EEN VERHAAL VAN EEN VERHAAL.

Er was eens een historie, die verteld worden wou en uitkomen in de

wereld. Dat was heel natuurlijk, want die wist, dat ze al zoo goed als

klaar was. Veel menschen hadden er aan meegewerkt door hun wonderlijke

daden, anderen hadden ’t hunne gedaan door altijd weer van voren af aan

van die wonderlijke daden te vertellen. Wat er nog maar aan ontbrak,

was dat dit alles goed in elkaar gezet werd, zoodat de historie zonder

ongelukken door ’t land zou kunnen dwalen. Nu was ze nog maar een heele

massa verhalen, een vormelooze wolk van sprookjes, die heen en weer

zweefden als een zwerm verdwaalde bijen op een zomerdag, en niet wisten

hoe iemand te vinden, die ze in een korf zetten kon.

De historie, die verteld wou worden, was in Wermeland ontstaan en

gevormd, en men kan er van op aan, dat ze voortzweefde over vele

fabrieken en pastorieën en officierswoningen in die mooie provincie. Ze

keek door de vensters naar binnen en vroeg of iemand ze ter hand wou

nemen. Maar ze moest veel vergeefsche pogingen doen, ze werd overal

afgewezen. Dat kon ook eigenlijk niet anders. De menschen hadden vele

gewichtiger dingen om aan te denken.

Eindelijk kwam de historie aan een oud huis, dat Mårbacka [1] heette.

’t Was een kleine hoeve met lage gebouwen en door hooge boomen

overschaduwd. Vroeger was het een pastorie geweest en ’t scheen alsof

dit een stempel op de plaats had gedrukt, die ze niet meer verliezen

kon.

Het was alsof de menschen daar meer van boeken en studeeren hielden dan

ergens anders, en er heerschte altijd een stille vrede op die hoeve.

Men mocht er nooit jachten met het werken en had er nooit last met de

dienstboden. Haat of oneenigheid mocht er niet voorkomen, en niemand,

die daar was, mocht het leven zwaar opnemen, maar moest vóór alles het

als zijn plicht voelen onbezorgd te zijn en te gelooven dat onze lieve

Heer alles ten beste zou besturen voor hen, die op die hoeve woonden.

Als ik nu over dit alles nadenk, begrijp ik, dat de historie zich hier

jaren lang moet opgehouden hebben, terwijl ze vergeefs hoopte verteld

te worden. ’t Komt me voor, dat ze dat huis omzweefd moet hebben zooals

een wolk een bergtop, en zoo nu en dan een van de sprookjes, die ze

bevatte, heeft laten neerdalen. Zij kwamen als zonderlinge

spookhistories over den landheer, die altijd zwarte stieren voor zijn

wagen had, als hij ’s nachts van een feest thuis kwam, en in wiens huis

de Booze zelf op den schommelstoel zat te wiegen, terwijl de vrouw des

huizes speelde. Ze kwamen als wonderlijke sagen van de naburige hoeve,

waar de eksters de huismoeder vervolgden, zoodat ze de deur niet uit

durfde, van de kapiteinswoning, waar men zoo arm was, dat ze alles

moesten leenen, en van ’t kleine huisje bij de kerk, waar zooveel oude

en jonge meisjes woonden, die allen op den mooien orgelmaker verliefd

werden.

Soms kwamen de lieve sprookjes om zoo te zeggen in levenden lijve in

dat huis. Oude, arme officieren reden voor de stoep met stokoude

paarden en in rammelende wagens. Zij bleven daar weken lang logeeren en

’s avonds, als de toddy hun moed gegeven had, begonnen zij te vertellen

van den tijd, toen ze zonder kousen in de schoenen dansten, om maar

kleine voeten te hebben, toen ze ’t haar friseerden en hun snor

verfden. Een van hen vertelde hoe hij een mooi meisje naar haar

verloofde had willen terugbrengen, en onderweg door wolven vervolgd

geworden was; een ander had een Kerstfeest bijgewoond, waar een

verontwaardigde gast alle gebraden vogels tegen den muur slingerde,

omdat men hem had wijsgemaakt, dat het kraaien waren; een derde had een

ouden man gezien, die gewoon was Beethoven op een houten tafel te

spelen.

