In de oude eerwaardige moskee El Aksa te Jeruzalem is in een lage gang,
die in bochten achter het hoofdgebouw omloopt, een buitengewoon diepe
en breede vensternis. In die nis ligt een oude versleten mat en op de
mat zit dag in dag uit de oude Mesullam, die waarzegger en
droomuitlegger is en tegen een kleine betaling de bezoekers van de
moskee hun toekomstig lot voorspelt.
Nu gebeurde het eenige jaren geleden op een namiddag, dat Mesullam, die
als gewoonlijk in zijn venster zat, zoo slecht gehumeurd was, dat hij
niet eens de groeten der voorbijgangers wilde beantwoorden.
Niemand dacht er toch aan om zich over zijn onbeleefdheid te ergeren,
omdat men wist, dat hij bedroefd en gekwetst was door een vernedering,
die hem dien dag was overkomen.
Jeruzalem werd namelijk in dien tijd bezocht door een machtig monarch
uit het Westen, en op dien morgen had de hooge vreemdeling met zijn
gevolg de El Aksa bezocht. Vóór zijn komst had de bestuurder der Moskee
alle hoeken en gaten in het oude gebouw laten vegen en stoffen, en hij
had ook bevolen, dat Mesullam van zijn plaats zou heengaan. Hij had het
volstrekt onmogelijk gevonden hem daar te laten zitten gedurende dat
hoog bezoek. Niet alleen omdat zijn mat kapot en versleten was en omdat
hij om zich heen een menigte vuile zakjes had opgestapeld, waarin hij
zijn toebehooren bewaarde, maar hij zelf, Mesullam, was op verre na
geen sieraad voor de moskee. Hij was eigenlijk een ongeloofelijk
leelijke, oude neger. Zijn lippen waren monsterachtig groot, zijn
onderkaak stond ver vooruit, zijn voorhoofd was bizonder laag en zijn
neus leek ’t meest op een snuit. Als men daar nog bij denkt, dat
Mesullam een grove en rimpelige huid en een dik, lomp lichaam had, dat
maar armoedig gehuld was in, en omwonden met een vuile, witte shawl,
dan kan men er zich niet over verwonderen, dat het hem verboden werd,
zich in de moskee te vertoonen zoo lang de gevierde gast daar
vertoefde.
De arme Mesullam, die wist, dat hij niettegenstaande zijn leelijkheid
een buitengewoon wijs man was, voelde ’t als een bittere
teleurstelling, dat hij den hoogen reiziger niet zou zien. Hij had
gehoopt hem eenige bewijzen te mogen geven van de groote kennis van
verborgen zaken, die hij bezat en op die wijze zijn eer en aanzien te
verhoogen. Nu die hoop verijdeld was zat hij uur in, uur uit, te
treuren, in een wonderlijke houding, met de lange armen omhoog geheven,
alsof hij den hemel om rechtvaardigheid aanriep en met het hoofd ver
achterover gebogen.
Toen het tegen den avond liep, werd Mesullam uit dien toestand van
alles overweldigende smart gewekt door dat een vroolijke stem hem riep.
’t Was een Syrische tolk, die, door een eenzamen reiziger gevolgd, bij
den waarzegger kwam. Hij zei hem, dat de vreemdeling, die hem
vergezelde, verlangd had een proeve van de wijsheid der Oosterschen te
zien en dat de tolk hem toen gesproken had van Mesullams talent om
droomen uit te leggen.
Mesullam antwoordde hier in ’t geheel niet op, maar bleef onbeweeglijk
in zijn vorige houding. Eerst toen de tolk hem nog eens vroeg of hij
naar de droomen wilde luisteren, die de vreemde hem wenschte te
vertellen en of hij die wilde uitleggen, liet hij de armen zinken,
legde die gekruist over de borst en terwijl hij de ootmoedige houding
van een verongelijkt man aannam, antwoordde hij, dat zijn ziel dien
avond zóó vervuld was van zijn eigen bekommeringen, dat hij niet helder
kon oordeelen over iets wat een ander aanging.
