In dat jaar, toen Niels Holgersson met de wilde ganzen rondreisde, werd
er veel gesproken over een paar kinderen, een jongen en een meisje,
die door het land zwierven. Ze waren uit Smaland, uit de gemeente
Sunnerbo, en hadden eens met hun ouders en vier broertjes en zusjes in
een hutje op een groote heide gewoond. Toen de beide kinderen nog klein
waren, had laat op een avond een arme zwerfster op de deur geklopt,
en om huisvesting gevraagd. Hoewel de hut nauwelijks de menschen,
die er woonden, kon bevatten, was ze binnengelaten, en men had haar
een bed op den grond gemaakt. 's Nachts had ze zoo liggen hoesten, dat
de kinderen meenden, dat het heele huis er van dreunde, en 's morgens
was ze zóó ziek geworden, dat ze haar reis niet had kunnen voortzetten.
Vader en Moeder waren zoo goed voor haar geweest, als 't hun maar
mogelijk was, ze hadden haar hun bed afgestaan, en waren zelf op
den grond gaan slapen, en Vader was naar den dokter gegaan, om een
drankje voor haar te halen. De eerste dagen was de zieke geheel
in de war geweest. Ze had allerlei verlangd en geëischt, en had
nooit een woord van dank gezegd; maar toen was ze zachter geworden,
ootmoedig en dankbaar. Eindelijk had ze hun gebeden en gesmeekt,
dat ze haar uit de hut naar de hei zouden brengen, en haar daar
laten sterven. Toen het gastvrij echtpaar dat niet had willen doen,
had ze hun verteld, dat ze de laatste jaren had rondgezworven met
een Tatertroep. Zelf was ze niet van Taterfamilie, maar een dochter
van een grondeigenaar. Ze was van huis weggeloopen, om met de Taters
meê te gaan. Nu meende ze, dat een Tatervrouw, die boos op haar was
geworden, haar de ziekte op den hals had gejaagd. Maar dat was nog
niet genoeg geweest; de Tatervrouw had haar gedreigd en gezegd, dat
't zoo zou gaan met allen, die goed voor haar zouden wezen, en haar
onder hun dak opnemen. Daar geloofde ze nu aan, en daarom smeekte
zij hen, haar buiten de hut te zetten, en niet meer naar haar om
te kijken. Ze wilde geen ongeluk brengen over zulke goede menschen,
als zij waren. Maar Vader en Moeder hadden 't niet gedaan. Misschien
waren ze wel een beetje bang geworden, maar ze waren toch niet zoo,
dat ze een arm, doodziek mensch uit hun huis zouden jagen.
Kort daarop was ze gestorven, en toen was het ongeluk begonnen. Vroeger
was er nooit anders dan blijdschap in de hut geweest. Wel waren ze arm
geweest, maar nog niet eens zoo heel erg. Vader maakte weefkammen, en
Moeder en de kinderen hielpen hem bij het werk. Vader maakte zelf den
kant van de kam, Moeder en de oudste zuster maakten de verbinding, de
kleine kinderen schaafden de tanden, en sneden ze uit. Ze werkten van
den morgen tot den avond, maar ze waren altijd vroolijk en blij, vooral
wanneer Vader van de dagen vertelde, toen hij ver weg in vreemde landen
geweest was om weefkammen te verkoopen. Vader was altijd zoo opgewekt,
dat Moeder en alle kinderen zich nu en dan bijna ziek om hem lachten.