Maar ook op een andere manier kon de historie haar tegenwoordigheid

openbaren.

Op de vliering hing het portret van een oude dame met gepoederd haar,

en als men daar voorbijkwam, kon men niet laten er aan te denken, dat

het de mooie gravendochter voorstelde, die den jongen gouverneur van

haar broeder had liefgehad en hem eens kwam bezoeken, toen zij een oude

dame met grijze haren was, en hij een oud, getrouwd man.

Op de rommelkamer lagen groote pakken oude documenten, die

koopcontracten en pachtovereenkomsten bevatten, onderteekend door de

machtige vrouw, die eens zeven hoeven bestuurde, die ze van haar

minnaar gekregen had. Als men in de kerk kwam, dan zag men in een klein

mooi kastje de kist, die vol ongeloovige geschriften was en die niet

geopend mocht worden, vóór het begin van de nieuwe eeuw, en niet ver

daar vandaan lagen op den bodem van de rivier, een menigte

heiligenbeelden, die niet op den preekstoel en in de kerk hadden mogen

blijven, die ze vroeger versierd hadden.

’t Kwam zeker wel door de vele sagen, die om de hoeve zweefden, dat een

van de kinderen die daar opgroeiden, lust kreeg om te schrijven.

’t Was niet een van de jongens; zij waren niet veel thuis, maar ’t

grootste gedeelte van ’t jaar buitenshuis op school, zoodat de sage

niet veel macht over hen kreeg; maar ’t was een van de meisjes, die

ziekelijk was, en niet zooveel spelen en springen mocht als de anderen.

Zij had er ’t meeste pleizier in alles, wat er groots en merkwaardigs

gebeurd was in de wereld, door boeken en vertellingen te weten te

komen.

Nu moet ge toch niet denken, dat dit jonge meisje dadelijk al van plan

was om de sagen en histories, die haar omringden, te schrijven. Ze

dacht er in de verste verte niet aan, dat er ooit een boek kon worden

van al die sprookjes, die ze zoo dikwijls had hooren vertellen, dat zij

ze heel alledaagsch vond. Toen zij probeerde te dichten, koos ze stof

uit haar boeken en maakte met frisschen moed geschiedenissen over

sultanen uit de duizend en één nacht, over de ridders van Walter Scott

en de Sagenkoningen van Snorre Sturlason.

’t Is zeker onnoodig te vermelden, dat wat ze schreef ’t allerminst

origineele en ’t meest onrijpe was, wat ooit geschreven werd; maar dat

kon ze natuurlijk zelf niet begrijpen. Zij liep rond op die stille

hoeve en vulde elk blad papier, dat ze machtig kon worden, met verzen

en proza, met tooneelstukken en romans. Als ze niet schreef, liep ze op

het geluk te wachten. En het geluk zou daarin bestaan, dat de een of

andere vreemde, die heel wijs en machtig was, door een merkwaardig

toeval ontdekken zou, wat ze geschreven had en vinden, dat het waard

was gedrukt te worden. Daarna zou al het andere vanzelf gaan.

Maar zooiets gebeurde in ’t geheel niet, en toen ’t jonge meisje over

de twintig jaar was, begon ze ongeduldig te worden. Ze kon niet

begrijpen, hoe het kwam, dat het geluk niet komen wou.

Misschien was ze niet knap genoeg, en wat meer van de wereld dan de

hoeve moest ze ook wel zien. En omdat het heel lang duren zou vóór ze

haar brood kon verdienen als schrijfster, moest ze iets leeren, zich

een positie verschaffen, zoodat ze iets had om van te leven, terwijl ze

op zich zelf wachtte.