Maar de vreemde, die er heel levendig en gebiedend uitzag, scheen zich
om zijn tegenspraak niet te bekommeren. Daar er geen stoel bij de hand
was schopte hij eenvoudig Mesullams mat op zij en ging in de vensternis
zitten. Toen begon hij met een heldere stem, duidelijk sprekend, een
paar droomen te vertellen, die later door den tolk voor den ouden
waarzegger werden vertaald.
„Zeg hem,” zei de reiziger, „dat ik eenige jaren geleden in Kaïro in
Egypte was. Daar hij een geleerd man is, weet hij natuurlijk, dat daar
een moskee is, El Azhar genaamd, die de beroemdste inrichting voor
onderwijs in het Oosten is. Ik ging er op een dag heen om die te zien
en ik vond het geheele reusachtige gebouw, alle vertrekken en arcaden,
alle gangen en zalen vol met leerlingen. Daar waren oude mannen, die
geheel hun leven aan het zoeken van kennis hadden gewijd, en kinderen,
die juist bezig waren de eerste letters te leeren schrijven. Daar waren
sterk gebouwde negers uit het hart van Afrika, schoone, tengere
jongelingen uit Indië en Arabië, vreemdelingen, die van verre kwamen,
uit Berberye en Georgië en alle landen, die den Koran aannemen. Binnen
de rij pilaren—men zei mij, dat er in El Azhar evenveel leeraren als
pilaren waren—zaten zij, die onderwijs gaven, neergehurkt op hun matten
van schapenvel, en hun leerlingen, die in een kring om hen heen zaten,
volgden met graagte hun voordracht, met wiegende lichaamsbewegingen.
„En zeg hem, dat, hoewel El Azhar in geen enkel opzicht beantwoordt aan
de voorstellingen, die wij ons in het Westen van een groote geleerde
school maken, ik toch verbaasd was over wat ik zag. En ik zei tot mij
zelf: „Ziehier! dit is de groote vesting en ’t bolwerk van den Islam.
Van hier gaan Mohammeds jonge helden uit. Hier in El Azhar wordt de
drank der wijsheid gemengd, die de leer van den Koran frisch en
levenskrachtig houdt.””
Dit alles zei de reiziger bijna in één adem. Hij hield nu even op om
den tolk tijd te geven dit voor den waarzegger te vertalen.
Daarop ging hij voort:
„Zeg hem nu verder, dat El Azhar zulk een sterken indruk op mij maakte,
dat ik haar den volgenden nacht in den droom weer zag. Ik zag het witte
marmeren gebouw en de vele studenten, allen in zwarte mantels gekleed
met witte tulbanden op, zooals het gebruik is in El Azhar. Ik zwierf
door de zalen en binnenhoven en was er opnieuw verbaasd over, dat hier
zulk een burcht en vesting was voor het Mohammedanisme. Eindelijk kwam
ik in den droom aan den voet van de minaret, waar de oproeper voor het
gebed gewoonlijk opklimt om den geloovigen te verkondigen, dat het uur
van het gebed geslagen is. Ik zag de trap, die naar boven kronkelde in
de minaret, en ik zag een oproeper voor het gebed er op naar boven
gaan. Hij had een zwarten mantel aan en een witten tulband op zooals
alle anderen, en toen hij de trap opging, kon ik in het eerst zijn
gezicht niet zien. Maar toen hij een wending om geloopen had op de
spiraalvormige trap, keerde hij het aangezicht naar mij toe, en toen
zag ik, dat hij de Christus was.”
De spreker hield een oogenblik op en zijn borst rees onder een diepe
ademhaling. „Ik zal nooit vergeten, al was het maar een droom,” barstte
hij uit, „welk een diepen indruk het op mij maakte, Christus de trap te
zien opgaan naar de minaret in El Azhar. ’t Scheen me zoo heerlijk, zoo
veelbeteekenend, dat Hij hier gekomen was, naar de vesting van het
Islamisme om de gebeds-uren uit te roepen, dat ik oprees in mijn droom
en ontwaakte.”
