Een paar dagen later was Jarro zooveel beter, dat hij door de kamer kon
vliegen. Hij werd toen door de huismoeder vaak gestreeld, en de kleine
jongen sprong naar buiten, en plukte voor hem de eerste grashalmpjes,
die waren opgekomen. Als de huismoeder hem streelde, dacht Jarro, dat
al was hij nu zoo sterk, dat hij weer naar het Takermeer zou kunnen
vliegen, hij toch liever niet van de menschen zou scheiden. Hij had
er niets tegen zijn heele leven bij hen te blijven.
Maar op een morgen vroeg legde de huismoeder over Jarro een soort
teugel of strik, die hem belette zijn vleugels te gebruiken, en gaf
hem toen aan den jongen, die hem op de hoeve had gevonden. De jongen
nam hem onder den arm, en ging met hem naar het Takermeer.
Het ijs was gesmolten, terwijl Jarro ziek was. Het oude, dorre riet
van 't vorige jaar stond nog aan de kanten en langs de eilandjes,
maar alle waterplanten waren opgekomen in de diepte, en de groene
toppen kwamen al boven aan den waterspiegel. En nu waren bijna alle
trekvogels thuis gekomen. De kromme snavels van de pluvieren kwamen
uit het water. De duikers zwommen rond met nieuwe veeren kragen om
den hals, en de snippen begonnen strootjes te zoeken voor hun nesten.
De jongen ging in een platte boot, legde Jarro op den bodem ervan,
en begon zich te boomen naar het midden van het meer. Jarro, die nu
gewend was niets dan goeds van de menschen te verwachten, zei tegen
Caesar, die ook was meêgegaan, dat hij den jongen heel dankbaar was,
omdat hij hem meêgenomen had naar het meer. Maar de jongen had hem
niet behoeven te boeien. Hij was niet van plan weg te vliegen. Hierop
antwoordde Caesar niets. Hij was niet spraakzaam dien morgen.
Het eenige, wat Jarro een beetje vreemd vond, was, dat de jongen
zijn geweer had meegenomen. Hij kon niet gelooven, dat een van
die goede menschen daar op de boerderij, van plan was op vogels te
schieten. Caesar had hem ook bovendien nog gezegd, dat de menschen
op dezen tijd van het jaar niet op de jacht gingen.
"Het is verboden in dezen tijd," zei hij, "maar dat geldt natuurlijk
niet voor mij."
De jongen voer intusschen naar een van de slik-eilandjes met riet
omringd. Daar ging hij uit de boot, hoopte een stapel oud droog riet
opeen, en ging daarachter liggen. Jarro mocht, met den strik over
de vleugels en met een lang touw aan de boot vastgemaakt, buiten
rond loopen.
Op eens kreeg Jarro een paar van de jonge eenden in het oog, waarmeê
hij vroeger heen en weer had gevlogen over het meer. Ze waren ver weg,
maar Jarro riep ze met een paar luide kreten. Ze beantwoordden die,
en een mooie troep kwam naderbij. Al vóór ze dichtbij hen kwamen,
begon Jarro te vertellen van zijn wonderbare redding en van de goedheid
van de menschen. Op hetzelfde oogenblik vielen twee schoten achter
hem. Drie eenden zonken dood neer in de zee, en Caesar sprong in
't water en haalde ze op.
Toen begreep Jarro alles. De menschen hadden hem gered, om hem als
lokvogel te gebruiken. En dat was ook gelukt. Drie eenden waren
door zijn toedoen geschoten. Hij dacht, dat hij zou sterven van
schaamte. Hij meende, dat zelfs zijn vriend Caesar hem verachtelijk
aanzag, en toen ze thuis kwamen in de kamer, durfde hij niet bij den
hond gaan liggen slapen.
Den volgenden morgen werd Jarro weer naar buiten gebracht op het
meer. Ook nu weer kreeg hij een paar eenden in het oog. Maar toen hij
merkte, dat ze naar hem toe kwamen, riep hij: "Weg! weg! Pas op. Ga
een anderen kant uit. Daar ligt een jager achter dien hoop riet. Ik
ben maar een lokvogel!"
En werkelijk gelukte het hem, hen te beletten onder schot te komen.
