Het volgend voorjaar kwam Karr op een morgen door het bosch. "Karr,
Karr!" riep iemand hem na. Karr keerde zich om. Hij had goed
gehoord. 't Was een oude vos, die buiten zijn hol stond, en hem riep.
"Zeg me even, of de menschen wat voor het bosch doen!" zei de vos.
"Ja, wees daar maar zeker van," zei Karr. "Zij werken er voor, zoo
hard zij kunnen."
"Ze hebben mijn heele familie vermoord," zei de vos. "En zij zullen mij
ook nog wel eens vermoorden. Maar dat alles zal hun vergeven worden,
als zij het bosch maar helpen."
Karr kon nooit door het kreupelhout loopen dat jaar, zonder dat iemand
hem vroeg, of de menschen het bosch konden helpen. 't Was niet zoo
gemakkelijk voor hem hierop te antwoorden, want de menschen wisten
zelf niet, of het hun zou gelukken de nonnen te overwinnen.
Als men er aan denkt hoe gevreesd en gehaat het oude Kolmarden [2]
was geweest, was het wonderlijk te zien hoe meer dan honderd man
dagelijks het bosch introkken, en er werkten, om het van den ondergang
te redden. Zij velden de boomen, die 't meest beschadigd waren, kapten
het onderhout weg, en sneden de laagste takken af, opdat de larven niet
zoo gemakkelijk van boom tot boom zouden kruipen. Ze hieuwen breede
paden om het aangetaste bosch heen, en legden met lijm bestreken
stangen uit, opdat de larven daar ingesloten zouden worden, en geen
nieuw grondgebied meer veroveren. Toen dat gedaan was, begonnen ze
lijmringen aan te leggen om de boomen. 't Was de bedoeling, dat men
op die manier de larven zou verhinderen uit de boomen te komen, die
ze al kaal gegeten hadden, en hen dwingen te blijven, waar ze waren,
en daar dood te hongeren.
De menschen gingen met dit werk door, tot laat in de lente, ze waren
vol hoop, en wachtten bijna met ongeduld den tijd af, dat de larven
uit de eieren zouden komen. Ze waren er zeker van, dat ze hen zoo
goed hadden ingesloten, dat de allermeeste van honger moesten sterven.
Toen kwamen de larven uit in het begin van den zomer, en er waren
oneindig meer dan het vorige jaar. Maar dat deed er immers niet
toe, als ze maar ingesloten waren, en geen voedsel genoeg konden
vinden. Maar dat ging toch niet juist, zooals men had gehoopt. Wel
waren er larven, die aan de lijmstaven vast raakten, en er waren
massa's, die door de lijmringen verhinderd waren uit de boomen naar
beneden te komen, maar men kon niet zeggen, dat de larven ingesloten
waren. Ze waren binnen en buiten de opsluitende ringen. Ze waren
overal. Ze kropen over den weg, op de tuinheggen, langs de muren. Ze
zwierven over de grenzen van het Friedsbosch naar andere gedeelten
van Kolmarden.
"Ze houden niet op, voor al onze bosschen vernield zijn," zeiden
de menschen. Ze waren in den grootsten angst, en konden niet in het
bosch komen, zonder tranen in de oogen te krijgen.
Karr walgde zoo van al dat kruipend en knagend gedierte, dat hij het
bijna niet over zich verkrijgen kon de deur uit te gaan. Maar op een
dag vond hij, dat hij eens moest gaan hooren, hoe Grauwvel het had. Hij
sloeg den naasten weg in naar zijn velden, en liep haastig voort, met
den neus langs den grond. Toen hij bij den boomwortel kwam, waar hij
het vorige jaar Helpmij had ontmoet, lag die daar weer, en riep hem.
"Heb je met Grauwvel gesproken over wat ik je laatst gezegd heb?" vroeg
de slang.
Karr blafte alleen maar, en probeerde bij hem te komen.
"Doe dat in ieder geval," zei de slang. "Je ziet immers wel, dat de
menschen geen raad weten voor deze verwoesting."
"Ja, jij ook niet," antwoordde Karr, en liep verder.
Karr vond Grauwvel; maar de eland was zóó somber gestemd, dat hij
nauwlijks groette. Hij begon dadelijk over het bosch te praten. "Ik
weet niet, wat ik er niet voor geven zou, als die ellende ophield,"
zei hij.
