DE WRAAK.

Op een middag streek Akka van Kebnekaise en haar troep neer aan den

oever van een boschmeer. Ze waren nog in Kolmarden, maar ze hadden

Oost-Göthland verlaten, en bevonden zich nu in Jonakker in Sörmland. De

lente was uitgebleven, zooals vaak gebeurt in bergstreken, en het ijs

dekte 't geheele meer, op een strook open water langs de kust na. De

ganzen vlogen dadelijk in het water, om te baden en naar voedsel

te zoeken, maar Niels Holgersson had dien morgen zijn eene klomp

verloren, en hij liep tusschen de elzen en berken door, die aan den

oever groeiden, naar iets te zoeken, dat hij om den voet kon binden.

De jongen moest tamelijk ver loopen, eer hij iets bruikbaars vond,

en hij keek onrustig rond, want hij hield niet van 't bosch. "Neen,

dan heb ik de vlakte en de zee liever," dacht hij. "Daar kun je zien,

waar je op afgaat. Als 't nog een beukenbosch was, kon 't er nog door,

want daar is de grond bijna kaal, maar die berken- en dennenbosschen,

die zoo woest en ongebaand zijn--ik begrijp niet, hoe de menschen

het er in uithouden. Als ik hier de baas was, liet ik alles weghakken."

Eindelijk kreeg hij een stuk berkebast in 't oog, en stond dat juist

om zijn voet te passen, toen hij een geritsel achter zich hoorde. Hij

keerde zich om, en zag, dat een slang door de takken recht op hem

aan kwam schieten. Hij was buitengewoon lang en dik, maar de jongen

zag dadelijk, dat hij een witte vlek op iedere wang had, en bleef

rustig staan. "Dat is maar een slang," dacht hij. "Die kan mij toch

niets doen."

Maar 't volgend oogenblik kreeg hij van de slang zoo'n sterken stoot

voor de borst, dat hij omviel. De jongen kwam gauw weer op de been,

en sprong weg, maar de slang vervolgde hem. De grond was vol takken

en steenen; de jongen kwam niet heel gauw voort, en de slang was hem

dicht op de hielen.

Op eens zag de jongen voor zich uit een grooten steen met steile

kanten, en hij klauterde er op.

"Hier zal de slang toch wel niet bij me kunnen komen," dacht hij,

maar toen hij goed en wel boven gekomen was, en omkeek, zag hij,

dat de slang probeerde achter hem aan te komen.

Dicht bij den jongen, op den top van het blok, lag een andere steen,

bijna zoo rond en groot als het hoofd van een man. Die lag heelemaal

los op een smallen kant. 't Was onbegrijpelijk, hoe die daar zoo kon

blijven liggen. Toen de slang dichterbij kwam, sprong de jongen achter

dien ronden steen, en gaf hem een stoot. Hij rolde naar beneden,

vlak op de slang, trok hem meê naar den grond, en bleef op den

slangenkop liggen.

"Die heeft zijn werk netjes gedaan," dacht de jongen, en haalde

diep adem, toen hij zag, hoe de slang na een paar heftige rukken,

stil bleef liggen.

"Ik geloof niet, dat ik op deze heele reis ooit in grooter gevaar

ben geweest."

Hij had nog maar pas tijd gehad, om tot zichzelf te komen, toen hij

een geruisch boven zich hoorde, en een vogel op den grond, vlak naast

de slang, zag neerstijken. Die was gebouwd als een kraai, en ook zoo

groot, maar hij had een mooi gewaad van zwarte veeren aan, met een

metaalachtigen glans er over. De jongen kroop voorzichtig weg in een

spleet in den steen. Hij herinnerde zich nog levendig dat avontuur,

toen de kraaien hem hadden weggeroofd, en wilde zich niet zonder

noodzaak vertoonen.

De zwarte vogel liep met groote stappen heen en weer langs het lichaam

van de slang, en keerde dat met den snavel om. Eindelijk klapte hij

met de vleugels, en riep met een stem zóó schel, dat ze pijn deed

in de ooren: "Dat is vast en zeker Helpmij, de slang, die hier dood

ligt!" Hij liep nog eens langs hem, en toen bleef hij staan in diepe

gedachten verzonken, en krabde zich met den voet in den nek.

