EEN STUK LEVENSBESCHRIJVING VAN SELMA LAGERLÖF.

Men kan wel begrijpen, dat ze het druk en moeilijk hebben op de oude

hoeve Mårbacka, den 2en November 1858. Er is daar dien dag vrij laat in

den avond een kind geboren, en zooiets brengt immers altijd onrust en

opschudding te weeg, zelfs op een plaats, waar men gewoon is het leven

kalm op te nemen en niet meer beweging over iets te maken dan noodig

is.

Tegen den avond, als het donker is, komt de dominésvrouw, die op de

naastbijzijnde hoeve woont en steekt het hoofd om de keukendeur. ’t Is

een klein, oud vrouwtje, een familielid en vriendin, die door alle

menschen „Tante Wennervik” wordt genoemd. Ze kon niet rustig thuis

blijven, maar heeft een shawl over het hoofd geslagen, een lantaarn in

de hand genomen en voor zich uit lichtend den weg gezocht langs het

smalle dwarspad, dat achter den tuin om loopt, om te hooren hoe het nu

is.

De dominésvrouw wordt dadelijk in de kamer achter de keuken gelaten.

Daar woont de oude mevrouw Lagerlöf, weduwe van den regimentssecretaris

Lagerlöf, nog op den dag van heden, zoo als ze daar haar leven lang

gewoond heeft, als getrouwde vrouw èn als jong meisje. Zij zit daar, 70

jaar oud en met grijze haren in haar hoekje op de canapé, kousen te

breien voor haar kleinkinderen, zooals zij altijd doet. Bij haar in de

kamer is alles rustig, en zij is zelf kalm, omdat haar zoon, luitenant

Lagerlöf, die bij den dood van zijn vader de hoeve heeft overgenomen,

zoo juist bij haar is geweest en haar verteld heeft, dat het ergste nu

voorbij is, en dat het kind ter wereld is gekomen.

Hoewel ’t al laat op den dag is, zet de huishoudster de koffie op en

komt al gauw de kamer in met een gevuld koffieblad. Daarna blijven

tante Wennervik en de oude mevrouw alleen en drinken samen koffie.

Tante Wennervik hoort, dat er een meisje is geboren, en de twee oudjes,

die aan de grens van het leven staan, zitten er over te praten hoe dat

kindje, dat zoo pas gekomen is, het wel in haar leven zou hebben.

„Ze zal het krijgen zooals ze verdient,—niet beter en niet slechter,”

zegt de oude mevrouw Lagerlöf.

„Dat hangt ook wel een beetje van het geluk af, moet ik zeggen,”

antwoordt tante Wennervik.

Juist toen de dominésvrouw die woorden uitspreekt, buigt de oude

mevrouw Lagerlöf zich voorover en voelt aan de reticule, die tante

Wennervik altijd aan den arm heeft hangen. Daar zit van alles in, want

tante Wennervik is iemand, die overal raad op weet en die er daarom ook

voortdurend op bedacht moet zijn, dat de menschen haar om hulp komen

vragen. Ze is eerst, toen zij al oud was, getrouwd met dominé

Wennervik, die een broer van mevrouw Lagerlöf is; vóór dien tijd heeft

ze op veel groote hoeven aan het hoofd van de huishouding gestaan.

Daarom heeft zij overal verstand van, van het klaarmaken van een

bruiloftsmaal en het opzetten van het fijnste driedraads weefwerk tot

het verzorgen van zieken en het opvoeden van jonge boerendochters tot

goede huismoeders toe. Nu mevrouw Lagerlöf aan de reticule voelt, merkt

ze al gauw, dat daarin, behalve de bril, en de sleutelbos, en het

naaigerei, en de hoestpastilles, en de medicijnflesch en het weefboek

en het reukdoosje, ook nog een hard vierkant voorwerp is.

„Ik voel, dat je de kaarten bij je hebt,” zegt ze.

Tante Wennervik’s verbleekte wangen worden een beetje rood. Ze kan

voorspellen en ze legt nooit de kaart of al wat ze voorspelt, komt uit.

Ze is er een beetje gevoelig voor, dat men zich tot haar wendt om haar

kunst te vertoonen; maar dat wil ze niet weten. Ze betuigt dat ze in ’t

geheel niet vermoedde, dat ze de kaarten bij zich had. Ze kan heelemaal

niet begrijpen hoe ze in haar reticule gekomen zijn.

„Maar nu je ze toch bij je hebt, kun je ze toch wel even leggen voor

dat stumpertje, dat juist op de wereld is gekomen,” zegt de oude

mevrouw Lagerlöf.

Tante Wennervik maakt wat complimentjes, maar ze laat zich niet heel

lang bidden, en dus wordt de koffiekan op zij gezet en de oude

dominésvrouw begint de kaart te leggen. Zij hanteert ze met groote

vaardigheid en terwijl de oude mevrouw Lagerlöf haar zit aan te kijken

kan ze niet laten te denken, dat haar schoonzuster er als een echte

kaartlegster uitziet. Ze heeft een bruine gezichtskleur, donkere,

vonkelende oogen en een langen neus zoo krom als een haak. Op ’t hoofd

heeft ze een zwarte kanten muts, die met een punt over het voorhoofd

hangt, en bij de slapen hangen drie groote krullen. Ze heeft nog geen

enkel grijs haar en ze heeft geen plekje in haar gezicht, dat niet één

en al rimpels is.

Tante Wennervik legt de kaarten uit in vier rijen van negen kaarten, en

als ze dat gedaan heeft, zet ze haar wijsvinger op de eerste kaart en

begint te tellen: één, twee, drie, vier—tot zestien toe. Ze telt op en

neer, vooruit en achteruit en verzet haar vingers onder het tellen, tot

ze aan de zestiende kaart komt. Dan mompelt ze wat in zich zelf, alsof

ze niet recht tevreden is.

„Nu, wat zie je?” vraagt de oude mevrouw Lagerlöf.

„Ze is wat ziekelijk,” antwoordt de dominésvrouw, „en ik geloof, dat ze

dat haar heele leven houden zal.”

„Iedereen moet zijn kruis dragen. Anders wordt je niet flink,” zegt de

oude mevrouw Lagerlöf. Zij is opgewekt van natuur en wil altijd van

alles het beste zien. „Als ze ziekelijk is, moet ze een rustig leven

leiden en dat is ook ’t beste voor een mensch.”

