't Was wezenlijk heel stil in de kamer, toen Jarro weg was. De hond
en de kat vonden den dag lang, nu ze hem niet meer hadden om over
te kibbelen, en de vrouw miste zijn vroolijk gesnater, telkens als
zij de kamer binnen kwam. Maar wie het meest naar Jarro verlangde,
was het kleine jongetje, Peer Ola. Peer Ola was pas drie jaar oud,
en had in zijn heele leven nog niet zoo'n speelkameraad gehad als
Jarro. Toen hij hoorde, dat Jarro weer naar het Takermeer en de
andere eenden was teruggegaan, kon hij daarmeê niet tevreden wezen,
maar dacht er telkens aan, hoe hij hem terugkrijgen zou.
Peer Ola had veel met Jarro gepraat, terwijl die stil in zijn mandje
lag, en hij was er van overtuigd, dat de eend hem begreep. Hij vroeg
Moeder, of zij hem bij het meer wou brengen, dan zou hij Jarro wel
zien en hem overhalen weer terug te komen. Maar Moeder wilde dat
niet. Toch gaf Peer Ola daarom zijn plan niet op.
Den dag nadat Jarro verdwenen was, liep Peer Ola buiten op
de plaats. Hij speelde als gewoonlijk alleen, maar Caesar lag op
de stoep, en toen Moeder den jongen buiten liet, had ze gezegd:
"Let op Peer Ola, Caesar."
Als nu alles was geweest als gewoonlijk, had Caesar ook het bevel
opgevolgd, en de jongen was zoo goed bewaakt geworden, dat hij
niet het minste gevaar had geloopen. Maar Caesar was in die dagen
zichzelf niet. Hij wist, dat de boeren, die om het Takermeer woonden,
weer dachten over het droogmaken van het meer, en dat ze er bijna
toe besloten waren. De eenden moesten weg, en Caesar zou nooit meer
op jacht kunnen gaan. Hij was zóó vervuld met de gedachten aan dit
ongeluk, dat hij er niet aan dacht, dat hij op Peer Ola passen moest.
En de kleine was nauwelijks alleen op de plaats, of hij begreep, dat
nu het rechte oogenblik gekomen was om naar het Takermeer te gaan en
met Jarro te spreken. Hij deed een hek open, en stapte naar het meer,
op het smalle pad, dat over de lage weiden liep. Zoolang men hem van
huis uit kon zien, liep hij langzaam, maar later zoo hard als hij
kon. Hij was zoo bang, dat Moeder of iemand anders hem roepen zou,
zoodat hij er niet heen kon gaan. Hij wou immers geen kwaad doen. Hij
wou alleen Jarro overhalen om terug te komen. Toch voelde hij wel,
dat ze dat thuis niet goed zouden vinden.
Toen Peer Ola aan den oever van 't meer was gekomen, riep hij meer
dan eens om Jarro. Toen stond hij een heele poos te wachten, maar
Jarro verscheen niet, hij zag wel veel vogels, die op hem leken,
maar ze vlogen voorbij zonder naar hem te kijken, en hij begreep dus,
dat zij de rechte niet waren.
Toen Jarro niet bij hem kwam, dacht de kleine jongen, dat hij hem zeker
gemakkelijk zou vinden, als hij maar op 't meer kon komen. Er lagen
veel goede vaartuigen aan den kant, maar zij waren vastgebonden. De
eenige, die daar los en leeg lag, was een oude droge schuit, maar
zoo slecht was ze, dat niemand er aan dacht ze te gebruiken. Maar
Peer Ola kroop er in, zonder er om te geven, dat de heele bodem
onder water lag. Hij kon de riemen niet gebruiken, maar hij begon
met de boot te wiegen en te schommelen. Zeker zou het een volwassen
mensch niet gelukt zijn op die manier een boot vlot te krijgen op
het Takermeer, maar als 't water hoog is, en 't ongeluk het wil,
hebben kleine kinderen er een wonderlijken slag van op 't water te
komen. Al gauw dreef Peer Ola rond op het Takermeer, en riep om Jarro.
Toen de oude boot daar op het meer schommelde, gingen zijn spleten hoe
langer hoe verder open, en het water stroomde naar binnen. Maar Peer
Ola gaf daar niet om. Hij zat op het kleine bankje in den voorsteven,
riep elken vogel, dien hij zag, en was er verbaasd over, dat Jarro
niet kwam.
