Dat was ten minste goed van de zwanen, dat ze, toen ze zagen, dat de
wilde ganzen waren ontsnapt, te trotsch waren om ze na te jagen. De
wilde ganzen konden dus rustig op een bos biezen gaan staan slapen.
Wat Niels Holgersson betreft, hij had te veel honger om te kunnen
slapen.
"Ik moet toch probeeren in een of ander hutje te komen, om wat eten
te krijgen," dacht hij.
In die dagen, toen zooveel verschillende zaken op het meer ronddreven,
was het niet moeielijk voor iemand als Niels Holgersson een vaartuig te
vinden. Hij bedacht zich niet lang, sprong op een stuk van een plank,
die tusschen de biezen in was geschommeld, vischte een stokje op,
en begon zich door het ondiepe water naar den oever te boomen.
Nauwelijks was hij aan land gekomen, of hij hoorde iets naast zich in
't water plassen. Hij hield zich heel stil, en zag eerst een zwaan,
die in haar nest lag te slapen, niet verder dan een paar meter van
hem af, en toen een vos, die een paar stappen in het water had gedaan,
om naar het zwanennest te sluipen.
"Hei! Ho! Sta op! sta op!" schreeuwde de jongen, en sloeg met zijn
stok in 't water. De zwaan stond dadelijk op, maar niet zóó gauw, of
de vos had haar kunnen pakken, als hij gewild had. Maar hij bedacht
zich, en vloog in plaats daarvan, regelrecht op den jongen af.
Duimelot zag den vos aankomen, en liep het land in. Voor hem lagen de
open, vlakke weiden. Hij zag geen boom, waar hij in kon klimmen, geen
gat om zich te verschuilen. Hij kon niet anders dan hard wegloopen. Hij
kon goed loopen, maar 't was een uitgemaakte zaak, dat hij het van een
vos niet kon winnen, als die vrij draven kon, en niets te dragen had.
Op eenigen afstand van het meer lagen een paar kleine boerenhutten. Uit
de vensters scheen licht. Natuurlijk holde de jongen dien kant uit,
maar hij begreep wel, dat, eer hij bij de huizen kwam, de vos hem wel
zesmaal kon hebben ingehaald. Eens was de vos zóó dicht bij hem, dat
hij al zeker meende te zijn den jongen te kunnen pakken, maar Niels
sprong vlug op zij, en begon weer naar het strand te loopen. Door
het omkeeren verloor de vos een beetje tijd, en eer hij opnieuw den
jongen had ingehaald, was deze op een paar mannen toegeloopen, die
den heelen dag en ook den avond op het meer hadden doorgebracht, om
ronddrijvend goed uit het water te halen, en nu op weg naar huis waren.
De mannen waren moe en slaperig. Zij hadden noch den vos, noch den
jongen gezien, hoewel die vlak voor hen heen waren gesprongen. De
jongen wilde ook liever niet met hen spreken, of hun om hulp vragen,
maar vergenoegde zich met dicht naast hen te loopen.
"De vos durft niet zoo dicht bij de menschen te komen," dacht hij.
Maar al gauw hoorde hij de vos aankomen. Die rekende er zeker op, dat
de mannen hem voor een hond zouden aanzien, want hij kwam vlak bij hen.
"Wat is dat toch voor een hond, die ons nasluipt!" zei toen een van
de mannen. "Hij komt zoo dicht bij, alsof hij ons bijten wil." De
andere bleef staan, en keek om. "Weg met jou! Wat wil je hier?" zei
hij, en gaf den vos een schop, dat hij dwars over den weg stoof. Van
dien tijd af hield de vos zich op een paar stappen afstand, maar liep
toch steeds meê.
De mannen waren gauw bij de kleine hoeven, en gingen samen naar een
van de huizen. De jongen was van plan geweest meê naar binnen te gaan,
maar toen hij aan de stoep kwam, had hij een grooten, prachtigen,
langharigen kettinghond zien springen uit zijn hok, om zijn meester
te begroeten. Toen veranderde de jongen snel zijn plan, en bleef
buiten staan.
