DE NONNEN.

Verscheidene jaren later lag Karr op een morgen te slapen op de

stoep. 't Was in den voorzomer, in den tijd van de korte nachten,

en 't was helder dag, hoewel de zon nog niet op was. Toen werd Karr

wakker, doordat iemand hem bij zijn naam riep.

"Ben jij het, Grauwvel?" vroeg Karr, want hij was gewoon, dat de eland

hem bijna iederen nacht even kwam bezoeken. Hij kreeg geen antwoord,

maar hij hoorde weer, dat iemand hem bij zijn naam riep. Hij meende

de stem van Grauwvel te herkennen, en liep, zoo gauw hij kon, op het

geluid af.

Karr hoorde, dat de eland voor hem uit sprong, maar hij kon hem niet

inhalen. Hij rende het dennenbosch in, waar het 't dichtste was,

zonder zich aan pad of weg te storen. Karr had alle moeite om het

spoor niet te verliezen.

"Karr, Karr," hoorde hij roepen, en 't was de stem van Grauwvel,

maar met een klank, dien de hond er nooit in had gehoord.

"Ik kom, ik kom! Waar ben je?" antwoordde de hond.

"Karr, Karr, zie je niet, hoe alles valt, alles valt?" vroeg Grauwvel.

Karr zag toen, dat er onophoudelijk dennenaalden vielen, als een

lichte regen.

"Ja, dat zie ik!" riep hij, maar liep tegelijk het bosch in om den

eland te zoeken.

Grauwvel liep snel voor hem uit, dwars door het kreupelhout, en Karr

was opnieuw bijna het spoor bijster.

"Karr, Karr!" schreeuwde Grauwvel, met angstig geloei, "merk je niet,

hoe het ruikt in 't bosch?" Karr bleef staan en snoof. Hij had er eerst

niet opgelet, maar nu merkte hij, dat de dennen een veel sterker geur

verspreidden, dan ze anders deden.

"Ja, ik merk, hoe het ruikt," zei hij, maar gaf zich niet den tijd

om na te gaan, hoe het kwam; hij liep door, Grauwvel achterna.

De eland sprong weer voort met zulk een vaart, dat de hond hem niet

kon inhalen. "Karr, Karr!" riep hij een poos later, "hoor je niet

hoe het knapt in de takken." Nu klonk de stem zóó droevig, dat die

steenen zou kunnen vermurwen. Karr bleef staan om te luisteren,

en hoorde een zwak, maar duidelijk knappen boven in de boomen. Het

klonk als het tikken van een horloge.

"Ja, ik hoor het knappen," riep Karr, en ging nu niet verder. Hij

begreep, dat de eland niet wilde, dat hij hem zou volgen, maar dat

hij zou letten op iets, dat in het bosch gebeurde.

Karr stond onder een den met zware, slepende takken en grove,

donkergroene naalden. Hij bekeek den boom nauwkeurig, en vond, dat het

was, alsof de naalden zich bewogen. Toen hij nog dichter bij kwam,

ontdekte hij een menigte grauwwitte larven, die zich voortwerkten

langs de boomtakken, en van de naalden aten. Er waren een massa op

elken tak, zij knaagden en aten. Het knapte voortdurend in den boom;

dat waren al die werkende kaken. Afgebeten naalden vielen aanhoudend

op den grond, en uit de arme takken stroomde een geur, zóó sterk,

dat de hond er last van had.

"Die den daar zal niet veel naalden behouden," dacht hij, en keerde

zich naar den volgenden boom. Dat was ook een groote, statige den,

maar die zag er ook zoo uit. "Wat kan dat wezen?" dacht Karr. "Dat

is toch zonde van die mooie boomen. Die zullen gauw al hun schoonheid

hebben verloren."

Hij ging van den eenen boom naar den anderen, en probeerde er achter

te komen, hoe 't met hen was. "Dat daar is een spar, die hebben ze

misschien niet aangedurfd," dacht hij. Maar ze hadden ook de spar

aangetast. "En daar een berk. Ja, daar ook, daar ook. Dat zal den

boschwachter wel niet aanstaan," dacht Karr.

Hij sprong het kreupelhout verder in, om te weten te komen, hoe ver de

verwoesting al gegaan was. Waar hij kwam, hoorde hij hetzelfde tikken,

rook dezelfde lucht, en overal viel dezelfde naaldenregen. Hij hoefde

niet meer stil te staan, om te zien. De kleine larven waren overal. 't

Heele bosch zou al gauw door hen zijn kaalgegeten.

Plotseling kwam hij op een plek, waar geen geur te merken, en alles

doodstil was.

"Hier is hun rijk uit," dacht de hond, bleef staan, en keek rond.

Maar hier was het nog erger; hier hadden de larven hun werk al

voltooid, en de boomen stonden zonder naalden. Ze waren als dood, en

het eenige, wat er nog aan hen te zien was, was een massa verwarde

draden, die de larven hadden gesponnen, om als bruggen en wegen

te gebruiken.

Hier, tusschen de stervende boomen, stond Grauwvel op Karr te

wachten. Hij was niet alleen; bij hem stonden vier oude elanden,

de aanzienlijkste in 't bosch. Karr kende hen. 't Waren Kromrug, een

kleine eland, maar die grooter bult had dan eenig ander, Kroonhoorn,

de statigste van het elandenvolk, Ruigmaan, met zijn dikken pels, en

een oude eland met hooge pooten, die Grootsterk heette, en vreeselijk

driftig en strijdlustig geweest was, tot hij bij de laatste jacht in

den herfst een kogel in de dij gekregen had.

