I.

Het is voor het late uur nog buitengewoon levendig aan den buitenkant

te Amsterdam. Wel zijn de meeste winkels reeds gesloten, want het is

reeds zeven uur, en kunstlicht is duur in het midden der 17de eeuw;

maar de Mei-avond is zoo zoel en zoo verleidelijk helder, dat de

winkeliers en hun bedienden zich gerept hebben, om de luiken voor de

ramen te krijgen, en nu met vrouw en kinders, met vrijster, zuster of

kameraden, nog een luchtje komen scheppen aan het heerlijke, koele IJ.

Zoo drentelen, kalm en deftig in de wandelpas, talrijke groepjes, soms

uit een geheel huisgezin bestaande, uit alle straten der stad den

Buitenkant op.

Een der weinige winkels, die nog verlicht zijn, schijnt een bijzondere

aantrekkelijkheid te hebben; want de meeste wandelaars wijken, op de

hoogte van de Monckelbaens-brug gekomen, van de middelstraat af, zoodra

ze dat huis naderen; ze vormen een opeengepakte massa kijkers voor de

vensters, zoodat de breede stoep nog te smal is, voor zoo vele

nieuwsgierigen; de achterstaanden wachten dan ook maar, tot de voorsten

genoeg gezien hebben en opschuiven, om ook hun een kijkje te gunnen.

Toch is het geen winkel, die door schitterende uitstalling koopers kan

lokken: het is een gewone apothekerswinkel; maar iedereen weet, dat

meester Swammerdam uit de apotheek „De Star” een liefhebber van de

natuurlijke historie is, dat hij door kennissen op de schepen uit Oost

en West allerlei vreemde dieren en planten laat meebrengen; en

tevens—dat hij die dieren, opgezet of op sterk water—voor zijn vensters

plaatst, behoorlijk voorzien van naam en toenaam; ja soms met een

korte, duidelijk geschreven, meestal wonderbaarlijke levensgeschiedenis

van het dier erbij.

Van avond moet het al heel iets bijzonders zijn, dat de apotheker heeft

ten toon gesteld; want zij, die een goed plaatsje hebben, blijven,

ondanks de warmte in het gedrang voor de ramen plakken, en het

vriendelijk verzoek van den meester zelf is noodig, om hen te doen

besluiten, eindelijk ook eens plaats te maken voor anderen.

En toch heeft hij ditmaal geen opgezette paradijsvogels, geen apen,

slangen of jonge kaaimans ten toon gesteld. Wat zoo elks aandacht

boeit, is de inhoud van een groote glazen bak, bijna geheel met water

gevuld; in het midden is hij van een puimsteenen rotsje en een kunstig

bedacht fonteintje voorzien.

De voorzijde van die bak is vlak tegen het venster geplaatst; van

achter en van terzijde schijnt het licht van een paar vetkaarsen door

het groenachtige water heen, en uit dat geheimzinnig schemerduister

komen zich van tijd tot tijd, tusschen waterplanten en schelpen door,

aller-wonderlijkste gedrochten aan de oogen der gapende kijkers

vertoonen.

Daar verschijnt met gelijkmatigen pootslag als volleerd roeier, een

groote geelgerande kever en maakt jacht op de larve van een mug of een

libel; een bloedzuiger kronkelt als een platte slang langs het venster.

Salamanders met rood en zwart gestippelde buik en sierlijk gekamden

rug, rijzen en dalen statig op en neer, of schieten plotseling vooruit,

als zij merken dat een nijdig-kijkend, roodborstig vischje, met drie

vinnig-opgezette stekels op zijn rug, het op hun staart gemunt heeft.

En reusachtige pikzwarte tor, die door het water nog grooter schijnt,

dan hij is, doemt eensklaps uit het duister op, om even aan de

oppervlakte te verschijnen en dan snel trappelend, als liep hij door

het water, tusschen het kroos of achter het rotsje te verdwijnen.

Tusschen het fijne loof van een sierlijke waterplant is een groote spin

bezig, zijn zilveren luchtpaleis te bouwen. Op den bodem glijden

kokerjuffers in hun wonderlijke kluisjes langzaam over de schelpen en

het kiezelzand voort, en tusschen dat alles door krielt en wiemelt het

van kleine en groote larven, draaitorren, bloedspinnetjes.

De uitroepen van verbazing, die dit schouwspel aan de kijkenden

ontlokt, getuigen van de nieuwheid van zulk een tooneel. Geen wonder:

een aquarium was in die tijden iets ongeziens en ongehoords; en de

bewoners ervan waren aan de meeste Amsterdammers toen zeker minder

bekend dan de tijgers, de apen of de vogels van onze Oost-Indische

bezittingen.

De meester heeft dan ook voldoening van zijn werk; zijn opgeruimd

gezicht, de bereidwilligheid, waarmede hij alle vragen, de allerdwaaste

soms, beantwoordt, bewijzen, dat hij er een genoegen in schept, zijn

kennis aan anderen mede te deelen; en ook, dat het niet uitsluitend een

17de eeuwsche reclamezucht was, die hem het aquarium voor zijn venster

deed plaatsen, maar in hoofdzaak de liefhebberij van een man, die

gaarne eens ziet, dat anderen met bewondering komen kijken, naar

hetgeen hij alzoo heeft verzameld.

Het heeft reeds een tijdlang zijn aandacht getrokken, dat één van de

vele nieuwsgierigen al buitengewoon geboeid schijnt te worden, door wat

de meester heden avond ten beste gaf. Het is een knaap van een jaar of

vijftien, zestien. Zijn neus is tegen het vensterglas gedrukt. Zijn

oogen trachten tot in het donkerste hoekje van het aquarium door te

dringen; kijk, zij glinsteren, als er weer wat nieuws uit de diepte

komt verrijzen. Vragen doet hij zelf niet, maar als hij een van de

kijkers aan meester Swammerdam hoort vragen, hoe hij al die beesten zoo

levend uit de Oost heeft over kunnen krijgen, komt er een glimlach op

zijn gezicht.

Dit is den apotheker niet ontgaan. Al meer dan eens heeft deze hem op

den schouder getikt en hem vriendelijk verzocht, niet al het nieuws op

eens te willen afneuzen en een ander ook eens een kijkje te gunnen. Dan

ging de knaap, den blik onafgewend, alsof hij er niet van scheiden kon,

op zijde; maar een poosje later was hij van den anderen kant weer naar

voren gedrongen en verdiepte hij zich op nieuw in de beschouwing van

die geheimzinnige dierenwereld.

De meester uit „De Star” zei niets meer, en liet het geworden. Toen hij

eindelijk zijn zoon last gaf, de kaarsen, die op hun eindje stonden, te

dooven, trachtte de hardnekkige kijker nog een oogenblik door te

dringen in het nu geheel duistere water, en keerde zich daarop af, om

heen te gaan.

Maar Swammerdam hield hem staande en vroeg hem, hoe hij zijn

uitstalling vond.

Met schuchteren blik zag de knaap den vriendelijken meester aan; het

was of hij droomde, en nog steeds de wonderlijke schepselen van zooeven

voor zijn oogen zag bewegen. De meester herhaalde zijn vraag, terwijl

hij zijn pijp stopte en zijn hoed opzette, om ook nog even lucht te

gaan happen aan den IJ-kant.

„Staat het er morgen ook nog?” klonk zacht de wedervraag.

„Zeker, mijn jongen, en al staat het er niet meer, omdat ik de kast

noodig heb voor zalfpotten en poederdoozen, kom dan gerust den winkel

binnen. Ik heb nog heel wat grooter en mooier dieren in huis. Jij hebt

zeker niet gedacht, dat al die dieren uit de Oost waren gekomen, wel?”

„Neen, meester, dat niet, dat begreep ik wel; maar ik wist toch niet,

dat er zooveel verschillende dieren in onze slooten leven, zoo dicht

bij ons, vóór ik het u hoorde zeggen.”

„Nu, goeden avond. Ja.... hoe heet je?”

„Antony, meester; Antony van Leeuwenhoek.”

„Wel, Antony, kom zoo vaak je wilt naar het levende water kijken; maar

je zult er nu toch al wel alles van gezien hebben, wat er aan te zien

is; je hebt er de oogen haast niet afgehad!”

„Ja, maar ik zou er graag nog meer van willen weten. Wat die dieren de

heele dag doen; hoe ze eten, ademhalen, zich voortbewegen, hun prooi

vangen; en ik zag nog zooveel, dat ik niet goed begrijp!”

„O, staat zoo de zaak; dat doet me genoegen. Maar wat doe je eigenlijk

voor de kost? Je moogt er je werktijd niet aan opofferen.”

„Ik ben op een lakenwinkel, meester, ik heb na den middag dikwijls

vrijaf, en ik ben hier heel alleen, mijn familie woont in Delft.”

„Wel, Antony, je komt goed bij mijn zoon Jan; die houdt ook bijzonder

veel van het bekijken van planten en dieren. Jij bent wel een paar jaar

ouder dan hij, schijnt het, maar dat zal er wel niet veel toe doen. Hij

wil er morgen middag alleen op uit, de boel wat aan te vullen. Hee,

daar is hij net! Jan, hier heb je een kameraad, die je helpen wil, om

waterdieren te onderhouden. Maak maar even kennis met elkaar. En dan

naar bed, Jan. Dat zou ik jou, Antony, ook maar raden, al staan je

oogen nog helder. Kom morgen maar terug.”

