes met een speldekop tegen zijn achterlijf; wil hij niet dan
steeds wat indringender. Daar is hij er uit! Wat een onbeholpen wezen!
Wip, hij zit er al weer in, met de kop vooruit is hij in zijn schulp
gekropen. Kijk er eens in! Raar hè? Hij zit er toch weer goed in, de
kop voor de opening.
Neemt ge zijn huisje weg, als hij er uit gedreven is, dan zoekt hij
allerlei gezonken blaadjes, stokjes, schelpjes, fijne steentjes, om in
der haast een nieuwe woning te maken. Die is echter lang zoo mooi en
stevig niet als de vorige.
Hebben ze voorraad van bouwstof in voldoende hoeveelheid, dan kiest
iedere soort zijn eigen materiaal en houdt zich steeds aan een vaste
bouworde. En er zijn heel wat soorten, zoodat een verzameling van
phryganiden-huisjes een rijke verscheidenheid kan aanbieden.
Op het plaatje hierbij zijn eenige van de mooiste vormen afgebeeld.
Hier en daar ziet ge kop en pooten van de kokerlarve uit het huisje
steken. Sommigen hebben blijkbaar uitsluitend slakken of
mosselschelpen, anderen uitsluitend plantaardige bouwstoffen gebruikt,
ik vond er een, die geheel van leege beukenootjes was gemaakt.
Hangen over de sloot takken van een elzeboom, dan worden de rijpe,
zwarte proppen ervan ook gaarne als bouwstof gebezigd. De vormen in het
midden van het groote plaatje, komen veel voor; die met levende slakken
en die rechts daarnaast met zoetwatermosseltjes vaak bij elkaar in
dezelfde sloot; de phryganiden links op de teekening komen niet zoo
vaak voor en die het meest naar onder rechts zijn geteekend, zijn ook
zeldzaam, althans in ons land: zij komen meest in snelvlietende beekjes
voor, hun huisjes zijn geheel of ten deele uit zwaardere zandkorreltjes
saamgelijmd; zij zouden dan ook zonder die ballast steeds met den
stroom worden meegevoerd.
Eens werd mij een kokerlarvenhuisje gezonden, dat merkwaardig veel op
een slakkenhuisje leek.
Een natuuronderzoeker uit Tennessee in Noord-Amerika, die het eerst die
leege huisjes vond, heeft heel wat moeite gedaan, om ook de slak ervan
te vinden, tot het hem eindelijk bleek, dat hij met een kunstgewrocht
van een kokerjuffer te doen had; hij ontdekte, dat het huisje uit
zandkorreltjes was gebouwd, en vond later ook huisjes met de larven er
in.
Om een groot aantal kokerlarven machtig te worden, doet ge het best, in
een heldere sloot het net plat op den bodem te houden en telkens op te
halen, als er iets boven de opening komt, dat op een phryganide lijkt,
of ook maar iets dat een beweging heeft, die niet met de strooming van
het water overeenkomt, zoo er al stroom is. Al schijnt het u een dor
blaadje, een stukje afgebeten riet—als het een eigen beweging heeft zit
er leven in.
Tegen den avond van warme dagen kruipen de kokerlarven meestal aan
waterplanten omhoog, om te eten of hun huisje wat op te knappen. Zoover
als zij kunnen, reiken ze daarbij met het lichaam uit den koker; dat is
dikwijls hun verderf, want tusschen die fijne blaadjes van hoorn-of
duizendblad zit de vijand op de loer. Meestal is het een stekeltje, een
kever- of libellenlarve, die hen van verdere zorgen voor het bestaan
ontheft, maar..... hebt ge al wat geoefendheid verkregen in het turen
door het slootwater, dan ontdekt ge tegelijk wellicht weer wat nieuws.
Kijk maar eens goed; dat witte, daar dicht bij de oppervlakte. Net een
bol kwikzilver, niet? Daar nog een, en nog een wat verder op; wat een
groote! Deze lijkt wel een zilveren hazelnoot, en die andere daar een
tafelschel of een glazen klok.
Het is ook een klok, maar van een bijzonder soort: een echte duikerklok
is het. En de duiker is een spin.
Ha, daar heb je hem al, hij heeft een vretende kokerlarve bemerkt. De
spin met zijn zilveren achterlijf wacht eventjes of de phryganide
naderkomt. Neen, die gaat den anderen kant uit. Dan maar er op los! Met
een paar sprongen heeft de waterspin de larve bereikt, en eer deze
onraad bemerkt, is hij aangegrepen en heeft hij een knauw beet; de spin
zet al zijn acht pooten op den rand van de opening van het huisje, een
paar flinke rukken met de kaken en.... de larve is er uit, het leege
huisje stijgt snel naar boven.