Eindelijk kreeg Jarro werkelijk Peer Ola in het oog. Hij hoorde,
dat iemand hem bij den naam riep, dien hij onder de menschen had
gehad. En hij begreep, dat de jongen op het Takermeer was gekomen
om hem op te zoeken. Jarro werd in eens onuitsprekelijk blij, omdat
een van de menschen hem werkelijk liefhad. Hij schoot neer bij Peer
Ola als een pijl uit de lucht, ging naast hem zitten, en liet zich
door hem streelen. Zij waren allebei even gelukkig, omdat ze elkander
weer zagen.
Maar op eens merkte Jarro, hoe het met de boot gesteld was. Die was
halfvol water geloopen en op het punt te zinken. Jarro probeerde Peer
Ola te vertellen, dat hij, die niet vliegen of zwemmen kon, moest
zien aan land te komen, maar Peer Ola begreep hem niet. Toen wachtte
Jarro geen oogenblik meer, maar vloog gauw weg om hulp te halen. Hij
kwam een oogenblik later terug met een dwergje op zijn rug, dat veel
kleiner was dan Peer Ola. Als hij niet had kunnen spreken en zich
bewegen, zou de jongen gedacht hebben, dat hij een pop was. En dat
dwergje zei Peer Ola, dat hij dadelijk een lange, dunne stang moest
opnemen, die op den bodem van de boot lag, en probeeren zich daarmee
voort te duwen naar een van de rieteilandjes. Peer Ola gehoorzaamde
onmiddellijk, en het dwergje hielp hem de boot voort te duwen. Al
gauw waren ze bij een van de eilandjes tusschen 't riet, en nu kreeg
Peer Ola 't bevel aan land te stappen. Op 't zelfde oogenblik, dat
hij den voet aan wal zette, liep de boot vol water, en zonk.
Toen de jongen dat zag, voelde hij, dat Vader en Moeder heel boos op
hem zouden wezen. Hij zou zijn begonnen te schreien, als hij niet
dadelijk wat anders had gehad om over te denken. Daar kwam op eens
een troep groote grijze vogels aan; zij streken neer op het eiland,
en het dwergje nam hem meê, en vertelde hem hoe ze heetten, en wat
ze zeiden. En dat was zóó prettig, dat Peer Ola al het andere vergat.
Intusschen hadden de menschen op de boerderij gemerkt, dat Peer
Ola weg was, en zochten hem. Ze zochten in de bijgebouwen, keken in
den put en in den kelder. Toen liepen zij verder op paden en wegen,
naar de boerderijen in de buurt, om te hooren, of hij ook daarheen
verdwaald was, en vonden zijn spoor ook tot bij het Takermeer. Maar
hoe ze ook zochten, ze konden hem niet vinden.
Caesar, de hond, begreep heel goed, dat zijn volk naar Peer Ola zocht,
maar hij deed niets om hen te helpen. Integendeel, hij bleef stil
liggen, alsof hem dat alles niet aanging.
Verder op den dag vond men Peer Ola's voetstappen bij de booten. En
toen merkte men, dat de oude droge boot niet meer op den kant lag,
en men begon te begrijpen, hoe alles was gegaan.
De boer en zijn knechts maakten dadelijk de booten los om den jongen
te zoeken. Ze roeiden over 't meer heen en weer tot den avond, zonder
een glimp van hem te zien. Ze konden niet anders denken, dan dat de
oude boot gezonken was, en dat de kleine jongen dood op den bodem
van het meer lag.
Dien avond zwierf Peer Ola's moeder aan den oever. Alle anderen
waren er van overtuigd, dat het kind verdronken was, maar ze kon het
niet gelooven, en bleef zoeken. Ze zocht tusschen riet en biezen,
en liep heen en weer op den natten grond, zonder er aan te denken,
hoe haar voeten er in wegzonken, en hoe nat ze werd.
Ze was diep wanhopend. Het hart deed haar pijn in de borst. Ze
schreide niet, maar wrong de handen, en riep haar kind met luide,
klagende stem. Om zich heen hoorde zij het roepen van zwanen, eenden
en pluvieren. Ze meende, dat die met haar meê gingen, en ook klaagden
en jammerden.
"Ze hebben zeker verdriet, dat ze zoo jammeren," dacht ze. Maar dan
bedacht ze zich. 't Waren immers maar vogels, die ze hoorde. Die
hadden toch zeker geen zorgen. 't Was vreemd, dat ze niet stil werden
na zonsondergang. Ze hoorde al de ontelbare troepen vogels om het
Takermeer telkens schreeuwen. Verscheidene van hen volgden haar,
waar ze ook heen ging. Andere kwamen snel voorbij vliegen. De heele
lucht was vol klachten en gejammer.