Dat was aan geen doove gezegd. Na deze kennismaking was Antony van

Leeuwenhoek een trouwe bezoeker van de apotheek „in de Star” en waren

hij en Jan Swammerdam onafscheidelijke kameraden.

Te zamen verzorgden zij het aquarium van den apotheker, te zamen gingen

zij tochtjes doen in de omstreken van hun woonplaats, om nieuwe planten

en dieren te zoeken. Maar bij zoeken en vinden bleef het niet. Antony

vooral moest overal het fijne van hebben. Ongelukkig kon de apotheker

de beide jeugdige liefhebbers maar zelden op hun vragen een antwoord

geven, dat aan hun weetgierigheid voldeed. De jongens deden ook zulke

zonderlinge vragen: „Waarom zou toch die groen-zwarte kever, met die

gele randen om de dekschilden, telkens met zijn achterlijf boven komen?

Als het te doen was om adem te halen, waarom deed dan die groote

pikzwarte tor het telkens met een van de sprieten?” Of wel: „Waarvan

zouden toch de kleinste diertjes, die wij zien kunnen, leven? Zouden er

in het water nog weer kleinere zijn, die wij niet kunnen zien?”

De jongens maakten het den meester lastig, en zij besteedden er meer

tijd aan, dan Jan’s studiën en Antony’s ambacht gedoogden, meende hij.

Hij vreesde, dat hun beste leertijd verloren zou gaan, met—zooals hij

zich eens uitdrukte—„dat waarnemen van saken, daar niet een duyt winst

van quam, en die niets aenbragten van dat, hetgeen noodsakelijk was om

te leven.”

Och, had meester Swammerdam maar eens even in de toekomst kunnen lezen,

zooals wij in het verleden, dan zou hij in die twee jongens, die daar,

peinzend over allerlei raadselen, in het troebele water van het

aquarium tuurden, twee beroemde mannen gezien hebben, die eens de

geheele geleerde en ongeleerde wereld zouden verbazen met het antwoord,

dat zij zelve gaven op vele van de vragen, die zij als kinderen tot den

apotheker richtten.

Jan Swammerdam en Anthony van Leeuwenhoek!

Had hij het mogen beleven, hij, die al zooveel meende te weten, den

Bijbel der Natuur te lezen, waarin de wonderbaarlijke onderzoekingen en

ontdekkingen van zijn zoon Jan zijn beschreven! De apotheker heeft het

niet voorzien, toen hij Antony van zijn aquarium joeg en weer naar den

lakenwinkel zond, dat die eenvoudige bak met slootwater, de eerste

aanleiding zou zijn, om het Nederland der 17de eeuw een beroemd man

rijker te doen worden.

Zoo beroemd nog bij zijn leven, dat uit alle deelen van Europa de

geleerden en vele belangstellenden in de wetenschap der natuur, de reis

naar Delft deden, om het voorrecht te genieten, Antony van Leeuwenhoek

te spreken over zijn ontdekkingen; eens te mogen kijken door de

microscopen, die hij zelf vervaardigd had, en waarmede hij een wereld

van nooit gekende levende schepselen aan het licht bracht;—hij de

nederige kamerbewaker, die jaren lang voor 6 gulden in de week de

raadszaal reinigde en de kachel van den burgemeester stookte.

Bijna alle toenmalige vorsten van Europa, ook onze stadhouder Willem

III, achtten het niet beneden zich, hem in zijn studiekamertje te komen

bezoeken, om zich de nieuwe wereld te doen toonen. Ook Peter de Groote

kwam met zijn trekschuit; om alles op zijn gemak te kunnen zien en te

hooren uitleggen, noodigde hij Leeuwenhoek bij zich aan boord. Peter de

Groote luisterde gretig en keek lang en aandachtig door het microscoop.

„Waar is dat ding van gemaakt?” moet Peter gevraagd hebben, terwijl hij

het geheimzinnig instrument voorzichtig in de hand nam.

„Van blik en koper,” antwoordde Antony verwonderd.

„Maak ze dan van nu af van goud en zilver!” zei Peter, en Leeuwenhoek

maakte er werkelijk meer dan één van goud of van zilver. Een paar er

van moeten nog ergens in ’t Britsche Museum te Londen schuilen.

Twee eeuwen zijn sedert verloopen en nog dikwijls wordt er door de

hedendaagsche geleerden voortgebouwd op de onderzoekingen van

Leeuwenhoek en Swammerdam.

Wel is er na Leeuwenhoek en Swammerdam veel, ook in ons land,

onderzocht en ontdekt in het maaksel en het leven van de kleinere, en

de kleinste waterdieren vooral. Bij tegenwoordige microscopen

vergeleken, waren die van Leeuwenhoek en Swammerdam dan ook maar

kinderspeelgoed.

Het zal nu ook zoo licht niet meer gebeuren, dat iemand beroemd wordt,

door het bestudeeren van een glas slootwater of van het leven in een

aquarium. Toch is er nog nieuws genoeg in te ontdekken, al is het juist

niet bij de allerkleinste dieren en planten. Ook de waarnemingen van

een liefhebber kunnen waarde hebben voor de wetenschap, hij kan feiten

aangeven, waarvan de geleerden partij trekken.

Maar niet om roem of eer moet de natuur bestudeerd worden; dat deden de

groote natuurvorschers ook maar zelden. Als Leeuwenhoek er niet half en

half toe gedwongen was geworden, zou hij zijn ontdekkingen zelfs niet

bekend hebben gemaakt. Hij studeerde voor zijn genoegen. Dikwijls moest

men de hulp van zijn dochter inroepen, om iets van zijn werken gewaar

te worden.

Voor eigen genoegen werkte ook Swammerdam, zoodat eerst de beroemde

Boerhave de wereld moest in kennis stellen, met hetgeen Swammerdam had

gewrocht.

Voor eigen genoegen—dat moest ze blijven, die innige omgang met de

natuur, deze studie, die geen studie schijnt—een opwekkend tijdverdrijf

in vacanties, een liefhebberij voor hen, die nog niet of niet meer voor

hun levensonderhoud hebben te zorgen.

En het is zoo gemakkelijk, zich zelf in te wijden in de geheimen van de

natuur onzer woonplaats. Met een weinigje voorlichting, wat toewijding

en eenig zakgeld, kan men het zoovér brengen in de kennis der schepping

om ons heen; wat ons weer een dieper inzicht in het geheel kan

verschaffen.

Weinig jongens in hun laatste schooljaren zijn er tegenwoordig, die

niet weten, dat tusschen het groen tapijt van eendekroos en de veen-,

zand- of kleibodem van elke sloot een wereld van planten en dieren

leeft, zoo rijk aan vormen, zoo wonderlijk in levenswijze, dat alleen

het lezen er van in het schoolboek, en het zien er van in afbeeldingen

de lust wekt er meer van te weten, en de begeerte doet ontstaan naar

het zien in de werkelijkheid.

Bij de begeerte blijft het meestal, want de levende sloot, hoewel in

ons land overal nabij, is maar zelden doorzichtig, en het duurt

zoolang, eer er eens wat te zien komt aan de oppervlakte; eenige

schaatsenloopers, vlugge insecten, die met hun lange, daartoe

merkwaardig goed ingerichte pooten over ’t water voortsnellen, of het

spiegelglad ijs was; een dozijn draaitorretjes, in ’t zonlicht

glinstrend, als nieuw staal met zilver, die er hun sierlijke, soms vrij

regelmatige dansen uitvoeren en daardoor ieders aandacht trekken—maar

dit is ook zoowat alles, wat in de meeste gevallen van den kant af te

zien is.

Wie er werkelijk wat meer van leeren en genieten wil, moet zich—zooals

met alles wat de moeite van het leeren en genieten waard is—eenige

inspanning en, jammer genoeg in dit geval, wat kosten kunnen

getroosten. Vóór alles heeft men een stevig schepnet noodig. Wie

daartoe een gewoon vlindernetje gebruiken wil, heeft vaker

teleurstelling dan een goede vangst te wachten. Koop in een ijzerwinkel

een meter van het dikste ijzerdraad, dat ge krijgen kunt; en laat dat

even op ’t aanbeeld, dat in zulke winkels steeds voorhanden is, buigen

tot een ring met twee stelen. Zoo’n stuk kost hoogstens 10 cent.

Die beide stelen, die samen het handvat van den ring vormen, moeten

minstens een decimeter lang zijn, zoo blijft er voor den ring een

middellijn van ongeveer 2½ d.M. over; reken maar na. Meestal is het

ijzerdraad zoo koppig, dat men het alleen met kracht tot een ring kan

sluiten, en dat is juist een deugd en een voordeel, zooals straks zal

blijken.

Neem nu uw zuster in den arm, en laat haar aan den ring een zak van

sterk neteldoek of gaas van het grofste soort naaien; stramien- of

borduurgaas is nog beter, maar ook duurder. De zak moet ongeveer 3 d.M.

diep worden. Bind daarna het net met het handvat stevig aan een langen

stok en probeer, of ge het terug kunt buigen van de stok zijwaarts af;

gaat dit niet zonder groote krachtsinspanning, dan is alles in orde.