Tante Wennervik zet weer den wijsvinger op de kaarten en begint te

tellen.

„Er staan haar vele en lange reizen te wachten,” zegt ze, en kijkt

schalks haar schoonzuster aan. „En verscheiden keeren moet ze

verhuizen.”

„Op een rollenden steen groeit geen mos,” zegt de oude mevrouw

Lagerlöf. Zij, die haar heele leven op dezelfde hoeve heeft gewoond,

vindt het niet zoo heel prettig, dat haar kleinkind iemand worden zal,

die door ’t heele land zwerft.

„Maar ik kan wel begrijpen, dat ze, als ze ziekelijk wordt, haar eigen

brood niet verdienen kan, maar van den een naar den ander wordt

gezonden in de familie. ’t Is niet zoo gemakkelijk door de wereld te

komen voor iemand, die niet werken kan en zich nuttig maken.”

„Ze moet werken en zwoegen haar leven lang,” verkondigt tante Wennervik

na weer een poos geteld te hebben. „Daar hoeft ze dus niet bang voor te

wezen.”

„Zoo?—dan beteekent dat zeker, dat zij haar brood bij anderen moet

verdienen en dikwijls van betrekking veranderen,” zegt de oude mevrouw

Lagerlöf en zucht. Zulk een leven komt haar, die nooit bij een ander in

dienst is geweest, als het ergste voor wat er is. „Maar met jou ging

het toch goed,” zegt ze en haar gezicht klaart op. „Als ze maar zoo’n

flink mensch wordt als jij!”

„Ze zal haar heele leven geen weefsel opzetten,” zegt tante Wennervik,

met den neus over de kaarten gebogen; en zóó is ze verdiept in het

uitvorschen van de toekomst, dat zij er in ’t geheel niet over denkt of

ze iets aangenaams of onaangenaams voorspelt. „Ze zal veel met boeken

en papieren te maken hebben, dat zul je zien.”

De oude mevrouw Lagerlöf buigt zich ook over de kaarten, alsof ze wil

trachten uit deze verwarring wijs te worden.

„Zal zij veel te maken hebben met boeken en papieren?” zegt ze

verwonderd. „Je meent misschien, dat ze met een armen dominé trouwen

zal, die steeds van de eene gemeente naar de andere zal verhuizen en

nooit tot rust komen. Maar als hij maar een braaf mensch is, die goed

voor haar is...”

Tante Wennervik steekt een vinger in de lucht en valt haar in de rede.

„Wil je dat ik ’t zeggen zal zoo als het is?”

„Ja zeker wil ik dat,” zegt de oude mevrouw Lagerlöf.

„Ze trouwt nooit.”

„Zoo, trouwt ze nooit?” zegt de oude mevrouw Lagerlöf en nu moet ze

zichzelf goed beheerschen om niet te toonen hoe verschrikt ze is. „Ja,

ze wordt misschien op die manier voor veel verdriet bewaard. Maar je

kunt misschien wel zien of ze een braaf en goed mensch wordt?”

„Lief en bescheiden wordt ze wel,” zegt tante Wennervik en buigt zich

weer over de kaarten om nog meer geheimen na te speuren, maar nu wordt

ze in de rede gevallen door de oude mevrouw Lagerlöf, die wat droog

zegt:

„Nu moet je maar liever niets meer zeggen. Ik ben blij, dat ik te weten

kwam, dat ze een goed mensch wordt. Dat is eigenlijk het eenige wat van

belang is.”

Er is een boek, dat Oceola heet—ja ’t is ook wel mogelijk, dat ik het

me verkeerd herinner en dat het een anderen mooien vreemden naam heeft.

Het is een Indianenboek, zooals men het nu noemt, maar het is zeker

niet oorspronkelijk voor kinderen geschreven, maar voor groote menschen

bestemd. Ik weet niet wie het geschreven heeft en ook niet wanneer het

geschreven is; maar zeker is het heel oud, want het is meer dan veertig

jaar geleden, dat ik het voor het eerst zag. Ik kan niet zeggen hoe het

kwam, dat dit boek zijn weg vond naar mijn ouderlijk huis in Wermeland;

het hoorde niet tot de boeken van het huis, die meest gedichten

bevatten en maar heel enkele romans. ’t Kan zijn, dat een bezoeker het

meebracht, of de zuster van mijn vader, die veel romans verslond, heeft

het van een van de buren geleend. Maar hoe dat ook was, het is zeker,

dat het op een mooien dag toen ik zeven à acht jaar oud was, thuis op

een tafel lag en ik het in ’t oog kreeg.

Ik houd veel van lezen en ik zit gewoonlijk iederen dag op een laag

stoeltje naast moeder als zij zit te naaien en lees haar voor uit

„Nösselts algemeene geschiedenis voor vrouwen”. We zijn alle zeven

deelen doorgekomen, maar ik begrijp het eerste deel, met al die vele

sagen, het best. Ik vind het iederen keer weer heerlijk als Odysseus

thuiskomt en de aanbidders van zijn vrouw doodschiet; maar het afscheid

van Hektor en Andromache sla ik liefst over, omdat ik het niet lezen

kan zonder te schreien.

De Fritjofssage, de sprookjes van Andersen, de verhalen van Stål, de

vaandrig, hooren ook tot mijn goede vrienden, maar een roman heb ik nog

nooit onder de oogen gehad. Ik denk er ook niet aan dat dikke boek te

lezen, dat er uitziet alsof men jaren noodig zou hebben om er door te

komen, ik blader er alleen maar in. Maar het geluk wil, dat ik het

juist dáár opensla, waar de heldin van het boek, de jonge, schoone

dochter van een plantage-eigenaar, midden onder het baden overvallen

wordt door een alligator. Ik lees hoe zij vlucht en vervolgd wordt en

in levensgevaar verkeert. Nog nooit heb ik iets gelezen, dat me zóó in

spanning bracht. Ik sta ademloos te lezen tot de jonge heldhaftige

Indiaan tot hulp komt aansnellen en na een vreeselijken strijd met den

alligator zijn mes in het hart van het dier steekt.

Daarna lees ik de eene bladzij na de andere, zoo lang ik met rust

gelaten word. En zoodra ik een vrij oogenblik heb en niet aan de

schooltafel moet zitten om te leeren schrijven, rekenen en lezen, sluip

ik weg naar Oceola, die steeds op dezelfde plaats blijft liggen en lees

verder.

Ik ben heelemaal bekoord, betooverd! Dag en nacht denk ik aan dat boek!