De tijd na den dood van die arme zwerfster was voor de kinderen
als een akelige droom. Ze wisten niet meer, of die kort of lang had
geduurd, maar ze herinnerden zich, dat er telkens begrafenis geweest
was bij hen aan huis. Eerst waren hun broertjes en zusjes gestorven
en begraven, de een na de andere. Ze hadden immers niet meer dan vier
gehad, dus meer dan vier begrafenissen kon 't toch niet geweest zijn,
maar de kinderen meenden, dat er veel meer waren geweest. Eindelijk
was het stil en treurig in de hut geworden. 't Was of daar elken dag
een begrafenismaal gehouden werd. Moeder had wel zoowat moed gehouden,
maar Vader was heelemaal veranderd. Hij kon geen gekheid meer maken,
en ook niet werken, maar zat van den morgen tot den avond met het
hoofd in de handen te peinzen. Op een keer--dat was na de derde
begrafenis--was hij uitgebarsten in wilde woorden, waar de kinderen
van schrikten, toen zij ze hoorden. Hij kon niet begrijpen, zei hij,
waarom er zoo'n ongeluk over hen moest komen. Was het dan waar, dat
het kwade machtiger was dan het goede in de wereld? Ze hadden immers
een goede daad gedaan door de zieke te helpen!
Moeder had geprobeerd verstandig met Vader te praten, maar ze had
hem niet tot rust en onderwerping kunnen brengen, zooals ze zelf was.
Een paar dagen later was het uit met Vader. Maar hij was niet
gestorven, hij was weggegaan. Want nu was de oudste zuster ziek
geworden, en van haar had Vader altijd 't meest gehouden. En toen hij
zag, dat ook zij zou sterven, was hij al die ellende ontvlucht. Moeder
had niet anders gezegd, dan dat het 't beste was voor Vader, dat hij
weg was. Zij was bang geweest, dat hij krankzinnig zou worden. Hij
tobde er over, zoodat hij op 't punt was zijn verstand te verliezen,
hoe God kon toelaten, dat een slecht mensch zooveel ongeluk aanrichtte.
Sinds Vader was heengegaan, waren ze heel arm geworden. In 't begin
had hij hun geld gestuurd, maar daarna was 't hem zeker slecht
gegaan en hij had opgehouden iets te zenden. En denzelfden dag, dat
de oudste zuster begraven was, had Moeder het huis gesloten, en was
weggegaan met de twee kinderen, die ze nog over had. Ze was naar Skaane
gegaan, om op de bietvelden te werken, en ze had werk gekregen aan de
suikerfabriek van Jordberga. Moeder was een goede werkster geweest,
en was opgewekt en vrijmoedig. Allen hielden van haar. Velen hadden er
zich over verwonderd, dat ze zoo kalm kon zijn, na alles wat ze had
ondervonden. Maar Moeder was een heel sterk en geduldig mensch. Als
iemand met haar sprak over die twee flinke kinderen, die ze bij zich
had, zei ze alleen: "Zij zullen ook gauw sterven."
Ze zei dat, zonder dat haar stem beefde, en zonder tranen in de oogen
te krijgen. Ze had er zich aan gewend niet anders te verwachten.
Maar het was niet gegaan, zooals Moeder dacht. De ziekte was in
plaats daarvan over haarzelf gekomen. 't Was gauw gegaan met Moeder,
nog gauwer dan met de broertjes en zusjes. Ze was in 't begin van
den zomer naar Skaane gekomen, en vóór de herfst kwam, had zij de
kinderen alleen gelaten.
Terwijl Moeder ziek lag, had ze vaak tegen de kinderen gezegd, dat ze
goed moesten onthouden, dat ze er nooit berouw van had gehad, dat ze
de zieke in huis gehouden had. Want het was niet moeilijk te sterven,
had Moeder gezegd, als je goed gehandeld hadt. Alle menschen moesten
sterven, daar kon je niet aan ontkomen, maar zelf kon je 't er na
maken, of je met een goed geweten wou sterven of met een slecht.
Vóór Moeder was heengegaan, had ze geprobeerd nog wat voor haar
kinderen te zorgen. Ze had gevraagd, of ze in de kamer mochten blijven
wonen, waar ze alle drie dien zomer gewoond hadden. Als de kinderen
maar een huis hadden, zouden ze niemand tot last zijn. Ze zouden voor
zichzelf zorgen, dat wist ze.