Misschien was ’t ook wel heel eenvoudig zoo omdat de sage geen geduld

meer met haar had. Die dacht misschien: „Nu dat verblinde menschenkind

niet ziet wat vlak voor haar oogen ligt, moet ze maar gedwongen worden

op reis te gaan. Ze moet in grauwe steenen straten loopen, in nauwe

stadskamertjes wonen, zonder ander uitzicht dan grauwe huismuren. Ze

moet leven onder menschen, die alles verbergen wat ze voor eigenaardigs

hebben, en die allemaal op elkaar schijnen te lijken. Dat kan haar

misschien leeren dàt te zien, wat buiten de deur van haar huis staat te

wachten, alles wat leeft en ademt tusschen de reien groene heuvels, die

ze alle dag voor oogen heeft.”

En zoo, in het najaar, toen ze al twee en twintig jaar oud was, trok ze

naar Stockholm om te gaan studeeren voor onderwijzeres.

’t Jonge meisje was spoedig geheel door haar werk in beslag genomen. Ze

schreef niet meer, maar ging op in lessen en repetities. ’t Zag er nu

naar uit alsof de sage haar heelemaal zou verliezen.

Toen gebeurde er iets merkwaardigs. In datzelfde najaar, toen ze een

paar maanden tusschen grijze muren en straten geleefd had, kwam ze op

een morgen door de Malmskilnadstraat, met een pak boeken onder den arm.

Kort te voren had ze een les in letterkunde gehad. Daar had ze zeker

over Bellman of Runeberg gehoord, want ze liep aan die twee schrijvers

te denken en aan figuren uit hun werken. Zij zei tegen zich zelf dat

Runebergs goedige krijgslieden en Bellmans zorgelooze drinkebroers de

allerbeste stof vormden, die een dichter onder handen kon hebben. En

toen opeens kreeg ze een idee: „De wereld, waarin je thuis in Wermeland

leefde, was niet minder eigenaardig dan die van Fredman of van Vaandrig

Stål. Als je die maar meester wordt, heb je ten minste een even goede

stof als die twee.”

Zoo kwam het, dat ze voor ’t eerst de sage in ’t oog kreeg. En op

datzelfde oogenblik, dat ze haar zag, begon de grond onder haar voeten

te beven. De heele lange Malmskilnadstraat, van den heuvel aan de haven

tot aan het brandweerstation, steeg op tot aan den hemel en zonk weer

neer—steeg en zonk....

Ze moest een heele poos stilstaan tot de straat weer kalm werd en ze

zag verbaasd naar de voorbijgangers, die daar zoo rustig voortliepen en

niet merkten, wat een wonder er gebeurd was.

Op dat oogenblik besloot het jonge meisje, dat zij de historie van de

Kavaliers uit Wermeland schrijven zou, en die gedachte liet zij nooit

weer los. Maar lange jaren duurde het, eer dat besluit werd uitgevoerd.

Ten eerste was ze nu een anderen weg ingeslagen en had ze geen tijd

voor een groot literair werk. Ten tweede mislukten haar eerste pogingen

om de sage te schrijven heelemaal.

Maar telkens gebeurde er toch in deze jaren iets, dat haar hielp de

historie een vorm te geven.

In een vacantie zat ze met haar vader aan ’t ontbijt en sprak met hem

over den ouden tijd. Toen begon hij te vertellen van een kennis uit

zijn jeugd, dien hij beschreef als een bizonder innemend mensch. Die

man bracht vreugde en vroolijkheid meê, waar hij kwam. Hij kon zingen,

hij componeerde, hij improviseerde. Als hij dansmuziek speelde, dan

dansten niet alleen de jonge, maar ook de oude mannen en vrouwen, hoog

en laag, en als hij sprak, moesten de menschen lachen of schreien,

zooals hij verkoos. Als hij dronken was, kon hij beter spelen en

spreken, dan wanneer hij nuchter was, en als hij verliefd op een vrouw

werd, kon ze hem onmogelijk weerstaan. Deed hij domme dingen, dan

vergaf men hem; was hij bedroefd, dan had men er alles voor over om hem

weer blij te zien. Maar hij bracht het niet ver in de wereld, hoe

begaafd hij ook was. Meestal leefde hij als gouverneur in Wermeland op

de groote buitens. Eindelijk werd hij predikant. Verder had hij ’t

nooit gebracht.