Wie dik in zijn zakgeld zit, of wie met flinke kameraden een

maatschappij op aandeelen kan vormen, doet beter, zich een 2 à 3 Meter

lange bamboe aan te schaffen, met een koperen band om het holle

boveneind; die is voor 30 à 40 cent te koop in elken winkel van

visscherijgereedschappen. Maar zie toe, dat men u geen suikerriet in

plaats van bamboe in de handen stopt; bamboe is onbreekbaar, suikerriet

is veel lichter en ook goedkooper, maar krijgt heel licht

lengtebarsten, scheurt op, of knapt af: water en vooral slootwater is

zwaarder dan ge meent. In het boveneind van de holle bamboe steekt ge

nu de beide, niet saamgebonden, stelen van de ijzeren netring; dat gaat

met moeite, maar de veerkracht waarmee de ring zich ontspannen wil,

doet de stelen dan ook zoo stevig in de holte vastklemmen, dat verdere

bevestiging meestal overbodig is. Bovendien heeft men zoodoende ook het

gemak, dat men, zonder touw of schroeven te gebruiken, het net van de

stok kan nemen, wanneer men wil.

Zie nu eenige flesschen te krijgen met korten, wijden hals,

inmaakflesschen; in comestible-winkels worden Engelsche dropsflesschen

voor een cent of tien verkocht; die zijn zeer geschikt om mee te nemen.

Een touw om den hals dient als hengsel.

Zorg nu ook thuis een paar goudvischkommen van de grootste soort gereed

te hebben, en uw uitrusting is in optima forma. De jacht is gemakkelijk

en ik verzeker u, dat ge nooit platzak, of in dat geval juister

„leegflesch” thuis zult komen.

En nu, de eerste de beste Woensdag- of Zaterdagmiddag van het voorjaar,

gaat ge uw kameraden, die meebetaald hebben, halen voor de partij.

Maar ook als ge alles alleen hebt moeten bekostigen, is het, om

verschillende redenen, aan te raden, nooit alleen er op uit te gaan.

In ’t eerst zal dat misschien wat gekibbel geven, omdat de één het net

te lang in gebruik houdt, en de ander die vervelende flesch niet

zoolang wil dragen, maar dat went wel en leert inschikkelijkheid.

Begin met een sloot, waarin niet te veel waterplanten groeien en die

tevens niet vlak langs een menschelijke woning loopt. En thans de

eerste schep! Niet diep en niet lang, maar vlug door het water

strijkend! kroos en andere drijvende waterplanten er in laten glippen!

haal op en stort den inhoud (het volle net omgekeerd door den ring

laten vallen), op een kale plek in het gras of anders op den weg uit.

Met een stokje in de linkerhand nu snel het kroos en de andere planten

uitgespreid, en met de rechter alles wat leeft in de meegebrachte

flesch geworpen. Daarin is te voren een beetje slootwater geschept en

hij is stevig tusschen het gras vastgezet. Nog een paar scheppen, en ge

moet al heel ongelukkig zijn, of in de flesschen krioelt het door

elkaar, dat het een aard heeft. Vul de flesschen aan met kroos en

andere kleine drijvende planten en dan, als het erg zonnig is, vlug

naar huis. Doe vooral niet te veel water in de flesch.

Daar is het eerste werk het net uit te spoelen en te drogen hangen en

het tweede de buit te onderzoeken en over de goudvischkommen en de

flesschen te verdeelen, die voor de helft met schoon water zijn gevuld.

Er komt nu veel meer voor den dag, dan ge meent gevangen te hebben;

want tusschen de waterplanten waarmede de flesschen zijn aangevuld,

krioelde het van kleingoed, dat op het droge niet in het oog viel.

Breng niet meer kroos of planten in elke flesch, dan noodig is, om de

oppervlakte losjes te dekken en laat alles een poosje rustig staan,

niet in de zon; ga nu uw handen flink met zeep wasschen en dan begint

de studie.

„Ja,” zullen wellicht vele van onze lezers denken, „dat is

gemakkelijker gezegd dan gedaan, maar we kennen niet eens de namen van

al die vreemde dieren en planten en ’t wiemelt zoo door elkaar, dat er

geen oog op te houden is; zoo gaat het nauwkeurig bekijken niet licht.”

Dat is zoo; als men van die dingen weinig of niets weet, valt het

onderscheiden moeilijk, en iedere jongen heeft ook niet zooveel tijd en

volharding als de twee vrienden Jan en Antony van zooeven. Toch is het

mijn plan niet, u op het rijtje af de levensgeschiedenis van alle

dieren, die ge daar op de vensterbank hebt staan, te vertellen, of stuk

voor stuk hun uiterlijk te beschrijven. Dat gaat ook niet aan, want het

is mogelijk, dat ge, vogels en zoogdieren uitgezonderd van alle orden,

waarin de geleerden de dierenwereld hebben verdeeld, vertegenwoordigers

onder de oogen hebt; van de insecten de meeste, maar ook van de

kruipende dieren, van de schaaldieren, van de weekdieren en van wat al

meer. Als ik u alles vertelde, zou er ook voor eigen waarneming niet

veel overblijven, en daarom is het toch eigenlijk te doen.

Het beste zal zijn, u van eenige veel voorkomende diersoorten een

uitvoerige vorm- en levensbeschrijving te geven, die u tot steun kan

strekken bij het nagaan der overige; zoo ter loops komen dan de meeste

andere wel ter sprake, want van de één vertellen, zonder vele andere te

noemen is niet mogelijk; door hun levenswijze staan al die

slootbewoners zóó nauw met elkaar in verband, dat het wel schijnt, of

de één alleen geschapen is, om de ander het leven mogelijk te maken.

Bovendien zullen u de plaatjes wel met de meeste, al is het dan ook

oppervlakkig, bekend maken.

Het moet al een erg doode sloot zijn geweest, waarin ge uw eerste jacht

hebt gehouden, of onder de buit bevindt zich één, of wellicht meer dan

één, groote, donker olijfgroene kever. Dat ge aan een niet al te klein

insect kunt zien of het een kever is, moet ik nu maar aannemen;

trouwens de harde schilden, die de bovenzijde van het achterlijf en

daarmede de vleugels bedekken, zijn een vrij gemakkelijk kenmerk van

verreweg de meeste kevers; die worden daarom immers in de leerboeken

ook schildvleugelige insecten genoemd.

Ga nu na, of de groote kever, die ge gevangen hebt, met de volgende

beschrijving overeenkomt; dit is meer dan waarschijnlijk, want de

kever, die ik bedoel, de Gerande Waterkever, komt bijna overal voor.

Zonder hem af in een klein fleschje, voor ’t gemakkelijk vergelijken

(fig. bl. 7).

Zooals gezegd is; zijn kleur is olijfgroen, bij zwart af, hij glanst in

de zon met een paarsen of rooden weerschijn; zijn lengte is ongeveer 3

c.M.; zijn breedte zal er 2 zijn; veel meer niet, of het is een andere

soort. Al dadelijk zal u zijn naam verklaard zijn, wanneer ge let op de

gele omlijsting van het borstbeeld; de dekschilden zijn niet geheel

door den gelen band omgeven: die wordt smaller naar den top der

schilden, dat wil zeggen naar de punt van het achterlijf, en verdwijnt

even voor de grootste breedte.

Die dekschilden geven een middel aan de hand, om de wijfjes van de

mannetjes te onderscheiden. Bij de mannetjes zijn ze namelijk glad en

glanzend; bij de wijfjes daarentegen wordt die glans verdoofd door een

aantal groeven of voren, die van het borstbeeld af evenwijdig met de

vleugelnaad loopen en naar het achtereind toe steeds ondieper worden;

zoodat ongeveer een derde der schilden, van de punt van het achterlijf

gerekend, ook bij de wijfjes glad is. Toch kunt ge bij nauwkeurig

toezien ook op de schilden der mannetjes eenige rijen puntjes of

kuiltjes onderscheiden.

Bekijkt ge het dier van den onderkant, dan blijkt het daar bijna geheel

geel gekleurd te zijn, en ge bespeurt een gewiemel van ledematen,

waaruit op het eerste gezicht niet wijs te worden is.

Als het beest zich een oogenblik stil houdt, onderscheidt ge 3 paren

pooten, (ook al een kenmerk voor een insect, ten minste van een

volwassen dier) en daartusschen een geducht verdedigings- of

aanvalswapen van onze tor, een korte twee-puntige speer; beproef de

scherpte ervan maar eens aan uw vinger.

Misschien bedankt ge er voor, het dier levend in de hand te nemen,—nu,

dat is u ook niet kwalijk te nemen; ook al hebt ge nog niet

ondervonden, dat onze gerande vriend er een zeer leelijke gewoonte op

na houdt, die hem dikwijls uit den nood helpt, maar ons, menschen met

gevoelige reukzenuwen ten minste, niet juist aangenaam aandoet. Maar

laten we er niet omheen draaien met mooie woorden; wie de natuur wil

bestudeeren, moet niet al te vies zijn. Hij scheidt, als hij in het

nauw zit, aan den rand van het borstschild en ’t achterlijf een

vloeistof af, die een allervuilste reuk verspreidt; heeft hij uw

vingers bespoten, dan kunt ge er gerust groene zeep of soda bij halen,

anders is den heelen dag de stank niet van de handen te krijgen; schoon

water helpt niet.