De kinderen mochten de kamer behouden, als zij wilden beloven de ganzen
te hoeden, want het was altijd moeilijk kinderen te vinden, die dat
werk op zich wilden nemen. En het ging werkelijk, zooals Moeder had
gezegd: ze zorgden voor zichzelf. 't Meisje kon balletjes maken, en de
jongen sneed kinderspeelgoed, dat ze aan de boerderijen verkochten. Ze
hadden aanleg voor handel, en begonnen al gauw bij de boeren boter
en eieren te koopen, die ze aan de arbeiders op de suikerfabriek
verkochten. Ze waren zoo handig en ordelijk, dat men hun alles kon
toevertrouwen. 't Meisje was de oudste, en toen ze dertien jaar was,
kon men al op haar vertrouwen, als op een volwassen mensch. Ze was stil
en ernstig, maar de jongen was spraakzaam en vroolijk, en zijn zuster
zei van hem, dat hij om 't hardst kakelde met de ganzen op 't veld.
Toen de kinderen een paar jaar bij Jordberga geweest waren, werd er
op een avond een voordracht gehouden in de school. Die was eigenlijk
voor volwassenen bedoeld, maar de twee kinderen uit Smaland zaten
onder de toehoorders. Zij zelf rekenden zich niet onder de kinderen,
en dat deden de andere eigenlijk ook niet. De spreker had verteld van
die vreeslijke ziekte, die ieder jaar zooveel menschen in Zweden deed
sterven, de tuberculose. Hij had heel helder en duidelijk gesproken,
en de kinderen hadden ieder woord verstaan en begrepen.
Na de voordracht waren ze buiten de school blijven wachten. Toen de
spreker naar buiten kwam, namen ze elkaar bij de hand, gingen heel
plechtig naar hem toe, en vroegen hem te spreken.
De vreemde had eerst die twee, die daar met ronde, rose kindergezichten
zoo ernstig stonden te praten, zoodat ze driemaal zoo oud schenen,
als ze werkelijk waren, heel verbaasd aangekeken, maar hij had heel
vriendelijk naar hen geluisterd.
De kinderen vertelden, wat bij hen gebeurd was, en vroegen nu den
spreker, of hij meende, dat Moeder en de broertjes en zusjes waren
gestorven aan de ziekte, die hij had beschreven.
Dat was wel waarschijnlijk, antwoordde hij. Dat kon niet best een
andere ziekte wezen.
Maar als Moeder en Vader dat geweten hadden, wat de kinderen dien avond
hadden gehoord, zoodat ze hadden kunnen oppassen; als ze de kleeren
van de zwerfster hadden verbrand, als ze de kamer goed schoon hadden
gehouden, en de dekens niet gebruikt, zouden ze allen dan nog in leven
zijn geweest, zij, die de kinderen nu betreurden? En de spreker had
geantwoord, dat niemand dat heel zeker kon zeggen, maar hij geloofde
wel, dat geen in hun omgeving ziek had hoeven te worden, als ze
geweten hadden, hoe ze voor de besmetting hadden kunnen oppassen.
Nu aarzelden de kinderen even met de volgende vraag, maar ze gingen
niet heen. Want wat ze nu wilden vragen was het gewichtigste. Was
het dan niet waar, dat de Tatervrouw hun de ziekte had gezonden,
omdat ze iemand hadden geholpen, waar zij boos op was? Was dat niet
iets bijzonders geweest, dat alleen hen had getroffen?
Neen, dat kon de spreker hun gerust verzekeren, dat dàt niet waar
was. Geen mensch had de macht een ander op die manier een ziekte te
zenden. En ze wisten immers, dat die ziekte 't heele land over werd
aangetroffen. Die kwam bijna in alle huizen, maar niet overal had ze
zoovelen doen sterven, als bij hen. Toen bedankten de kinderen hem,
en gingen naar huis. Zij spraken dien avond heel lang samen.
