De wilde ganzen waren wakker bij 't eerste krieken van den dag, om
te probeeren wat eten te krijgen, eer zij de reis naar Oostgothland
begonnen. Het eilandje in den ganzenplas, waar zij geslapen hadden,
was klein en kaal, maar in het water, overal in het rond, waren
planten, waaraan zij hun genoegen konden eten. Voor den jongen was
het erger. Hij kon niets eetbaars vinden.
Toen hij, hongerig en huiverig door de morgenlucht, naar alle kanten
stond rond te kijken, vielen zijn oogen op een paar eekhoorns, die op
een met boomen begroeide landtong vlak voor het eiland speelden. Hij
wilde weten, of de eekhoorntjes nog iets van hun wintervoorraad over
hadden, en hij vroeg den witten ganzerik hem even naar de landtong
over te brengen, zoodat hij hun om een paar hazelnoten kon vragen.
De groote witte gans zwom vlug met hem over 't water, maar het
ongeluk wilde, dat de eekhoorns zóó'n pleizier hadden met elkaar van
boom tot boom te jagen, dat zij geen lust hadden naar den jongen
te luisteren. Ze trokken zich verder in 't bosch terug. Hij liep
hen hard achterna, en de ganzerik, die aan 't strand bleef liggen,
verloor hem al gauw uit het oog.
De jongen liep met moeite voort door een hoog bosje anemonen, dat hem
bijna tot de kin reikte, toen hij voelde, dat iemand hem van achteren
aangreep, en probeerde hem op te lichten. Hij keek om, en zag, dat
een kraai hem bij zijn hemdkraag vast had. Hij probeerde zich los
te rukken, maar vóór dit hem gelukt was, kwam gauw nog een kraai,
pakte hem bij zijn eene kous, en gooide hem op den grond.
Als Niels Holgersson maar gauw om hulp geroepen had, zou de witte
ganzerik hem stellig hebben kunnen bevrijden, maar de jongen
meende zeker, dat hij zich alleen wel tegenover een paar kraaien
kon redden. Hij schopte en sloeg, maar de kraaien lieten niet los,
en het gelukte hun met hem op te vliegen. Daarbij gingen ze zoo
onvoorzichtig te werk, dat zijn hoofd tegen een tak sloeg. Hij kreeg
een harden slag op de hersens, het werd donker voor zijn oogen,
en hij werd bewusteloos.
Toen hij weer bijkwam, was hij hoog boven in de lucht. Langzaam
werd hij weer helder. In het begin wist hij niet, waar hij was,
en wat hij zag. Als hij naar beneden keek, was 't hem, alsof onder
hem een reuzengroote, wollige mat lag, doorweven met groen en bruin
in groote onregelmatige figuren. Die mat was heel dik en prachtig,
maar hij vond, dat het zonde was, dat ze zoo verwaarloosd was. Zij
was heelemaal kapot; er liepen groote scheuren door, en hier en daar
waren er heele stukken uitgescheurd. En 't wonderlijkste was, dat ze
scheen te liggen op een spiegelvloer, want door de gaten en scheuren
heen scheen helder glimmend glas.
Wat de jongen daarna zag, was, dat de zon opkwam aan den
hemel. Dadelijk begon het spiegelglas onder de gaten en spleten in
de mat te glanzen in rood en goud. Dat stond prachtig, en de jongen
genoot van de mooie kleurschakeeringen, hoewel hij niet recht wist,
wat hij zag. Maar nu daalden de kraaien neer, en op eens merkte
hij, dat de groote mat onder hem de aarde was, bekleed met groene
dennenbosschen en bruin, kaal loofhout, en dat de scheuren en gaten
de blanke plassen en meertjes waren.
Hij herinnerde zich hoe hij, toen hij voor 't eerst hoog in de lucht
geweest was, had gevonden, dat de aarde in Skaane er uit zag als
een geruit stuk goed. Maar dit land, dat op een gescheurde mat leek,
wat zou dat zijn?
Allerlei vragen kwamen in hem op. Waarom zat hij niet op den rug
van den witten ganzerik? Waarom vloog er een zwerm kraaien om hem
heen? En waarom werd hij heen en weer gerukt en geslingerd, zoodat
hij bijna kapot ging.