’t Is een nieuwe wereld, die ik plotseling heb ontdekt. ’t Is de heele

rijkdom van het leven, die mij voor het eerst wordt geopenbaard. Daar

zijn liefde, heldendaden, schoone, edele menschen, laaghartige

schurken, gevaren en vreugden, geluk en nederlaag. En vooral is er een

kunstig in elkaar geslingerde rij gebeurtenissen, die spanning en

verwachting wekken. Van dat alles heeft een klein zevenjarig meisje,

dat op een stil landgoed opgroeit, nog nooit eenig vermoeden gehad.

Laat een van de aardbewoners eens verplaatst worden, naar een ster, ver

weg in de wereldruimte! Ik geloof niet, dat hij die nieuwe wereld met

meer gloeienden ijver zou onderzoeken,—met grooter belangstelling, met

een sterker gevoel van geluk, omdat juist hij met al dat vreemde kennis

mocht maken.

Nadat ik Oceola heb uitgelezen, val ik op alle romans aan, die ik maar

bereiken kan. ’t Zou niet gemakkelijk zijn te zeggen hoeveel ik er van

begrijp, maar ik geniet er onbeschrijfelijk van. De meesten zijn toch

volkomen uit mijn herinnering verdwenen.

Als ik aan dien tijd terug denk, verbaast het mij, dat men mij heeft

laten lezen wat ik wilde. Maar ik begrijp, dat Vader en Moeder mij

moeilijk iets weigeren konden. De ziekelijkheid, die tante Wennervik

mij voorspeld heeft, is over me gekomen. Mijn eene been was zwak en

lang kon ik in het geheel niet loopen. Het werd niet goed gevonden, dat

ik me vermaakte met spelen buiten en lichaamsoefeningen als andere

kinderen, maar ik moest me liefst rustig houden. En toen mijn ouders

zagen, dat ik gelukkig was als ik maar een boek in handen had, wilden

ze mij zeker niet van dat genot berooven.

Maar voor mij werd de kennismaking met het Indianenboek Oceola

beslissend voor mijn geheele leven.

Dat wekte bij mij een diep, sterk verlangen om ook eens iets zóó

heerlijks te kunnen maken. ’t Is dàt boek, dat maakt, dat ik al in mijn

jeugd weet, dat ik ’t liefst van alles in mijn later leven me bezig wil

houden met romans te schrijven.

Mijn broers en zusters en de kinderjuffrouw hebben mij verteld van de

voorspelling, die de oude tante Wennervik gedaan heeft den nacht, dat

ik geboren werd. En er is niemand, die met die voorspelling meer

ingenomen is dan ik zelf. Ik ben blij, omdat die zegt, dat ik veel met

boeken en schrijven te maken zal hebben. Naar iets anders vroeg ik in

dien tijd niet.

En nu wil ik eindelijk nog vertellen, dat het mij eenige jaren geleden

gebeurde, toen ik al een paar boeken geschreven had, dat ik in een

boekvitrine op een station een klein dik boek zag, dat Oceola heette.

’t Was slecht gedrukt op leelijk, grauw courantenpapier, in een

leelijken dunnen band ingenaaid en werd aangeboden voor heel weinig

geld.

Ik kocht het, en toen ik goed en wel in den trein zat, begon ik er in

te lezen om te zien of het werkelijk het wonderboek van mijn jeugd was,

dat ik in handen had gekregen. Ik vond werkelijk dat tooneel met den

alligator. Het moest dus hetzelfde boek zijn.

Maar toch was het niet hetzelfde, ’t was een leelijk, vervelend, slecht

vertaald, oud, gekunsteld boek. ’t Was ongeveer alsof men na lange

jaren van scheiding den geliefde van zijn jeugd als een oude,

ziekelijke grijsaard weerziet. Ik werd bang voor het boek; ik vreesde,

dat het uit mijn ziel de echte, stralende Oceola zou wegwisschen. Ik

had grooten lust het uit het coupé-raampje te gooien. Maar ik kon toch

dat boek niet uit het raam gooien. Er was eigenlijk iets aandoenlijks

in, dat zulk een boek mij toen zóó veel had kunnen geven. Ik heb het

mee naar huis genomen, maar ik heb het achter in de boekenkast gezet en

ik durf er niet meer naar te kijken.

Als ik negen jaar ben komt een andere van de donkere voorspellingen van

tante Wennervik uit. Ik ga een verre reis maken. Ik word naar Stockholm

gestuurd om genezing te zoeken voor mijn ziek been, en mij wordt een

kuur op een gymnastiek-inrichting voorgeschreven. Ik blijf den heelen

winter in Stockholm en de behandeling doet mij veel goed. Als ik

thuiskom in ’t voorjaar, ben ik even gezond als de andere kinderen en

het is bijna niet te merken, dat ik mank loop.

Ik woon bij familieleden in, die heel goed voor me zijn, maar dat kan

toch niet beletten, dat ik een beetje naar huis verlang. Ik heb moeite

me aan het stadsleven te wennen. Het hindert me, dat ik telkens hoed en

mantel aan moet doen als ik uitga, en ik houd niet van die lange,

rechte steenen straten, waar kleine kinderen even zedig en behoorlijk

loopen als de groote menschen. Ik heb ook geen begrip van de spelen van

de Stockholmsche kinderen. Ik kan op hun kleine sleedjes niet rijden en

ik houd heelemaal niet van poppen. Ik voel me dom en onbeholpen bij die

nette en handige jeugd en ik ben bang, dat ze me zullen uitlachen,

omdat ik Wermelandsch spreek.

Maar er zijn dingen in Stockholm, die boven alle beschrijving heerlijk

zijn en die alle moeilijkheden vergoeden. Zoo heeft b.v. mijn oom een

boekenkast, waar alle romans van Walter Scott op een van de planken

staan en hij leent mij den eenen na den anderen, zoodat ik ze allen

doorlees. En dan is daar immers ook de schouwburg.

