De student schrikte wakker uit zijn slaap, en zag, dat de lamp nog
op het nachttafeltje stond te branden.
"Kijk eens, nu heb ik vergeten de lamp uit te doen," dacht hij, en
richtte zich op zijn elleboog op, om de lamp neer te draaien. Maar eer
hij dat kon doen, merkte hij, dat er iets bewoog op zijn schrijftafel.
De kamer was heel klein. De tafel stond niet ver van zijn bed, en hij
kon die duidelijk zien, met al de boeken en papieren, den inktkoker
en de photografieën, die er op stonden. Zijn spiritustoestel en 't
theeblaadje had hij daar laten staan, en die zag hij ook. Maar het
wonderlijkste was, dat hij even duidelijk als dat alles, een dwergje
zag, die bij het botervlootje stond, en bezig was zich een boterham
te maken.
De student had zooveel beleefd den vorigen dag, dat het hem bijna
onverschillig was, wat hem nu verder overkwam. Hij was niet bang of
verbaasd, maar vond, dat het heel natuurlijk was, dat de dwerg was
binnengekomen om een hapje te eten.
Hij ging weer liggen, zonder de lamp uit te doen, en bekeek het dwergje
met halfgesloten oogen. Die was nu gaan zitten op een presse-papier,
en zat daar zich heel genoegelijk te goed te doen aan de overblijfselen
van het avondeten van den student. 't Was te zien, dat hij zich in
het minst niet haastte. Hij zat met de oogen te knippen, en smakte
met de tong. De oude broodkorstjes en de droge stukjes kaas waren
zeker zeldzame lekkernijen voor hem.
De student wilde hem niet storen, zoolang hij at, maar toen het
dwergje eindelijk genoeg had, begon hij met hem te praten.
"Hallo, jij daar!" zei hij. "Wat ben je voor een ventje?"
Het dwergje schrikte op, en sprong naar het venster, maar toen hij
merkte, dat de student stil in bed bleef liggen, en hem niet vervolgde,
bleef hij staan.
"Ik ben Niels Holgersson van West Vemmenhög," zei hij, "en ik ben
een mensch, net als jij. Maar ik ben in een dwerg veranderd, en nu
reis ik rond met de wilde ganzen."
"Dat is een zonderling verhaal," zei de student, en begon den jongen
te vragen en uit te hooren, tot hij ongeveer alles wist, wat die had
beleefd, sinds hij van huis ging.
"Jij hebt het maar goed," zei de student. "Menigeen zou wel in jouw
schoenen willen staan, en wegvliegen van alle zorgen en bekommeringen."
Bataki, de raaf, stond buiten op de vensterbank, en toen de student
dat zei, pikte hij met den bek tegen het venster. De jongen begreep,
dat hij zijn aandacht wilde trekken, zoodat hij niets zou verzuimen,
als de student de rechte woorden zou zeggen.
"Och, je zou niet met mij willen ruilen," zei hij. "Wie eenmaal
student is, kan toch nooit iets anders willen wezen."
"Dat dacht ik vanmorgen ook, toen ik wakker werd," zei de
student. "Maar je moest maar eens weten, wat mij vandaag is
overkomen. Met mij is 't nu uit! 't Was wezenlijk het beste voor me,
als ik met de wilde ganzen kon wegvliegen."
De jongen hoorde Bataki aan het venster pikken, en zelf werd hij
duizelig en kreeg hartklopping, want nu leek het wel, of de student
de juiste woorden zou zeggen.
"Ik heb je nu verteld, hoe 't mij ging," zei hij tegen den
student. "Vertel me nu ook, hoe jij het hebt."
En de student was blij, dat hij een vertrouweling had, en vertelde
eerlijk wat hem was gebeurd.
"Dat alles zou nu wel weer overgaan," zei hij eindelijk. "Maar
waar ik niet tegen kan--dat is, dat ik een kameraad ongelukkig heb
gemaakt. 't Was veel beter voor mij, dat ik in jouw schoenen stond,
en met de wilde ganzen mocht rondvliegen."
Bataki pikte hard tegen de ruiten; maar de jongen zat lang zwijgend,
recht voor zich uit te kijken.
"Wacht even! Je zult gauw meer van me hooren," zei hij zacht tegen
den student, en toen liep hij wat langzaam over de schrijftafel en
het venster uit. Juist toen hij op het dak kwam, ging de zon op,
en het roode morgenlicht stroomde over Uppsala. Alle daken en torens
glansden en glinsterden, en weer moest de jongen erkennen, dat het
een echte vreugdestad was.
"Wat bezielt je toch?" vroeg de raaf. "Nu heb je de gelegenheid laten
voorbijgaan om een mensch te worden."
"Met dien student wil ik niet ruilen," zei de jongen. "Dan kreeg ik
immers maar verdriet over die weggewaaide papieren."
"Daar hoef je geen zorg over te hebben," zei Bataki. "Die kan ik je
terug bezorgen."
"Ik geloof wel, dat je dat kunt," zei de jongen, "maar ik ben er
nog niet zoo zeker van, dat je het doen zult. Daar wil ik eerst van
overtuigd zijn."
Bataki antwoordde niet. Hij sloeg de vleugels uit, en vloog weg. Kort
daarna kwam hij terug met een paar papieren. Hij vloog nu een heel uur
lang heen en weer, zoo vlijtig als een zwaluw, die haar nest bouwt,
en bracht den jongen het eene blad na het andere.
"Zie zoo, nu geloof ik, dat je zoowat alles hebt," zei hij eindelijk,
en ging hijgend op de vensterbank zitten.
"Ik dank je hartelijk," zei de jongen. "Nu zal ik naar binnen gaan
en met den student spreken."
Toen keek Bataki in de kamer, en zag hoe de student de bladen
rangschikte en glad streek.
"Jij ben toch de grootste stoffel, dien ik ooit gezien heb," stoof
Bataki op tegen den jongen. "Heb je nu dat handschrift aan den student
gegeven? Dan hoef je niet meer bij hem binnen te gaan. Hij zal nooit
meer zeggen, dat hij zoo wil worden als jij."
De jongen stond ook naar den student te zien, die zoo blij was, dat hij
in zijn kamertje ronddanste in zijn hemd. En toen keek hij naar Bataki.
"Ik begrijp wel, dat je me op de proef hebt willen stellen," zei
hij. "Je dacht zeker, dat ik Maarten, den ganzerik, aan zijn lot zou
overlaten op die moeielijke reis, zoodra ik het zelf goed zou kunnen
krijgen. Maar toen de student mij zijn geschiedenis vertelde, dacht
ik er aan, hoe leelijk het toch is een kameraad ontrouw te worden. En
dat wou ik niet doen."
Bataki begon zich met den poot in den hals te krabben, en zag er
bijna verlegen uit. Hij kwam er niet toe iets te zeggen, maar vloog
met den jongen regelrecht naar de wilde ganzen terug.