Op eens werd hem dit alles duidelijk. Hij was weggeroofd door een paar
kraaien. De witte ganzerik lag aan het strand op hem te wachten, en
de wilde ganzen zouden vandaag naar Oost-Gothland op reis gaan. Zelfs
werd hij naar het zuidwesten meêgenomen; dat begreep hij, doordat
hij de zon achter zich had.
"Hoe zal het nu met den witten ganzerik gaan, als ik niet op hem
passen kan?" dacht de jongen, en hij begon de kraaien toe te roepen,
dat ze hem dadelijk naar de ganzen terug moesten brengen. Hij was
heelemaal niet bezorgd over zichzelf. Hij meende, dat ze hem bij
vergissing meênamen.
De kraaien stoorden zich geen zier aan zijn geroep, maar vlogen voort,
zoo hard ze konden. Een poos later sloeg een van hen met de vleugels
op een manier, die beteekent: "Pas op, er is gevaar!" Dadelijk daarna
doken ze neer in een dennenbosch, drongen door de reusachtige takken
heel tot op den grond in het woud, en zetten den jongen neer onder
een grooten tak, waar hij zoo goed verborgen was, dat zelfs geen valk
hem in het oog had kunnen krijgen.
Vijftig kraaien gingen om den jongen heen staan, met de snavels naar
elkaar toe gekeerd, om hem te bewaken.
"Nu kan ik zeker wel gewaarworden, kraaien, waarom jelui me hebt
meêgenomen?" Maar hij had nauwelijks uitgesproken, voor een groote
kraai hem toesnauwde: "Houd je stil! Anders pik ik je de oogen uit!"
't Was duidelijk, dat de kraai meende wat hij zei, en de jongen kon
alleen gehoorzamen. Toen zat hij daar en keek de kraaien aan, en de
kraaien keken hem aan.
Hoe langer hij ze aankeek, hoe minder hij met ze ingenomen werd.
't Was vreeselijk, zoo stoffig en slecht onderhouden hun vleugels
waren, precies alsof ze van geen baden of invetten wisten. Hun
teenen en pooten waren vuil van aangedroogde aarde, en ze hadden
overblijfselen van eten in de mondhoeken. 't Waren andere vogels
dan wilde ganzen, dàt kon hij wel merken. Hij vond, dat ze er wreed,
valsch, uitgeslapen en brutaal uitzagen, als boeven en landloopers.
"'t Is zeker een echte rooverstroep, waar ik tusschen geraakt ben,"
dacht hij.
Op 't zelfde oogenblik hoorde hij den lokroep van de wilde ganzen boven
in de lucht: "Waar ben je? Hier ben ik! Waar ben je? Hier ben ik!"
Hij begreep, dat Akka en de anderen waren uitgegaan om hem te zoeken,
maar eer hij antwoorden kon, snauwde de groote kraai, die de aanvoerder
van de bende scheen, hem in 't oor: "Denk aan je oogen!" En hij kon
niet anders dan zwijgen.
De wilde ganzen wisten zeker niet, dat hij zóó dicht bij hen was,
maar vlogen stellig toevallig over dit bosch. Hij hoorde hun roepen
nog een paar keer; toen stierf het weg.
"Ja, nu moet je jezelf redden, Niels Holgersson," zei hij tot
zichzelf. "Nu moet je toonen, dat je wat geleerd hebt in die weken,
dat je in de wildernis hebt gewoond."
Een poos later maakten de kraaien aanstalten om op te breken, en toen
ze ook nu van plan schenen hem op dezelfde manier meê te nemen, dat de
een hem bij den hemdkraag vasthield en de andere bij een kous, zei de
jongen: "Is er nu niemand onder jelui kraaien, die zoo sterk is, dat
hij mij op den rug kan dragen? Jelui hebt me al zoo slecht behandeld,
dat ik een gevoel heb, alsof ik in stukken gebroken ben. Laat me maar
rijden. Ik zal niet van den kraaienrug springen, dat beloof ik jelui."