"Dan zal ik je toch vertellen, dat je het bosch redden kunt," zei Karr,
en bracht nu de boodschap van de slang over.
"Als 't iemand anders dan Helpmij was, die dat beloofde, zou ik
dadelijk in ballingschap gaan," zei de eland. "Maar hoe zou nu een
arme slang zoo'n macht hebben?"
"'t Is natuurlijk maar pocherij," zei Karr. "Slangen doen altijd,
alsof ze meer weten dan andere dieren."
Toen Karr naar huis zou gaan, bracht Grauwvel hem een eind weg. Karr
hoorde toen hoe een lijster, die in een dennetop zat, begon te roepen:
"Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield."
Karr meende, dat hij het niet goed gehoord had, maar een oogenblik
later kwam een haas aanrennen over het pad. Toen de haas hen zag,
bleef hij stil staan, klapte met de ooren, en riep:
"Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield!" Toen rende
hij weg, zoo hard hij kon.
"Wat bedoelen ze daarmeê?" vroeg Karr.
"Dat weet ik niet precies," zei Grauwvel. "Ik denk, dat het kleine
volkje in 't bosch ontevreden over me is, omdat ik den raad gaf de
hulp van de menschen in te roepen. Al hun schuilplaatsen en woningen
zijn verwoest, toen het onderhout werd weggekapt."
Ze liepen nog een poos samen voort, en Karr hoorde dat van alle kanten
werd geroepen: "Daar komt Grauwvel aan, die het bosch heeft vernield."
Grauwvel deed, alsof hij het niet hoorde, maar Karr, meende nu te
begrijpen, waarom hij zoo gedrukt was.
"Zeg, Grauwvel," vroeg Karr snel, "wat meent de slang daarmeê, dat
je iemand zoudt hebben doodgeslagen, van wie hij zooveel hield?"
"Hoe kan ik dat weten?" zei Grauwvel. "Je weet, dat ik nooit iemand
doodsla."
Kort daarna ontmoetten zij de vier oude elanden: Kromrug, Kroonhoorn,
Ruigmaan en Grootsterk. Zij kwamen langzaam en bedachtzaam aanstappen,
achter elkaar.
"Welkom in 't bosch," riep Grauwvel ze tegen.
"Goeden dag," antwoordden de elanden. "We zochten je juist, Grauwvel,
om met je over het bosch te spreken."
"We hebben gehoord," zei Kromrug, "dat er hier een misdaad in 't
bosch is gebeurd, en dat het heele bosch wordt verwoest, omdat die
daad niet gestraft is."
"Wat is dat voor een misdaad?"
"Er is iemand, die een onschadelijk dier heeft gedood, dat hij niet
eten kon. Zooiets wordt hier in 't Friedsbosch voor een misdaad
gehouden."
"Wie is dat, die zooiets schandelijks heeft gedaan?" vroeg Grauwvel.
"Het schijnt, dat het een eland is, en nu wilden we je vragen, of je
weet, wie dat wezen kan."
"Neen," zei Grauwvel, "ik heb nooit over een eland hooren spreken,
die een onschadelijk dier heeft gedood."
Grauwvel nam afscheid van de oude elanden, en ging met Karr verder. Hij
werd al stiller, en liep met gebogen kop. Zij kwamen voorbij Krule,
de adder, die daar in zijn hol lag.
"Daar loopt Grauwvel, die het bosch heeft vernield," siste Krule,
zooals al de anderen. Nu verloor Grauwvel zijn geduld. Hij ging op
de adder toe, en lichtte den voorpoot op.
"Ben je van plan mij dood te slaan, zooals je de oude slang hebt
doodgeslagen?"
"Heb ik een slang doodgeslagen?" vroeg Grauwvel.
"De eerste dag, toen je in 't bosch kwam, sloeg je de vrouw van de
slang, Helpmij, dood," zei Krule.
Grauwvel ging snel van Krule weg, en bleef met Karr doorloopen. Opeens
stond hij stil:
"Karr, ik heb de misdaad begaan. Ik heb een onschadelijk dier
doodgeslagen. Om mij wordt het bosch verwoest."
"Wat zeg je toch?" viel Karr hem in de rede.
"Zeg jij maar aan de slang Helpmij, dat Grauwvel van nacht in
ballingschap gaat."