Jarro had nauwelijks den tijd een grasje te proeven, zoo druk had hij
het met wacht houden. Hij riep om te waarschuwen, zoodra een vogel in
de buurt kwam. Hij waarschuwde zelfs de duikereenden, hoewel hij een
hekel aan hen had, omdat zij de wilde eenden uit hun beste schuilhoeken
verdrijven. Maar hij wilde niet, dat ook maar één enkele vogel door
hem ongelukkig zou worden. En door zijn waakzaamheid moest de jongen
naar huis gaan, zonder een schot te hebben gelost.
Toch zag Caesar er minder ontevreden uit dan den vorigen dag, en toen
de avond kwam, nam hij Jarro in zijn bek, droeg hem naar den haard,
en liet hem slapen tusschen zijn voorpooten.
Maar Jarro tierde niet meer in de kamer. Hij was diep ongelukkig. Hij
leed onder de gedachte, dat de menschen hem nooit hadden liefgehad. Als
de vrouw of haar kleine jongen bij hem kwam om hem te streelen,
stak hij den snavel onder de vleugels, en deed, alsof hij sliep.
Verscheidene dagen had Jarro zijn treurigen wachtdienst voortgezet,
en hij was al over 't heele Takermeer bekend. Daar gebeurde het op
een morgen, terwijl hij als gewoonlijk riep: "Pas op, vogels! Kom niet
in mijn buurt! Ik ben maar een lokvogel," dat er een duikernest kwam
aandrijven naar 't eilandje, waar hij stond vastgebonden. Dat was nu
niet zooveel bizonders. 't Was een nest van het vorige jaar, en de
duikernesten zijn zoo gebouwd, dat ze op het water kunnen drijven;
dus gebeurt het vaak, dat ze wegdrijven op het meer. Maar Jarro bleef
toch staan, en keek naar het nest. Want het kwam zoo regelrecht op
het eilandje aan, dat het scheen of iemand zijn vaart bestuurde.
Toen het nest dichterbij kwam, zag Jarro, dat een klein menschje,
het kleinste, dat hij nog ooit had gezien, in het nest zat, en het
met een paar stokjes voortroeide. En dat menschje riep hem toe:
"Kom zoo dicht bij 't water, als je kunt, Jarro, en houd je klaar om
weg te vliegen. Je zult spoedig bevrijd worden!"
Een oogenblik later lag het duikernest bij 't land, maar de kleine
roeier kwam er niet uit; hij bleef stil zitten, tusschen takjes en
strootjes verborgen. Jarro zat ook bijna onbewegelijk. Hij was als
verlamd van angst, dat zijn bevrijder ontdekt zou worden.
Kort daarop kwam een vlucht wilde ganzen aanvliegen. Jarro kwam
weer tot zichzelf, en waarschuwde ze, zoo luid roepende, als hij
maar kon. Toch vlogen ze verscheiden malen heen en weer boven zijn
hoofd. Ze bleven zoo hoog in de lucht, dat ze buiten schot waren, maar
de jongen liet zich toch verleiden om op hen te schieten. Nauwelijks
waren die schoten gelost, of het dwergje sprong aan land, trok een
mesje uit de scheede aan zijn zij, en sneed het net, dat Jarro's
vleugels vasthield, met een paar vlugge sneden door. "Vlieg nu weg,
Jarro! eer de knecht op nieuw heeft kunnen laden," riep hij, terwijl
hij weer in 't nest sprong, en van land afzette.
De jager had naar de ganzen gekeken, en niet gemerkt, dat Jarro bevrijd
was, maar Caesar had beter opgelet, en gezien wat er gebeurde. En
juist toen Jarro de vleugels uitsloeg, sprong hij op hem toe, en
greep hem bij den nek.
Jarro schreeuwde erbarmelijk. Maar de dwerg, die hem bevrijd had,
zei met de grootste kalmte tegen Caesar:
"Als jij zoo eerlijk bent, als je er uitziet, kun je toch niet een
goeden vogel willen dwingen, om hier te zitten, en andere in hun
ongeluk te lokken."
Toen Caesar dat hoorde, grijnsde hij akelig met de bovenlip. Maar
een oogenblik later liet hij Jarro los. "Vlieg maar weg, Jarro," zei
hij. "Je bent zeker te goed om een lokvogel te zijn. Daarvoor wou ik je
ook niet houden, maar alleen, omdat ik je zoo zal missen in de kamer."