Ten oosten van het meer Wettern ligt het Takermeer. Daaromheen strekt
zich het groote, vlakke land van Oost-Gothland uit.
't Takermeer is vrij groot, en nog grooter schijnt het vroeger geweest
te zijn. Maar toen vonden de menschen, dat het een al te groot gedeelte
van de vruchtbare vlakte bedekte, en zij probeerden het water uit te
malen, om op den bodem van het meer te kunnen zaaien en oogsten. Het
gelukte hun niet het geheele meer te verleggen, zooals ze eerst wel
gewild hadden: nog altijd bedekt het een groot stuk land. Maar na dit
uitmalen is het meer zoo ondiep geworden, dat bijna nergens meer dan
een meter water staat. De kusten zijn moerassig en modderig geworden,
en overal steken kleine slik-eilandjes boven den waterspiegel uit.
Nu is er iemand, die graag met de voeten in 't water staat, als hij 't
hoofd en 't lichaam maar boven water houden mag en dat is het riet. Dat
kan geen beter groeiplaats vinden, dan de groote, slikkige Takerkust
en de slikeilandjes daarom heen. Dat tiert daar zóó goed, dat het meer
dan manshoog wordt, en zóó dicht, dat het bijna onmogelijk is er met
een boot door te komen. Het vormt een breede ondoordringbare, groene,
omheinde strook om het geheele meer, zoodat het alleen op enkele
plaatsen toegankelijk is, waar menschen het riet hebben weggenomen.
Maar al sluit het riet den weg voor de menschen af, het geeft
daarentegen een schuilplaats aan allerlei andere wezens. Tusschen het
riet zijn veel plasjes en kanalen, met groen, stilstaand water, waar
kroos en de waterkolf tiert, en waar muggenlarven, jonge visschen
en klompen wormen in eindelooze massa's geteeld worden. En aan de
kanten van die plasjes en kanalen zijn er een menigte goed verborgen
plaatsjes, waar de vogels hun eieren kunnen uitbroeden en hun jongen
opvoeden, zonder door vijanden gestoord, of door zorgen voor hun
voedsel gekweld te worden.
Er wonen ook een verbazend aantal vogels in het riet van 't Takermeer,
en nog vele komen er jaarlijks bij, naar mate 't meer bekend wordt,
wat een heerlijk verblijf het is. De eerste, die er zich vestigden,
waren de wilde eenden, en die wonen er nog bij duizenden. Maar ze
bezitten niet meer het heele meer. Ze hebben het moeten deelen met
zwanen, kleine duikers, zwarte waterhoenders, lepeleenden en nog een
heele massa anderen.
Het Takermeer is zeker het grootste en mooiste vogelmeer, dat er in
het heele land te vinden is, en vogels moeten zich gelukkig voelen,
zoolang ze zulk een toevluchtsoord hebben. Maar het is niet zeker,
hoelang ze de heerschappij over de rietvelden en de slikplekken
zullen behouden, want de menschen kunnen niet vergeten, dat het meer
zich uitstrekt over een groot stuk goed en vruchtbaar land, en keer
op keer doen ze elkaar voorstellen om het droog te maken. En als
die voorstellen werden uitgevoerd, zouden al die duizenden vogels
gedwongen zijn uit de buurt te vertrekken.
In den tijd, toen Niels Holgersson rond reisde met de wilde ganzen,
was er bij het Takermeer een wilde gans, die Jarro heette. Hij was
een jonge vogel, en had nog maar één zomer, één herfst en één winter
geleefd. Nu was het zijn eerste lente. Hij was pas uit Noord-Afrika
thuis gekomen, en had het Takermeer zoo tijdig bereikt, dat het ijs
nog op het meer lag.