De spin met zijn prooi ook: hij zal zijn lekker hapje daar aan de
oppervlakte eens gauw oppeuzelen. Maar daar komt juist een gerande
voorbij, die merkt wat en wendt den steven. „Dat is niet pluis,” denkt
de spin, „zorg jij voor je zelf, als je honger hebt.” Hij duikt met
zijn lekkerbeetje onder en zoekt zijn luchtkasteel in het water weer
op; met zijn buit verdwijnt hij in zijn zilveren klok.
Haalt ge de plant met dien zilveren beker uit het water, dan vindt ge
er niets van terug dan een bosje grijs spinsel; de groote spin, als hij
niet onder de hand ontsnapt is, blijkt ook niet van zilver te zijn;
zijn achterlijf is donzig behaard en muisgrauw. Het was een echt
luchtkasteel.
Brengt ge de spin in het aquarium, dan is hij oogenblikkelijk weer het
mooie dier van te voren. Al heel gauw begint hij een ijl web in het
water te spinnen, haalt wat luchtbellen van de oppervlakte en bouwt
opnieuw zijn luchtige woning; met een paar draden belet hij de
luchtmassa weer op te stijgen. Komt er in het aquarium niet veel in het
net of in de luchtval zelf, dan gaat hij al spoedig op jacht.
Soms behelpt zich deze spin op vreemde wijze; bemerkt gij in uw
aquarium een groot, schijnbaar leeg slakkenhuis, dat met de punt naar
boven door het water zweeft, of op den bodem heen en weer wiegelt, dan
kunt ge er zeker van zijn, dat onze waterspin daarin zijn domicilie
heeft gekozen.
Nadert de winter, dan zoekt hij meestal zoo’n groote slak op, eet zich
zat, eigent zich daarna ook het huis toe, verzekert zich tegen inbraak
door een dicht web voor de opening te spinnen en verslaapt zoo den
barren wintertijd.
In het voorjaar en soms weer in het najaar maakt hij aan zijn
luchtwoning een zijvertrek, waarin hij zijn eieren onderdak brengt;
misschien bemerkt ge, als gij bij toeval ook een mannetje in het
aquarium hebt gekregen—die zijn veel grooter, net andersom als bij de
landspinnen—dat twee, soms drie luchtklokken door overdekte luchtgangen
met elkaar zijn verbonden.
Maar we zouden door dien ijdelen zilverschijn aangetrokken, geheel en
al vergeten, dat we bezig waren, kokerjuffers te verzamelen.
In den zomer, of als het mooi voorjaar is geweest, al in het laatst van
Mei of in het begin van Juni, vindt ge weinig phryganiden meer bij den
bodem, dan hebben de larven zich al weer verpopt. De opening van hun
huisje is met een luchtig geweven netje gesloten, (aan het bovenste der
meeste kokertjes is deze sluiting duidelijk te zien) en nu hebt ge veel
meer kans, de huisjes te verkrijgen, door de oppervlakte van de sloot
aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen.
Ze drijven thans met den zwakken stroom mee, of hangen in stilstaand
water tusschen drijvende waterplanten. Let op alles, wat ge ziet en
niet dadelijk herkent.
Daar komt al wat aandrijven; haal binnen jongens! Net een plat stokje!
En dat ding daar ginds? Wacht maar, het drijft hier heen; dat lijkt wel
een miniatuur rat met een flinke staart. Zouden dat ook kokerlarven
zijn?
Kijk eens, ze bewegen zich allebeide; al zijn er nu ook wel beweeglijke
poppen onder de insecten, de huisjes van de kokerlarven leven toch zelf
niet. Dit zijn dus geen phryganiden. Wat dan wel?
Ja, wat zal ik zeggen, de latijnsche namen klinken zoo geleerd; wij
jongens noemen ze eenvoudig „rotjes en stokjes”; en die beide
zonderlinge diertjes waren indertijd voor ons de geheimzinnigste
wezens, die er bestonden. Wij hadden er wel eenig vermoeden van, dat
het larven waren van een of ander waterdier, maar al onze zorgvuldige
pogingen, om het volkomen dier uit de larven te verkrijgen, mislukten
steeds; de rotjes, zoowel als de stokjes stierven, of verdwenen op
raadselachtige wijze, zonder dat er ooit een kever in het water
verscheen; ja, wat ons nog meer van de wijs bracht, zonder dat ooit
ergens de pophuid te vinden was.
