Maar nu gebeurde het, terwijl de student insliep, dat een dwergje,
met een geel leeren broek aan, een groen vest en een wit puntmutsje
op het hoofd, op het dak voor het venster zat, en dacht, dat hij,
als hij maar in de plaats van dien jongen student was, die daar in
bed lag, al heel gelukkig zou zijn.
Dat Niels Holgersson, die een paar uur geleden had liggen uitrusten
op een toef dotterbloemen bij de Ekalsundbaai, nu in Uppsala was,
kwam door dat Bataki, de raaf, hem mee had gelokt om op avonturen uit
te gaan. De jongen zelf had er niet aan gedacht. Hij had tusschen
de bloemen gelegen, en naar de lucht gekeken, toen hij Bataki zag
aankomen tusschen de wegtrekkende wolken door. De jongen had liever
voor hem willen wegkruipen, maar Bataki had hem al lang gezien, en
een oogenblik later stond hij midden tusschen de dotterbloemen in,
en begon een praatje, alsof Duimelot en hij, de beste vrienden van
de wereld waren.
Hoe somber en plechtig Bataki er ook uitzag, de jongen had wel gemerkt,
dat zijn oogen ondeugend schitterden. Hij had een gevoel gehad, alsof
de raaf gekomen was, om hem op een of andere wijze voor den gek te
houden, en hij was besloten zich niet te storen aan wat hij zou zeggen.
De raaf had gezegd, dat hij er wel over had gedacht, dat hij Duimelot
een vergoeding schuldig was, omdat hij hem niet had kunnen vertellen,
waar het broederdeel was, en daarom kwam hij nu om een ander geheim
meê te deelen, Bataki wist namelijk hoe iemand, die betooverd was,
zooals hij, weer een mensch kon worden.
Dit is zeker, dat de raaf gedacht had, dat de jongen dadelijk op het
lokaas zou toebijten, als hij met zóó'n lekker hapje hengelde. Maar
de jongen had heel afwijzend geantwoord, dat hij wist, hoe hij weer
mensch zou worden. Hij had alleen maar den witten ganzerik ongedeerd
eerst naar Lapland en dan naar Skaane te brengen.
"Je weet, dat het niet zoo gemakkelijk is, een ganzerik behouden en
wel door het land te brengen," had Bataki toen gezegd. "Je kon nog
wel eens een anderen uitweg noodig hebben, als je dat niet lukte. Maar
als je het niet weten wilt, zal ik wel zwijgen."
En toen had de jongen weer gezegd, dat hij er niets tegen had, als
Bataki over dat geheim wilde spreken.
"Dat zal ik ook doen," had Bataki verklaard, "maar niet voor het juiste
oogenblik is gekomen. Kom op mijn rug zitten, en ga meê op mijn tocht,
dan zullen we zien, of er zich niet een geschikt geval kan voordoen."
Toen had de jongen weer geaarzeld, want hij wist niet recht, wat hij
aan Bataki had.
"Je durft je niet aan mij toe te vertrouwen," had toen de raaf gezegd.
Maar de jongen kon er niet tegen, dat men hem verdacht ergens bang
voor te zijn, en een oogenblik later zat hij op den rug van de raaf.
Toen had Bataki hem naar Uppsala gebracht. Hij had hem op een dak
neergezet, en hem verzocht rond te kijken, en hem gevraagd, wie hij
wel meende, dat hier in deze stad woonde en regeerde.
De jongen had de stad overzien. Die was tamelijk groot, en lag prachtig
midden op een wijde, onbebouwde vlakte. Daar waren veel huizen, die
er aanzienlijk en voornaam uitzagen, en op een bergtop lag een vast
gemetseld slot met twee grove torens.
"Misschien wonen de koning en zijn gevolg hier," had hij gezegd.
"Dat is nog niet zoo misgeraden," had de raaf geantwoord. "Dit
is vroeger een koningsstad geweest, maar nu is het uit met die
deftigheid."
De jongen had nog eens rondgekeken, en hij had vooral gelet op de
groote domkerk, die in de avondschemering lag te schitteren met drie
hooge torenspitsen, mooie portalen en versierde muren.
"Misschien wonen daar de bisschop en zijn priesters."
"Dat is nog niet zoo misgeraden," had de raaf geantwoord. "Hier hebben
eens aartsbisschoppen gewoond, die even machtig waren als koningen,
en hier woont nu nog een aartsbisschop, maar niet hij is 't, die
hier regeert."