Op een avond, toen hij en de andere jonge eenden zich vermaakten
met heen en weer te vliegen over het meer, loste een jager een paar
schoten op hen, en Jarro werd in de borst getroffen. Hij meende,
dat hij sterven moest, maar opdat hij, die hem had getroffen, hem
niet in zijn macht zou krijgen, vloog het dier door, zoolang het
kon. Jarro dacht er niet aan een bepaalde richting te nemen, maar
deed enkel zijn best om zoover mogelijk te komen. Toen zijn krachten
hem begaven, zoodat hij niet verder vliegen kon, was hij niet langer
boven het meer. Hij was het land ingevlogen en zonk nu neer aan den
ingang van een van de groote boerderijen, die aan den oever van het
Takermeer liggen.
Kort daarna kwam een jongen over de hoeve. Hij kreeg Jarro in het
oog en raapte hem op. Maar Jarro, die niet anders verlangde dan in
vrede te mogen sterven, verzamelde zijn laatste krachten, en beet
den jongen hard in den vinger, om hem te dwingen hem los te laten.
Het lukte Jarro niet zich te bevrijden, maar die aanval had de goede
uitwerking, dat de jongen merkte, dat de vogel niet dood was. Hij
droeg hem voorzichtig naar de kamer, en liet hem de huismoeder zien,
een jonge vrouw, met een vriendelijk gezicht. Zij nam den jongen
dadelijk Jarro af, streelde hem over den rug, en veegde het bloed af,
dat uit de veeren aan zijn hals sijpelde. Zij bekeek hem nauwkeurig,
en toen zij zag, hoe mooi hij was, met zijn donkergroenen glanzenden
kop, zijn witte ring om den hals, zijn bruinrooden rug, en de blauwe
vlekken op de vleugels, vond ze zeker, dat het jammer zou wezen,
als hij sterven moest. Ze maakte gauw een mandje in orde, waar zij
den vogel in neerlei als in een bedje.
Jarro had al dien tijd gefladderd en geworsteld om los te komen;
maar toen hij begreep, dat de menschen niet van plan waren hem
dood te maken, ging hij met een gevoel van welbehagen in de mand
liggen. Nu eerst merkte hij, hoe uitgeput hij was van akeligheid en
bloedverlies. De huismoeder droeg de mand door de kamer om ze in een
hoekje bij den haard te brengen, maar al eer ze die had neergezet,
had Jarro de oogen dichtgedaan, en was ingeslapen.
Na een poos werd Jarro wakker, door dat iemand hem zacht
aanstootte. Toen hij de oogen opendeed, werd hij zóó verschrikt,
dat hij bijna flauw viel. Nu was hij toch verloren, want daar stond
hij, die gevaarlijker was dan menschen en roofvogels. Dat was niemand
anders dan Caesar zelf, de langharige jachthond, die hem nieuwsgierig
besnuffelde.
Hoe akelig bang was Jarro den vorigen zomer niet geweest, toen hij nog
een klein, geel, donzig jong eendje was, telkens als het geroep door
het rietveld had geklonken, "daar komt Caesar aan! Daar komt Caesar
aan!" Als hij den bruin en wit gevlekten hond had zien aankomen door
het water, met den bek vol tanden, had hij gemeend den dood zelf te
zien. Hij had altijd gehoopt, dat hij nooit het oogenblik zou beleven,
dat hij Caesar van aangezicht tot aangezicht zou zien.
Maar hij moest het ongeluk gehad hebben juist in de boerderij neer
te vallen, waar Caesar woonde, want nu stond hij daar voor hem.
"Wie ben jij?" bromde hij. "Hoe ben je hier in de kamer gekomen? Hoor
jij niet thuis op het rietveld?"
Nauwelijks kon Jarro moed vinden te antwoorden.
"Wees niet boos op mij, Caesar, omdat ik in de kamer ben gekomen,"
zei hij. "Ik kan het niet helpen. Ik ben aangeschoten. De menschen
zelf hebben mij hier in deze mand gelegd."
"O zoo! hebben de menschen zelf je hier neergelegd," zei Caesar. "Dan
is 't zeker hun bedoeling je weer beter te maken. Ik zou denken,
dat ze wijzer deden je op te eten, nu ze je eenmaal hebben. Maar in
elk geval ben je veilig in deze kamer. Je hoeft niet zoo angstig te
kijken. We zijn hier niet op het Takermeer."