Heeft hij een keer vocht gespoten, dan doet hij dit vooreerst niet

weer; bovendien, vergif is het niet, laat u dat nooit wijsmaken. Als ge

de boeren, die u zien scheppen, gelooven wilt, dan zijn al die

slootdieren, tot salamanders en kikkers toe, vergiftig. Ook kunt ge

onze kever wel doen spuiten, zonder u zelf te laten bezoedelen; als ge

hem namelijk op een gladde oppervlakte legt, zoodat hij wild met zijn

pooten krabbelt, zonder vooruit te kunnen komen, en hem dan zacht op

den rug tikt.

Maar, al zijt ge niet bang of vies uitgevallen, het aanvatten van onze

tor zou u toch nog wel eens een leelijk gezicht kunnen doen trekken.

Behalve het stinkvocht en de spies aan zijn borst, heeft de gerande

waterkever nog een wapen, dat ook niet te minachten is. Hij verheugt

zich in het bezit van een paar kaken, die u een „aangenaam kennis te

maken!” toe kunnen roepen, dat ge waarschijnlijk met een beleefd „auw,

auw!” zult beantwoorden. Heel lang duurt de pijn niet, en verdere last

hebt ge er, duizend tegen één, ook niet van. Toch mag ik u, hoe dapper

ik u acht, niet aanraden, de proef te nemen; en moet ik u eveneens

sterk afraden, er een ander aan te wagen. Die kaken, een paar kromme

haken op het oog, dringen meestal niet door de huid heen, maar het kon

bij fijne handjes toch wèl eens het geval zijn—en dan weet men nooit,

waarmee men ingeënt wordt; zoo’n gerande tor is niet heel kieskeurig op

zijn spijzen, hij kon wel eens aan een dier, dat in staat van

ontbinding verkeerde, hebben gevreten, en daardoor mocht hij misschien

eens smetstof met zijn kaken in uw bloed brengen; wat licht een

verzwering tengevolge kan hebben.

Nu zult ge misschien de opmerking maken, dat ik druk bezig ben, u af te

schrikken van de studie der slootdieren, na u eerst veel genoegen

voorgespiegeld te hebben van die waarnemingen. Het zou mij erg spijten,

als dit zoo was; niet, dat ge die opmerking maakte, maar dat ge u liet

afschrikken.

Ge begrijpt wel, dat ik, om dit te vermijden, het bovenstaande licht

weg had kunnen laten; toch heb ik het willen zeggen, al is de kans op

besmetting 1 tegen 1000; ik heb maar ééns gehoord, dat het gebeurd is;

en ik ben zelf vaak gebeten, zonder er eenige gevolgen van te

ondervinden.

Laat het u tot voorzichtigheid aansporen, zonder het onderzoeken te

vermijden. Vat een kever altijd aan tusschen duim en vinger, in zijn

lenden, en is het er een, die vocht afscheidt, gebruik dan liever een

pincetje; een dubbel gevouwen strookje blik is daartoe heel geschikt.

Een tor in de holle hand houden, kan nooit kwaad; zoo’n dier bijt

alleen, als het zich voelt aanvatten.

Maar laat ik niet afdwalen, er is zoo veel te vertellen. Het loont

werkelijk de moeite, eens na te gaan, hoe de inrichting van onzen

kever—de geheele lichaamsvorm en het maaksel van de lichaamsdeelen op

zich zelf—met de levenswijze in verband staan. Die twee, levenswijze en

inrichting, passen meestal zoo wonderwel bij elkaar, dat zelfs iemand,

die nog niet veel aan natuurstudie gedaan heeft, toch vaak uit de

inrichting veel van de levenswijze kan opmaken.

Reeds bij een oppervlakkige beschouwing van den romp, zal men moeten

erkennen, dat er haast geen doelmatiger vorm te bedenken is voor de

beweging over en door het water. Van boven is het lichaam zwak gewelfd,

van onder naar het midden hellend, en afloopend in een uitspringende

lijst, een kiel, zooals bij een schip. Kop, borst en achterlijf vormen

een aaneengesloten massa; geheel anders dan bij de meeste landkevers,

waar insnoeringen tusschen de drie hoofddeelen voorkomen. Niets is er,

dat zijn vaart in het water kan belemmeren. Het is een licht bootje van

langwerpig-eironden vorm, van boven met een glad, bol dek voorzien, dat

maar een paar roeiriemen noodig heeft om door en over het water heen te

schieten.

Merkwaardig is het, dat ge in dezelfde sloot of plas, waaruit ge uw

gerande torren hebt opgevischt, een nog vlugger waterdier zult vinden,

dat, wat de vorm van boven- en onderkant betreft, juist het

tegengestelde vertoont van wat bij den geranden waterkever zoo

doelmatig schijnt.

Het is de ruggezwemmer (fig. 19); waarschijnlijk hebt ge hem ook met

den eersten schep bemachtigd, want hij komt overal en in overvloed in

ons land voor. Zijn fraai geel, grijs en bruin geteekende onderzijde is

bol, zijn donkerder bovenzijde daarentegen gevormd als de onderzijde

van den geranden tor, dus stomp dakvormig.

In verband met het voorgaande is dit dus ondoelmatig te noemen, zult ge

zeggen. Wacht even, dat hangt immers van de levenswijze af. Let daar

dus eerst een oogenblikje op. Schep hem met de volle hand uit de

flesch. Pas op, hij is een even groot roover als de gerande, en al

heeft hij geen kaken, zooals deze, hij draagt aan zijn kop een lange,

spitse priem, die hij u diep in het vleesch kan boren.

Laten wij liever het blikken knijptangetje gebruiken; dat is

verstandiger. Zie zoo, leg hem nu recht op het water. Wip! heb je dat

gezien? Hij heeft zich met een sprongetje onderste boven gegooid, en

zwemt snel op zijn rug naar beneden. Bijna altijd beweegt hij zich op

die wijze door het water; zoo ziet ge, dat om de doelmatige inrichting

te begrijpen, het ook noodig is, de levenswijze te kennen. Weinig

slootdieren, of het moest de schaatsenlooper zijn, (fig. blz. 43)

hebben zoo’n gepasten naam als deze ruggezwemmer, en weinig ook zoo’n

zonderlinge manier van zich voort te bewegen.

O, alleen maar de manier na te gaan, waarop de waterdieren zich door of

over hun element bewegen, is al zoo’n belangwekkende natuurstudie. Neem

honderd slootdieren van verschillende soort en ge vindt er geen twee,

die het op dezelfde manier klaarspelen; als overal in de natuur, is

hier onmetelijke rijkdom in vorm en middelen, eindelooze afwisseling,

die de studie tot een genot maakt.

Maar op elk uwer vragen, hoe is dit of dat mogelijk? b.v. dat de

waterslak onderste boven tegen de lucht of de oppervlakte van het water

voortkruipt—zult ge niet altijd dadelijk een antwoord kunnen krijgen;

het maakt de natuurstudie evenwel niet minder prettig, dat er nog

zooveel raadselen op te lossen zijn.

Soms ook kunt ge geen naam vinden voor een manier van voortbewegen.

Zoo is er een goudgroene, langwerpige landkever of eigenlijk een

oeverkever, waarvan de larven zich onder water verpoppen; Donacia heet

hij (zie teekening blz. 19); ge vindt hem in Mei bij honderden aan

rietstengels; in een boekje, (dat op dit volgt), zullen we hem

misschien met dieren, die meer aan den kant van de sloot voorkomen,

zooals kikvorschen, ringslangen enz. uitvoerig bespreken; zie er maar

vast zelf wat aan op te merken. Als dit diertje, pasgeboren, naar boven

komt, beweegt het zich op een onbeschrijfelijke manier over ’t water

naar den oever; al gooit ge er tien terug in ’t water, om goed waar te

nemen, hoe het toe gaat, ge kunt er geen naam aan geven; het is geen

zwemmen, geen drijven, geen vliegen, geen roeien, geen loopen, geen

glijden,—het is alles tegelijk en toch nog wat anders.

Maar om op onzen geranden tor en den ruggezwemmer terug te komen. Ik

zei, dat het schuitjes waren, die maar een paar roeiriemen noodig

hadden, om volmaakt te zijn.

En die roeiriemen ontbreken niet. Een blik op de achter- en

middelpooten, of liever op de voeten van die pooten, leert u dadelijk,

waarvoor ze dienen; hoe vreemd het u in ’t eerst mag toeschijnen, bij

nauwlettend gadeslaan van een zwemmend insect, zult ge er veel

overeenkomst in vinden met de zwemvoeten van een zwaan of een

kikvorsch. Evenals deze uitmuntende zwemmers bij den slag achterwaarts,

die hen voortstuwt, de zwemvliezen breed uitspreiden—en bij het inhalen

van den poot die vliezen samenvouwen, om den weerstand van het water

zoo gering mogelijk te maken—evenzoo handelt de gerande waterkever met

de dubbele rij haren, dicht aaneengesloten als de baard van een veer,

aan zijn achterste en middelste voeten. Bij den stuwslag spreiden de

rijen haren zich tot een treed vlak uit, bij het inhalen vallen ze

samen tot een dun vlies, dat aan het water weinig oppervlak biedt.