Hier hield de reiziger weer even op om den tolk het gesprokene voor den
waarzegger te laten vertalen. Maar dat scheen bijna een nutteloos werk
te zijn. Mesullam zat den geheelen tijd met de handen in de zij en
wiegde het bovenlijf met halfgesloten oogen heen en weer. Hij scheen te
willen zeggen: „Nu ik deze opdringerige menschen niet kan ontkomen, zal
ik hun ten minste toonen, dat ’t mij niet schelen kan wat ze vertellen.
Ik zal probeeren mijzelf in slaap te wiegen. Dat zal de beste manier
zijn om hun te toonen hoe weinig ik om hen geef.”
De tolk doelde er ook bij den reiziger op, dat al hun moeite te
vergeefs zou wezen en dat ze geen verstandig woord uit Mesullam zouden
krijgen, als hij in die stemming was; maar de europeesche vreemdeling
scheen bekoord te wezen door Mesullams ongeloofelijke leelijkheid en
wonderlijke manieren. Hij keek hem aan met het genoegen van een kind,
dat een wild dier in een menagerie bekijkt, en hij had lust het gesprek
voort te zetten.
„Zeg hem, dat ik hem niet zou zijn lastig gevallen om dien droom uit te
leggen,” zei hij, „als die niet min of meer nog eenmaal tot mij was
teruggekomen. Vertel hem, dat ik voor een paar weken de Sofia-moskee te
Konstantinopel bezocht en dat ik, toen ik het geheele heerlijke gebouw
had doorloopen, naar een galerij ging om een beter overzicht van de
schoone koepelzaal te hebben. Zeg hem verder, dat men mij in de moskee
had binnengelaten onder een godsdienstoefening, toen die geheel vol
menschen was. Op ieder van de ontelbare gebedsmatten, die den vloer van
de middelste hal bedekten, stond een man, die zijn gebed deed. Allen,
die aan de godsdienstoefening deelnamen, maakten dezelfde bewegingen te
gelijk. Allen knielden neer, wierpen zich voorover en stonden te gelijk
op. Allen fluisterden hun gebed heel zacht; maar door de bijna
onmerkbare bewegingen van zóó veel lippen ontstond er een geheimzinnig
suizen. Dat steeg op in de hooge gewelven en stierf langzamerhand
geheel weg. Toen kwam het in melodisch gefluister terugzweven uit de
meest afgelegen gangen en galerijen. ’t Was zoo eigenaardig, dat men
zich verwonderd afvroeg of het niet de adem Gods was, die door het oude
heiligdom bruiste.”
Weer hield de reiziger op. Hij sloeg Mesullam nauwlettend gade, terwijl
de tolk zijn woorden vertaalde. ’t Scheen werkelijk, alsof hij zich had
ingespannen om de aandacht van den neger door zijn welsprekendheid te
winnen. Het scheen ook, alsof het hem gelukken zou, want Mesullam’s
halfgesloten oogen vonkelden een enkelen keer als kolen, die beginnen
vuur te vatten. Maar koppig, als een kind, dat zich niet wil laten
vermaken, liet de waarzegger snel het hoofd op de borst zinken en begon
nog ondragelijker te wiegen met zijn bovenlichaam.
„Zeg hem,” begon nu de vreemdeling opnieuw, „zeg hem, dat ik nooit
menschen met zulk een aandacht heb zien bidden. ’t Kwam mij voor, dat
het de heilige schoonheid van dat wonderbare gebouw was, waardoor die
stemming van extase ontstond. Voorwaar, dacht ik, dit is nog een der
bolwerken van den Islam. Hier is de woning der vroomheid; van deze
machtige moskee gaat het geloof en de geestvervoering uit, die den
Islam tot een geweldige macht maken.”
Hier hield hij opnieuw op en volgde met aandacht de bewegingen op
Mesullam’s gezicht onder het vertalen van den tolk. Er was geen zweem
van belangstelling te zien. Maar de vreemdeling was klaarblijkelijk een
man, die zich zelf graag hoorde spreken. Zijn eigen woorden brachten
hem als in een roes. Hij zou droevig geworden zijn als hij niet had
kunnen voortgaan.
