Kleine Mads was dood. 't Scheen ongeloofelijk voor allen, die hem
voor een paar uur nog frisch en vroolijk hadden gezien, maar toch
was het zoo. Kleine Mads was dood, en moest begraven worden.
Kleine Mads was vroeg op een morgen gestorven, en niemand dan zijn
zuster Asa was in de kamer geweest, toen hij stierf.
"Ga niemand anders roepen," had hij gezegd, toen het einde naderde,
en zijn zuster had gedaan, zooals hij graag wilde.
"Ik ben blij, dat ik niet aan de ziekte sterf, Asa," had hij
gezegd. "Jij ook niet?"
En toen ze niet antwoordde, ging hij voort: "Ik vind het niet erg
om dood te gaan, nu ik niet op dezelfde manier sterf als Moeder
en de anderen. Als dat zoo was gegaan, zou je zeker Vader nooit
hebben doen gelooven, dat het maar een gewone ziekte was, die ze had
weggenomen. Maar nu zal dat wel gaan, dat zul je zien."
Toen alles voorbij was, zat Asa lang te denken aan wat haar broer,
kleine Mads te verdragen had gehad, zoolang hij leefde. Ze vond, dat
hij alle tegenspoed met den moed van een groot mensch had gedragen. Ze
dacht aan zijn laatste woorden. Zoo dapper was hij altijd geweest. En
het werd haar duidelijk, dat als kleine Mads nu begraven moest worden,
dan moest dat gebeuren met dezelfde eerbewijzen als voor een groot
mensch.
't Zou wel moeilijk wezen het gedaan te krijgen. Maar ze wilde alles
probeeren, ter wille van kleine Mads, en ze voelde, dat ze misschien
hier gemakkelijker dan ergens anders iets kon gedaan krijgen, dat
ongewoon was.
Asa zat er aan te denken hoe 't hun was gegaan, toen ze naar den
Malmberg waren geloopen, en naar een arbeider hadden gevraagd, die
Jon Assarsson heette en in elkaar gegroeide wenkbrauwen had. Die
wenkbrauwen waren 't merkwaardigst in Jon Assarssons gezicht, en
maakten, dat de menschen hem gemakkelijk konden onthouden. De kinderen
hoorden al gauw, dat Vader verscheidene jaren bij den Malmberg had
gewerkt, maar dat hij nu op reis was. Hij ging gewoonlijk nu en dan
een poos weg, als de onrust over hem kwam. Waar hij heen was, wist
niemand, maar allen waren er zeker van, dat hij over een paar weken
zou terugkomen. En daar zij de kinderen van Jon Assarsson waren,
konden ze immers in de hut zijn, waar hij gewoond had, terwijl ze op
hem wachtten. Een vrouw had den deursleutel van onder den drempel
opgezocht, en de kinderen binnen gelaten. Niemand had er zich over
verbaasd, dat ze daar gekomen waren, en niemand scheen het vreemd
te vinden, dat Vader zoo nu en dan de wildernis introk. Hier was het
zeker niets ongewoons, dat ieder deed, zooals hij goed vond.
Asa had goed gezien. Het gelukte haar, na eenige moeilijkheden,
den kleinen Mads, met alle eerbewijzen te laten begraven.