Bij mijn familie is een oude, trouwe meid, die de huishouding van mijn

oom bestuurde vóór hij trouwde. Zij is te oud om nog in huis meê te

werken, maar zij zit dag in, dag uit in een mooien leunstoel in haar

eigen kamertje te werken en te naaien. Oom is heel goed voor haar. Hij

is bang, dat ze het te eentonig zal hebben en komt haar niet zelden een

plaatsbewijs voor de comedie brengen. Maar als zij naar de comedie

gaat, mag ik meê. Mijn familie heeft ontdekt welk een buitengewoon

genot dat voor me is en misschien zijn ze ook wel wat bang om de oude

vrouw alleen te laten gaan. Bovendien kost mijn plaats in de comedie

niets. De oude Ulla doet maar een goed woordje voor mij bij den portier

en dan mag ik meê naar binnen. Ik krijg natuurlijk geen zitplaats, maar

moet voor haar staan. Maar wat beteekent dat! De tijd gaat zoo gauw om

in den schouwburg. Ik kan er niet aan denken of ik moe ben, voor alles

al voorbij is.

Er is zeker nu nog wel iemand, die zich de uitgesleten trappen en de

smalle gangen in het oude operagebouw herinnert. En er is ook nog wel

een of ander, die zich herinnert hoe het in den corridor rook. Ik kom

nu en dan nog wel eens in een ouden schouwburg in het buitenland, waar

die zelfde theaterlucht nog is. En telkens als ik die ruik, komt weer

de zaligheid van de verwachting over me. Het is me alsof ik weer een

kind ben, dat buiten de logedeur sta te wachten tot de portier die zal

komen opendoen.

Ulla en ik zitten altijd op de tweede rij in de eerste bank. We gaan

trouwens niet altijd naar de opera, we gaan ook naar

tooneelvoorstellingen; maar we hebben dan ook dezelfde plaatsen.

Op die manier hebben we samen allerlei gezien: l’Africaine, la Muette

de Portici, Robert, de Freischütz, de Wermelanders, la belle Hélène,

l’Ecole des femmes, Kasbloemen, en Mijn roos in ’t bosch.

Dit is weer een nieuwe bonte wereld, waar ik word binnengeleid. Men kan

wel begrijpen, dat ik er heelemaal door bedwelmd word.

’t Is maar goed, dat ik bij mama’s naaitafeltje gezeten en de algemeene

geschiedenis van Nösselt gelezen heb; hoe zou ik er anders den weg

gevonden hebben.

Maar eigenlijk is het niet een heelemaal nieuwe wereld. ’t Is eerder

mijn welbekende romanwereld, die levend is geworden, en die in levende

beelden voor mijn oogen voorbij gaat. Zóó zien ze er dus uit, mijn

wilde, geharnaste ridders! Zoo gaat dus een koning gekleed, zoo is een

kloostertuin ingericht, in zulke lange grijze mantels loopen dus de

monniken en nonnen. Ik maak kennis met storm op zee, met tropische

landschappen, met vuurspuwende bergen. En ik neem natuurlijk alles op

als de meest geloofwaardige ernst. Ik begrijp niet dat „la belle

Hélène” één en al scherts is. Ik geloof dat alles zoo toeging, toen

Helena werd weggeroofd, hoewel Nösselt vergeten heeft dat te vermelden.

We hebben volkomen denzelfden smaak; de oude vrouw en ik. We houden van

mooie decoraties, mooie costumes, groote scènes, als het tooneel wemelt

van menschen. En natuurlijk letten wij het meest op de handeling. Van

den zang en de muziek hebben we niet zóóveel verstand. Die hindert ons

eer een beetje, omdat we de gezongen woorden zoo moeilijk kunnen

verstaan en dan het verband verliezen.

We zijn ook niet recht tevreden met zulke stukken, waar geen koningen

of ridders in optreden. Ik voor mij ben heelemaal bekoord door een

volksstuk zooals b.v. de Wermelanders, omdat het mij aan huis

herinnert. Maar de oude Ulla houdt er niet van om alleen boeren op het

tooneel te zien. Ze kwetst me diep door te zeggen, dat la belle Hélène

met haar grooten stoet koningen toch heel wat anders was. Dat hindert

me om mijn landslieden, maar in den grond van mijn hart ben ik het

eigenlijk met haar eens.

Intusschen gaat de winter voorbij, en tegen den zomer moet ik naar

huis. En natuurlijk blijft mij de herinnering bij aan al wat ik gezien

heb en vertel ik het telkens weer aan mijn broertjes en zusjes.

Op een dag, dat we om een of andere reden een vrijen dag op school

hadden, komen we op het idee, dat we tooneel moesten spelen, en dat we

een van de stukken moeten spelen, die ik in Stockholm gezien heb. En er

wordt besloten dat we „Mijn roos in ’t bosch” zullen opvoeren. Niet

omdat dit het mooiste is wat ik gezien heb, maar het is het

eenvoudigste,—het eenige, wat we voelen te kunnen spelen.

Het wordt een vermoeiende dag voor mij. Want ik moet de rollen helpen

instudeeren en de spelers leeren wat ze moeten zeggen. We hebben geen

tekstboekje, maar alleen mijn geheugen om op te vertrouwen. Ik

verander, met behulp van dekens en spreien onze kinderkamer in een

tooneel. Ik moet ook bepalen hoe de optredenden zich grimeeren moeten,

en hoe hun haar en hun kleeren moeten wezen. Ik ben de eenige, die van

dit alles een beetje verstand heeft.

Voor den avond is toch alles klaar en het tooneelstuk loopt van stapel.

De toeschouwers zijn: Vader en moeder, tante, de gouvernante, de

huishoudster, en een paar van de dienstmeisjes. Zij zitten allemaal in

een nauwe deur-opening en ik geloof niet, dat zij veel van het tooneel

kunnen zien; maar dat doet er zeker niet veel toe. Zij hebben in elk

geval veel pleizier.

We hebben een klein meisje van twaalf jaar in huis. Ze is heel lief en

loopt rond met Mama’s oude baljurk en speelt de rol van de heldin:

„Mijn roos in het bosch”. Mijn oudste zuster, die ook twaalf jaar is,

heeft Papa’s oudste uniformjas aan en speelt de rol van den held. Zij

ook is heel lief en ze speelt zoo mooi. Ze heeft echt aanleg voor het

tooneel. Ons kamermeisje speelt voor een oude huishoudster. Er kwam een

grijsaard met lang wit haar in ’t stuk voor, en ik neem die rol, omdat

mijn haar lang en heelemaal wit is.

We hebben groot, groot succes. Ik zou wel eens willen weten wat de

schrijver zou gezegd hebben als hij zijn stuk zóó had zien opvoeren;

maar misschien was hij er ook wel meê tevreden geweest.