"'t Is onmogelijk, dat er twee zulke groote slangen hier in 't bosch

kunnen zijn," zei hij. "Hij is het zeker!"

Hij was juist van plan den snavel in de slang te steken, maar op eens

hield hij zich in. "Je moet geen ezel zijn, Bataki," zei hij. "Je

kunt er toch niet aan denken de slang op te eten, voor je Karr hier

geroepen hebt. Hij zou niet durven gelooven, dat Helpmij dood is,

als hij hem niet zelf ziet."

De jongen probeerde zich stil te houden, maar de vogel was zoo

vermakelijk plechtig, zooals hij daar in zichzelf liep te praten,

dat hij het lachen niet laten kon.

De vogel hoorde hem, en met één vleugelslag was hij boven op den

steen. De jongen stond gauw op, en kwam hem tegemoet. "Ben jij niet

Bataki, de raaf, een goede vriend van Akka van Kebnekaise?" vroeg

de jongen.

De vogel keek hem aandachtig aan, en knikte toen drie keer met den kop.

"Jij bent toch niet de jongen, die met de wilde ganzen rondvliegt,

en dien ze Duimelot noemen?"

"Ja, dat heb je niet zoo heelemaal mis," zei de jongen.

"Dat is heerlijk, dat ik jou ontmoette. Kun je misschien zeggen,

wie die slang heeft dood geslagen?"

"Dat deed de steen, die ik naar beneden op zijn kop liet rollen,"

antwoordde de jongen, en vertelde, hoe alles was gegaan.

"Dat was flink voor zoo'n kleintje als jij," zei de raaf.

"Ik heb hier een vriend in de buurt, die blij zal zijn, dat de slang

dood is, en ik wou, dat ik ook eens wat voor jou kon doen."

"Vertel me dan, waarom je zoo blij bent, dat die slang dood is,"

zei de jongen.

"Och," antwoordde de raaf, "dat is een lang verhaal. Je hebt toch

geen geduld daarnaar te luisteren."

Maar de jongen beweerde, dat hij dat wel had, en nu vertelde de raaf

de heele geschiedenis van Karr en Grauwvel en de slang Helpmij. Toen

hij klaar was, zat de jongen een poos stil voor zich uit te kijken.

"Ik dank je wel," zei hij. "'t Is alsof ik het bosch beter begrijp,

nu ik dat gehoord heb. Ik zou wel eens willen weten, of er nu nog

iets van het groote Friedsbosch over is."

"'t Meeste is al verwoest," zei Bataki. "De boomen zien er uit,

alsof ze in brand hebben gestaan. Ze moeten geveld worden, en het

duurt veel jaren, eer het bosch wordt, wat het geweest is."

"Die slang daar heeft zijn dood verdiend," zei de jongen. "Maar hoe

wist hij zoo zeker, dat hij de larven ziek kon maken?"

"Misschien wist hij, dat ze op die manier gewoonlijk ziek worden,"

zei Bataki.

"Ja, dat kan wel wezen, maar ik moet zeggen, dat hij toch in ieder

geval een heel verstandig dier was."

De jongen zweeg. De raaf hoorde niet naar hem, maar zat met den kop

afgewend te luisteren naar iets anders.

"Hoor," zei hij. "Karr is hier in de buurt. Nu zal hij blij zijn,

als hij hoort, dat Helpmij dood is."

De jongen keek naar den kant, waarvan het geluid kwam.

"Hij spreekt met de wilde ganzen," zei hij. "Ja, hij heeft zich

zeker voortgesleept naar den oever van het meer, om wat van Grauwvel

te hooren."

De raaf en de jongen sprongen beiden van den steen, en liepen snel

naar het meer. Al de ganzen waren uit het water gekomen, en stonden

te praten met een ouden hond, die zoo gebrekkig en zwak was, dat men

den indruk kreeg, dat hij ieder oogenblik dood neer kon vallen.

"Daar heb je Karr," zei Bataki tegen den jongen.