Maar de angst, dien ze zelf voelde, opende haar hart. Ze vond,
dat ze niet zoo ver van alle andere levende wezens af stond, als de
menschen gewoonlijk doen. Ze begreep veel beter dan ooit te voren,
hoe de vogels het hadden. Ze hadden hun dagelijksche zorg voor huis
en kinderen, evenals zij. Er was zeker niet zoo'n groot verschil
tusschen hen en haar, als ze tot nu toe had gemeend.
Zoo kwam zij er toe er aan te denken, dat het zoo goed als uitgemaakt
was, dat al die duizenden zwanen en eenden en zeeduikers hun tehuis
hier bij het Takermeer zouden moeten missen. "Dat wordt toch moeielijk
voor hen," dacht ze. "Waar zullen ze dan hun jongen opvoeden?"
Ze bleef staan, en dacht daarover na. Het leek wel een goed en prettig
werk--een meer in akkers en weiden te veranderen, maar er was toch wel
een ander meer dan het Takermeer, een ander meer, waar niet zooveel
duizenden dieren woonden.
Ze dacht er aan, dat den volgenden dag het besluit van het droogmaken
van het meer genomen moest worden, en ze vroeg zich af, of misschien
daarom haar kleine jongen juist vandaag was heengegaan. Of het
misschien Gods bedoeling was, dat de smart haar hart zou komen openen
voor barmhartigheid, vandaag, eer het te laat was om die wreede daad
weer goed te maken.
Ze ging snel naar de hoeve terug, en begon met haar man over dit
alles te spreken. Ze sprak over het meer en over de vogels, en zei
hem, dat zij geloofde, dat Peer Ola's dood een straf voor hen beiden
was. En ze merkte gauw, dat hij hetzelfde dacht.
Ze bezaten al een groote hoeve, maar als het meer werd drooggemaakt,
zou een groot deel van den bodem van het meer aan hen komen, zoodat
hun bezittingen bijna verdubbeld zouden worden. Daarom waren zij meer
ingenomen met het plan, en hadden er ijveriger voor gewerkt dan een van
de anderen, die grond bij het meer bezaten. Die laatsten waren bezorgd
voor de onkosten geweest, en bang, dat het droogmaken nu niet beter zou
gelukken dan de vorige maal. De vader van Peer Ola wist wel, dat hij
hen had overgehaald om meê te doen. Hij had al zijn overredingsvermogen
gebruikt, om zijn zoon een hoeve na te kunnen laten, die tweemaal
zoo groot was, als die hij van zijn vader had geërfd.
En nu stond hij daar, en vroeg zich af, of hier een bizondere bedoeling
van God in lag, dat het Takermeer hem zijn zoon had afgenomen op
den dag, vóór dien, waarop hij het contract over het droogmaken
zou onderteekenen. Zijn vrouw behoefde niet veel te zeggen, voor
hij antwoordde:
"Het kan zijn, dat God niet wil, dat we Zijn beschikkingen
veranderen. Ik zal morgen met de anderen spreken, en ik denk wel,
dat we zullen besluiten, dat alles zal blijven zooals het is."
Terwijl de man en vrouw samen spraken, lag Caesar voor den haard. Hij
hief het hoofd op, en luisterde heel oplettend. Toen hij meende zeker
van zijn zaak te zijn, ging hij naar de vrouw, pakte haar rok beet,
en trok haar naar de deur.
"Maar Caesar toch!" riep ze, en wilde zich losrukken. Maar toen
barstte ze uit: "Weet je, waar Peer Ola is?"
Caesar blafte vroolijk, en sprong tegen de deur op. Ze deed die open,
en Caesar holde weg naar het Takermeer. De vrouw was er zoo zeker van,
dat hij wist waar Peer Ola was, dat ze hem dadelijk achterna liep. En
nauwelijks waren zij aan den kant van 't meer gekomen, of ze hoorden
het schreien van een kind over 't meer.
Peer Ola had den heerlijksten dag in zijn leven gehad met Duimelot
en de vogels; maar nu begon hij te schreien, omdat hij honger had,
en bang in het donker werd. En hij was blij, dat Vader en Moeder en
Caesar hem kwamen halen.