Wanneer wij een bootje voortroeien, halen wij bij den terugslag de

roeispanen uit het water, dat is even doelmatig; maar als iemand eens

een bootje à la Jules Verne wilde maken om, evenals onze tor onder

water te roeien, dan kon hij niet beter doen, dan de roeipooten van den

geranden watertor tot model te nemen voor zijn roeiriemen.

De spaan moet dan in de lengte, maar slechts naar éen zijde, om de

scharnieren kunnen samenslaan en bij den terugslag openklappen. Zoo’n

spaan is werkelijk wel te maken, ook wel misschien met voordeel te

gebruiken bij onze gewone roeibootjes. Wie weet, wordt één van u nog

eens de uitvinder van een verbeterde roeimethode! De menschen hebben

het zeilen en sturen en zwemmen wel van de vogels, visschen en kikkers

afgekeken, waarom zou onze tor of de ruggezwemmer op zijn beurt de

menschen niet een nieuwe roeimanier aan de hand kunnen doen.

Dat ook de gerande waterkever behendig zwemmen kan, al is hij niet de

vlugste onder de roeiende insecten, bemerkt ge, als hij, in een niet al

te groote waterkom, jacht maakt op een stekelbaarsje; ondanks de veel

samengestelder mecaniek der zwemtoestellen van dat vlugge vischje, moet

dit het afleggen tegen de kever. Heeft hij het ingehaald, dan worden de

roeipooten buiten dienst gesteld, de middel- en voorpooten worden

grijptangen,—zie maar eens wat een doornen en klauwen er aanzitten,—en

de kromme kaken beginnen hun moorddadig werk.

De mannetjes van den geranden waterkever hebben, voor het geval de

pooten of kaken zoo gauw geen vat kunnen krijgen—o.a. op de gladde,

harde schubben van een vischje—nog een geducht middel om zoo’n

glibberige prooi het ontkomen te beletten. Twee tarsen van den voet der

voorpooten zijn verbreed tot een schijfje; dit doet dienst als zuignap;

het werkt ongeveer op dezelfde wijze als het stukje leer aan een touw,

waarmede ge steenen uit de straat kunt lichten. De wijfjes hebben dit

schijfje niet, en zijn door dat gemis (nog beter dan door het bezit van

groeven in de dekschilden) van de mannetjes te onderscheiden, want er

zijn wijfjes gevonden zonder, of bijna zonder groeven, maar nooit met

hechtschijfjes aan de pooten. Aan een dood exemplaar zijn die schijfjes

gemakkelijk nader te onderzoeken, en dan blijkt het, dat zoo’n

instrumentje nog weer samengesteld is, en uit een aantal kleine en één

groote zuignap, of beter: „plakschijf” bestaat.

Dat die hechtschijfjes nog een anderen dienst te verrichten hebben, zou

men mogen opmaken uit het feit, dat alleen de mannetjes ze bezitten. De

wijfjes kunnen ook wel een vischje aan.

Houdt ge uw kever een klein stukje vleesch voor, terwijl hij doodstil

aan de oppervlakte van het water drijft, dan merkt ge op, dat het

gezicht van het dier niet bijzonder scherp schijnt te zijn; hij

verroert zich niet, zoolang gij het niet beweegt; maar raak nu even met

uw stukje vleesch aan een van zijn beide sprieten—de lange draden voor

aan den kop—en dadelijk slaat hij de klauwtjes van één van de

voorpooten in het vleesch; hij buigt plotseling de voet zoo, dat het

stukje tegen de hechtschijfjes gedrukt wordt, en roeit er snel mee naar

den bodem, om het daar op zijn gemak op te peuzelen.

Probeer nu hetzelfde met een stukje brood of een stukje vrucht, de

kever taalt er niet naar; maakt ge het hem te lastig, dan duikt hij,

zonder acht te slaan op de kruimeltjes, die ge hem nawerpt. Hij woelt

het zand van den bodem van uw flesch om; gelukt het hem, daar een

wormpje te pakken, dan ziet ge hem in zijn vraatzucht; daarbij houdt

het dier den kop wat meer opgericht, dan wanneer hij in rust is, en

daardoor worden de kaken duidelijk zichtbaar; die werken van rechts en

links naar elkander toe, niet van boven naar onder, zooals bij de

grootere dieren en bij ons.

Dat zijn gebit uitstekend ingericht is, bemerkt ge, als ge eens oplet,

hoe vlug hij een dood stekeltje verorbert. Die inrichting is echter bij

onze kevers samengestelder, dan oppervlakkig schijnt. Een beschrijving

ervan zal het u—vrees ik—niet duidelijk kunnen maken, maar misschien

gaat het wel, als ge bijgaande teekening, die zeer vergroot is, er bij

neemt, en tegelijk de aangewezen deelen bij een doode kever opzoekt.

Een goede loupe is daarbij niet overbodig.

Wordt het u te ingewikkeld, sla dan deze twee bladzijden over; denkt ge

er evenwel over, mettertijd eens een keververzameling aan te leggen,

getroost u dan liever wat inspanning; want heel dikwijls dienen

bijzonderheden van de mondwerktuigen van een kever bij het bepalen van

de soort.

Evenals alle goede dingen bestaan die mondwerktuigen in drieën. Op de

teekening is voor de duidelijkheid de kop van een loopkever, wiens

kaken ver vooruitspringen, voorgesteld en wel van de onderzijde gezien.

Aan elk der deelen is hier een eigen tint gegeven; de beide

cirkelvormige bovenkaken vormen den achtergrond van de teekening—die

zijn wit en gestippeld; aan ’t boveneind van die kaken, ziet ge

binnenwaarts scherpe tanden of kaken. Daarover liggen de beide

onderkaken: alles wat op de teekening het donkerst (zwart) getint is,

behoort tot die onderkaken. De derde afdeeling, (weer lichter) loopt

ten deele dwars daaroverheen; dat is de onderlip.

De (gestippelde) bovenkaken zijn niet verder geleed; ze bewegen, net

als de beide bladen van een schaar, naar elkaar toe, en dienen tot het

grijpen, dooden en vasthouden van de prooi.

De onderkaken (zwart) zijn echter zooveel te meer samengesteld. Elke

helft van zoo’n monddeel bestaat uit een onderstuk: den wortel (op de

rechterhelft der teekening met w aangeduid); daarop kan de dikke steel

(st) zich naar rechts of links een weinig bewegen. Uit den top van die

steel ontspringen, buitenwaarts gericht: de kaaktaster (kt.) en,

binnenwaarts gericht, een binnenste kaakstuk (k). Dat binnenstuk is van

stijve, hoornachtige pennen voorzien, die het voedsel bewerken vóór het

door de keel gaat. De dienst van de kaaktasters (kt) is nog niet met

volkomen zekerheid aan te geven. Bij het vreten zijn ze voortdurend in

beweging, de pikzwarte kever en ook de gerande watertor brengen ze

telkens met het voedsel in aanraking. Wellicht bevatten ze

smaakzintuigen. Alsof dat niet ingewikkeld genoeg was, vindt men op het

binnenste kaakstuk bij veel kevers nog een tweede stel kaaktasters

(kt′).

De derde afdeeling (de onderlip) is ook nog al geleed. Die bestaat uit:

de kin k, daarop de eigenlijke lip met de tong l, en deze zendt naar

rechts en links weer een gelede taster (l.t.) uit, liptaster genaamd.

Het onderste niet getinte deel van den kop, is het hoornachtige

keelstuk.

In hoofdzaak is het kakenstelsel bij de verschillende keversoorten aan

de beschrevene gelijk. Zoek nu tot oefening de overeenkomstige deelen

even op, aan de beide kleine, afzonderlijk geteekende onderkaken van

een paar andere kevers. Dan merkt ge al dadelijk eenige kleine

afwijkingen. Zoo is bij de eene, links, de binnenste kaaktaster (kt′)

van een eigen steel voorzien, en heeft het binnenste kaakstuk een

steunend verlengstuk, dat tot aan den wortel (w) reikt. De andere

onderkaak (hij is van een zandloopkever) draagt aan dat binnenstuk (k)

een beweeglijke tand (td), en dat stuk ligt vlak tegen de steel (st)

van de onderkaak.

Dat is een heele anatomie geworden, maar ik hoop, dat ik een enkele van

mijn lezers, die kevers verzamelt, en voor wien zulke namen tot nu toe

abacadabra waren, er een dienst mee gedaan heb.

Hebt ge nu in uw gerande torren roofdieren ontdekt, voor wie geen enkel

dier in uw flesschen veilig is, dan zult ge wellicht meenen, dat een

andere kever van ongeveer gelijken vorm, maar een centimeter grooter

dan de gerande, en die ge misschien tegelijk met deze gevangen hebt,

een even groot monster is.

En toch hebt ge dit glad mis; in de natuur moet ge altijd op

verrassingen bedacht zijn, en niet gauw uit een paar voorbeelden een

regel willen trekken; dat generaliseeren zou u hier leelijk kunnen

foppen; waarnemen alleen kan waarheid geven. Die andere kever, waarbij

ge de gele omlijsting der schilden te vergeefs zoekt, en die den naam

van „pikzwarte waterkever” dan ook terecht draagt, heeft een ander

karakter dan de gerande (zie fig. blz. 9).

Zij komen zoo weinig in geaardheid met elkaar overeen, als een half

verwilderde huiskat, die zoo nu en dan op de vogelvangst gaat, met een

lobbes van een New-foundlander of St.-Bernardshond, die de wildste

jongens op zijn rug paardje laat rijden, zonder ook maar even te

knorren of de tanden te laten zien.

