DE STUDENT.

In den tijd toen Niels Holgersson door het land trok met de wilde

ganzen, was er in Uppsala een buitengewoon flinke jonge student. Hij

woonde op een klein dakkamertje, en was zoo zuinig, dat de menschen

zeiden, dat hij van den wind leefde. Studeeren was zijn lust en zijn

leven, en hij kwam vlugger vooruit dan al de anderen. Maar hij was

daarom toch geen blokker of suffer, hij had er ook slag van met zijn

kameraden plezier te maken. Hij was juist, zooals een student behoort

te zijn. Hij had geen ander gebrek, dan dat het aan hem te merken was,

dat alles hem meêliep. Maar dat kan den besten gebeuren. 't Is niet

zoo gemakkelijk voorspoed te dragen.

Op een morgen, toen de student juist wakker was geworden, lag hij er

over te denken, hoe goed hij het toch had.

"Alle menschen houden van mij, mijn kameraden en mijn leeraars,"

zei hij in zichzelf. "En wat gaat het toch prachtig met mijn

studie! Vandaag moet ik voor het laatst naar mijn tentamen, en

dan ben ik gauw klaar. En als ik maar op tijd klaar ben, krijg ik

dadelijk een betrekking met een groot tractement. 't Is merkwaardig,

zooals alles me meeloopt. Maar ik doe ook zoo mijn best, dat het niet

anders dan goed en gelukkig met me kan gaan."

De studenten in Uppsala zitten niet in een schoolkamer om samen te

leeren als schoolkinderen, maar ze studeeren ieder apart thuis op

hun kamer. Als ze met een onderwerp klaar zijn, gaan ze naar hun

professoren, en die nemen hun een examen af over het heele onderwerp

tegelijk. Zulk een examen wordt "tentamen" genoemd, en 't was juist

het laatste en 't moeilijkste, dat de student dien dag doen moest.

Zoodra hij gekleed was, en ontbeten had, ging hij aan zijn schrijftafel

zitten, om voor het laatst nog zijn boeken eens in te zien.

"Ik geloof wel, dat het onnoodig is, want ik heb me zoo goed

voorbereid," dacht de student, "maar ik moet maar zoo lang mogelijk

werken; dan heb ik me niets te verwijten."

Hij had nog niet lang zitten werken, of er werd aan de deur geklopt,

en een student kwam binnen met een dik, oud boek onder den arm. Dat

was een heel ander soort student dan hij, die daar aan de schrijftafel

zat. Hij was verlegen en bedremmeld, en zag er armoedig uit. 't Was

iemand, die verstand van boeken had, maar ook van niets anders. Men

zei van hem, dat hij heel geleerd moest zijn, maar hij was zoo bang en

verlegen, dat hij nog nooit gewaagd had een tentamen te doen. Allen

dachten, dat hij een "overblijver" zou worden, dat is: een student,

die jaar in jaar uit in Uppsala blijft studeeren, maar waar nooit

wat van terecht komt.

Nu kwam hij zijn kameraad vragen, of hij een boek wou lezen, dat

hij geschreven had. 't Was niet gedrukt, maar alleen met de hand

geschreven.

"Je doet me een grooten dienst, als je dit eens wilt inkijken,"

zei hij, "en eens zien of het goed is."

De student, wien alles zoo meêliep, dacht: "Is 't nu niet waar,

wat ik zeg, dat alle menschen van me houden? Daar komt nu ook die

kluizenaar, die 't niet over zich heeft kunnen verkrijgen zijn werk

aan iemand anders te laten zien, en wil, dat ik het beoordeelen zal!"

Hij beloofde zoo gauw mogelijk het handschrift te lezen, en de andere

legde het voor hem op de schrijftafel.

"Wil je er heel voorzichtig meê zijn?" zei hij. "Ik heb hier vijf

jaar lang aan gewerkt, en als het wegraakt, kan ik het niet overmaken."