Na dit gesprek kon ze beter dan vroeger den held van de historie voor

zich zien en er kwam een beetje leven en beweging in hem. Op een goeden

dag kreeg de held ook een naam en werd Gösta Berling genoemd. Waarom

hij dien naam kreeg, heeft ze nooit geweten. ’t Was alsof hij dien

zichzelf gegeven had.

Op een anderen keer was ze thuis in de Kerstvacantie. Op een avond ging

men naar een Kerstfeest, ver weg, ’t was slecht weer en de tocht duurde

langer dan iemand gedacht had. ’t Paard werkte zich stap voor stap

vooruit. Verscheidene uren zat ze daar in den storm aan de historie te

denken. Toen men eindelijk ’t doel van den tocht bereikt had, was ze

klaar met haar eerste hoofdstuk. ’t Was dat van den „Kerstnacht in de

smederij”.

Wat was dat voor een hoofdstuk! ’t Was haar eerste en bleef jaren lang

haar eenigste.

’t Werd eerst in verzen geschreven, want volgens het eerste plan zou de

historie een reeks gedichten worden zooals de sage van Vaandrig Stål.

Maar langzamerhand veranderde dit en een tijd lang was het de

bedoeling, dat het als tooneelstuk geschreven zou worden. Toen werd de

Kerstnacht omgewerkt tot de eerste akte van een tooneelspel. Maar die

proef lukte ook niet en nu nam zij zich eindelijk voor, de historie

neer te schrijven als een roman. Toen werd het hoofdstuk in proza

geschreven. Het was ongehoord lang en vulde op dat oogenblik veertig

geschreven bladzijden. Toen het voor ’t laatst omgewerkt was, vulde het

er maar negen.

Een paar jaar later kwam er een ander hoofdstuk bij. Dat was het

verhaal van het bal op Borg en van de wolven, die Gösta Berling en Anna

Stjärnhok vervolgden.

Dit was oorspronkelijk in ’t geheel niet geschreven met de bedoeling,

dat het in de historie zou komen, maar als een soort

gelegenheidsgedicht om op een bijeenkomst te worden voorgelezen. Maar

daar kwam niet van, en de novelle werd naar „Dagny” gezonden. Kort

daarna zond de redactie het terug als niet geschikt voor „Dagny”.

Inderdaad was het nergens voor geschikt. ’t Was nog in ’t geheel niet

met kunst bewerkt.

Intusschen peinsde de schrijfster er over, waar die ongelukkige novelle

wel voor te gebruiken zou zijn. Of ze die in de historie zou zetten?

Maar ’t was immers een sprookje op zich zelf, een afgerond geheel. Wat

zou het vreemd staan tusschen die andere, die beter bij elkaar hoorden.

Misschien, dacht ze toen, zou het niet kwaad zijn als al de

hoofdstukken van de historie dergelijke op zichzelf staande sprookjes

waren, elk een afzonderlijk geheel. Dat zou misschien moeilijk zijn,

maar ’t was toch wel te doen. Hier en daar zouden dan wel leemten

komen. Ja, maar het zou ’t boek groote kracht en rijkdom geven.

Nu waren twee gewichtige zaken uitgemaakt. Dit was klaar: ’t boek zou

een roman worden, en elk hoofdstuk zou een geheel zijn, maar nu was ze

nog niet zooveel verder. Zij, die ’t idee gekregen had de Sage van de

kavaliers van Wermeland te schrijven toen zij 22 jaar oud was, ging nu

al tegen de dertig en zij had nog maar twee hoofdstukken klaar. Waar

waren de jaren toch gebleven! Zij had het Seminarium doorloopen en was

al verscheidene jaren onderwijzeres in Landskrona; zij had zich voor

allerlei geïnteresseerd en met van alles zich beziggehouden, maar de

historie was nog ongeschreven. Wel had ze een massa stof verzameld,

maar hoe kwam het toch, dat het haar zoo zwaar viel te schrijven?