Toch kunt ge zoo’n kever niet zonder proef bij uw stekelbaarsjes of

salamanders in de flesch laten, ’t Is mogelijk, dat hij ze geen kwaad

zal doen. Presenteert ge hem een stukje vleesch of eiwit, hij zal in de

meeste gevallen beleefd bedanken. Doet hij dit, dan is uw groote, dikke

pikzwarte tor, hoe gevaarlijk hij er ook uitziet werkelijk een goedige

lobbes—bijten doet de sul zoo goed als nooit.

De levenswijze van de dieren in de vrije natuur levert soms vreemde,

vaak tegenstrijdige verschijnselen op. Zoo kan ’t gebeuren, dat ge in

uw flesch of uw aquarium een pikzwarte watertor aantreft, die wel

vleesch lust en die ook op stekels of andere vischjes jacht maakt, maar

de regel is, dat onze kever alleen planten of doode dieren eet.

Mogelijk is ’t ook, dat hij in ’t voorjaar vleesch eet. De een is hier

de ander niet.

Belangwekkend is zijn levenswijze in hooge mate; hij is daardoor voor

velen het voorwerp van studie geworden. Hij is dan ook gemakkelijk te

bestudeeren, doordat hij niet bijzonder vlug in zijn bewegingen is, ten

minste lang niet zoo behendig als zijn buurman, de gerande.

Al dadelijk merkt ge onderscheid met deze in de manier van zwemmen. Hij

slaat zijn zwempooten niet beide tegelijk uit, maar roeit om beurten

met de pooten; dit maakt op ons den indruk, dat hij door het water

loopt of trippelt.

Ook bij deze keversoort zijn de mannetjes op het eerste gezicht

gemakkelijk van de wijfjes te onderscheiden. Evenals bij de gerande

kevers, hebben de mannetjes aan het voorste paar pooten hechtschijfjes,

maar van anderen vorm; die ontbreken bij de wijfjes. Ook zijn deze

wijfjes wat grooter dan de mannetjes. De onderzijde is niet geel, maar

lijkt grijsachtig, doordat die zijde dichter en fijner behaard is.

Onder water schijnt, door de lucht, die kant met zilver beslagen te

zijn; die zilverglans steekt prachtig tegen het diepe zwart van het

bovenlichaam af, en dit maakt dezen kever tot een gewenscht sieraad

voor elk aquarium.

Houdt uw tante of uw grootmoeder toch al flinke, groote goudvisschen,

bezorg haar dan eens een paartje van hydrophilus (zoo heet de pikzwarte

in het latijn,—waterminnaar beteekent het) en plaatst er wat

waterplanten bij. Maar geef een paartje, dat ge al een poos hebt

nagegaan, en waarvan ge zeker weet, dat het vleeschvoedsel versmaadt,

ook in ’t voorjaar. Anders mogen ze nooit bij de vischjes in.

In het eerst zal uw tante misschien iets tegen die griezelige beestjes

hebben. Als ge ze haar echter eens goed laat bekijken en ze apart

plaatst, zoo dat ze de vischjes geen kwaad kunnen doen, zal ze er

spoedig vrede mee hebben, dat ge wat zilver, smaragd en zwart naast

haar goud hebt gezet. Zij zal er misschien evenveel genoegen in vinden

als in de goudvisschen; voornamelijk nu ze ondervindt, dat door het

groen haar lievelingen langer blijven leven, veel darteler worden, en

dat het water niet zoo gauw bederft, al vergeet zij het te ververschen.

Welke waterplanten ge nemen moet, hoe ge ze verkrijgen en planten kunt,

en ook waarin die weldaad voor de vischjes bestaat, zult ge in de

tweede helft van dit boekje gewaar worden. Dit wil ik er wel van

verklappen, dat ge zoodoende van een foltergevangenis, een brokje

werkelijke natuur hebt gemaakt.

Toen uw Gerande Tor zooeven met het stukje vleesch, dat ge hem aanbood,

de veilige diepte opzocht, hebt ge misschien opgemerkt, dat hij aan de

punt van zijn achterlijf een luchtbel meenam en er onderweg een of meer

liet ontsnappen. Let ge van tijd tot tijd op het doen en laten van uw

beestjes, dan bemerkt ge wis, dat de watertorren wel heel lang onder

water kunnen blijven, maar dat ze zoo nu en dan een luchtje komen

scheppen.

De gerande doet dit echter op een zeer zonderlinge manier; niet met

zijn kop, maar met zijn achterlijf hapt hij lucht. Die lucht neemt hij

mee naar beneden, als voorraad bij de ademhaling; en die geeft hem

tevens een middel, om naar willekeur langzamer of sneller te dalen;

want door lucht uit te werpen kan hij zich plotseling veel zwaarder

maken. Hij gaat derhalve ongeveer op dezelfde wijze te werk als een

luchtreiziger, die gas laat ontsnappen.

Waar de tor die lucht bergt? Wel, de zachtgewelfde dekschilden vormen

immers een dak boven zijn achterlijf, dat ruimte genoeg heeft om een

flinken voorraad te bevatten. De randen van dit dak sluiten zeer goed

om den eenigszins verhoogden zijrand van het lichaam heen; en die rand

is bovendien van een rij fijne haartjes voorzien, die het indringen van

water beletten. Alleen aan de uiterste punt van het lichaam ziet ge bij

een dooden kever een fijne opening; die opening wordt echter bij de

levende, in ’t water door een luchtbel afgesloten; ook de beide helften

van het dak, de beide dekschilden, sluiten midden op den rug waterdicht

tegen elkaar, zoodat de naad er tusschen slechts een fijne streep

schijnt.

Hoe vreemd het u mag toeschijnen, toch is het waar, dat onze waterkever

zonder die merkwaardige inrichting in zijn eigen element zou

verdrinken.

Licht ge die dekschilden op, dan bespeurt ge, dicht bij den zijrand van

het lichaam, aan weerszijden fijne langwerpige openingen, dat zijn de

ademhalingsopeningen,—zijn neusgaten om zoo te zeggen. Door die spleten

treedt de ademhalingslucht binnen, die verder door vertakte buizen

gaande, het geheele lichaam voorziet.

Wil nu de kever lucht halen, dan brengt hij zijn achterlijf aan de

oppervlakte, hij licht de dekschilden eventjes op en sluit ze

onmiddellijk weer; drukt hij die schilden, bij het dalen, op de

veerkrachtige haren sterk aan, dan kan hij door de opening zooveel

lucht laten ontsnappen, als hij kwijt wil zijn. De overblijvende

luchtbel aan zijn achterlijf staat dus in verband met de lucht boven de

ademhalingsopeningen.

Door deze inrichting blijft onze tor bewaard voor verstikken en

verdrinken. Tevens heeft hij daarin een middel, om bij gevaar snel den

veiligen bodem te bereiken; daar is hij tusschen de donkere

waterplanten door zijn eigen donkere kleur, voor zijn vijanden: snoek

en baars, reiger en ooievaar, moeielijk te onderscheiden.

Maar die pikzwarte dan? Die komt lang niet zoo dikwijls boven en nooit

met zijn achterlijf, wel met zijn kop. Haalt die dan adem, zooals wij

menschen? Neen, zoover ik weet is er geen enkel insect, dat door den

mond adem haalt. Zij gebruiken hun bek uitsluitend, om voedsel op te

nemen. Maar hoe dan? Wel, nauwkeurig waarnemen, dat is het enige middel

om er achter te komen, of ten minste, om op den weg naar de waarheid te

komen. Blijft er dan nog wat op te helderen over, dan vragen wij er de

natuurvorschers naar.

Onderzoek maar eerst, of uw pikzwarte tor wel den geheelen kop aan de

oppervlakte brengt. Neen, niet waar? Alleen een van de sprieten, nu

eens de rechter, dan weer de linker. En vreemd, hij steekt ze eerst

boven water en onmiddellijk, daarop slaat hij de bovenste helft er van,

die dikke knop met nog een paar leedjes, naar beneden terug in het

water; de spriet schijnt gebroken, en de breuk raakt de oppervlakte.

Tot zoover gaat het waarnemen vrij gemakkelijk, maar nu verder. Gij en

ik zijn al tevreden, als we zoover gekomen zijn, dat we weten, dat die

pikzwarte op die zonderlinge wijze de lucht opneemt met zijn sprieten.

Maar de natuuronderzoekers blijven bij zoo iets niet staan, zij moeten

het fijne van de zaak weten, het hoe, het waartoe en waardoor; en zij

zijn er achter gekomen. Die het eerst het naadje van deze kous heeft

gevonden, heeft er heel wat turens en hoofdbrekens aan gehad; daar kunt

ge u van overtuigen, als ge de moeite wilt doen, met behulp van

bijgaande teekening, die merkwaardige inrichting eens even na te gaan.