"Er zal hier bij mij niets aan komen," zei de student, en de ander

ging heen.

De student trok het dikke boek naar zich toe.

"Ik ben benieuwd, wat hij daar heeft zitten krabbelen," zei hij. "O

zoo, "De geschiedenis van de stad Uppsala." Dat klinkt nog zoo

gek niet."

Nu hield die student meer van Uppsala dan van alle andere plaatsen, en

hij verlangde te lezen, wat de overblijver over de stad had geschreven.

"Als ik er goed over denk," mompelde hij, "kan ik even goed zijn

geschiedenis dadelijk lezen! 't Geeft toch niet, of ik tot het laatste

oogenblik zit te blokken. Daar gaat het toch niet beter om, als ik

eenmaal bij den professor zit."

De student ging zitten lezen en keek niet op van de papieren, eer

hij het laatste blad gelezen had. Toen hij het uit had, was hij

heel tevreden.

"Zie eens!" zei hij. "Dat is een drommelsch knappe vent. Als dit boek

uitkomt, is zijn naam gemaakt. 't Zal heerlijk zijn, hem te vertellen,

wat dat voor een mooi stuk werk is!"

Hij nam alle losse bladen, waaruit het handschrift bestond, bij elkaar,

en schikte ze weer in volgorde op de tafel. Terwijl hij daarmeê bezig

was, hoorde hij een klok slaan.

"Lieve hemel! 't Is al tijd om naar den professor te gaan," zei hij,

en liep haastig de kamer uit om zijn zwart pak te halen, dat in een

kamertje op den zolder hing. Zooals het dikwijls gaat, als men haast

heeft: slot en sleutel waren onwillig, en het duurde een poosje,

eer hij weer terugkwam.

Toen hij op den drempel stond, gaf hij een schreeuw. In de haast had

hij de deur open laten staan, toen hij heen ging, en het venster,

waar de schrijftafel voor stond, was ook open. Er was een hevige tocht

ontstaan, en nu zag de student de losse bladen van het handschrift

door het venster naar buiten dwarrelen. Hij was met een sprong bij de

tafel, en legde de hand op de papieren, maar er was niet veel meer

van te redden. Nog maar een tien of twaalf lagen op de tafel. Al de

andere dansten in den wind over huizen en daken.

De student boog zich over de vensterbank, en zag de papieren na. Een

zwarte vogel zat op het dak buiten 't dakvenster, en zag hem spottend

plechtig aan.

"Is dat niet een raaf?" dacht de student. "Men zegt immers, dat een

raaf ongeluk voorspelt."

Hij zag enkele papieren op het dak liggen, en zeker had hij ten

minste een gedeelte van het verlorene nog kunnen redden, als hij

zijn tentamen niet had gehad om aan te denken. Maar hij meende, dat

hij allereerst voor zijn eigen zaken moest zorgen. "Het gaat hier om

mijn heele toekomst," dacht hij.

Hij trok gauw zijn andere kleeren aan, en liep zoo hard hij kon naar

zijn professor. Onderweg dacht hij aan niets anders, dan aan het

verloren handschrift.

"'t Is een ellendige geschiedenis," dacht hij. "'t Was ook ongelukkig,

dat ik het zoo druk had."

De professor begon hem vragen te doen, maar hij moest maar aldoor

aan dat verloren handschrift denken.

"Wat zei de stumper ook weer?" dacht hij. "Had hij niet vijf jaar

aan dat boek gewerkt, en had hij nu geen kracht meer om het over te

schrijven? Ik weet niet, hoe ik hem zal durven zeggen, dat het weg is."

Hij was zóó vol van wat er gebeurd was, dat hij zijn gedachten niet

bij elkaar kon houden. Al zijn kennis was spoorloos verdwenen. Hij

hoorde niet, wat de professor vroeg, en wist heelemaal niet wat hij

zelf antwoordde. De professor was verstomd over zoo'n onwetendheid,

en kon niet anders dan hem laten druipen.