„Welnu,” zei hij, toen het weer zijn beurt werd om te spreken. „Ik kan
nu niet recht verklaren wat mij gebeurde. ’t Is mogelijk, dat de lichte
damp van die honderden olielampen, het doffe gefluister en de eentonige
bewegingen van de biddenden mij in een soort verdooving brachten. Ik
kon niet laten de oogen te sluiten, toen ik daar tegen een pilaar
geleund stond. Dadelijk kwam er iets over mij, dat op slaap of
bedwelming geleek. Dat duurde waarschijnlijk niet langer dan een
minuut, maar in dien tijd was ik volkomen buiten de werkelijkheid. In
dien bedwelmden toestand zag ik steeds de Sofia-moskee voor mij, en al
die biddende menschen; maar nu merkte ik, wat ik eerder niet had
gezien, dat boven onder den koepel steigers waren opgeslagen, en dat
daarop eenige arbeiders stonden, met kwasten en verfpotten voorzien.”
„Zeg hem nu,” ging de verteller voort, „als hij het niet al weet, dat
de Sofia-moskee eens een Christenkerk is geweest, en dat haar gewelven
en koepel met heilige Christelijke mozaiekschilderingen zijn bedekt,
hoewel de Turken al die mozaiekwerken met éénkleurige gele verf hebben
overgeschilderd. En nu in den droom kwam het mij voor, alsof de gele
verf op een paar plaatsen was afgevallen en dat de schilders op den
steiger waren geklommen om het schilderwerk bij te werken. Maar zie,
toen een van hen zijn kwast ophief om de verf in te vullen, liet in
plaats daarvan een groot stuk los en dadelijk zag ik daar een schoon
beeld van den Christus te voorschijn komen. De schilder hief opnieuw
zijn arm op om over het beeld heen te schilderen, maar de arm scheen
verlamd en machteloos neer te zinken tegenover dat heerlijk gelaat. Op
’t zelfde oogenblik liet de verf in den geheelen koepel en ’t gewelf
los en Christus verscheen daar in al Zijn heerlijkheid, te midden van
engelen en hemelsche heirscharen. Toen slaakten de schilders een kreet,
en alle biddenden beneden in de moskee hieven het hoofd op. En toen zij
de hemelsche heirscharen zagen, die den Verlosser omgaven, hieven zij
een geroep van verrukking aan en allen strekten de handen omhoog. Maar,
toen ik die verrukking zag, werd ook ik door een zóó sterke aandoening
aangegrepen, dat ik oogenblikkelijk ontwaakte. Toen was alles als
gewoonlijk. De mozaiekbeelden in den koepel waren verborgen onder de
gele verf en de biddenden gingen voort Allah aan te roepen.”
Toen de tolk dit vertaald had, opende Mesullam een oog en zag den
vreemdeling aan. Hij zag een man, die er naar zijn meening uitzag als
andere Westerlingen, die door zijn moskee gingen.
„Ik geloof niet, dat deze bleeke vreemdeling visioenen heeft gezien,”
dacht hij. „Hij heeft de donkre oogen niet, die achter den sluier van
het verborgene kunnen zien. Ik geloof eerder, dat hij hier gekomen is
om den draak met mij te steken. Ik moet me in acht nemen, opdat ik niet
op dezen vervloekten dag door een nieuwe vernedering getroffen word.”
De vreemde sprak voort.
„Ge weet, o droomuitlegger,” zei hij en wendde zich nu rechtstreeks tot
Mesullam, alsof hij een gevoel had, dat deze hem kon verstaan,
niettegenstaande zijn vreemde taal, „ge weet, dat een gevierde
vreemdeling dezer dagen Jeruzalem bezoekt. De regeering heeft alles
gedaan wat zij kon om hem te behagen, en er is zelfs sprake van geweest
dat om zijnentwil de dichtgemetselde poort in den ringmuur van
Jeruzalem zou worden geopend, die men meent, dat de poort is, waardoor
Jezus op Palmzondag Zijn intocht in Jeruzalem hield. Men heeft er
werkelijk over gedacht om den hoogen gast de groote eer te bewijzen hem
de stad in te laten rijden door een poort, die eeuwen geleden is
dichtgemetseld geworden, maar men werd daarvan teruggehouden door een
oude voorspelling, dat, als de poort geopend wordt, de Westerlingen er
door zullen trekken om Jeruzalem in bezit te nemen.