"Dat zeg ik nooit," zei Karr. "'t Is een gevaarlijk land voor elanden,
daar in 't noorden."
"Meen je, dat ik hier blijven wil, nu ik zoo'n ongeluk heb
aangericht?" vroeg Grauwvel.
"Ga nu niet overhaast te werk; wacht nu tot morgen, vóór je iets doet."
"Jij hebt me geleerd, dat de elanden één zijn met het bosch," zei
Grauwvel, en met die woorden ging hij van Karr weg.
Karr ging naar huis, maar dit gesprek had hem onrustig gemaakt, en
al den volgenden dag ging hij opnieuw het bosch in, om den eland te
ontmoeten. Toen was Grauwvel nergens te vinden, en de hond zocht ook
niet lang naar hem. Hij begreep, dat Grauwvel de slang aan zijn woord
had gehouden, en in ballingschap was gegaan.
Op den terugweg was Karr onbeschrijfelijk somber. Hij kon niet
begrijpen, dat Grauwvel zich door dien stumper van een slang liet
wegpraten. Hij had nooit van zoo'n dwaasheid gehoord. Wat kon die
Helpmij nu voor macht hebben?
Toen Karr, in die gedachten verdiept, voortging, zag hij den
boschwachter, die naar boven stond te wijzen bij een boom.
"Waar kijk je naar?" vroeg een man, die naast hem stond.
"Er is een ziekte onder de larven uitgebroken," zei de boschwachter.
Karr was ongelooflijk verbaasd, maar hij ergerde zich er bijna nog
meer over, dat de slang de macht had gehad zijn woord te houden. Nu
zou Grauwvel wel een oneindig langen tijd moeten wegblijven, want
die slang zou wel nooit sterven.
Maar juist toen Karr het bedroefdste was, viel hem een gedachte in,
die hem een beetje troostte.
"De slang hoeft waarschijnlijk zoo oud niet te worden," dacht hij. "Hij
zal wel niet altijd veilig onder een boomwortel liggen. Als hij maar
eerst de larven heeft weggemaakt, weet ik wel, wie hem doodbijten zal."
Werkelijk was er een ziekte onder de larven uitgebroken, maar den
eersten zomer was die niet erg verbreid. Nauwlijks was die uitgebroken,
of de larven hadden zich verpopt. Uit de poppen kwamen millioenen
vlinders. Zij vlogen 's nachts rond als een sneeuwstorm tusschen de
boomen, en legden een ontelbaar aantal eieren. Het volgend jaar kon
men nog grooter verwoesting verwachten.
De verwoesting kwam, maar niet alleen over het bosch, maar ook over de
larven zelf. De ziekte verspreidde zich snel van 't eene bosch naar
het andere. De zieke larven aten niet meer, kropen naar den top van
den boom, en stierven daar. De vreugde onder de menschen was groot,
toen zij hen zagen sterven, maar nog grooter onder de boschdieren.
Karr, de hond, liep dagelijks rond met een boosaardige vreugde in
zijn hart, en dacht aan het oogenblik, dat hij Helpmij zou doodbijten.
Maar de larven hadden zich mijlenver over de dennenbosschen verspreid,
en ook dezen zomer bereikte de ziekte hen allen nog niet. Velen bleven
leven, tot ze poppen en vlinders werden.
Met de vogels kreeg Karr groeten van Grauwvel, en de boodschap,
dat hij leefde, en het goed had. Maar de vogels vertelden Karr in
vertrouwen, dat Grauwvel al verscheiden malen door wilddieven vervolgd
was geworden, en dat hij maar met de grootste moeite was ontkomen.
Karr leefde in zorgen, verlangen en verdriet. En nog moest hij twee
zomers wachten. Toen eerst waren alle larven weg.
Nauwlijks hoorde Karr den boschwachter zeggen, dat het bosch buiten
gevaar was, of hij ging op jacht om Helpmij te zoeken. Maar toen hij
in het kreupelhout kwam, ontdekte hij iets verschrikkelijks. Hij kon
niet meer jagen, niet springen, zijn vijand niet meer opsporen, hij
kon zelfs niet meer zien. Onder het lange wachten was de ouderdom
over Karr gekomen. Hij was oud geworden, zonder dat hij het had
gemerkt. Hij kon niet eens meer een slang doodbijten. Hij was niet
in staat zijn vriend Grauwvel van zijn vijand te bevrijden.