"Wat in de wereld gebeurt er toch met het bosch?" vroeg Karr, toen hij

bij de elanden kwam, die met hangende koppen en ver vooruitstekende

bovenlip stonden te wachten, en er nadenkend uitzagen.

"Dat kan niemand zeggen," antwoordde Grauwvel. "Dit insectenvolk

hier is het meest machtelooze in 't heele bosch geweest, en heeft

vroeger nooit eenige schade gedaan, maar in de laatste jaren is het

snel aangegroeid in aantal, en nu lijkt het wel, alsof ze het heele

bosch zullen vernielen."

"Ja, het ziet er leelijk uit," zei Karr, "maar ik merk, dat de wijzen

uit het bosch hier bijeen zijn, om te beraadslagen, en zij hebben er

misschien iets op gevonden."

Toen de hond dat zei, hief Kromrug plechtig zijn zwaren kop op,

klapte met de lange ooren, en zei: "We hebben je hier geroepen, Karr,

om te hooren, of de menschen iets weten van deze verwoesting."

"Neen," zei Karr, "zoover in 't bosch komt immers geen mensch,

wanneer de jacht niet geopend is. Zij weten niets van dit ongeluk."

"Wij, die in 't bosch oud geworden zijn," zei toen Kroonhoorn,

"gelooven niet, dat wij, dieren, ons alleen tegen dit insectenvolk

kunnen verweren."

"Wij vinden het eene bijna een even groot ongeluk als het andere,"

zei Ruigmaan. "Met de rust in het bosch is het in ieder geval uit."

"Maar we kunnen het heele bosch niet laten bederven," zei

Grootsterk. "We hebben geen keus."

Karr begreep, dat het de elanden zwaar viel, voor den dag te komen

met wat ze wilden zeggen, en hij probeerde hen te helpen.

"Is 't misschien de bedoeling, dat ik de menschen zal laten weten,

hoe het hier gaat?"

Toen begonnen alle vier de ouden met den kop te knikken.

"'t Is een groot ongeluk, hulp van de menschen te moeten vragen,

maar we weten geen anderen raad."

Kort daarna was Karr op weg naar huis. Terwijl hij haastig voortliep,

diep bekommerd over alles, wat hij gezien en gehoord had, kwam hem

een groote, zwarte slang te gemoet.

"Welkom in 't bosch," siste de slang.

"Goedendag," blafte Karr, en liep voorbij zonder stil te staan. Maar

de slang keerde om, en probeerde hem in te halen.

"Misschien is hij ook ongerust over 't bosch," dacht Karr, en bleef

staan. De slang begon dadelijk over de groote verwoesting te spreken.

"Als de menschen hier komen, is 't uit met onze rust en vrede,"

zei hij.

"Daar ben ik ook bang voor," zei Karr, "maar de oude elanden in

't bosch weten wel, wat ze doen."

"Ik geloof wel, dat ik een beter raad weet," zei de slang, "als ik

maar het loon kreeg, dat ik verlang."

"Ben jij 't soms, die ze Helpmij noemen?" vroeg de hond verachtelijk.

"Ik ben al een oude boschbewoner," zei de slang. "Ik weet, hoe je

dat ongedierte wegkrijgen kunt."

"Als je 't maar wegkrijgen kunt," zei Karr, "denk ik wel, dat niemand

je weigeren zal, wat je ook begeert."

Toen Karr dat zei, glipte de slang onder een boomwortel, en zette

het gesprek niet voort, voor hij veilig in een nauw gat lag.

"Groet dan Grauwvel van mij," zei hij, "en zeg hem, dat, als hij van

het Friedsbosch weg wil trekken, en niet ophouden, voor hij zoo ver

naar het noorden gekomen is, dat er geen eik meer in 't bosch groeit,

en hier niet terugkomen, vóór de slang Helpmij dood is, ik ziekte en

dood zal zenden over al die larven, die langs de takken kruipen en

er van eten."

"Wat zeg je daar?" vroeg Karr, en de haren op zijn rug begonnen op

te staan. "Wat heeft Grauwvel je voor kwaad gedaan?"

"Hij heeft haar doodgeslagen, die me het liefste was," zei de

slang. "En ik wil me op hem wreken."

Eer de slang nog had uitgesproken, deed Karr een aanval op hem,

maar hij lag veilig onder den boomwortel.

"Lig daar zoolang je wilt," zei Karr eindelijk. "Wij zullen die

denneneters zonder jou wel wegkrijgen."

Den volgenden dag gingen de ijzerfabrikant en de boschwachter langs

het boschpad. Karr liep eerst naast hen, maar na een poosje verdween

hij, en kort daarna klonk een luid blaffen uit het bosch.

"Dat is Karr, die weer aan 't jagen is," zei de ijzerfabrikant. De

boschwachter wilde het niet gelooven.

"Karr heeft al jaren lang geen ongeoorloofde jacht gehouden," zei

hij. Hij liep het bosch in om te zien, wat voor een hond daar blafte,

en de ijzerfabrikant volgde hem.

Zij volgden het blaffen, tot waar het bosch het dichtste was. Maar

toen ze daar gekomen waren, hield het op. Zij bleven staan om te

luisteren, en daar, in de stilte, hoorden zij de kaken van de larven

werken, zagen ze, hoe de naalden naar beneden vielen als regen, en

roken ze den sterken geur. Daar merkten ze ook, hoe alle boomen waren

aangetast door de larven van de nonvlinders, de kleine boomvijanden,

die mijlen in het rond de boomen kunnen vernielen.

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 77 / 140 题