Menschen, die wij dachten, dat het weten moesten, en die wij er naar
vroegen, noemden ons wel een Latijnschen naam; maar die was vijf
minuten later alweer half vergeten en om den naam alleen was het ons
toch ook niet te doen; wij begeeren er meer van te weten.
Bij dat begeeren is het gebleven, althans bij mij, tot ik al lang niet
meer op de schoolbanken zat; tot ik nog maar een enkelen keer, bij
toeval door het ontmoeten van een schoolkameraad uit dien tijd of bij
het studeeren in dikke boeken, herinnerd werd aan de prettige jaren,
toen wij ruilhandel dreven in allerlei naturaliën, waarbij een „rotje”
de vaste waarde had van een geheel gave pikzwarte en het „stokje” nooit
minder gold dan een zeldzame phryganide.
Op een warmen zomerdag moet ge eens opletten, hoe vele en hoe
verschillende insecten zich laven aan de open tafel, die de groote
schermbloemen voor hun welkomen gasten klaar zetten.
De viervleugelige hommels en bijen komen er zelden, die kunnen met hun
lange slurf gemakkelijker honing putten uit diepe beker- of klokvormige
bloemen; voor tweevleugelige insecten, met hun korten snuit echter, is
de open schermbloem een luilekkerland.
Ziet ge daar op die bloem die groote, mooie bij in zijn zwart en geel
pakje?
Pak hem eens! mis, hè? Neen, zoo gemakkelijk laat een zweefvlieg zich
niet vangen. Kijk, daar staat hij stil in de lucht, zijn vleugels zijn
in zoo’n snelle beweging, dat ze haast niet meer te zien zijn; ’t is of
het diertje met de pooten naar beneden in de lucht hangt aan een
onzichtbare draad—daar schiet hij als een pijl uit den boog, regelrecht
op de bloem af, waarvan ge hem zooeven hebt verjaagd. Hij zit in het
vlindernet, neem hem gerust met de vingers er uit; het lijkt wel een
gevaarlijke bij, en hij maakt wel van die gelijkenis gebruik, maar het
is er geen; zie maar, het mooie diertje heeft maar twee vleugels, en
zulke insecten hebben geen angel.
Daar zit nog zoo’n zweefvlieg, die is weer anders geteekend en niet zoo
harig; zijn borst is overlangs goud geel gestreept, ook zijn achterlijf
is, maar overdwars, van zulke streepen voorzien. Ook een mooi diertje,
niet?
Nu, die twee mooie zweefvliegen en nog andere soorten, die soms ver van
de sloot tusschen groen en bloemen leven, waren verleden week nog
grauwe rotjes met langen staart.
Dat rotje is met kleine pootjes, die ge misschien nog niet eens hebt
opgemerkt, tegen den slootkant op gekropen,—een heel eind ver het
weiland in, of de dijkhelling op. Daar verschrompelde de lange staart,
waarmede hij in ’t water lucht van de oppervlakte haalde; en in de
plaats daarvan kwamen een paar oortjes te voorschijn, die denzelfden
dienst in de lucht deden. Zoo bleef het weeke, vieze rotje een dag of
wat liggen, grauwbruin als de aarde tusschen het gras, ongezien en
ongedeerd. Toen brak opeens het topje af, en een sierlijke,
wondervlugge zweefvlieg zag het levenslicht. Over een dag of veertien
keert hij, „si Dieu lui prête vie” van de bloemen naar de sloot terug,
om op een of andere waterplant eieren te gaan leggen.
En dat stokje? Als ge de teekening op blz. 107 goed bekijkt, kent ge al
een groot deel van zijn levensgeschiedenis. Het is ook al de larve van
een vlieg, (maar nu geen zweefvlieg) die ons in gedachten van de sloot
naar de bloemrijke weide of dijkberm voert.
Die vlieg heeft een bijzonder plat, staalblauw of bronskleurig
achterlijf, waarop een gele of roodachtige teekening voorkomt, die bij
een paar soorten, wel wat op een wapenschild met ruiten of dwarsbalken
lijkt. Ze worden dan ook wel wapenvliegen genaamd. Midden op de
teekening ziet ge de larve, voordat hij een stokje werd; hij is net
bezig met zijn staartpluimpje lucht op te doen voor de reis naar den
bodem; als hij straks onderduikt, neemt hij een flinke bel mee tusschen
de naar binnen hol gebogen franjes.