"Dan weet ik niet, wat ik bedenken moet," had de jongen gezegd.
"Het is de geleerdheid, die hier in de stad woont en regeert," had
de raaf verklaard, en toen hadden ze heen en weer gevlogen en naar de
groote huizen gekeken. Hier en daar hadden vensters open gestaan. De
jongen kon dan naar binnen kijken, en hij zag, dat de raaf gelijk had.
Bataki had hem de groote bibliotheek laten zien, die van den kelder
tot den zolder vol boeken was. Hij had hem naar de statige hoogeschool
gebracht, en hem de prachtige voordrachtzalen laten zien. Hij was
voorbij een oud gebouw gevlogen, dat Gustavianum heette, en den
jongen had er door de vensters allerlei opgezette dieren gezien. Ze
waren gevlogen over de groote kassen, met de vele vreemde planten,
en ze hadden op de sterrenwacht neergezien, waar veel sterrenkijkers
naar den hemel gericht stonden.
Ze waren ook voorbij veel vensters gevlogen, waar oude heeren met
brillen op, zaten te lezen of te schrijven in kamers, waar de muren
vol boeken stonden, en ze waren voorbij dakkamertjes gevlogen, waar
de studenten op hun sofa's lagen te werken uit dikke boeken.
Eindelijk was de raaf op een dak neergestreken.
"Zie je nu wel, dat het waar is, wat ik zei: dat de geleerdheid
hier in de stad regeert?" had hij gezegd, en de jongen had erkend,
dat hij gelijk had.
"Als ik geen raaf was," had Bataki verder gezegd, "maar een mensch
als jij, dan zou ik hier gaan wonen. Ik zou dag in dag uit in een
kamer vol boeken zitten, en alles leeren, wat er in stond. Zou je
daar ook geen lust in hebben?"
"Neen, ik geloof, dat ik liever met de wilde ganzen zou rondreizen,"
had den jongen geantwoord.
"Zou je geen lust hebben zoo'n mensch te worden, die ziekten kan
genezen?"
"Ja, misschien wel."
"Zou je geen lust hebben zoo'n mensch te worden, die alles weet,
wat er in de wereld gebeurd is, die alle talen spreekt, en zeggen
kan welke wegen zon, maan en sterren langs den hemel nemen?"
"Ja, dat kon ook wel prettig zijn."
"Zou je niet graag het verschil tusschen goed en kwaad, tusschen
recht en onrecht willen weten?"
"Dat zou wel noodig zijn," had de jongen gezegd, "dat heb ik dikwijls
gevoeld."
"En zou je niet voor predikant willen leeren, en bij je thuis in de
kerk preeken?"
"Vader en Moeder zouden wel erg blij zijn, als ik zoover kwam,"
had de jongen geantwoord.
Op die manier had de raaf den jongen doen begrijpen, dat zij, die
in Uppsala mochten wonen en studeeren, gelukkig waren, maar Duimelot
had nog niet gewenscht een van die menschen te zijn.
Maar toen was het gebeurd, dat het groote feest ter eere van de lente,
dat ieder jaar in Uppsala gevierd wordt, juist dien avond plaats had.
En zoo had Niels Holgersson de studenten gezien, die optrokken naar
den Botanischen Tuin, waar het feest zou gevierd worden. Zij waren
aangekomen in een breeden, langen optocht, met witte mutsen op het
hoofd, en de heele straat had er uitgezien als een donkere stroom
vol witte waterlelies. Witte zijden, met goud geborduurde vaandels
hadden ze gedragen, en ze hadden lenteliederen gezongen onder het
marcheeren. Maar Niels Holgersson had gevonden, dat het was, alsof ze
niet zelf zongen, maar alsof het gezang boven hun hoofden zweefde. Hij
vond, dat het was, alsof niet de studenten voor de lente zongen, maar
alsof de lente ergens verborgen zat, en voor de studenten zong. Hij
had niet gedacht, dat menschengezang zóó mooi kon klinken. Het was als
het suizen in de naalden van de denneboomen, als de klank van staal,
als het zingen van wilde zwanen aan den oever van de zee.
Toen de studenten in den tuin waren gekomen, waar de grasvelden in
licht, teer lentegroen stonden, en de blaren van de boomen op 't punt
waren de knoppen te doen openspringen, waren ze blijven stilstaan
voor een spreekgestoelte, en een jonge, deftig uitziende man was
daarop geklommen, en had gesproken.
