DE ZWANEN IN DE HJÄLSTABAAI.

Het veiligste toevluchtsoord voor zwemvogels, dat in de buurt van het

Mälermeer gevonden wordt, is de Hjälstabaai, die vlakke oevers heeft,

ondiep water, en een massa biezen, juist als het Takermeer. Het is

op verre na niet zoo groot, als dat beroemde vogelmeer, maar toch is

't een voortreffelijk tehuis voor vogels, omdat zij daar al jaren

lang beschermd worden. 't Is namelijk een woonplaats voor een groot

zwanenvolk, en de eigenaar van de oude koningshoeve, die daar in de

nabijheid ligt, heeft alle jacht in de baai verboden, opdat de zwanen

niet verontrust of gestoord zullen worden.

Zoodra Akka de boodschap had gekregen, dat de zwanen haar hulp noodig

hadden, was ze dadelijk naar de Hjälstabaai gegaan. Ze kwam daar met

den troep tegen den avond, en zag dadelijk, dat er groote ongelukken

waren gebeurd. De groote zwanennesten waren losgerukt, en dreven in

den sterken wind over 't water. Enkele nesten waren al uit elkaar

geslagen, een paar omgevallen, en de eieren, die er in geweest waren,

lagen te glimmen op den bodem van de baai.

Toen Akka in de baai neerstreek, waren alle zwanen, die daar woonden,

bijeen op den oostelijken oever, waar ze 't best tegen den wind waren

beschut. Hoewel ze veel door de overstrooming geleden hadden, waren

ze veel te trotsch om eenig verdriet te toonen.

"'t Geeft niet of men al treurt," zeiden ze. "Er zijn wortels en

stengels genoeg. We kunnen gauw genoeg nieuwe nesten bouwen."

Geen van hen had er aan gedacht de hulp van een vreemde in te roepen,

en ze hadden er ook geen flauw vermoeden van, dat Smirre een boodschap

naar de wilde ganzen had gezonden.

Daar waren er eenige honderden, en ze lagen naar rang en stand: de

jongen en onervarenen in de buitenste kringen, de ouden en verstandigen

verder naar binnen. In het midden lag Dagaklar, de zwanenkoning,

en Sneeuwrust, de zwanenkoningin, die ouder dan alle anderen, en de

voorouders van de meeste zwanen waren.

Dagaklar en Sneeuwrust konden nog van de dagen spreken, dat zwanen

van hun stam nergens als wilden leefden in Zweden, maar alleen als

tamme zwanen in sloten en vijvers voorkwamen. Maar toen was een paar

zwanen losgebroken uit hun gevangenschap, en had zich neergezet in

de Hjälstabaai, en van hen stamden alle zwanen af, die daar woonden.

Nu in dezen tijd waren er wilde zwanenvolken in vele inhammen van

't Mälermeer, en ook in 't Takermeer en 't Hornborgameer. Al die

nieuwelingen waren uit de Hjälstabaai gekomen, en de zwanen, die daar

woonden, waren er zeer trotsch op, dat hun familie zich zóó uitbreidde,

van het eene meer naar het andere.

De wilde ganzen waren neergedaald aan den westeroever, maar toen

Akka zag, waar de zwanen lagen, begon ze dadelijk op hen toe te

zwemmen. Zelf was ze er heel verbaasd over, dat ze haar hadden laten

roepen, maar ze vond dat een eer, en wilde geen oogenblik verzuimen,

waarin ze hen konden helpen.

Toen Akka in de nabijheid van de zwanen kwam, hield ze op om toe te

zien, of de ganzen achter haar wel in een rechte lijn en met gelijke

tusschenruimten zwommen.

"Zwem nu flink en vlug," zei ze. "Kijk niet naar de zwanen, alsof

je nog nooit zooiets moois had gezien, en stoor je niet aan wat ze

tegen je zeggen."

't Was niet voor 't eerst, dat Akka dit oude, voorname zwanenpaar

bezocht, en altijd hadden ze haar ontvangen op een wijze, waarop een

aanzienlijke en bereisde vogel recht had. Maar ze vond het niet prettig

tusschen al die zwanen door te zwemmen, die om hen heen lagen. Nooit

voelde zij zich zoo klein en grauw, als wanneer ze tusschen zwanen

in raakte, en de een of de ander zei ook gewoonlijk een paar woorden

over grauwtje en arme luidjes. Maar het was het verstandigst, te doen,

of je dat niet hoorde.

Dezen keer scheen alles bijzonder goed te gaan. De zwanen gingen

heel kalm op zij, en de wilde ganzen zwommen als door een straat,

omzoomd met groote, glinsterend witte vogels. 't Was mooi te zien,

hoe ze daar lagen, en de vleugels uitspanden als zeilen, om zich

goed voor te doen aan de vreemde bezoekers. Ze maakten geen enkele

aanmerking, en Akka was er heel verbaasd over.

"Dagaklar heeft zeker hun ongemanierdheid opgemerkt, en hun gezegd,

dat ze beleefd moeten zijn," dacht de leidster-gans.

Maar juist terwijl de zwanen zoo hun best deden heel welgemanierd te

zijn, kregen ze den witten ganzerik in 't oog, die achteraan kwam in

de lange ganzenrij. Daar ging een verwonderd en verontwaardigd suizen

door 't gezelschap, en op eens was het uit met de goede manieren.

