DE OVERSTROOMING.

Dagen lang was het een vreeselijk weer ten noorden van 't Mälermeer. De

hemel was effen grijs, de wind huilde, en de regen zwiepte tegen de

ruiten. Menschen en dieren wisten, dat zonder dit de lente niet komen

kon, maar ze vonden toch, dat het bijna niet uit te houden was.

Toen het een dag geregend had, begonnen de sneeuwmassa's in de

dennenbosschen eerst goed te smelten, en de lentebeken kwamen in

beweging. Alle waterplassen op de hoeven, het modderige water binnen

de dijken, het water, dat opborrelde tusschen de graszoodjes in,

moerassen en plasjes, alles kwam in beweging, en probeerde den weg

te vinden naar de beken, om meê te komen naar zee. De beken snelden

zoo hard mogelijk naar de Mälerrivieren, en die deden hun best om

de watermassa's naar 't Mälermeer te brengen. Maar toen wierpen alle

kleine meertjes in Uppland en in de mijndistricten op één en denzelfden

dag al hun ijsdeksels af, zoodat de rivieren met ijsstukken werden

gevuld, en snel tot aan hun oevers stegen. Op die manier vergroot,

wierpen de rivieren zich in 't Mälermeer, en het duurde niet lang,

of dat had zooveel water als het bergen kon. In 't meer ontstond

een heftige strooming naar den eenigen afloop, dien 't had, maar dat

was een nauwe uitweg, en die kon het water niet zoo snel afvoeren,

als noodig was. Bovendien blies er een sterke oostenwind, zoodat het

zeewater naar land gestuwd werd, en de stroomen in den weg stond,

toen ze hun zoet water in de Oostzee wilden storten. En toen nu de

rivieren onophoudelijk met nieuw water aankwamen, tot de Mäler en de

stroomen het niet meer konden afvoeren, stond er niet anders te doen

voor het groote meer, dan buiten zijn oevers te treden.

Het steeg heel langzaam en als met tegenzin, om zijn mooie oevers

niet te schaden. Maar omdat die bijna overal laag en langzaam hellend

zijn, duurde het niet lang, of het water was verscheidene meters het

land in gekomen, en meer was niet noodig, om de grootste opschudding

teweeg te brengen.

't Is eigenaardig met het Mälermeer. Het bestaat uit louter nauwe

fjords, baaien en inhammen. Nergens heeft het breede watervlakten, door

den storm gezweept. Het is, alsof 't voor niets dan pleiziertochten

en zeiltochtjes gemaakt is, en voor vroolijke hengelpartijen. En

het heeft zooveel vriendelijke, met boomen bekleede eilanden,

schiereilanden en landtongen. Nergens vertoont het naakte, eenzame

en verwaaide oevers. Het is, alsof het zich nooit had voorgesteld,

dat het iets anders dan kasteelen, zomervilla's, landgoederen en

ontspanningslokalen zou dragen. Maar misschien is het, omdat het meer

er gewoonlijk zoo vriendelijk en zacht uitziet, dat er zoo'n spektakel

ontstaat, als nu en dan in de lente zijn glimlach wegsterft, en het

toont, dat het werkelijk gevaarlijk kan worden.

Toen het nu inderdaad tot een overstrooming scheen te komen, werden

alle schuiten en platte booten, die in den winter op het land waren

getrokken, in haast dichtgemaakt en geteerd, om zoo gauw mogelijk in

het water te kunnen worden neergelaten. De vlonders werden op 't land

gezet, en de bruggen op den landweg werden versterkt. De baanwachters,

die op gedeelten van de spoorlijn langs den oever moesten letten,

durfden 's nachts niet slapen, maar liepen aldoor heen en weer langs

de lijn.

De boeren, die hooi of dorre bladen bewaarden in schuren op de lage

eilandjes, haastten zich dat aan land te brengen. De visschers namen

hun fuiken en netten weg, opdat ze niet door de overstrooming zouden

worden weggespoeld. Bij de ponten wemelde het van reizigers. Allen,

die naar huis moesten, of op reis wilden, moesten zich haasten,

om er zeker van te zijn, dat hun overtocht niet zou worden verhinderd.