Van af dien dag droom ik niet alleen meer van romans schrijven. Nu wil

ik ook tooneelstukken schrijven. Ik verlang er naar om groot te zijn,

zoodat ik niet meer op de schoolbanken behoef te zitten en mijn tijd

verspillen met rekenen en schrijven.

’t Is een mooie lentemiddag en ik loop heen en weer in het kleine

boschje achter den tuin. Zoodra ik op een van de slingerende paden aan

de grens van het boschje ben, komt me een schitterend licht tegemoet.

Groote akkers breiden zich voor mij uit, en de zonneschijn ligt

tintelend op den damp, die uit ’t pas geploegde veld opstijgt. Hier

straalt de lucht in purpergloed en daar weer schijnt ze vol stofgoud te

zijn. Onder de boomen is ’t weer wonderlijk donker. Ze zijn pas in het

volle blad gekomen. Ik ben nog niet gewend aan de groene duisternis,

die daaronder gewoonlijk heerscht. Op eens, terwijl ik mij van het

licht bij den tuin weer naar de schaduw keer, komen mij een paar

dichtregels op de lippen.

„Det är så mörkt under lindarna

Så ängsligt stilla i vindarna.”

(Het is zoo donker onder de linden, zoo angstig stil in de gebouwen.)

Wat nu? Wat is dat? Ik blijf staan en ben bijna buiten adem van

verrassing. Dat rijmt immers! Dat zijn immers verzen! Kan ik verzen

maken? Ik ben vijftien jaar en ik heb alle verzenboeken gelezen, die ik

thuis vinden kon: Tegner, Runeberg, Fru Lenngren, Stagnelius, Vitalis,

Bellman, Wallin, Dahlgren, maar ik ben nooit op de gedachte gekomen,

dat ik zelf verzen zou kunnen maken. Verzen schrijven, dat was iets

hoogs, iets heiligs. Dat was een gave, die alleen aan de uitverkorenen

onder de menschen toekwam.

Maar nu heb ik tenminste twee rijmende regels bij elkaar gezet. Ik

herhaal ze keer op keer. Ik spreek ze luid voor mijzelf uit. Ik neurie

ze. Ik probeer toch niet meer regels te vinden. Ik ben àl te verbaasd

over wat me gebeurd is. Stel u voor, dat ge als een arm bedelaarskind

zijt opgegroeid en dat iemand u plotseling komt vertellen, dat ge een

koningskind zijt!

Stel u voor, dat ge blind geweest zijt en onverwachts ziende wordt, dat

ge doodarm zijt geweest en heel snel rijk wordt, dat ge verstooten en

verlaten geweest zijt en zonder dat ge er eenig vermoeden van hadt een

groote warme liefde ontmoet op uw weg! Stel u voor wat ge u maar denken

kunt aan groot, onverwacht geluk—en ge zult u toch niet iets kunnen

voorstellen, dat grooter is dan wat ik in dat uur voel.

Ik kan rijmen, ik kan verzen maken! Ik heb dezelfde gave als Tegner,

Runeberg, Wallin! Ik zal worden als een hunner!

Ik ben altijd van plan geweest romans en tooneelstukken te schrijven.

Maar dat is lang zooiets bizonders niet als verzen maken. Dat is alleen

maar prettig en genoegelijk; maar verzen... dat is iets hoogs. Dat is

eervol. Dat is het wonderbaarlijkste van alles. Ik verzwijg die groote

ontdekking voor al mijn huisgenooten en familieleden. Maar ik ben als

in een bedwelmenden droom dien heelen dag; ik hoor niet wat men zegt en

geef allerlei verkeerde antwoorden.

Ik herinner me ook hoe we dien dag aan het avondeten zaten. Daar zit

Vader en daar zit Moeder. Daar zijn mijn zusters, tante en de

gouvernante. En daar ben ik zelf, klein en bleek met veel wit-blond

haar, precies als een gewoon kind. Vader voert het woord als gewoonlijk

en schertst met tante en de gouvernante. Ze spreken vroolijk en blij en

’t gesprek loopt over de meest alledaagsche dingen. Wat zouden ze wel

gezegd hebben, als ze ook maar een vermoeden hadden gehad van de wilde

verwachtingen, die door mijn hoofd stormden? Wat me een beetje

verontrust is de voorspelling van tante Wennervik. Daar kwam niet in

voor, dat ik wat groots en bizonders zou worden. Maar wie verzen

schrijven kan is een grootheid! Die is bijna grooter dan een koning. Ik

begin te vreezen, dat ik me vergist heb, dat ik de goddelijke gave niet

bezit.

Dan herhaal ik in mijzelf dat kleine rijmpje en ik voel me weer

eindeloos trotsch, grenzenloos gelukkig.

Als het eindelijk nacht wordt wil ik probeeren waar dat nieuwe talent

voor deugt en ik begin getroost een gedicht te schrijven. Ik rijg

woorden aan elkaar en doe den heelen nacht geen oog dicht. Ik voeg den

eenen versregel bij den anderen en heb een massa coupletten klaar vóór

de morgen aanbreekt.

Maar dat gedicht zelf is niet zooveel bizonders voor me. Het bizondere

is, dat ik het vermogen bezit, dat ik verzen maken kan, dat ik tot de

uitverkorenen behoor.

Van dien tijd af maak ik verzen in tijd en ontijd, vroeg en laat, dag

en nacht, veel jaren lang. De meesten van al die gedichten zijn al weer

vernietigd en het beetje wat overbleef is niet veel waard.

In al die schrijverij is er maar één heel klein stukje wat ik mooi

vind, en wat ik soms in me zelf fluister, als ik onder de donkere

boomen sta en het licht van de avondzon zie vlammen over vlakten en

dalen.

„Det är så mörkt under lindarna

Så ängsligt stilla i vindarna.”

Ik ben twintig jaar, en ik ben in Stockholm, in hetzelfde vriendelijk

thuis, dat me opnam toen ik een negenjarig kind was. Ik ben daarheen

gereisd om toegang te verkrijgen op het hoogere Seminarium voor

onderwijzeressen. Ik heb examen gedaan en zit, nu dat afgeloopen is, te

wachten of ik geslaagd ben en op het instituut zal mogen komen.