"Wat is dat?" riep een van hen. "Zijn de wilde ganzen van plan witte

veeren te gaan dragen!"

"Ze moeten niet denken, dat ze daardoor zwanen worden," riepen ze

van alle kanten.

Ze begonnen om het hardst te roepen, met hun sterke, klankvolle

stemmen. 't Was niet mogelijk hun uit te leggen, dat het een tamme

ganzerik was, die met de wilde ganzen meê kwam.

"'t Is zeker de ganzenkoning zelf, die meêkomt," riepen ze honend.

"'t Is toch àl te onbeschaamd!"

"'t Is geen gans. 't Is maar een tamme eend."

De groote, witte ganzerik dacht aan Akka's bevel: zich niet te storen

aan wat hij ook hooren mocht. Hij zweeg, en zwom voort zoo snel hij

kon, maar het hielp niet. De zwanen werden al brutaler.

"Wat is dat voor een kikker, dien hij daar op zijn rug heeft?" vroeg

een van hen. "Ze denken zeker, dat we niet kunnen zien, dat het een

kikker is, omdat hij als een mensch is aangekleed."

De zwanen, die zoo pas nog in goede orde gerangschikt lagen, zwommen

nu rond om elkaar heen in de heftigste verwarring. Alle wilden

vooruitdringen om de witte wilde gans te zien. "Die witte ganzerik

daar, moest zich ten minste schamen, om zich hier bij ons zwanen te

komen vertoonen."

"Hij is stellig even grauw als de anderen. Hij is alleen even in een

meelhoop gevlogen op een of andere boerderij."

Akka was juist tot Dagaklar doorgedrongen, en wilde hem vragen, wat

voor soort hulp hij van haar begeerde, toen de koning de opschudding

onder het zwanenvolk opmerkte.

"Wat gebeurt daar nu? Heb ik niet bevolen, dat ze beleefd tegen

vreemden moeten zijn?" zei hij, en keek ontevreden.

Sneeuwrust, de zwanenkoningin, zwom weg om haar volk te controleeren,

en Dagaklar wendde zich weer tot Akka. Toen kwam Sneeuwrust terug,

en zag er heel verontwaardigd uit.

"Kun je niet maken, dat ze zwijgen?" riep de zwanenkoning haar toe.

"Daar ginds is een witte, wilde gans," antwoordde Sneeuwrust. "Dat

is immers een schande. 't Verbaast me niet, dat hun dit ergert."

"Een witte, wilde gans!" zei Dagaklar. "Dat is al te erg! Zooiets

kan toch niet bestaan! Je moet verkeerd hebben gezien."

Om Maarten, den ganzerik heen, werd het gedrang al grooter. Akka en

de andere wilde ganzen probeerden naar hem toe te zwemmen, maar ze

werden heen en weer geduwd, en konden hem niet bereiken.

De oude zwanenkoning, die de sterkste van allen was, zette zich

toen in beweging, schoof alle anderen op zij, en baande zich een

weg naar den witten ganzerik. Maar toen hij zag, dat er werkelijk

een witte gans was, die daar op het water lag, werd hij even boos

als alle anderen. Hij blies van woede, stoof regelrecht op Maarten,

den ganzerik, af, en rukte hem een paar veeren uit.

"Ik zal je leeren, wilde gans, om hier zoo toegetakeld bij de zwanen

te komen!" riep hij.

"Vlieg weg, Maarten, vlieg weg!" riep Akka, want zij begreep,

dat de zwanen hem alle veeren zouden uitplukken. En "Vlieg weg,

vlieg weg!" riep Duimelot meê. Maar de ganzerik lag zóó vastgeklemd

tusschen de zwanen, dat hij geen ruimte had om de vleugels uit te

slaan. En van alle kanten strekten de zwanen hun sterke snavels uit,

om hem de veeren uit te trekken.

Maarten, de ganzerik, verdedigde zich door van zich af te slaan en te

bijten, zoo goed hij kon, en ook de andere wilde ganzen begonnen tegen

de zwanen te vechten. Maar 't was duidelijk, hoe dit zou afgeloopen

zijn, als ze niet heel onverwacht hulp hadden gekregen.

't Was een roodstaartje, dat gemerkt had, dat de wilde ganzen het te

kwaad kregen bij de zwanen, en dadelijk liet hij het scherp geroep

hooren, dat bij de kleine vogels gebruikelijk is, als het geldt een

havik of een valk weg te jagen. Nauwelijks had hij driemaal geroepen,

of alle kleine vogels uit de buurt stormden op pijlsnelle vleugels,

in een groote luidruchtige zwerm, naar de Hjälstabaai. En die kleine

zwakke stumpertjes vielen de zwanen aan. Zij schreeuwden hun in de

ooren, zij verborgen hun het uitzicht met hun uitgespreide vleugels,

ze maakten ze duizelig met hun gefladder, ze brachten hen in de war

door te roepen: "Schaam je, zwanen! Schaam je toch!"

De aanval van de kleine vogels duurde maar een paar oogenblikken,

maar toen ze weg waren, en de zwanen weer tot zich zelf kwamen,

zagen ze, dat de wilde ganzen waren opgevlogen, en neerdaalden aan

de overzijde van de baai.

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 92 / 140 题