Alleen al weer veilig op Gorgo's rug te zitten, na al den angst,
dien hij had uitgestaan onder den boschbrand, was een geluk; maar ze
maakten nu ook een heele mooie reis. Tegen den morgen was de wind
uit het noorden gekomen, maar nu was hij omgeloopen, zoodat ze hem
achter zich hadden, en geen zuchtje voelden. De tocht ging zoo kalm,
dat het soms scheen, alsof ze stil stonden in de lucht.
"Nu komen we in Lapland," had Gorgo gezegd, en de jongen had zich
voorover gebogen om het landschap te zien, waar hij zoo veel van
had gehoord.
Maar hij was erg teleurgesteld, toen hij niet anders had gezien dan
groote bosschen en moerassen. Bosschen en moerassen wisselden elkaar
af. De groote eentonigheid had hem op 't laatst zóó slaperig gemaakt,
dat hij bijna van den rug van den arend op den grond gerold was.
Hij had tegen den arend gezegd, dat hij niet langer op zijn rug kon
zitten, en dat hij een poos slapen moest.
Gorgo was dadelijk neergedaald, en de jongen had zich in 't mos
neergeworpen, maar toen had Gorgo de klauwen om hem heen geslagen,
en was weer met hem de lucht ingevlogen.
"Slaap jij maar, Duimelot," riep hij. "De zonneschijn houdt me wakker,
en ik wil de reis voortzetten."
En hoewel de jongen zoo ongemakkelijk had gehangen, was hij toch
ingeslapen, en had een wonderlijken droom gehad. Hij droomde, dat hij
op een breeden weg liep in Zuid-Zweden, zóó hard als zijn beentjes
hem dragen konden. Hij was niet alleen. Een massa reizigers trokken
met hem denzelfden kant uit. Vlak naast hem liepen rogge-aren met
zware halmen aan den top, bloeiende korenbloemen en gele margrieten;
appelboomen liepen hijgend voort, zwaar van vruchten, en achter hen
kwamen vol uitgegroeide booneranken, groote witte margrieten, en
een heel kreupelbosch van bessestruiken. Groote loofboomen, beuken,
eiken en lindeboomen liepen kalm op hun gemak midden op den weg,
fier ruischend met hun kronen, en weken voor niemand uit. Tusschen
zijn voeten door, snelden kleine planten voort: wilde aardbeien,
witte anemonen, klaver en vergeetmijnietjes.
Eerst dacht hij, dat alleen planten op die manier langs den weg
trokken, maar hij zag al gauw, dat ook dieren en menschen meêgingen. De
insekten gonsden om de zich voortspoedende planten, in de sloten langs
den weg gleden visschen voort, vogels zaten te zingen in de reizende
boomen, tamme en wilde dieren liepen om 't hardst, en daartusschen
door liepen menschen, sommige met spaden en zeisen, andere met bijlen,
weer andere met jachtgeweren of met vischnetten.
De tocht ging met vreugd en vroolijkheid, en dat verbaasde hem niet,
nadat hij had gezien wie de leider was. Dat was niemand minder dan
de zon zelf. Die rolde vooruit langs den weg als een groot stralend
hoofd, met haar, van veelkleurige stralen en een gezicht, dat van
vroolijkheid en goedheid glansde.
"Vooruit," riep ze onophoudelijk. "Niemand hoeft bang te wezen,
als ik er bij ben. Vooruit, vooruit!"
"Ik ben benieuwd, waar de zon ons heen zal brengen," zei de jongen
in zichzelf. Maar de rogge-aar, die naast hem liep, had die woorden
gehoord, en antwoordde dadelijk: "Ze wil ons naar Lapland brengen,
naar den grooten versteener."
De jongen merkte al gauw, dat verscheidene van de reizigers aarzelden,
langzamer liepen, en eindelijk bleven staan. Hij zag, dat de groote
beuk staan bleef, de herten en het koren bleven aan den weg liggen,
en ook de moerbeistruiken, de groote gele boterbloemen, de kastanjes
en de patrijzen.
Hij keek rond, om er achter te komen, waarom er zoo velen
achterbleven. Toen merkte hij, dat hij niet meer in Zuid-Zweden was,
maar dat de reis zoo gauw was gegaan, dat ze al in Smaland waren.
Hier begon de eik al langzamer te loopen, en scheen bezwaren te
hebben. Hij bleef een poos staan, deed aarzelend nog een paar stappen,
en stond toen heelemaal stil.
"Waarom gaat de eik niet verder meê?" vroeg de jongen.
"Hij is bang voor den grooten versteener," zei een jonge lichte berk,
die zoo vroolijk en flink meêliep, dat het een lust was om te zien.
Maar hoewel er velen achterbleven, was er nog een groote schare, die
met goeden moed den tocht voortzetten. En het zonnehoofd rolde steeds
voor den stoet uit, lachte, en riep: "Vooruit, vooruit! niemand hoeft
bang te wezen, zoolang ik er bij ben!"
De schare haastte zich verder met dezelfde vaart. Spoedig waren zij
in Norrland, en nu hielp het niet, hoe de zon ook riep en smeekte. De
appelboom bleef staan, de kerseboom ook. De haver bleef staan.