’t Is een lange dag; ’t is bijna onmogelijk hem om te krijgen. We

hebben bijna een week lang examen gedaan, en dat was niet zoo moeilijk

als ik vreesde, ’t waren dagen van sterke spanning, maar er is iets

gebeurd; er is strijd en streven geweest en nu en dan was het zelfs

prettig. Alle examinatoren waren uiterst welwillend en hun eischen niet

overdreven. Over ’t algemeen geloof ik, dat ik het vrij goed gemaakt

heb. Maar ongelukkig is dat niet genoeg. Men moet het beter maken dan

véél anderen. Er kunnen ieder jaar niet meer dan vijf en twintig

leerlingen op het Seminarium geplaatst worden en wij waren met ons

negen en veertigen, die solliciteerden! Dat is juist het

verschrikkelijke. We hebben in groepjes van drie examen gedaan en ik

weet dus niet hoe de anderen het hebben gemaakt. Maar ik ben er zeker

van, dat al die anderen op behoorlijke stadsscholen hebben gegaan. Zij

hebben niet hun heele leven buiten gewoond en al hun vrijen tijd

besteed om onbruikbare verzen te maken. ’t Is niet anders dan heel

natuurlijk, dat ze allemaal knapper moeten zijn dan ik.

Ik ben het laatste jaar in Stockholm geweest en heb een cursus

doorloopen om mij voor het toelatingsexamen voor te bereiden. Maar dat

is maar één enkel jaar, dat ik ernstig gestudeerd heb. De anderen

hebben groote scholen met acht klassen doorloopen.

Men heeft me gezegd, dat we den uitslag pas laat op den middag kunnen

hooren. Als ik niet slaag, komt de portier met een brief, die me het

bericht brengt, dat ik dit jaar niet als leerling op het Seminarium kan

worden toegelaten. Ben ik geslaagd, dan krijg ik geen brief, in het

geheel geen bericht. Dan kan ik den volgenden morgen kalm naar het

Seminarium wandelen en met mijn studie beginnen. Maar het is nog midden

op den dag. Er moeten nog vele uren voorbij gaan, eer ik den portier

met dien gevreesden brief verwachten kan.

Mijn familieleden hebben wel medelijden met mij, maar wat kunnen zij

doen om mij te helpen? Wij zitten te praten, maar het valt mij moeilijk

om mijn gedachten te houden bij wat zij zeggen. Die keeren steeds terug

tot de vraag: of ik mijn wiskundevraagstuk ook heelemaal verkeerd heb

opgelost en of ik niet verkeerd heb geantwoord op de vragen over de

zweedsche taal.

En ik hoop en bid, dat ik door mijn examen mag komen, niet omdat ik

knapper ben dan mijn medesollicitanten, maar omdat ik er meer behoefte

aan heb dan iemand anders. Zie, dat is iets, wat ik zeker weet. Niemand

heeft het zóó noodig daar te komen en die drie jaar gratis het

onderwijs te krijgen, dat het Seminarium aan te bieden heeft. Als ik nu

niet slaag is het met mij uit. Dan moet ik een of andere betrekking als

gouvernante zoeken met een paar honderd kronen tractement, of ik moet

naar huis gaan en in de huishouding werken. Ik ben nu niet meer zoo

kinderachtig als toen ik thuis was en meende, dat het voldoende was te

droomen en te hopen, om het tot iets te brengen. Nu weet ik, dat ik

werken moet en kennis opdoen, als ik een schrijfster wil worden.

Ik weet ook, dat ik kennis noodig heb om te leven. We zijn zoo arm

thuis, al sinds een paar jaar. Ik moet mijn eigen brood leeren

verdienen, als ik niet in ellende wil komen.

Alle anderen, die solliciteeren, handelen misschien niet vierkant tegen

den wil van hun vader in. Zij hebben misschien niet met alle kracht

moeten doorzetten, dat zij van huis mochten. In hun huis meent men

misschien niet meer, dat een vrouw niet iets behoorlijks hoeft te

leeren. En als zij er nu niet komen, kunnen zij ’t misschien het

volgend jaar weer probeeren. Maar ik kan nooit meer Vaders toestemming

krijgen om in Stockholm te gaan studeeren, als ik nu niet slaag.

Die anderen zijn zeker ook zoo arm niet als ik. Zij kunnen misschien

wel op andere scholen komen. Maar dat kan ik niet. Vader heeft geen

geld om mij te geven, en het is zeker wel grootendeels daarom, dat hij

er zooveel tegen heeft mij van huis te laten gaan. Maar als ik maar

eens op het Seminarium ben, dan heb ik een gebaanden weg voor me; dan

kan ik wel geld leenen, zoodat ik die drie jaar in Stockholm wezen kan.

Maar als ik niet slaag—wie zou me dan willen helpen?

Wat gaat de tijd langzaam, dien dag! En met niets kan men zich

bezighouden. Ik kan niet uit wandelen gaan, want stel je voor, dat de

portier met den brief kwam, terwijl ik weg was! En ’t geeft ook niets

nu te studeeren. Het examen is immers voorbij. Er is niets te doen dan

wachten.

Ik heb mijn heele leven gewacht, maar op een andere manier. Ik heb

gewacht of ik ook ontdekt zou worden, of iemand mijn romans, mijn

gedichten, mijn tooneelspelen zou lezen en ze mooi en geestig vinden.

Telkens als ik ze aan iemand liet zien, hoopte ik, dat het gebeuren

zou.

En eens was het wezenlijk bijna gebeurd. Er was een bruiloft bij een

van de buren en ik was bruidsmeisje. Aan tafel las een van de

ceremoniemeesters een vers voor aan de bruidsmeisjes en ik antwoordde

met een toespraak aan de ceremoniemeesters, ook in verzen. We hadden

natuurlijk beiden groot succes. Men heeft immers altijd succes met

gelegenheidsverzen.

Een poos na den maaltijd kwam Moeder mij zeggen, dat Eva Fryxell mij

spreken wilde. Eva Fryxell was de dochter van den grooten

geschiedschrijver, Anders Fryxell, die in een gemeente in de buurt

proost was. Zij was zelf schrijfster en daarbij een zeer ontwikkelde

vrouw. Ze was des winters gewoonlijk in Stockholm en verkeerde toen in

de literaire kringen van dien tijd. Niemand was beter dan zij in staat

mij in de wereld vooruit te helpen.

Zij was ook op de bruiloft. Ze had mij verzen hooren voorlezen en nu

wilde ze mij spreken.

Ze vroeg me of ik gewoon was verzen te schrijven. Ze verzocht me haar

mijn beste stukken te zenden, dan zou zij probeeren ze in een of ander

blad te krijgen.