Waarom kwam de geest nooit over haar? Waarom gleed de pen zoo langzaam

over het papier? In dien tijd heeft ze stellig donkere uren gekend. Zij

zou zeker nooit met haar roman klaarkomen. Zij was als de ontrouwe

dienaar, die zijn talent begroef en ’t nooit probeerde te gebruiken.

Dit alles nu gebeurde tusschen 1880 en 90, in den besten tijd van de

strenge schildering van de werkelijkheid. Zij bewonderde de groote

meesters van dien tijd, en dacht er nooit aan, dat men voor literatuur

een andere taal zou kunnen gebruiken dan de hunne. Zij voor zich hield

meer van de romantiek, maar die was dood, en zij dacht er niet aan de

vormen en uitingen daarvan te doen herleven. Schoon haar hoofd vol was

van geschiedenissen van spoken, en woeste liefde, en wonderschoone

dames en ridders op avontuur belust, probeerde ze toch daarover in

realistisch proza te schrijven. Zij zag niet helder. Ieder ander zou

gauw gezien hebben, dat het onmogelijke onmogelijk was.

Eens schreef ze toch een paar hoofdstukken in een anderen stijl. De

eene was de scène op ’t kerkhof te Swartsjo, de andere handelde over

den ouden filosoof: Oom Eberhard en zijn ongeloovige geschriften. Zij

schreef ze hoofdzakelijk voor de grap met veel Ach!s en O!s in een

proza, dat bijna rhythmisch was. En ze merkte, dat ze op diè manier

schrijven kon, dáár was inspiratie in, dàt voelde zij. Maar toen die

twee hoofdstukken klaar waren, legde zij ze weg. Ze waren maar bij

wijze van uitspanning geschreven. Op die manier kon men toch geen heel

boek schrijven.

Maar nu had toch de historie lang genoeg gewacht. Die dacht zeker even

als toen ze ’t meisje de wereld inzond: „Ik moet dit verblinde mensch

weer een groot verlangen geven, dat haar de oogen kan openen.”

Dat verlangen kwam over haar op deze manier, dat de hoeve, waar zij was

opgegroeid, verkocht werd. Zij reisde naar haar ouderlijk huis, om het

voor ’t laatst te zien, eer vreemde menschen het in bezit zouden nemen.

Den avond vóór ze van daar vertrok om de dierbare plek misschien nooit

meer terug te zien, besloot zij in allen ootmoed het boek te schrijven

op haar eigen manier en met haar eigen zwakke kracht. ’t Zou geen

meesterwerk worden, zooals ze gehoopt had. ’t Zou een boek worden, waar

de menschen misschien om zouden lachen, maar ze wilde ’t toch

schrijven. Ze zou het schrijven om haar zelfs wil, om nog te redden,

wat er van haar thuis te redden was: de lieve, oude vertellingen, de

blijde vreugd der zorgelooze dagen, en ’t mooie landschap, met het

lange meer en de blauwe, telkens van kleur veranderende bergen.

Maar voor haar, die gehoopt had, dat ze toch eens een boek zou leeren

schrijven, dat de menschen graag zouden lezen, was het alsof ze nu

afstand gedaan had van wat ze ’t liefste wilde op deze wereld. ’t Was

het grootste offer, dat ze ooit had gebracht.

Een paar weken later was ze weer in haar huis te Landskrona en ging

voor haar schrijftafel zitten.

Ze begon te schrijven. Ze wist nog niet recht wat ze schrijven wilde,

maar dit wist ze, dat ze niet terugdeinzen zou voor sterke woorden,

voor uitroepen en vragen. Ook zou ze niet bang zijn zichzelf te geven

met al haar kinderlijkheid en haar droomen.—En toen ze dit besluit had

genomen liep haar pen bijna vanzelf voort! Dit bracht haar als in een

roes, ze was buiten zichzelf van verrukking. Ja—dìt was schrijven.

Ongekende visioenen en gedachten, of liever dingen, waar ze nooit over

gedacht had, dat in haar waren, stroomden neer op het papier. De

bladzijden werden gevuld met een snelheid, waar ze nooit van had

gedroomd. Dat, waar ze anders maanden, ja, jaren voor gebruikt had om

uit te werken, was nu klaar in een paar uren. Dien avond schreef ze ’t

verhaal van den tocht van de jonge gravin over ’t ijs van het

Löfvenmeer en de overstrooming bij Ekeby.