De jongen keerde zich naar de achterblijvers.
"Waarom gaan jelui niet meê? Waarom laat jelui de zon in den
steek?" vroeg hij.
"We durven niet. We zijn bang voor den grooten versteener, die in
Lapmarken woont," antwoordden ze.
Al gauw meende de jongen te begrijpen, dat ze ver in Lapland gekomen
waren, en hier dunde de schare, die voortging, meer en meer. De
rogge, het koren, de wilde aardbei, de blauwbessen, de erwtenranken,
de bessen waren heel tot hier meêgegaan. De eland en de koe hadden
naast elkaar geloopen, maar toen bleven ze ook staan. De zon zou
zeker heelemaal verlaten zijn, als er niet nieuwe reisgenooten bij
waren gekomen. Wilgestruiken en een massa ander laag kreupelhout
sloten zich bij den tocht aan. Laplanders en rendieren, rotsuilen,
rotsvossen en sneeuwhoenders kwamen er bij.
Nu hoorde de jongen iets, wat hem tegemoet kwam. 't Waren allerlei
stroomen en beken, die aan kwamen storten in sterke vaart.
"Waarom hebben ze zoo'n haast?" vroeg hij.
"Ze vluchten voor den grooten versteener, die boven op de rotsen
woont," antwoordde een sneeuwhoen.
Op eens zag de jongen, dat zich voor hen een hooge, donkere muur
verhief, met uitgetanden krans. Bij het zien van dien muur schenen
allen achteruit te deinzen, maar de zon keerde dadelijk haar stralend
gezicht naar den muur, en overstroomde dien met licht. Toen bleek
het, dat het geen muur was, maar de prachtigste bergen, die zich
achter elkaar verhieven. De toppen werden rood in den zonneschijn,
en de hellende kanten waren lichtblauw met gouden weerschijn.
"Vooruit, vooruit! Geen gevaar, zoolang ik er bij ben!" riep de zon,
en rolde de steile wanden van de bergen op.
Maar bij dien tocht tegen de bergen op, verliet haar de dappere berk,
de sterke den en de koppige spar. Hier verlieten haar het rendier,
de Laplander en de biezen. En eindelijk, toen ze boven op den bergtop
was, volgde haar niemand anders, dan de kleine Niels Holgersson.
De zon rolde in een kloof, waar de wanden met ijs waren bekleed,
en Niels Holgersson wilde met haar meê naar binnen. Maar verder dan
tot de opening van de kloof durfde hij niet. Want daar binnen zag hij
iets verschrikkelijks. Heel in de diepte van die kloof zat een oude
toovenaar, heelemaal van ijs, zijn haar was van ijspegels, en zijn
mantel van sneeuw. Voor dien toovenaar lagen een paar zwarte wolven,
die opstonden, en den bek opensperden, toen de zon zich vertoonde. En
uit den eenen wolvenmuil kwam scherpe kou, uit den tweeden de huilende
noordenwind en uit den derden zwarte duisternis.
"Dat zal wel de groote versteener met zijn gevolg zijn," dacht de
jongen. Hij begreep, dat hij nu het verstandigst deed met te vluchten,
maar hij was zoo nieuwsgierig om te zien, hoe de ontmoeting tusschen
de zon en den toovenaar zou afloopen, dat hij bleef staan.
De toovenaar bewoog zich niet, maar staarde naar de zon met zijn
griezelig ijsgezicht, en de zon stond ook stil, en deed niets dan
lachen en stralen. Zoo duurde het een poos, en de jongen meende
te merken, dat de toovenaar begon te zuchten en te jammeren. Zijn
sneeuwmantel viel af, en de drie vreeselijke wolven huilden niet meer
zoo erg. Maar op eens riep de zon: "Nu is mijn tijd uit!" en rolde
achteruit uit de kloof. Toen liet de toovenaar zijn drie wolven los,
en opeens vlogen de noorderstorm, de kou en de duisternis uit de kloof,
en begonnen achter de zon aan te vliegen.
"Jaag ze weg! Drijf ze voort," riep de toovenaar. "Jaag ze zoover weg,
dat ze nooit meer terugkomt. Leer ze, dat Lapland van mij is!"
Maar Niels Holgersson was zóó bang geworden, toen hij hoorde, dat
de zon uit Lapland zou worden weggejaagd, dat hij met een gil wakker
werd. En toen hij tot zichzelf gekomen was, had hij gemerkt, dat hij
op den bodem van een groot bergdal lag. Maar waar was Gorgo? En hoe
zou hij er achterkomen, waar hij was?
Hij stond op, en keek rond. Toen vielen zijn oogen op een wonderlijk
gebouw van dennetakken, dat boven op een rotsterras lag.
"Dat is zeker zoo'n arendsnest, als Gorgo..."
Hij dacht die gedachte niet uit. Maar hij rukte zich de muts van
't hoofd, zwaaide die in de lucht en riep: "Hoera!" Hij begreep,
waar Gorgo hem had gebracht. Hier was het dal, waar de arenden op
de rotsen, en de wilde ganzen in het dal woonden. Hij was, waar hij
wezen moest! Hij zou zoo dadelijk Maarten, den ganzerik, en Akka en
alle reisgenooten weerzien.