Als hij volwassen is, gebruikt hij die twee hoornige haakjes aan zijn
kop, om tegen den kant op, en verder het weiland in te kruipen; soms
verpoppen deze larven zich ook wel in het water, zoo’n pop is dan net
een grijs stukje hout. Maar hoe stijf zoo’n ding ook lijkt, het kan
zich toch met S-vormige slingeringen vrij snel over het water bewegen,
tot het den kant heeft bereikt, om daar uit te rusten. Wat er in zoo’n
stokje zit, ziet ge links op de teekening, onder de vlieg.
Ja, nu hebben we wel kennis gemaakt met rotjes en met stokjes, maar
geen verpopte kokerjuffers gevonden. Dat gebeurt wel meer, op het
zoeken volgt voor den natuurvriend wel altijd het vinden, maar wat hij
vindt, is lang niet altijd, wat hij zocht.
Hier was daarvoor een goede reden: de phryganiden komen maar zelden
voor in de slooten, waarin rotjes drijven; deze dieren houden meer van
modderige slooten zonder veel waterplanten, dicht bij woonhuizen
gelegen, net als hun naamgenooten, de echte waterrotten.
Laten we liever die andere sloot eens afzoeken: die is veel helderder.
Daar drijven er al eenige; neem ze mee naar huis en kijk elken dag, of
ge ook vlinderachtige, bruin, en wit gevlekte diertjes op den steen in
uw glazen bak of op het rotsje in het aquarium ziet zitten; dat zijn de
uitgekomen kokerjuffers. Zulke vlindertjes, waar- of schietmotten
heeten ze ook wel, vliegen tegen den avond soms bij duizenden door het
hooge gras in de buurt van het water.
Als ge het wilt, kost het u niet veel moeite, van den slootkant af
zoo’n kokerjuffertje, dat pas is uitgekomen op zijn drijvend huisje te
zien zitten; het wacht zoo het ontplooien en het drogen van de vleugels
af; waagt het diertje het, te vroeg te gaan vliegen, dan valt het in
het water en spartelt, angstig fladderend, rond.
En voor dien angst is reden genoeg; die groote kikker zal er op los
gaan; zijn groote domme, uitpuilende oogen staren ouder gewoonte eerst
een poosje het vreemde ding aan, eer hij besluiten kan, toe te
happen,—daar zal het komen:—te laat, een draaikevertje en een
schaatsenlooper hebben, ieder aan een kant, het ongelukkige juffertje
beet gepakt, en snellen er mee heen; de schaatsenlooper wil niet los
laten, hij sleept het torretje mee; daar scheert een zwaluw over het
watervlak: kokerjuffer en schaatsenlooper verdwijnen samen in één
wijden bek. Het draaitorretje is nog net bij tijds snel ondergedoken,
het heeft ook niet voor niets vier oogen, waarvan er twee naar boven in
de lucht, en twee naar onder in het water kijken.
Ge moet wat schaatsenloopers en draaitorren in uw aquarium houden, dat
geeft heel wat leven aan de oppervlakte. De schaatsenloopers moet ge
niet in een flesch met water, maar in een doosje meenemen, anders zijn
ze verdronken, vóór ge thuis komt.
Door het schudden van de flesch raken ze onder water, en daar kunnen ze
niet tegen; ze zijn er op ingericht snel over het water te loopen, maar
er in geraken is hun dood. Op blz. 41 is er eentje te zien.
De draaitorretjes kunnen het onder water wel uithouden; net zoo goed
als aan de oppervlakte; onder de loupe kunt ge een van de oorzaken van
hun verbazende vlugheid vinden: hun middel- en achterpooten zijn bijna
geheel en al vinnen.
Voor het geval, dat ge eens een verzameling waterkevers wilt aanleggen
of wanneer ge den juisten naam van een gevangene wenscht te kennen,
hebt ge veel uitgebreider werk noodig dan dit boekje; dan moet ge
determineeren; daarbij is nauwkeurig kijken en vergelijken de
boodschap; vooral het aantal klauwtjes aan de laatste tarsen geeft
verschil in soort aan.
Nu zal het u wel eens, even als mij, overkomen, dat men u heel
welwillend waarschuwt, toch vooral niet met den mond boven de sloot te
komen, omdat de gassen, die daaruit opstijgen, uw gezondheid kunnen
benadeelen. ’t Is wel mogelijk, dat dit even als koffie een vergif is,
maar dan toch een heel langzaam.
Waarschijnlijk heeft niemand ooit meer met zijn neus boven slootwater
gezeten dan onze oude bekende Antony van Leeuwenhoek, en die is
een-en-negentig jaar geworden.
E. Hs.