Toen de student weer buiten kwam, voelde hij zich diep ongelukkig.

"Nu krijg ik mijn betrekking niet," dacht hij, "en dat is de schuld

van dien overblijver. Waarom moest hij ook juist vandaag met het

handschrift komen! Maar zoo gaat het, als men behulpzaam is."

Op hetzelfde oogenblik zag de student, den jongen man, aan wien hij

dacht, aankomen. Hij wilde er niet over spreken, dat het handschrift

verloren was, eer hij een poging had gedaan om het terug te krijgen,

en was van plan hem voorbij te loopen. Maar de ander liep daar

bekommerd en ongerust, en wilde graag weten, wat de student van zijn

boek zou zeggen. En toen hij hem voorbij zag loopen met een niet al

te vriendelijk knikje, werd hij heel angstig. Hij klopte den student

op den arm, en vroeg hem of hij iets had gelezen.

"Ik heb tentamen gehad," zei de student, en wilde snel doorloopen. Maar

de andere meende, dat hij hem ontwijken wilde, om niet te hoeven

zeggen, dat hij niet met zijn boek was ingenomen. 't Was hem, alsof

zijn hart zou breken, omdat het werk, waar hij vijf jaar lang meê

bezig was geweest, niet deugde, en hij zei tegen den student in zijn

groot verdriet:

"Onthoud nu wat ik je zeg. Als mijn boek niet deugt, wil ik het

niet meer zien. Lees het zoo gauw je kunt, en zeg me, wat je er van

vindt. Maar als het niet deugt, moet je 't verbranden. Dan wil ik

het niet meer zien."

Hij liep haastig door. De student zag hem na, alsof hij hem had willen

terugroepen, maar hij bedacht zich, en ging naar huis.

Daar trok hij haastig zijn daagsche kleeren aan, en liep rond om naar

het handschrift te zoeken. Hij zocht in de straten, op de markt en

in het plantsoen. Hij ging de binnenplaatsen in, en liep zelfs tot

buiten de stad.--Hij kon geen enkel blad vinden.

Toen hij op die manier een poos was doorgegaan, kreeg hij zoo'n

honger, dat hij moest gaan eten. Maar aan tafel ontmoette hij alweer

den overblijver. Deze kwam dadelijk naar hem toe, om iets van zijn

boek te hooren. "Ik kom vanavond bij je, om er over te praten,"

zei de student knorrig en stug. Hij wilde niet bekennen, dat hij het

verloren had, vóór hij er heelemaal zeker van was, dat het niet kon

worden teruggevonden. De andere werd doodsbleek.

"Denk er maar aan, dat je het moet vernietigen, als het niets waard

is," zei hij en ging heen. Hij was er nu heel zeker van, dat de

student niet over zijn werk tevreden was.

De student liep weer haastig de stad in, en bleef zoeken, tot het

heelemaal donker was, zonder iets te vinden. Toen hij op weg naar

huis was, kwam hij een paar kameraden tegen.

"Waar heb jij gezeten, dat je niet op ons lentefeest was?" vroegen ze.

"Ach, is het lentefeest geweest?" zei de student, "dat heb ik heelemaal

vergeten."

Terwijl hij met zijn kameraden stond te praten, kwam een jong meisje,

waar hij veel van hield, voorbij. Ze keek niet naar hem, maar liep met

een anderen student te praten, en lachte bizonder vriendelijk tegen

hem. Toen herinnerde de student zich op eens, dat hij haar had gevraagd

op het lentefeest te komen, opdat hij haar daar zou ontmoeten. En nu

was hij zelf niet gekomen! Wat moest ze wel van hem denken!

Hij voelde een steek in 't hart, en wilde haar gauw naloopen. Maar

toen zei een van zijn vrienden: "Het is niet goed met Steenberg,

dien overblijver, je weet wel. Hij is vanavond ziek geworden."