"Laat hem nu maar eerst hooren, wat de wilde ganzen hem hebben te

vertellen! Daarna zullen wij hem zeggen, dat de slang dood is."

Ze hoorden Akka tegen Karr spreken:

"'t Gebeurde verleden jaar, toen we onze voorjaarsreis deden," zei

de gans. "We waren uitgevlogen: Yksi, Kaksi en ik, in den morgen, van

Siljan in Dalecarlië, en we kwamen over de groote grenswouden tusschen

Dalecarlië en Helsingland. We zagen niet anders onder ons, dan het

zwart-groene naaldbosch. De sneeuw lag nog hoog tusschen de boomen,

de rivieren waren bevroren; hier en daar zagen we een zwart wak,

en aan de oevers van de rivieren was de sneeuw gedeeltelijk weg. We

zagen bijna geen steden of hoeven, enkel grauwe herdershutten, die

's winters leeg stonden. Hier en daar liepen smalle, kronkelende

boschpaden, waar de menschen in den afgeloopen winter hout langs

hadden gereden. Beneden bij de rivieren lag het hout opgestapeld.

Terwijl we daar vlogen, zagen we drie jagers, die beneden in het bosch

wandelden. Ze liepen op sneeuwschoenen, ze hadden honden aan touwen,

messen in den gordel, maar geen geweren. Er was een hard bevroren

korst op de sneeuw, en zij keken niet naar de kronkelende boschpaden,

maar liepen rechtuit.

Het scheen, dat ze wel wisten, waar ze heen moesten, om te vinden,

wat ze zochten.

Wij, wilde ganzen, vlogen daar boven in de hoogte, en konden 't heele

bosch overzien. Toen we de jagers gezien hadden, wilden we ook graag

het wild zien. We begonnen heen en weer te vliegen, en tusschen de

takken te kijken. We zagen toen in een dicht kreupelhout iets, dat

op groote, met mos begroeide steenen leek. Maar steenen konden het

toch niet zijn, want er lag geen sneeuw op.

We daalden snel naar beneden, en streken midden in 't kreupelhout

neer. Toen bewogen de drie steenblokken zich. 't Waren drie elanden,

die daar in het donkere bosch lagen: een stier en twee koeien.

De elandstier stond op, toen we neerstreken, en kwam op ons af. 't

Was het grootste en mooiste dier, dat we ooit gezien hadden. Maar

toen hij zag, dat het maar een paar armzalige wilde ganzen waren,

die hem hadden wakker gemaakt, ging hij weer liggen.

"Neen, vadertje, ga niet liggen slapen," zei ik toen tegen

hem. "Vlucht, zoo gauw je kunt! Daar zijn jagers in 't bosch, en ze

komen recht op dit elandleger aan."

"Dank je wel, ganzenmoedertje," zei de eland, en het was, alsof hij

weer insliep onder 't praten, "maar je weet wel, dat wij, elanden,

hier veilig zijn in dezen tijd. Ze mogen niet op ons jagen. Die jagers

zijn zeker op de vossenjacht."

"Er waren veel vossensporen in het bosch, maar die volgden de jagers

niet. Geloof me nu, vadertje. Ze weten, dat jelui hier liggen. Ze komen

hier om jelui neer te vellen. Ze hebben geen geweer bij zich, omdat

ze geen schot in 't bosch durven te lossen in dezen tijd van 't jaar."

De elandstier bleef even kalm liggen, maar de koeien werden onrustig,

"'t Is misschien waar, wat de ganzen zeggen," zeiden ze, en begonnen

op te staan.

"Blijven jelui maar stil liggen," zei de stier. "Er komen hier geen

jagers in 't kreupelbosch. Daar kun je zeker van zijn."

Daar was niets aan te doen, en wij vlogen weer op, maar we bleven

heen en weer vliegen over de zelfde plaats, om te zien, hoe het met

de elanden zou gaan.