Het figuurtje links stelt de spriet voor in rust, het andere in den

stand van ademhaling. De geledingen 7, 8 en 9 daarvan zijn

neergeslagen, 6, 5, 4, 3, 2, en het wortellid 1, dat aan den kop

bevestigd is, zijn opgericht gebleven; de bovenste leden 9, 8, 7,

onderscheiden zich van de andere, zoo als ge ziet, door sterke beharing

en uitsteeksels; daartusschen blijft de lucht hangen, zij vormen met

hun drieën een buis; het bovendeel 7 daarvan raakt de oppervlakte van

het water; het ondereind—de punt van het laatste (9de) lid der

spriet—ligt een eindje onder water; het pijltje wijst den weg van den

luchtstroom, die door bewegingen van de leden van de spriet naar het

eindpunt daarvan wordt gevoerd. Dat eindpunt nu brengt de kever onder

den rand van het borstschild, waar de grootste ademhalingsopeningen

liggen en vult zoo de luchtbuizen in zijn lichaam; of hij brengt een

voorraad lucht naar den onderkant van zijn lichaam, waar een flinke

hoeveelheid tusschen de lange, zijdeachtige haren geborgen kan worden.

Die lucht is het, die de buik van den kever onder water verzilvert. Aan

geen der elf geledingen van den spriet van een geranden watertor merkt

ge iets dergelijks op; ze worden naar het eind toe iets korter; alleen

het laatste lid is weer wat verlengd en knopvorming.

Waarom nu de pikzwarte op zoo’n ingewikkelde wijze zijn levenslucht

moet binnenhalen, heel anders dan de gerande? Zeer waarschijnlijk staat

dat met de ligging der luchtbuis-openingen in verband. Bij de gerande

liggen de grootste en de meeste op den rug onder de dekschilden, bij de

pikzwarte zooals gezegd is, aan de onderzijde van het borstschild. Hoe

dit ook zij, ge kunt er zeker van zijn, dat ook hier de levenswijze

uitstekend past bij de inrichting van het lichaam.

Me dunkt, ge zult nu al wel iets meer in onze kevers zien dan

griezelige beesten; ge moet nu wel een beetje eerbied gekregen hebben

voor het leven van zulke merkwaardige ingerichte diertjes, en daarmede

eerbied voor de schepping, de geheele Levende Natuur, waarin ze zich in

verloop van eeuwen zoo ontwikkelen konden.

Om de Levende Natuur te kunnen bewonderen en eerbiedigen, behoeven we

niet eens te ontleden of microscopisch te onderzoeken. Reeds een weinig

meer dan oppervlakkig beschouwen, toont ons overal om ons heen, die

wonderlijke overeenstemming, die harmonie tusschen inrichting, tusschen

de kleuren en vormen, en de levenswijze.

Als we de inrichting en de beteekenis van zoo’n paar sprieten of

dekschilden voor de ademhaling ons zelf duidelijk gemaakt hebben, zijn

we tevreden er mee, en is het ons wonderlijk genoeg,—toch kunt ge er

zeker van zijn, dat ge nog maar een tipje van den sluier heb opgelicht,

die voor de meeste menschen die wondere inrichting bedekt.

Onder die dekschilden hebt ge ongetwijfeld bij uw onderzoek een paar

gevouwen en naar binnen gedeeltelijk omgeslagen, bruine vliezige

voorwerpen gevonden—de vleugels.

Vleugels? vraagt ge nu; waartoe dienen dan wel vleugels voor een dier,

dat zijn geheele leven in het water doorbrengt?

Alweêr een mooie gelegenheid om op het eeuwig verband tusschen

levenswijze en inrichting te wijzen.

Waar hebt ge uw kever gevangen? In een stilstaand water, een sloot, aan

twee kanten door een dam of een overweg afgesloten. Maar waar moet nu

de kever blijven en zijn voedsel vinden, als de zomer eens weinig regen

brengt en veel warmte? Als de sloot uitdroogt? Zonder die vleugels,

zijn laatste toevlucht in dat geval, moest hij ellendig omkomen. En

waar konden die onmisbare redmiddelen beter, veiliger voor beschadigen

of nat worden, geborgen worden, dan in de waterdichte luchtkamer onder

de schilden?

Nog vóor de nood aan den kever komt, door droogte of schaarschte van

voedsel, klimt hij tegen een waterplant of tegen den slootkant op,

waarbij hem de doornige uitsteeksels aan de schenen van nut zijn; daar

pompt hij zich terdege vol lucht, de holle aderen in de vleugels ook;

de schemering breekt aan, hij spant de vleugels uit, en zoekt een goed

heenkomen. Brommend, snorrend, zoo luid als een meikever, zeilt hij met

den wind achter de dekschilden voort, tot hij een waterplas, die woning

en spijs belooft, in het oog of in den neus krijgt; die neus zit in de

sprieten.

Zoo komt het, dat wij onzen kever vaak aantreffen in kleine en zeer

ondiepe waterplassen, in open regenbakken of watertonnen, in dorpsgoten

soms. In den drogen zomer van ’92 schrikten de wandelaars in de

Utrechtsche straat te Amsterdam op warme avonden herhaaldelijk op, en

sloegen een snorrenden waterkever van zich af.

Ook de menschen dwingen hem vaak, zich van zijn vleugels te bedienen.

Toen eenige jaren geleden de breede sloot achter de Leeuwenhoekstraat

bij het Staatsspoorstation gedempt werd, wemelde het ’s avonds, in den

omtrek van ’t Amstelhotel, van allerlei waterkevers. Ze vlogen tegen de

ballon van het electrisch licht en vielen op den grond.

De jongens uit mijn klasse brachten er ’s morgens verscheidene levend

mee, zoowel verschillende soorten van gerande, als de groote en de

kleine pikzwarte.

Nu weet ge meteen, dat ge uw aquarium tegen den avond dekken moet, als

ge op zoo’n verhuizing van uw gevangenen niet gesteld zijt.

Een tuinman vertelde mij lang geleden, dat hij vaak groote waterkevers

op de glazen van zijn broeikassen vond, die daar op hun rug lagen te

spartelen. Wellicht hebben die kevers de glazen, glinsterend door de

ondergaande of opkomende zon, voor een waterplas aangezien.

Hebt ge in uw bak met gerande watertorren plaats gevonden voor een paar

waterplanten met een vrij dikken stengel, dan kunt ge het misschien

treffen, dat een van de gevangen kevers u nog wat anders te zien geeft.

Let goed op de bewegingen der wijfjes; ziet ge ze van tijd tot tijd een

stengel met de voorpooten stijf omklemmen, de zwempooten schuin omhoog

trekken en het achterlijf heftig krommen of schielijk bewegen, dan zijn

ze van plan eieren te gaan leggen. Als de gevangenis maar niet al te

ongeriefelijk is, of niet geheel ontbloot van waterplanten, dan nemen

ze het weinige, dat er is, voor lief en beginnen de taak, die het

voortbestaan van de soort verzekert.

De punt van het achterlijf wordt sterk verlengd; twee puntige mesjes

komen te voorschijn, en daar tusschen een kleine legboor, waarmee een

gleufje of gaatje in een stengel wordt gestoken: in, of bij elk gaatje,

dat is moeilijk te onderscheiden, wordt een eitje bevestigd. Niet veel,

een dertig hoogstens, althans in gevangenschap. Die eitjes zijn soms

wit, soms oranje, soms rood van kleur, langwerpig en betrekkelijk

groot: 2 à 3 millimeter.

Is dit afgeloopen, heeft het keverwijfje haar voornaamste taak

volbracht, dan leeft zij niet lang meer. Verdere zorg, voor de eieren

draagt ze niet, bescherming schijnt overbodig en uitbroeden kan zij ze

natuurlijk niet; kevers hebben immers geen warm bloed, zooals de

vogels. Alleen past ze op, dat de eieren niet te diep in het water

komen, opdat ze voldoende zonnewarmte kunnen krijgen.

Binnen 14 dagen wemelt het nu in het water van kleine doorschijnende

larfjes; de vorm is niet duidelijk te onderscheiden, maar verzorgt ge

ze goed met fijne stukjes eiwit of vleeschvezels, dan groeien ze

verbazend snel. In een dag of vijf zijn ze een centimeter lang; ze

krijgen dan een nieuwe huid, weer een dag of wat later zijn ze al twee

maal zoo lang en vervellen opnieuw, tot drie of viermaal toe.

Hun eetlust is verwonderlijk sterk; maar hoe zorgvuldig gij ze ook van

voedsel voorziet, hun aantal vermindert voortdurend; waarschijnlijk

verslinden de sterkeren de zwakken, zoodat er op het laatst niet veel

overblijven.

Die zijn dan ook krachtig ontwikkeld. Hun vorm is nu in het water goed

na te gaan; ge zult dieren te zien krijgen, zooals ge er misschien

reeds te gelijk met uw volwassen tor hebt gevangen. Haast in geen enkel

opzicht zijn ze met den geranden watertor te vergelijken. (Zie fig.

blz. 43).

We hebben hier met twee gedaanten van hetzelfde dier te doen, die bijna

evenzeer van elkaar verschillen, als de rups van zijn vlinder.

In vraatzucht doen de larve en de kever evenwel voor elkaar niet onder,

in strijdlust evenmin. Daarin verschillen kevers en vlinders

hemelsbreed.

De volwassen larve grijpt met zijn geduchte kaaktangen alles aan wat

binnen zijn bereik komt, onverschillig of het een kikkerlarve, een

stekelbaarsje, een salamander of een waterslak is; voor een jonge snoek

is hij ook niet bang. Groot of klein, dood of levend—alles is van zijn

gading. Een mond heeft hij niet; en dit was ook overbodig, want hij

zuigt zijn prooi met dezelfde tangen uit, waarmede hij die grijpt en

doodt.