"Luister eens, kettinghond!" zei de jongen zacht, zoodra de mannen
de deuren hadden gesloten. "Zou je me willen helpen om vannacht een
vos te vangen?"
De hond had slechte oogen, en was driftig en nijdig geworden, door dat
hij zoo lang gebonden had gestaan: "Zou ik een vos moeten vangen,"
blafte hij boos. "Wat ben jij voor een snaak, dat je me hier voor
den gek komt houden. Kom maar eens onder mijn bereik, dan zal ik je
die gekheid wel afleeren!"
"Denk maar niet, dat ik bang ben om bij je te komen," zei de jongen,
en sprong naar den hond toe. Toen die hem zag, was hij zóó verbaasd,
dat hij geen woord kon zeggen.
"Ik ben het, die Duimelot wordt genoemd, en ik reis rond met de wilde
ganzen," zei de jongen. "Heb je nooit van mij gehoord?"
"Nu en dan hebben de musschen wel over je getjilpt," zei de hond. "Je
schijnt groote dingen te hebben gedaan, zoo klein als je bent."
"Tot nu toe gaat het tamelijk goed," zei de jongen. "Maar nu is het
met mij gedaan, als je me niet wilt helpen. Een vos zit me op de
hielen. Hij staat op me te loeren daar om den hoek."
"Ja, zoowaar, ik ruik hem al!" zei de hond. "Dien zullen we wel
gauw wegjagen."
En de hond holde weg, zoover zijn ketting reikte, en blafte en huilde
een heele poos.
"Nu denk ik niet, dat hij van nacht weer terug zal komen," zei de hond.
"Er is meer noodig dan een beetje geblaf, om dien vos bang te maken,"
zei de jongen. "Hij komt gauw weer terug, en dat zou ook maar goed
zijn, want ik heb nu al met mezelf uitgemaakt, dat jij hem gevangen
nemen moet."
"Begin je mij nu weer voor den gek te houden?" zei de hond.
"Kom nu maar met mij in je hok, zoodat de vos ons niet hooren kan,"
zei de jongen, "dan zal ik je zeggen wat je doen moet."
De jongen en de hond kropen in het hok, en lagen daar een poos te
fluisteren.
Na eenigen tijd stak de vos zijn kop om den hoek, en toen alles stil
was, kwam hij zacht de plaats binnen. Hij volgde al snuffelend het
spoor van den jongen, tot bij het hondenhok, en ging op een afstand
daarvan zitten nadenken, hoe hij hem uit het hok zou lokken. Op eens
stak de hond den kop naar buiten, en bromde:
"Ga weg. Anders pak ik je!"
"Ik zal hier voor jou niet weggaan, eer ik wil!" zei de vos.
"Ga weg!" zei de hond nog eens op dreigenden toon. "Anders ben je
van nacht voor 't laatst op de jacht geweest."
Maar de vos lachte hem uit, en bleef zitten.
"Ik weet wel hoever je ketting reikt."
"Nu heb ik je twee keer gewaarschuwd," zei de hond, en kwam uit het
hok. "Nu moet je maar oppassen."
Meteen wierp hij zich met een grooten sprong op den vos, en pakte
hem heel gemakkelijk. Want hij was los: de jongen had zijn halsband
losgemaakt.
Een oogenblik vochten ze samen, maar de strijd was gauw beslist. De
hond bleef overwinnaar, de vos lag op den grond, en durfde zich
niet bewegen.
"Houd je nu stil," zei de hond. "Anders bijt ik je dood."
Hij nam den vos bij den nek, en sleepte hem naar zijn hok, en daar
kwam de jongen met de hondenketting aan, en legde den halsband twee
keer om den hals van den vos. Toen trok hij hem zoover aan, dat hij
goed vast zat. En de vos moest stil blijven liggen, en durfde zich
niet verroeren.
"Nu hoop ik, Smirre, dat je eene goede kettinghond zult worden,"
zei de jongen, toen hij klaar was.