Den volgenden middag schreef ze ’t hoofdstuk waarin de jichtige oude

Fänrik Rutger von Örneclou probeert van ’t bed op te staan om La

Cachucha te dansen, en den volgenden avond dat van de oude juffrouw,

die uitreed om den gierigen predikant van Broby te bezoeken.

Nu wist ze, dat ze zóó een boek schrijven kon, maar even zeker was ze

er van, dat niemand ’t zou kunnen uithouden dat te lezen.

Intusschen waren ’t niet veel hoofdstukken, die zoo achter elkaar

geschreven konden worden. De meeste eischten veel arbeid en ’t waren

maar korte middaguurtjes, die ze aan haar schrijven kon wijden. Toen ze

een half jaar geschreven had, gerekend van den dag, dat ze zich overgaf

aan de romantiek, waren er ongeveer twaalf hoofdstukken klaar. ’t Was

vooruit te zien, dat het heele boek over drie of vier jaar klaar zou

zijn.

In ’t voorjaar van 1890 schreef „Idun” een prijsvraag uit voor een

novelle van ongeveer 100 bladzijden.

Dat was een uitweg voor de historie, die verteld wilde worden en de

wereld in gaan. Ze heeft zeker zelf de zuster van ’t jonge meisje

ingeblazen, dat die haar moest aanmoedigen om die gelegenheid aan te

grijpen. Hier was nu eindelijk een mogelijkheid om te weten te komen of

wat ze geschreven had heelemaal niets waard was. Als ze den prijs

kreeg, was er veel gewonnen. Kreeg ze dien niet, dan was zij even ver

als ze nu was.

Zij had er niets tegen de proef te wagen, maar ze had zoo weinig

zelfvertrouwen, dat ze nog geen besluit kon nemen.

Eindelijk, precies acht dagen voor de tijd van inzending voorbij zou

zijn, besloot ze vijf hoofdstukken, die zooveel onderling verband

hadden, dat ze voor een novelle konden gelden, uit den roman te

lichten, en het daarmeê te probeeren.

Maar die hoofdstukken waren verre van klaar. Drie kon men desnoods

afgewerkt noemen, maar van de twee andere bestond alleen nog maar een

schets. En dan moesten ze nog alle overgeschreven.

Daarbij kwam, dat ze in dien tijd niet in haar eigen huis was. Ze

logeerde bij haar zuster en zwager, die nog in Wermeland woonden. En

wie een korten tijd ergens op bezoek is bij lieve vrienden, kan toch

niet den heelen dag aan de schrijftafel zitten.

Ze schreef dus ’s nachts en zat in die week elken nacht tot vier uur

op.

Eindelijk had ze nog maar één etmaal kostbaren tijd over. En nog moest

ze twintig bladzijden schrijven. En in dit etmaal was de familie

uitgevraagd. Allen zouden meegaan en ergens anders logeeren. Zij moest

natuurlijk ook mee.

Eindelijk was het gastmaal voorbij en zij zat des nachts in ’t vreemde

huis te schrijven.

Soms werd het haar heel wonderlijk te moede.

De plaats, waar ze zat te schrijven, was juist de hoeve, waar de booze

Sintram gewoond had. ’t Lot had haar op wonderbare wijze daarheen

gebracht, juist in den nacht, dat ze schrijven moest over hem, die in

den schommelstoel zat te schommelen.

Nu en dan keek ze van haar arbeid op en luisterde of ze soms een stoel

hoorde schommelen in de groote zaal.

Maar er was niets te hooren en toen ’t zes uur in den morgen was, waren

de vijf hoofdstukken klaar.

Tegen twaalf uur reisde men naar huis met een vrachtboot. Aan boord

pakte haar zuster het manuscript in, verzegelde ’t met lak en cachet,

dat ze van huis voor dat doel hadden meegebracht, schreef ’t adres er

op, en verzond de novelle.