Ze was heel vriendelijk en ik meende, dat het geluk nu eindelijk was

gekomen. Ik zond haar mijn gedichten en verwachtte sinds dien tijd ze

in druk te zien verschijnen.

Maar de heele herfst ging voorbij,—de heele winter en ik hoorde niets.

Eerst tegen het voorjaar kwam een lange brief van Eva Fryxell. Zij zond

mijn gedichten terug. Geen enkel blad had ze willen opnemen. Maar zij

schreef niet alleen daarover. Zij schreef, dat ik de wereld in moest

gaan en kennis opdoen, anders zou er nooit iets van mij worden.

En toen was het voornamelijk een gevolg van haar vermaningen, dat ik

een jaar geleden met groote moeite van huis was gekomen. Dit heele jaar

had ik niets geschreven, maar enkel gestudeerd om alles in te halen wat

mij ontbrak.

En in dien tijd was ook de liefde voor de studie bij me wakker

geworden. Ik verlangde naar die drie jaar op het Seminarium, naar die

drie jaar van sterk, intensief arbeiden en vooruit gaan.

„Ze zal heel haar leven werken en zwoegen,” had tante Wennervik gezegd,

en ik hoopte, dat het zoo worden zou.

Nu en dan wordt er gebeld. Dan spring ik op en denk of het ook de

portier van het Seminarium kan zijn. Men heeft mij gezegd, dat hij niet

voor vijf uur komen kan, maar wie weet?—De beslissing kan dit jaar wel

eerder gevallen zijn.

De hoop wordt met ieder oogenblik flauwer. Natuurlijk zijn al de andere

acht en veertig knapper dan ik. En natuurlijk heb ik dikwijls verkeerd

geantwoord, zonder dat ik het zelf gemerkt heb.

De klok slaat drie uur. Daar wordt weer gebeld.

Een familielid en een studie-kameraad komen binnen. De laatste

solliciteert ook, en we hebben in dezelfde groep examen gedaan.

Ze komt me vertellen, dat wij er allebei door zijn. Ze wil niet zeggen

hoe ze het weet, maar het bericht komt uit een vertrouwde bron. En

zoodra ze het wist, heeft ze zich gehaast om het mij te komen

vertellen, opdat ik niet langer in onrust zou zitten wachten.

Ik weet niet wat ik zeg of doe. Ik weet niet of ik haar wel bedankt

heb. Ik sluip zoo ver mogelijk weg, naar een achterkamer om alleen te

kunnen zijn.

Ik kan me in ’t geheel niet bedwingen. Ik beef en tril en kan niet stil

zitten. En ik barst in schreien uit.

Ik voel, dat ik over het ergste heen ben. Ik ben niet meer hulpeloos en

afhankelijk. Mijn weg ligt voor me. Ik zal mijn eigen brood kunnen

verdienen en ben meester over mijn eigen doen en laten. Nu hangt het

maar van mij af of ik bereik wat ik wil.

’t Is in het groote hotel in Jeruzalem, op een avond in Maart, in het

jaar 1900. Ik ben uit mijn kamer geroepen door Jemil, onze syrische

tolk, om een gast te ontvangen. Die gast kan niet in mijn kamer gelaten

worden, en ook niet in de groote ontvangkamer. De tolk meent hem niet

verder te kunnen brengen dan in de vestibule van het hotel.

Dat is ook geen wonder, want de vreemde ziet er niet aanlokkelijk uit.

’t Is een oude neger, een vreeselijk leelijk type, een man, die met

zijn reusachtige lippen, zijn lange apenarmen, zijn gezwollen spieren,

zijn zwaar lichaam, en zijn grove huid, die er uitziet als boombast,

den indruk maakt, alsof hij tot de menschensoort behoort, die vóór den

zondvloed bestond. En die gestalte is gehuld in iets, dat men geen

kleeding kan noemen. De man is omwonden en ingepakt in lange, vuile,

witte lappen, die hij om het lichaam heeft gewikkeld.

Hij heeft bloote voeten en over zijn hoofd heeft hij een punt van

denzelfden lap, dien hij om het lichaam heeft.

Een paar dagen geleden leidde Jemil mij en mijn reisgezellin, mevrouw

Sophie Elkan, rond in de oude Moskee El Aksa in Jeruzalem, en het

verwonderde ons een versleten dekkleed te zien liggen in een groote

vensternis in een zijgang. Jemil zeide ons, dat zich in die nis een

waarzegger placht op te houden, die het publiek ter wille was met zijn

inlichtingen over de toekomst. Ik zei, dat ik het jammer vond, dat hij

juist toen niet op zijn plaats was. Ik zou graag mijn lot voorspeld

hebben door een echten waarzegger in de oude El Aksa, die op den bodem

van Salomons tempel was opgebouwd. Nu had de vriendelijke tolk den

waarzegger opgezocht en hem naar het hotel gebracht, opdat ik mij toch

in Jeruzalem mijn lot zou kunnen laten voorspellen.

’t Is niet zoo plechtig als in de El Aksa-Moskee wanneer dat gebeuren

moet in de vestibule van een hotel, waar bedienden en reizigers in en

uit stroomen; maar ik heb geen keus. Wij gaan alle drie naar een tafel,

die in een hoek staat. De waarzegger haalt een zakje voor den dag, dat

hij onder zijn lappen verborgen heeft, doet het open en schudt een vrij

dikke laag zand over de tafel uit; het is zonder twijfel een soort

zeezand, want er zijn veel gekronkelde slakkenhuisjes in.

Onder deze toebereidselen moet ik aan tante Wennervik denken. Ik ben

benieuwd of deze Oosterling hier zoo goed kan waarzeggen als zij.

Als de neger het zand gelijk heeft uitgespreid zegt hij een paar

woorden in het Arabisch, die de tolk in ’t Engelsch vertaalt:

„Hij vraagt of de lady aan iets wil denken, waarover zij inlichtingen

verlangt. De lady moet niet spreken over datgene, waar ze aan denkt; ze

moet het alleen een poos in haar gedachten houden en dan zal ze

antwoord krijgen.”

Een oogenblik sta ik verward. Ligt er geen onoverkomelijke klove

tusschen een arabischen waarzegger en een westersche reizigster? We

hebben in heel andere werelden geleefd. Wat zal ik kunnen vragen, dat

niet buiten het bereik van zijn gedachten ligt?