Met die woorden ging Caesar liggen slapen voor den vlammenden
haard. Zoodra Jarro begreep, dat dit vreeselijk gevaar voorbij was,
kwam weer die groote vermoeidheid over hem, en hij viel in slaap.
Toen Jarro weer wakker werd, zag hij een schotel met gruttewater voor
zich staan. Hij was nog heel ziek, maar hij had honger en begon te
eten. Toen de huismoeder zag, dat hij zich bewoog, streelde zij hem,
en keek, alsof ze blij was. Daarna sliep Jarro weer in. Verscheidene
dagen deed hij niet anders dan eten en slapen.
Op een morgen voelde Jarro zich zoo wel, dat hij uit de mand kwam,
en door de kamer ging loopen.
Maar hij was nog niet ver gekomen, toen hij omviel, en bleef
liggen. Toen kwam Caesar, deed zijn grooten bek open, en pakte hem
op. Jarro meende natuurlijk, dat de hond hem doodbijten wou, maar
Caesar droeg hem naar de mand terug, zonder hem kwaad te doen. Daardoor
kreeg Jarro zoo'n vertrouwen in Caesar, dat hij op zijn volgenden tocht
door de kamer naar den hond toeging, en naast hem kwam liggen. Na
dien tijd werden Caesar en hij goede vrienden, en Jarro lag elken
dag verscheidene uren te slapen tusschen Caesars pooten.
Nog meer dan van Caesar, hield Jarro van de huismoeder. Voor haar was
hij heelemaal niet bang, maar hij streek met den kop langs haar hand,
als zij hem eten kwam brengen. Als zij uit de kamer ging, zuchtte
hij van verdriet, en als ze weer binnenkwam riep hij haar "welkom"
toe in zijn eigen taal.
Jarro vergat heelemaal, hoe bang hij vroeger was geweest voor menschen
en honden. Hij vond, dat ze vriendelijk en goed waren, en hij had ze
lief. Hij wou, dat hij gezond was, zoodat hij naar het Takermeer had
kunnen vliegen, om aan de wilde eenden te vertellen, dat hun oude
vijanden niet gevaarlijk waren, en dat ze heelemaal niet bang voor
hen hoefden te wezen.
Hij had opgemerkt, dat zoowel de menschen als Caesar kalme oogen
hadden, en het deed hem goed ze aan te zien. De eenige in de kamer,
die hij liever niet in de oogen zag, was Klorina, de kamerkat. Zij
deed hem ook geen kwaad; toch kon hij haar maar niet vertrouwen. Ook
kibbelde ze altijd met hem, omdat hij van de menschen hield.
"Je meent, dat ze je verzorgen, omdat ze van je houden," zei
Klorina. "Wacht maar, tot je vet bent. Dan draaien ze je den nek
om. Ik ken ze wel, die menschen!"
Jarro had een teer, vergevensgezind hart, als alle vogels, en hij werd
bitter bedroefd, toen hij dat hoorde. Hij kon zich niet voorstellen,
dat de huismoeder hem den hals zou willen omdraaien, en hij kon zooiets
ook niet gelooven van haar zoontje, dat uren lang naast zijn mand kon
zitten zingen en babbelen. Hij meende te begrijpen, dat zij hem even
liefhadden als hij hen.
Op een dag, toen Jarro en Caesar op hun gewone plaatsje voor den haard
lagen, begon Klorina, die boven op den haard zat, met de wilde eend
te kibbelen.
"Ik zou wel eens willen weten, Jarro, wat jelui, wilde eenden, 't
volgend jaar zult beginnen, als het Takermeer wordt drooggemaakt,
en in een akker veranderd," zei Klorina.
"Wat zeg je daar, Klorina?" riep Jarro, en sprong op van schrik.
"Ik vergeet altijd, dat jij niet, zooals Caesar en ik, de menschentaal
verstaat," zei de kat. "Anders zou je wel hebben gehoord, dat de
knechts, die gisteren in de kamer waren, er over spraken, dat al het
water uit het Takermeer zou worden gemalen, en dat de bodem bijna
even droog zou worden als de vloer van de kamer. En nu zou ik wel
eens willen weten, waar jelui, wilde eenden, dan heen moeten."