Dit gebeurde in ’t eind van Juli. In ’t laatst van Augustus vond men in

Idun een kort bericht, dat er meer dan twintig antwoorden op de

prijsvraag waren ingekomen, maar dat enkele zoo verward waren, dat ze

niet meêgeteld konden worden.

Toen gaf ze ’t op langer op den uitslag te wachten. Ze wist wel wat dat

was voor een novelle, die zóó verward was, dat ze niet meegeteld kon

worden.

In November kreeg ze op een middag een wonderlijk telegram. Dit bevatte

alleen de woorden: „Jubelende gelukwenschen!” en was onderteekend door

drie oude schoolkameraden van het Seminarium.

’t Viel haar heel lang te wachten tot den middag van den volgenden dag,

toen de courant uit Stockholm komen kon. Nadat ze ’t blad in de hand

had, moest ze lang zoeken zonder iets te vinden. Eindelijk vond ze in

de laatste kolom een kort berichtje met kleine letters gedrukt, dat zij

den prijs gewonnen had. Dat zou voor een ander misschien niet zoo veel

te beduiden gehad hebben, maar voor haar beteekende het, dat zij zich

zou kunnen wijden aan de roeping, die ze haar geheele leven verlangd

had te kunnen volgen.

Na dit is er niet zooveel meer te vertellen. De historie, die de wereld

in wou, was haar doel zeer nabij. Nu zou ze ten minste geschreven

worden, al duurde ’t misschien ook eenige jaren eer ze klaar zou zijn.

Zij, die haar schreef, kwam in de volgende Kerstvacantie naar

Stockholm.

De redacteur van „Idun” bood aan den roman te drukken, zoodra die klaar

zou zijn.

Ja! als zij maar ooit tijd kreeg dien te schrijven. Den avond vóór ze

naar Landskrona terug zou gaan, zat ze bij haar oude trouwe vriendin,

Mevrouw Adlersparre, en las haar een paar hoofdstukken voor.

Esselde luisterde, zooals alleen zij luisteren kon en het interesseerde

haar. Na ’t lezen zat ze een poosje zwijgend na te denken.

„Hoe lang moet het duren eer dit heelemaal klaar is?” vroeg ze

eindelijk.

„Drie of vier jaar.”

Zoo scheidden ze, maar den volgenden morgen, twee uur vóór ze Stockholm

verlaten zou, kreeg ze een briefje van Esselde, dat zij haar nog even

bezoeken moest voor ze vertrok.

De oude dame was in een vastbesloten en ondernemende bui.

„Nu moet je een jaar vacantie nemen en je boek afmaken. Ik zal wel voor

’t geld zorgen.”

Een kwartier later was ze op weg naar het hoofd van de kweekschool om

haar te vragen haar te helpen met ’t zoeken naar een plaatsvervangster.

Om één uur zat ze gelukkig en wel in den trein, maar reisde nu niet

verder dan tot Sörmland waar ze goede vrienden had, die een

verrukkelijk thuis hadden.

En daar gaven zij—Ingenieur Otto Gumelius en zijn vrouw—haar

gastvrijheid op hun buitentje, daar genoot ze rust, ongestoorden

werktijd en goede verzorging, bijna een jaar lang, tot haar boek klaar

was.

Nu kon ze eindelijk schrijven van den vroegen morgen tot den avond, en

dat was de gelukkigste tijd, dien ze ooit beleefd had.

Maar toen de historie klaar was tegen ’t eind van den zomer, zag die er

wonderlijk uit. Die was wild en uitgelaten, en onverbeterlijk, en wat

den samenhang betreft,—nog altijd hadden de verschillende gedeelten hun

ouden lust elk hun eigen weg te gaan.

Ze werd nooit zooals ze wezen moest. ’t Was haar ongeluk, dat ze

zoolang had moeten loopen wachten, eer ze verteld werd. En als ze niet

behoorlijk onder handen genomen werd en onder tucht kwam, is ’t vooral,

doordat haar schrijfster te overgelukkig was, dat ze haar eindelijk

schrijven mocht.

Herinneringen · 第 5 / 16 题