Nauwlijks waren wij op onze gewone hoogte gekomen, of we zagen,

dat de elandstier uit het kreupelhout kwam. Hij snoof rond in alle

richtingen, en ging toen regelrecht de jagers tegemoet. Terwijl hij

voortliep, trapte hij op dorre takken, zoodat ze knapten met luid

gekraak. Een groot kaal moeras lag in zijn weg. Daar liep hij heen,

en ging midden op het open moeras staan, waar niets hem verborg.

Daar stond de eland tot de jagers te voorschijn kwamen, aan den zoom

van 't bosch. Toen zwenkte hij, en vluchtte naar een anderen kant,

dan van waar hij gekomen was. De jagers lieten de honden los, en

liepen zelf op hun sneeuwschoenen, zoo hard zij konden, achter hem aan.

De eland had den kop achteruit op den rug gelegd, en sprong in de

snelst mogelijke vaart voort. Hij sloeg zooveel sneeuw op, dat die

in een wolk om hem heen stond. Honden en jagers bleven ver achter

hem. Nu en dan bleef hij staan, als om hen op te wachten, en als ze

weer in 't gezicht kwamen, stormde hij opnieuw voort. We begrepen,

dat het zijn bedoeling was, de jagers weg te lokken van de plaats,

waar de koeien lagen. We vonden, dat hij dapper was, omdat hij zelf in

't gevaar ging, om de zijnen rust te geven. Geen van ons zou willen

heengaan, voor we hadden gezien, hoe dit afliep.

De jacht duurde op die manier een paar uur. We verwonderden er ons

over, dat de jagers de moeite namen, den eland te volgen, nu ze niet

met geweren gewapend waren. Ze konden toch niet meenen, dat ze het

tegen zulk een draver als hij konden volhouden.

Maar toen zagen we, dat de eland niet meer zoo hard liep als in 't

begin. Hij zette de pooten voorzichtiger in de sneeuw. En als hij ze

optrok, zagen we bloed in het spoor.

Toen begrepen we, waarom de jagers zoo volhielden. Ze rekenden op de

hulp van de sneeuw. De eland was zwaar, en bij elken stap, dien hij

deed, zonk hij tot op den bodem van de sneeuwlaag. Maar de harde korst

daar boven op schaafde zijn pooten stuk. Die schrapte het haar af,

en maakte gaten in de huid, zoodat hij pijn had, telkens als hij de

pooten neerzette.

De jagers en de honden, die zoo licht waren, dat ze over de ijskorst

konden loopen, vervolgden hem voortdurend. Hij vluchtte en vluchtte

telkens opnieuw, maar meer en meer werd zijn loop onzeker en

struikelend. Hij blies heftig. 't Was niet genoeg, dat hij zooveel

pijn leed. Hij werd ook moe van het waden door de diepe sneeuw.

Eindelijk verloor hij zijn geduld. Hij bleef staan, om de jagers en

honden bij zich te laten komen, en met hen te vechten. Terwijl hij

daar stond te wachten, keek hij op, en toen hij ons zag, terwijl

we boven hem zweefden, riep hij: "Blijf nu hier, wilde ganzen! tot

alles voorbij is! En als je over Kolmarden vliegt, zoek dan Karr,

den hond op, en zeg hem, dat zijn vriend, Grauwvel, een goeden dood

gestorven is!""

Toen Akka zoover gekomen was, stond de oude hond op, en ging twee

stappen naar haar toe. "Grauwvel heeft een goed leven geleid," zei

hij. "Hij kent mij. Hij weet, dat ik een dappere hond ben, en dat ik

blij zou zijn, als ik hoorde, dat hij een goeden dood stierf. Vertel

me nu hoe...."

Hij hief den staart en den kop op, als om een fiere, flinke houding

aan te nemen, maar hij zonk weer neer.

"Karr, Karr!" riep nu een menschenstem uit het bosch. De oude

hond stond haastig op. "Dat is de baas, die me roept," zei hij,

"en ik wil hem niet laten wachten. Ik zag hem zijn geweer laden, en

nu zullen wij beiden voor het laatst het bosch ingaan. Ik dank je,

wilde gans. Nu weet ik alles, wat ik noodig heb te weten, om tevreden

den dood te gemoet te gaan."

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 79 / 140 题