„Maar nu zult ge hooren wat mij gisteren nacht gebeurde. ’t Was een
heerlijke maneschijn, ’t weer was prachtig en ik was alleen uitgegaan
om ongestoord een wandeling om de heilige stad te maken. Ik liep buiten
den ringmuur op het smalle pad, dat om de muren loopt en mijn gedachten
gingen onder het wandelen terug naar zóó lang verleden tijden, dat ik
nauwelijks meer wist waar ik was. Opeens begon ik toch moe te worden,
ik vroeg me verwonderd af of ik niet spoedig aan een poort in den muur
zou komen, waardoor ik in de stad terug kon keeren, en langs een korter
weg mijn herberg bereiken.
„Nu, juist terwijl ik daarover denk, zie ik een man een groote poort in
den ringmuur vlak naast mij openen. Hij sloeg die wagenwijd voor me
open en wenkte mij toe, dat ik daardoor kon gaan. Ik liep in mijn
droomerijen verdiept en wist niet recht hoe lang ik had geloopen. Ik
was er wat verwonderd over, dat er juist hier een poort was; maar ik
dacht er niet verder over, en ging er door. Zoodra ik het diepe gewelf
door was, sloegen de poortdeuren met een sterk gedreun tegen elkaar
dicht. Toen keerde ik mij om; achter mij zag ik geen poortopening meer,
maar enkel een dichtgemetselde poort, juist die gij „de gulden” noemt.
„Voor mij lag de tempelplaats, het ruime Haramsplateau, waarop in het
midden Omars Moskee troont. En ge weet, dat geen poort in den ringmuur
daarheen leidt, dan alleen de Guldene, die niet alleen gesloten, maar
dichtgemetseld is.
„Ge kunt begrijpen, dat ik meende, dat ik gek geworden was, dat ik
droomde, dat ik te vergeefs een verklaring trachtte te vinden. Ik keek
rond naar den man, die mij had binnen geleid. Hij was verdwenen, ik kon
hem niet vinden. Maar toen zag ik hem in plaats daarvan zooveel te
duidelijker in mijn herinnering: de lange, een weinig voorovergebogen
gestalte, de fraaie lokken, het vriendelijke gezicht, de in tweeën
gedeelde baard. ’t Was Christus, waarzegger, weer Christus!
„En zeg mij nu, gij die in het verborgene kunt zien: Wat beteekenen
mijn droomen en visioenen? Wat beteekent allereerst dit, dat ik
werkelijk en in waarheid door de gulden poort ben gegaan? Nog op dit
oogenblik weet ik niet hoe het toeging; maar ik hèb het gedaan. Zeg mij
nu wat deze drie zaken te beteekenen hebben.”
De tolk vertaalde dit voor Mesullam, maar de waarzegger was nog altijd
in dezelfde kwaaddunkende en knorrige stemming. „Dit is zeker, dat deze
vreemde den draak met mij steekt,” dacht hij. „Misschien wil hij me
boos maken met al dat praten over Christus.”
Hij zou liever in het geheel niet geantwoord hebben, maar toen de tolk
er op aandrong, sprak hij eenige woorden.
De tolk aarzelde die te vertalen.
„Wat zegt hij?” vroeg de vreemdeling levendig.
„Hij zegt, dat hij niet anders te antwoorden heeft, dan dat droomen
droomen zijn.”
„Zeg hem dan voor mij,” antwoordde de vreemdeling, een beetje geërgerd,
„dat dit niet altijd waar is! Dat komt er alleen op aan, wìe ze
droomt.”
Eer nog deze woorden voor Mesullam waren vertaald, was de Europeër
opgestaan en met vlugge stappen weggegaan door de lange gang.
Maar Mesullam zat vijf minuten lang stil over zijn antwoord na te
denken. Toen viel hij geheel vernietigd op zijn aangezicht.
„Allah, Allah! Tweemaal op denzelfden dag ging het geluk mij voorbij,
zonder dat ik het greep! Wat heeft Uw knecht gedaan om U te mishagen?”