Toen Jarro dat hoorde, werd hij zóó boos, dat hij siste als een slang.
"Je bent even akelig als een zwart waterhoen," zei hij tegen
Klorina. "Je wil me tegen de menschen opstoken. Ik geloof niet, dat
ze zooiets zullen doen. Zij moeten toch wel weten, dat het Takermeer
van de wilde eenden is. Waarom zouden ze zooveel vogels dakloos en
ongelukkig maken? Je hebt dit alles vast maar bedacht om me aan 't
schrikken te maken. Ik wou, dat Gorgo, de arend, je verscheurde! Ik
wou, dat onze huismoeder je snor afknipte!"
Maar Jarro kon Klorina met dien uitval niet tot zwijgen brengen.
"Zoo! Geloof je, dat ik lieg?" zei ze. "Vraag het Caesar dan, hij
was gisteren avond ook in de kamer. Caesar liegt nooit!"
"Caesar!" zei Jarro. "Jij verstaat de menschentaal veel beter dan
Klorina. Zeg nu eens, dat zij 't niet goed gehoord heeft. Stel je nu
eens voor, hoe dat gaan moest, als de menschen het Takermeer gingen
droogmaken en van den bodem van 't meer een akker maken. Dan zou
daar geen watermuur en geen kroos meer zijn voor de groote eenden,
en geen jonge visschen en kikkers en muggelarven voor de jonge. Dan
zouden al die bosjes riet verdwijnen, waar de jonge eenden zich nu
kunnen verstoppen, tot ze kunnen vliegen. Alle eenden zouden moeten
verhuizen en een andere woonplaats zoeken. Maar waar vinden ze ooit
zoo'n schuilplaats als het Takermeer? Caesar, zeg nu eens, of Klorina
het niet mis heeft!"
't Was vreemd om te zien, hoe Caesar zich gedroeg onder dat
gesprek. Hij was al dien tijd klaar wakker geweest, maar toen Jarro
hem aansprak, gaapte hij, lei zijn lange snuit op de voorpooten,
en sliep vast in een oogenblik.
De kat zag op Caesar neer met een sluwen lach.
"Ik geloof, dat Caesar je liever niet antwoorden wil," zei ze tegen
Jarro. "'t Gaat met hem als met alle honden. Ze willen nooit erkennen,
dat de menschen iets verkeerds kunnen doen. Maar je kunt mij op mijn
woord gelooven. Ik zal je zeggen, waarom de menschen juist nu het
Takermeer willen droogmaken. Zoolang jelui, wilde eenden, nog de baas
waren op 't meer, wilden ze dat niet, want van jelui hadden ze nog
wat nut. Maar nu hebben immers ook duikers en zwarte waterhoenders en
andere oneetbare vogels bijna alle plasjes en rietbosjes ingenomen,
en voor hun genoegen, meenen de menschen, hoeven ze het meer niet
te behouden."
Jarro dacht er niet aan Klorina te waarschuwen, maar hij hief den
kop op, en riep Caesar in 't oor:
"Caesar! Jij weet, dat op het Takermeer nog zooveel eenden zijn,
dat ze de lucht vullen als wolken. Zeg nu, dat het niet waar is,
dat de menschen van plan zijn al die eenden dakloos te maken."
Toen stoof Caesar op, en deed een zoo heftigen uitval tegen Klorina,
dat ze op een plankje boven aan den muur sprong.
"Ik zal je leeren je mond te houden, als ik slapen wil," schreeuwde
Caesar. "Ik weet wel, dat er sprake van is, dat het meer nog van
't jaar zal worden drooggemaakt, maar daar is al zoo dikwijls over
gesproken, en er kwam nooit wat van. En die droogmakerij vind ik
heelemaal niet goed. Want hoe zal het dan met de jacht gaan, als
het Takermeer wordt droog gemaakt? En jij bent een stoffel, als je
je daarop verheugt. Waar zullen jij en ik meê spelen, als er geen
vogels meer op het Takermeer zijn?"