Gedurende mijn geheele verblijf in Jeruzalem heb ik eigenlijk maar één

gedachte gehad. Ik ben enkel en alleen hier gekomen om eenige boeren

van Nås in Dalmatië te bezoeken, die hierheen gekomen zijn en toen met

een groep Amerikanen een kolonie gevormd hebben. Ik wilde hen zien en

spreken om over hen te schrijven.

En nu ben ik dikwijls bij hen geweest, ik heb aan hun tafel gegeten,

hun scholen bezocht, hen zien werken op hun werkplaatsen, in hun

eigengemaakte wagens gereden, geloopen op matten en gezeten op stoelen,

die zij voor eigen gebruik hebben gemaakt. Ik heb hen open en zonder

omwegen hooren spreken over hun leer. Ik heb niets bij hen gevonden wat

niet goed, eerlijk en oprecht was.

Ik werd bewogen toen ik hier in dit vreemde land hun goede zweedsche

gezichten zag en hun eerlijke zweedsche taal hoorde; de tranen kwamen

mij in de oogen. Ik heb hun godsdienstoefening bijgewoond en ik heb

gehoord hoe ze ons—hun zweedsche gasten, hun afscheidslied toezongen:

„Wij zien elkander eenmaal weer.” Ik heb hen eenvoudig, vlijtig,

geduldig gevonden en ik brand van verlangen om over hen te schrijven.

Maar toch is in dienzelfden tijd de twijfel in mij opgekomen of ik ooit

een boek over hen zal kunnen schrijven. Niet alleen de vrees voor mijn

eigen onvermogen om dit onderwerp te behandelen brengt mij tot dien

twijfel, maar ook andere redenen. Ik leef elken dag in een toestand van

twijfel en ongedecideerdheid, die bijna pijnlijk is.

Het geldt een voor mij belangrijke zaak. Deze lange reis zou te

vergeefs ondernomen zijn als ik dit boek niet schrijven kan. Tijd,

moeite en geld zijn dan nutteloos verspild. Dat is geen kinderspel!

Ik vraag mezelf dagelijks af: „Zal hier een boek van komen? Zal dat

ooit geschreven worden? Zal iemand het willen lezen?”

Maar kan ik een neger-waarzegger hiernaar vragen? Heeft zulk een

oermensch als hij hier wel ooit een boek gezien? Weet hij wat een roman

beteekent?

In elk geval is er niets anders, dat ik op dat oogenblik zou willen

weten, en ik bepaal mijn gedachten hierbij: „Zal ’t mij gelukken een

boek te schrijven over de zweedsche boeren in Jeruzalem?”

De waarzegger heft zijn hand op boven het zand, dat hij vóór zich heeft

uitgespreid, steekt een dikken wijsvinger uit, met een nagel, die veel

op een klauw gelijkt en maakt een paar rijen gaatjes in het zand. Hij

mompelt in zich zelf en maakt berekeningen. Het duurt heel lang voor

hij iets zegt. Maar dan keert hij zich tot Jemil en spreekt arabisch.

„Hij zegt, dat de lady denkt aan iets, wat zij op een papier wil

schrijven,” vertaalt Jemil. „Hij zegt, dat de lady maar niet ongerust

moet zijn. Dat waar zij aan denkt zal haar gelukken.”

Ik kan ’t niet helpen, maar ik ben wat verbaasd over dat antwoord. Hij

schijnt gedachten te kunnen lezen, de oude neger.

Hij ziet me aan alsof hij antwoord verwacht, en ik verzoek den tolk hem

te zeggen, dat hij juist geantwoord heeft en dat ik heel tevreden over

hem ben.

De waarzegger strijkt dadelijk de gaatjes uit het zand weg, zoodat het

weer glad en netjes ligt en verzoekt mij nog een vraag te doen. Dezen

keer bedenk ik mij niet lang. Wij moeten den volgenden dag uit

Jeruzalem vertrekken om Nazaret, Tiberias en Damaskus te bezoeken. Ik

vroeg alleen: „Zullen we een goede reis hebben? Zullen we de plaatsen

bereiken, die we graag willen zien?”

Het duurt ook niet lang, voor de waarzegger opnieuw spreekt. Maar hij

antwoordt niet op mijn vraag; hij verzoekt mij mijn handen te mogen

zien, mijn beide handen.

Ik strek mijn handen uit, met de palmen naar boven. De waarzegger

bekijkt ze, doet een stap achteruit en heft de armen op. De woorden

stroomen over zijn lippen. Hij is blijkbaar ontroerd.

„Wat scheelt hem? Wat zegt hij?” vraag ik den tolk.

„Hij zegt, dat de lady denkt aan den weg, die vóór haar ligt,”

antwoordde deze, „en hij verklaart, dat de lady een goede reis zal

hebben. Hij zegt, dat deze lady het teeken van Sultan Ibrahim il Khal

en van Sultan Soliman in haar handen heeft. Hij zegt dat alles deze

lady zal gelukken. Deze lady heeft een heel sterke ster.”

Ik verzoek den tolk den waarzegger te zeggen dat ik heel tevreden ben

met zijn antwoorden en ik betaal hem. Ik begrijp, dat ik tevreden moet

wezen, nu ik weet, dat ik het teeken van Abraham en Salomo in mijn

handen heb.

„Ik zou wel eens willen weten wat tante Wennervik hiervan zou zeggen?”

zeg ik in mij zelf, terwijl ik weer naar mijn kamer ga.

Maar nauwelijks heb ik dat gezegd, of het is me als hoor ik een scherpe

stem, vlak bij mijn oor in ’t echte, meest huiselijke Wermelandsch:

„Dat kun je toch wel begrijpen, kind, dat die oosterlingen hier, al

zijn ze ook zoo leelijk als apen en al loopen ze ook in lompen, toch

beter slag hebben van vleien en complimentjes zeggen dan wij, vooral

als ze er een duitje meê verdienen kunnen. Maar op mijn voorspelling

kun je vertrouwen. Die is niet betaald. Reizen zul je en werken, en

boeken schrijven, heel gezond word je nooit, en zoo zal je leven

voorbij gaan.”

„Lieve tante Wennervik,” fluister ik terug, „wees u maar niet ongerust.

U begrijpt niet wat deze man bedoelt. Hij wil alleen maar zeggen, dat

wie op rijper leeftijd mag uitvoeren, waar hij als kind van droomde,

het geluk der oude wijzen heeft ontvangen en door een goede ster werd

geleid.”

Herinneringen · 第 4 / 16 题