In de buurt van Stockholm, waar het strand met rijen zomerhuizen bedekt

is, heerschte nog de grootste drukte. De meeste villa's lagen wel

zóó hoog op het strand, dat ze niet in gevaar waren, maar er waren

steigers en badhuizen bij elk huis, en die moesten in veiligheid

worden gebracht.

Maar 't waren niet alleen de menschen, die in zorg kwamen, omdat

het Mälermeer buiten zijn oevers trad. De eenden, die hun eieren

tusschen de struiken aan het strand hadden gelegd, de veldmuizen en

veldratten, die aan 't strand woonden, en kleine hulpelooze jongen in

het nest hadden, werden door den grootsten angst aangegrepen. Zelfs

de trotsche zwanen werden ongerust, dat hun nesten en eieren zouden

worden verwoest.

En al die angsten waren niet overbodig, want met ieder uur steeg

het Mälermeer.

De wilgen en elzen, die aan den kant groeiden, hadden het water al tot

hoog om de stammen. In de tuinen was het water gedrongen, en hield

in den groentetuin huis op zijn eigen manier, en in de roggeakkers,

die zoo lagen, dat het water ze kon bereiken, richtte het de grootste

schade aan.

Het meer bleef stijgen, dagen achtereen. De lage weiden om het kasteel

Gripsholm kwamen onder water, zoodat het groote huis niet alleen

door een smalle gracht, maar door een breed water van het land was

gescheiden. In Strängnäs werd de mooie wandelplaats aan het meer in

een bruisenden stroom veranderd, en in Westerås bereidde men er zich

op voor, in een boot door de straten te moeten varen.

Van een paar elanden, die op een eilandje in 't Mälermeer hadden

overnacht, werd de standplaats onder water gezet, zoodat ze naar land

moesten zwemmen. Heele voorraden brandhout, massa's stokken en planken,

een menigte brouwvaten en kuipen waren vlotgeraakt, en overal waren

menschen in booten bezig ze uit het water te halen.

In dien moeielijken tijd gebeurde het, dat Smirre, de vos, op een

dag kwam aansluipen door een berkenboschje, dat ten noorden van

het Mälermeer lag. Hij liep, als gewoonlijk aan de wilde ganzen te

denken en aan Duimelot, en vroeg zich af, hoe hij 't moest aanleggen,

om hen te vinden, vóór hij hun spoor heelemaal had verloren.

Terwijl hij nu daar liep, en zich 't allermeest moedeloos voelde,

kreeg hij Agar, de postduif, in 't oog, die was neergestreken op

een berketak.

"Dat is uitstekend, dat ik je hier ontmoet, Agar," zei Smirre. "Je

kunt me misschien zeggen, waar Akka van Kebnekaise en haar troep zich

nu ophoudt."

"Ja, ik weet misschien wel, waar ze zijn," zei Agar, "maar ik wil

het je niet zeggen."

"Dat doet er ook niet toe," zei Smirre, "als je maar een boodschap

wilt overbrengen, die ik voor hen heb. Je weet wel hoe leelijk het

er nu aan het Mälermeer uitziet. Daar is een groote overstrooming,

en de vele zwanen, die in de Hjälstabaai wonen, zijn bang, dat hun

nesten en eieren vernield worden. Maar Dagaklar, de zwanenkoning,

heeft over dien dwerg hooren spreken, die met de wilde ganzen reist,

en die overal raad op weet, en hij heeft mij gestuurd om Akka te

vragen, of zij met Duimelot naar de Hjälstabaai wil komen."

"Ik kan die boodschap wel overbrengen," zei Agar. "Maar ik begrijp

niet, hoe die kleine dwerg de zwanen zal kunnen helpen."

"Dat begrijp ik ook niet," zei Smirre. "Maar hij kan immers van alles."

"'t Verbaast me ook, dat Dagaklar zijn boodschap door een vos stuurt,"

merkte Agar op.

"Je hebt wel gelijk, dat we anders vijanden zijn," sprak Smirre met

zachte stem, "maar als er zoo'n groote nood in 't land heerscht,

moet men elkander helpen. Je hoeft in ieder geval niet aan Akka te

vertellen, dat je die boodschap van een vos kreeg, want ze is wel

wat wantrouwend."

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 91 / 140 题