Den volgenden dag gingen ze hun dienst opzeggen. Ze konden geen ganzen
hoeden dat jaar, ze moesten ergens anders heen.
Waar moesten ze dan naar toe?
Ze moesten hun Vader opzoeken. Ze moesten hem zeggen, dat Moeder en
de broers en zusjes aan een gewone ziekte waren gestorven, en dat het
niet iets bijzonders was, dat een slecht mensch hun had gezonden. Ze
waren zoo blij, dat ze dat hadden gehoord. En nu was het hun plicht
dit aan Vader te vertellen, want hij zou daar zeker nog altijd over
loopen tobben.
De kinderen gingen eerst naar hun huisje in Sunnerbo, en tot hun groote
verbazing vonden ze dat in lichte laaie vlam. Toen gingen ze naar
de pastorie, en hoorden daar, dat een knecht, die spoorwegwerker was
geweest, hun vader had gezien bij den Malmberg, ver in Lapland. Hij
had in de mijn gewerkt, en deed dat misschien nog, maar daar kon je
niet zeker van zijn. Toen de predikant hoorde, dat de kinderen hun
vader wilden zoeken, nam hij een kaart, wees hun hoe ver het was naar
den Malmberg, en raadde hun den tocht af. Maar de kinderen zeiden,
dat ze niet anders konden. Ze moesten Vader opzoeken. Hij was van
huis weggegaan, omdat hij iets geloofde, wat niet waar was. Ze moesten
naar hem toe om hem te zeggen, dat hij zich vergist had.
Ze hadden wat geld verdiend met hun handel, maar ze wilden dat niet
gebruiken om een spoorkaartje te koopen. Ze besloten den heelen weg
te voet te gaan. En daar hadden ze geen berouw van. Ze hadden een
bijzonder mooien tocht.
Eer ze nog uit Smaland gekomen waren, gingen ze op een dag een
boerderij binnen, om wat eten te koopen. De huismoeder was opgewekt
en spraakzaam. Ze had de kinderen gevraagd, wie ze waren, en van waar
ze kwamen, en ze hadden hun heele geschiedenis verteld.
"Neen maar! Neen maar!" zei de vrouw telkens, terwijl ze spraken. Toen
werden de kinderen goed ontvangen; ze kregen veel en goed eten, en
mochten er niets voor betalen. Toen ze opstonden om te bedanken en
heen te gaan, had de vrouw gevraagd, of ze in de volgende gemeente
niet naar haar broer zouden willen gaan. En ze zei hun hoe hij heette,
en waar hij woonde. Ja, dat wilden de kinderen natuurlijk graag.
"Jelui moet hem van mij groeten, en hem vertellen wat jelui overkomen
is," zei de boerin.
Dat deden de kinderen, en ze werden vriendelijk ontvangen ook bij
den broeder. Hij liet hen met zich meê rijden naar een plaats in de
volgende gemeente, en ook daar werden ze goed ontvangen. Telkens als
ze van een boerderij weggingen, zei men: "Als jelui daar en daar komen,
moet je naar binnen gaan en vertellen wat jelui is overkomen."
In de boerderijen, waar de kinderen werden heengezonden, was altijd een
borstlijder. En zonder dat ze 't zelf wisten, gingen die twee kinderen
door het land, en leerden de menschen wat dat voor een gevaarlijke
ziekte was, die in hun huis was binnengeslopen, en hoe ze die het
beste bestrijden konden. Ze leerden de menschen, dat het niet genoeg
was de plaats op te harken en de grond te dweilen. Ze moesten ook de
spons en den borstel, de groene zeep en de witte gebruiken. Binnen
en buiten de deur moest het schoon zijn, en schoon moesten ze zelf
wezen. Zóó zouden ze eindelijk de ziekte meester worden.