Die zuighaken zijn hol en hebben dicht bij de scherpe punt een opening,

waaruit aan weerskanten een buisje naar binnen gaat; die buisjes zijn

met het bloote oog vrij goed te zien, ze vereenigen zich nog in den kop

van de larve, en vormen samen een wijdere buis, die door het geheele

lichaam heen zichtbaar is.

In hun geliefkoosde houding, met den kop naar beneden, het lichaam naar

voren gekromd, de zes onevenredig lange pooten wijd uitgespreid, hangen

ze met het achterlijf aan de oppervlakte. Daar zijn twee pijpjes,

luchtbuizen, door haren omgeven, te onderscheiden. Zoo hangen ze als

dood, aan de oppervlakte op den loer; tot een argeloos vischje of een

salamander binnen het bereik van pooten of zuigtangen komt. De

salamander kwiekt luid, als hij zich door zijn doodsvijand voelt

aangrijpen. Hij worstelt lang, maar als ge hem niet snel van zijn

bespringer verlost, is het met hem gedaan. Hij mag duiken, uit het

water opspringen, in het water pijlsnel voortschieten,—hij raakt zijn

bloedzuiger evenmin kwijt als de haas, die door een wezel besprongen

is.

Eens komt echter ook voor dit monster de tijd, dat zijn eetlust

vermindert, dat hij traag en lusteloos wordt. Hij is nu volwassen, en

tweemaal zoo lang als de kever, uit welks eieren hij voortgekomen is.

Hebt ge ze zelf zoover groot kunnen brengen, of, wat veel gemakkelijker

is, een aantal volwassen larven geschept, dan kost het niet veel

moeite, de gedaanteverwisseling na te gaan.

Zet in een goudvischkom een steen, die van den bodem, tot even onder

het oppervlak van het water reikt en daarop een stuk van een dikke

graszode.

Op een goeien morgen zijn de larven uit de kom verdwenen. Onderzoekt ge

een week later voorzichtig een gedeelte van de zode, dan vindt ge

allicht een of meer holten, zoo groot als een vingerhoed, en daarin een

witte of gele pop. Die verschilt in vele opzichten van een vlinderpop,

die ge zeker wel eens gezien hebt; vooral doordat de deelen van den

toekomstigen kever zeer duidelijk te onderscheiden zijn.

Na een week of drie scheurt de pophuid open en de volkomen kever treedt

er uit te voorschijn. Of liever treedt nog niet te voorschijn, hij is

nog niet vertoonbaar, zijn chitine-huid is nog week als was en bijna

even geel; zijn pooten nog te zwak om te roeien of te kruipen, zijn

vleugels nog niet droog genoeg.

In twee of drie dagen is hij donkergroen van kleur geworden en voelt

hij zich sterk genoeg om de aarde, die hem van het water scheidt, op

zij te ruimen en in zijn element de kost te zoeken.

Precies zoo gaat het in de sloot toe. Wordt hij daar niet op het

laatste oogenblik verrast door een waterrat of een mol, die aan de

sloot zijn drinkgang komt aanleggen, dan is hij straks even bekwaam in

het grijpen van zijn prooi, in het zwemmen, duiken of vliegen, als zijn

soortgenooten, die al veel eerder ontpopt zijn; een les van hen heeft

hij niet noodig; wel wordt hij, al doende, slimmer en handiger. Zijn

jeugdige leeftijd is voor de ingewijden in de geheimen van een

moddersloot, alleen kenbaar aan zijn lichtere onderzijde en de

bijzonder sterk glanzende dekschilden.

En de voortplanting van de pikzwarte? „Dat zal zooveel verschil niet

zijn,” zegt ge wellicht, even goed als ik vroeger. „Eieren leggen,

larven uitkomen, vervellen, groeien en nog eens vervellen, dan

verpoppen en uitkomen,—dat liedje kennen we al van buiten!” Precies,

maar ge kunt dan even zoo goed zeggen dat het leven van alle menschen

zoo ongeveer gelijk is; geboren worden in dit jaar, kind, jongeling of

meisje, volwassen, dan oud worden en sterven tot besluit in dat jaar;

zoo ging het Napoleon en zoo ging het Rembrandt, maar toch met verschil

niet waar? Ja, was er niet veel meer op te merken in de geschiedenis

van de menschen of van de natuur, dan was het werkelijk niet de moeite

waard, algemeene, vaderlandsche of natuurlijke historie te bestudeeren.

Evenmin als het leven van alle menschen gelijk is, evenmin en nog veel

minder is dat het geval met twee diersoorten, al zijn het beide ook

waterkevers. Als ge ééns een paartje pikzwarten in een kom of aquarium

gehouden hebt dan wed ik, dat ge elk volgend jaar zorgen zult, er niet

zonder te zijn. Loont het al de moeite, gerande torren groot te

brengen, onze Hydrophilus geeft nog heel wat anders te zien. Hij

vergenoegt zich niet, zooals de gerande, met zijn eieren hier of daar

aan een waterplant vast te hechten, zonder er zich verder om te

bekommeren.

Ziet ge in April of Mei het wijfje van Hydrophilus van tijd tot tijd

met blaadjes eendenkroos, met groene draden of met een grooter blad van

een of andere waterplant heen en weer zwemmen, dan begint straks een

aantrekkelijke werkzaamheid, die nog maar bij één andere waterkever

opgemerkt is.

Hij doet het evengoed in een kom water als in de breede sloot. Laat de

gelegenheid niet ontglippen, een kever onder water een nest te zien

bouwen voor zijn eieren en zijn jongen, een nest dat minstens even

kunstig en doelmatig ingericht is, als dat van een vink of wielewaal.

Een nest onder water? Ja, hoe zou men het anders kunnen noemen? Ga maar

eens nauwkeurig na, wat de kever daar met dat blad uitvoert; maar stoor

hem niet; als ge hem aanraakt, houdt hij er mee op, en dan hangt het

van het toeval af, of ge er juist bij zult zijn, als hij weer begint.

Kijk, het wijfje legt zich op den rug onder dat blaadje fonteinkruid,

dicht bij de oppervlakte, zij beweegt het achterlijf voortdurend heen

en weer; daar keert ze het blad om en om: witte draden zijn er in de

dwarste over heen gespannen: nu neemt zij het weer op de buik, draad

bij draad komt uit vier buisjes aan het achterlijf te voorschijn; de

twee grootste buisjes zijn bij het spinnen en weven duidelijk te zien.

In een half uur tijds heeft de kever zich een boezelaar geweven, die ze

stijf tegen de kanten van het lijf drukt, over de verhoogde kiel heen,

daardoor krijgt die boezelaar een lichte ronding; de voorpooten liggen

op de boezelaar, de middel- en achterpooten er onder; zoo rust de tor

eenige oogenblikken uit.

Maar er is haast bij den arbeid; ze schuift met inspanning van alle

pooten den boezelaar af, grijpt hem met de voorpooten of de kaken, en

manoevreert net zoo lang, tot de lap netjes achter op den rug komt te

liggen; nu keert de kever zich op nieuw om en begint van vorenaf. Al

weer is in een drie kwartier een boezelaar klaar, maar die is onder de

hand met het lapje op den rug saamgesponnen; zoo is een rokje ontstaan;

dit wordt van onder dicht gemaakt, en daar zit nu de tor halverwegen in

een witachtige zak.

Daarmee schijnt het uit te zijn, want er is geen beweging meer te

bespeuren; ja toch, het is net, of het achterlijf uiterst langzaam, hoe

langer hoe verder, voor uit den zak wordt uitgeschoven. En zoo is het

ook; maar wat daarbij gebeurd is, kunt ge eerst later begrijpen; dan

wordt het duidelijk, waarom de kever zoo stil zat: ze heeft een vijftig

eitjes onder in den zak gelegd, op rijtjes naast en op elkaar, maar

eerst heeft ze nog met een laagje spinsel den bodem belegd. (Zie fig.

blz. 49).

Nu is het achterlijf bijna geheel uit het nestje gekomen, en de kever

haast zich, er een vlak dekseltje op te weven; over dwars, over langs,

of het schering en inslag was, gaan de draden over elkaar; dat moet wel

gauw gaan, anders komt er misschien water in.

Ik heb meer dan eens gelezen, dat natuuronderzoekers hebben opgemerkt,

hoe het mannetje, hierbij het wijfje ondersteunt; hij houdt het nestje

in den goeden stand, zoodat het wijfje alleen maar heeft te weven;

gezien heb ik het nooit, wel zag ik eens het mannetje voortdurend om

het nestbouwende wijfje heen zwemmen, misschien wel, om de wacht te

houden; een enkelen keer zag ik hem op het nestje zitten, terwijl het

wijfje bezig was; ik heb toen iemand die het weten kon, gevraagd wat

dat beteekende en kreeg ten antwoord: „dat dient om het lichte nestje

onder te houden tot het klaar is.”

De bovenhelft van het nest heeft de tor met licht weefsel

gevuld,—onderin liggen de eieren; zoo is er al niet veel kans van

omslaan, als het straks zal gaan drijven. Waterproef is het ook, en

lucht en voedsel is er in voor de jonge larfjes.

In sloot en plas · 第 11 / 17 题