"'t Is toch niet ernstig?" vroeg de student snel.

"'t Was iets aan 't hart. Hij had een leelijken aanval, en het kan

ieder oogenblik terugkomen. De dokter dacht, dat hij een of ander

verdriet had. Of hij beter worden kan, hangt er van af, of dat verdriet

kan worden weggenomen."

Een oogenblik later kwam de student bij den overblijver binnen. Hij

lag in bed, heel bleek en zwak, en was nog niet heelemaal hersteld

van dien ernstigen aanval.

"Ik ben gekomen, om met je over je boek te spreken," zei de

student. "Dat is een uitstekend werk, moet je weten. Ik heb zelden

zooiets moois gelezen."

De overblijver ging recht overeind zitten, en keek den student

strak aan.

"Waarom deed je zoo vreemd van middag?"

"Ik had het land, omdat ik voor mijn tentamen gedropen was. Ik dacht

niet, dat je er zooveel om gaf, hoe ik je boek vond. Ik vond het

bizonder mooi."

De zieke zag hem onderzoekend aan, en werd steeds meer overtuigd,

dat de student iets voor hem wilde verbergen.

"Dat zeg je nu maar, omdat je hebt gehoord, dat ik ziek was, en je

wilt me troosten."

"Neen zeker niet! 't is een uitstekend werk, daar kun je zeker

van zijn."

"Heb je 't wezenlijk niet verscheurd, zooals ik 't je vroeg?"

"Maar ik ben toch zoo dwaas niet, dat ik dat zou doen."

"Haal het dan hier! Laat me zien, dat je 't niet hebt verscheurd, dan

zal ik je gelooven," zei de zieke, en zonk weer in 't kussen terug, zoo

zwak en mat, dat de student bang was, dat hij een nieuwen aanval kreeg.

't Was vreeselijk! De student voelde zich zoo ellendig. Hij nam de

handen van den zieke tusschen de zijne, en vertelde hem, dat zijn

handschrift uit het raam was gewaaid; hij zei hem hoe ongelukkig hij

dien heelen dag was geweest, omdat hij hem zooveel schade had gedaan.

Toen hij dat alles gezegd had, streelde de zieke zijn hand.

"Je bent goed, heel goed," zei hij. "Maar je hoeft geen verhaaltjes

te verzinnen om me te sparen. Ik begrijp heel goed, dat je hebt

gedaan, wat ik gezegd heb, dat je mijn handschrift hebt vernietigd,

omdat het niets waard was. En dat wil je nu niet zeggen. Je meent,

dat ik het niet kan verdragen."

De student verzekerde en bezwoer hem, dat hij de waarheid had gezegd,

maar de andere hield vol, en wilde hem niet gelooven.

"Als je me 't handschrift terug kunt geven, zal ik je gelooven,"

zei hij.

Hij werd steeds zieker, en eindelijk moest de student wel heengaan,

omdat hij zag, dat hij den andere maar erger maakte. Toen hij thuis

kwam voelde hij zich plotseling zoo uitgeput van vermoeidheid, dat

hij zich nauwelijks kon voortsleepen. Hij zette thee, en ging toen

naar bed. Toen hij de dekens over zich heentrok, dacht hij er aan

hoe gelukkig hij zich dien morgen had gevoeld. Nu had hij veel voor

zichzelf bedorven, maar dat kon hij wel dragen.

"Het ergste is, dat ik er mijn heele leven aan zal moeten denken,

dat ik een mensch ongelukkig heb gemaakt," zei hij.

Hij meende, dat hij dien nacht niet zou hebben kunnen slapen, maar

vreemd genoeg, hij sliep in, zoodra hij het hoofd op het kussen

had gelegd.

Hij had niet eens de tijd om de lamp uit te doen, die op het

nachttafeltje naast zijn bed stond.

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 96 / 140 题