De jongen liep langzaam voort, en zocht naar zijn vrienden. 't Was
heel stil in het dal. De zon was nog niet boven den rotswand opgekomen,
en Niels Holgersson begreep, dat het zoo vroeg in den morgen was, dat
de wilde ganzen nog niet wakker waren. Hij had nog niet lang geloopen,
of hij bleef glimlachend staan, omdat hij zooiets moois zag. 't Was
een wilde gans, die in een klein nestje op den grond sliep, en naast
haar stond een ganzerik. Hij sliep ook, maar 't was duidelijk, dat
hij zoo dicht bij haar was gaan staan, om bij de hand te wezen in
geval van nood.
De jongen liep door, zonder hen te storen, en keek tusschen de kleine
wilgestruiken, die het veld bedekten. Al gauw kreeg hij een nieuw
ganzenpaar in het oog. Ze hoorden niet tot zijn troep, 't waren
vreemdelingen, maar hij werd zoo blij, dat hij begon te neuriën,
alleen omdat hij wilde ganzen zag.
Hij keek in een nieuw boschje kreupelhout, en daar zag hij eindelijk
een paar, dat hij herkende. Dat moest stellig Neljä zijn, die daar
lag te broeden, en de ganzerik, die naast haar stond, was Kolme. Ja
zeker, dat was zoo. Hij kon zich niet vergissen.
Hij had zoo'n lust ze wakker te maken, maar hij liet ze slapen,
en liep verder.
In 't volgende boschje zag hij Viisi en Kuusi, en niet ver van daar
Yksi en Kaksi. Ze sliepen alle vier en de jongen liep hen voorbij,
zonder ze wakker te maken.
Toen hij bij 't volgend boschje kwam, meende hij iets wits te zien
schijnen door de struiken, en zijn hart begon van vreugd te bonzen. Ja,
het was, zooals hij had gedacht. Daar lag Donsje zoo mooi te broeden,
en naast haar stond de witte ganzerik. De jongen vond, dat men hem
kon aanzien, ook terwijl hij sliep, hoe trotsch hij er op was, dat
hij hier zijn vrouw mocht beschermen in de rotsen van Lapland.
Maar ook den witten ganzerik wilde de jongen niet wekken, en hij
ging verder.
Hij moest vrij lang zoeken, eer hij meer van de wilde ganzen vond. Maar
toen merkte hij op een kleine hoogte, iets als een klein grauw boschje
gras. En toen hij aan den voet van de hoogte was, zag hij, dat het
grauwe boschje Akka van Kebnekaise was, die daar klaar wakker stond
rond te kijken, alsof ze de wacht hield voor het heele dal.
"Goeden morgen, Moeder Akka!" zei de jongen. "Dat is heerlijk, dat
u wakker is. U moet zoo vriendelijk zijn de anderen niet wakker te
maken, want ik wou u graag alleen spreken."
De oude leidstergans vloog den heuvel af naar den jongen. Eerst nam ze
hem beet, en schudde hem een beetje, toen streek ze met den snavel op
en neer over zijn heele lichaam, en toen schudde ze hem weer. Maar ze
zei niets, omdat hij haar had gevraagd de anderen niet wakker te maken.
Duimelot kuste de oude moeder Akka op beide wangen, en toen begon
hij haar te vertellen, hoe hij naar de Schans was gebracht en daar
gevangen gehouden.
"Nu zal ik u vertellen, dat Smirre, de vos met het afgebeten oor,
gevangen zat in het vossenhol op de Schans," zei de jongen. "En
hoewel hij erg leelijk tegen ons had gedaan, kon ik toch niet laten
medelijden met hem te hebben. Er zaten nog veel andere vossen in dat
groote vossenhuis, en die tierden best, maar Smirre zat altijd heel
bedroefd te kijken, en verlangde naar zijn vrijheid. Ik had daar veel
goede vrienden gemaakt, en op een dag hoorde ik van den Lappenhond,
dat er een man naar de Schans was gekomen, om vossen te koopen. Hij
kwam van een eiland ver in zee. Ze hadden daar alle vossen uitgeroeid,
maar nu kregen de ratten de overhand, en ze wenschten, dat ze weer
vossen hadden. Zoodra ik dat hoorde, ging ik naar de kooi van Smirre,
en zei tegen hem: "Morgen komen hier menschen om een paar vossen te
halen. Verstop je dan niet, maar vertoon je, en zorg, dat je gevangen
wordt, dan krijg je je vrijheid terug." En hij volgde mijn raad,
en loopt nu vrij op dat eiland rond. Wat zegt u daarvan, Moeder
Akka? Heb ik in uw geest gehandeld?"
"Dat was, wat ik zelf zou hebben gedaan," zei de leidstergans.
"Dat is prettig, dat u daarmeê tevreden is," zei de jongen. "Nu is er
nog iets, wat ik u vragen moet. Ik zag op een dag, dat Gorgo, de arend,
dezelfde, die met Maarten den ganzerik heeft gevochten, gevangen naar
de Schans werd gebracht, en in de arendskooi gezet. Hij zag er akelig
en treurig uit, en ik dacht er over, of ik het staaldraadnet boven
de kooi niet kon doorvijlen, en hem loslaten, maar toen dacht ik er
ook aan, dat hij een gevaarlijk roover en vogelverslinder was. Ik wist
niet, of ik goed deed met zoo'n misdadiger los te laten, en ik meende,
dat het misschien 't beste was hem te laten, waar hij was. Wat vindt
u Moeder Akka? Was dat goed gedacht?"
"Neen, dat was niet goed," zei Akka. "Men mag zeggen wat men wil van
de arenden, maar ze zijn fierder, en hebben hun vrijheid meer lief dan
andere dieren, en het gaat niet aan hen gevangen te houden. Weet je,
wat ik je nu voorstellen wou? Dat wij beiden, zoodra je bent uitgerust,
een reis maken naar de groote vogelgevangenis, en Gorgo bevrijden."
"Ik dacht wel, dat u dat zeggen zou, Moeder Akka," zei de jongen. "Er
zijn er, die beweren, dat u geen liefde meer voelt voor hem, dien
u met zooveel zorg hebt opgevoed, omdat hij leeft, zooals een arend
leven moet. Maar nu hoor ik, dat het niet waar is. Ik zal nu zien
of Maarten, de ganzerik, nog niet wakker is. En als u intusschen een
paar woorden van dank wilt zeggen tegen hem, die mij hierheen heeft
gebracht, dan geloof ik, dat u hem daarboven op het rotsterras vinden
kunt, daar, waar u eens een hulpeloos arendsjong hebt gevonden."