Dat spreekgestoelte was opgericht op de stoep van de groote broeikas,
en de raaf had den jongen op het dak van de kas neergezet. Daar had hij
rustig gezeten, en de eene toespraak na de andere gehoord. Eindelijk
was een oud man op 't spreekgestoelte geklommen. De oude had gezegd,
dat het beste in 't leven was: jong te zijn en je jeugd in Uppsala te
mogen doorbrengen. Hij had gesproken over het heerlijke, vredige werken
in de boeken, en de rijke, zonnige, jeugdige vreugde, die nergens zoo
goed genoten kon worden, als in den kring van de kameraden. En telkens
was hij teruggekomen op het genot, te mogen leven met vroolijke,
edelgezinde kameraden. Dat was het, wat de inspanning zoo prettig
maakte, het verdriet zoo snel deed vergeten, en de hoop zoo deed
schitteren.
De jongen had naar de studenten zitten kijken, die in een halven cirkel
onder het spreekgestoelte zaten, en hij begon te begrijpen, dat het
heerlijkste in de wereld was tot dien kring te behooren. Dat was een
hooge eer, een groot geluk. Ieder van hen werd iets meer, dan hij
alleen zou zijn geworden, omdat hij bij zulk een groep menschen hoorde.
Na de toespraak hadden de liederen weer geklonken, en na de liederen
waren nieuwe toespraken gekomen. De jongen had nooit gedacht of
begrepen, dat woorden zóó bij elkaar konden worden gevoegd, zoodat ze
zulk een macht kregen om te ontroeren, op te wekken en blij te maken,
als deze toespraken hadden.
Niels Holgersson had het meest naar de studenten gekeken, maar hij
merkte wel, dat ze niet alleen in den tuin waren. Er waren daar jonge
meisjes in lichte japonnetjes, met mooie zomerhoeden op, en nog vele
andere menschen ook. Maar het ging als met hemzelf: ze schenen daar
alleen gekomen te zijn, om naar de studenten te zien.
Nu en dan was er pauze tusschen de toespraken en de liederen, en toen
had de menigte zich over den heelen tuin verspreid. Maar al gauw was
er een nieuwe spreker opgetreden, en dadelijk hadden de hoorders zich
weer om hem heen verzameld. En op die manier was het doorgegaan tot
den avond.
Toen alles voorbij was, had de jongen diep adem gehaald, en zich de
oogen uitgewreven, zooals men doet bij het wakker worden. Hij was
in een land geweest, dat hij nog nooit te voren had bezocht. Van al
die jonge menschen, die blij waren met het leven, en in de toekomst
zagen, met de zekerheid te zullen overwinnen, waren vroolijkheid en
geluk uitgegaan over allen, en de jongen was met hen in het land der
vreugde geweest. Maar toen het laatste lied was weggestorven, had de
jongen gevoeld, hoe droevig zijn eigen leven was, en het had hem tegen
de borst gestuit nu weer naar zijn arme reisgenooten terug te keeren.
De raaf had naast den jongen gezeten, en was toen begonnen in zijn
ooren te krassen.
"Nu Duimelot, nu zal ik je zeggen hoe je een mensch kunt worden. Je
moet wachten, tot je iemand ontmoet, die tegen je zegt, dat hij graag
in jouw schoenen wou staan, en met de wilde ganzen rondreizen. Dan
moet je goed oppassen, dat je dit tegen hem zegt:...."
En toen had Bataki den jongen een paar woorden geleerd, die zóó
sterk en gevaarlijk waren, dat ze niet hardop gezegd kunnen worden,
maar moeten worden gefluisterd, als men ze niet in vollen ernst
wil gebruiken.
"Meer dan dat is niet noodig, als je een mensch wilt worden," had
Bataki eindelijk gezegd.
"Neen, dat geloof ik graag," antwoordde de jongen, "want iemand,
die verlangt in mijn schoenen te staan, zal ik wel nooit ontmoeten!"
"Dat is niet zoo onmogelijk," had de raaf gezegd, en toen had hij
den jongen de stad ingebracht, en hem op het dak, voor een dakvenster
gezet. Een lamp brandde in de kamer, het venster stond op een kier,
en de jongen had daar nu al een heel poosje gestaan, en er over gedacht
hoe gelukkig de student wezen moest, die daar binnen lag te slapen.