"Verbeeld je maar niet, dat we er iets om geven hoe je het hebt,"
zei de aanvoerder; maar nu kwam de grootste kraai, een slordige,
grove, die een witte veer in den vleugel had, naar voren en zei:
"'t Zou toch voor ons allemaal beter zijn, Windsnel, als Duimelot
in zijn geheel overkwam, dan dat hij stuk ging, en daarom wil ik
probeeren hem op mijn rug te dragen."
"Als je dat kunt, Haspel, heb ik er niets tegen," zei Windsnel;
"maar laat hem niet vallen."
Hiermeê was al veel gewonnen, en de jongen voelde zich weer recht in
zijn schik.
"'t Is niet noodig, dat ik den moed verlies, omdat ik door de kraaien
ben meêgenomen," dacht hij. "Met die stakkers zal ik 't wel vinden."
De kraaien vlogen steeds naar het zuidwesten over Smaland. 't Was
een prachtige morgen, zonnig en kalm, en de vogels beneden op de
aarde waren ijverig bezig hun liefdesliederen te zingen. In een hoog,
donker bosch zat de lijster zelf met hangende vleugels en een dikke
keel boven in een dennetop, en sloeg wat hij kon.
"Wat ben je mooi, wat ben je mooi!" zong hij. "Niemand is zoo mooi,
niemand is zoo mooi!" En zoodra hij dat liedje uitgezongen had,
begon hij opnieuw.
Maar toen werd de jongen juist over 't bosch gedragen, en toen hij dat
liedje een paar keer gehoord had, en begreep, dat de lijster geen ander
kende, zette hij de beide handen voor den mond, en riep naar beneden:
"Dat hebben we meer gehoord! Dat hebben we meer gehoord!"
"Wie is dat? wie is dat? wie houdt me voor den gek?" vroeg de lijster,
en probeerde te zien, wie geroepen had.
"Dat is Kraaienroof, die met je liedje spot," antwoordde de jongen. De
kraaienaanvoerder keerde toen den kop om, en zei: "Pas op je oogen,
Duimelot." Maar de jongen dacht: "Neen, daar geef ik niet om. Ik wil
je juist toonen, dat ik niet bang voor je ben."
Steeds verder vlogen ze het land in, en bosschen en meren waren
overal. In een berkenhaag zat een houtduif op een kalen tak, en
voor haar stond de doffer. Hij zette zijn veeren op, boog den hals,
liet zijn lichaam op en neer gaan, zoodat zijn borstveeren langs
den tak ruischten. Soms kirde hij. "Jij, jij, jij bent de mooiste in
't bosch. Niemand is zoo mooi als jij, jij, jij!"
Maar boven in de lucht vloog de jongen voorbij, en toen hij den
doffer hoorde, kon hij zich niet stilhouden. "Geloof hem niet,
geloof hem niet," riep hij. "Wie... wie... wie is dat, die zegt,
dat ik jok?" kirde de doffer, en probeerde te zien, wie daar tegen
hem schreeuwde.
"Dat is de kraaienvangst! die zegt, dat je jokt!" antwoordde de
jongen. Weer keerde Windsnel den kop naar den jongen, en beval hem
te zwijgen. Maar Haspel, die hem droeg, zei: "Laat hem toch praten,
dan denken de vogeltjes, dat wij, kraaien, aardige, grappige vogels
geworden zijn."
"Zij zijn toch zoo dom niet," zei Windsnel, maar hij vond dat idee
toch wel goed, want van toen af liet hij den jongen roepen, zooveel
hij wilde.
Zij vlogen meest over bosschen en boschrijke streken, maar er
waren natuurlijk ook kerken en dorpen en hutjes aan den zoom van
't bosch. Zij zagen een oude, welvarende hoeve. Die lag met het
bosch achter zich en 't meer voor zich, had roode muren en een dak
met gebroken lijnen, geweldige ahornboomen om de plaats, en groote
kruisbesplanten vol lange takken in den tuin. Boven op den windhaan
zat de spreeuw, en zong zoo hard, dat het wijfje, dat in 't nestje
in den pereboom zat te broeden, elken toon kon hooren. "We hebben
vier mooie eitjes," zong de spreeuw. "We hebben vier mooie ronde
eitjes. We hebben 't heele nest vol met prachtige eieren."
Toen de spreeuw dit liedje voor den duizendsten keer zong, vloog de
jongen over de hoeve. Hij zette de handen voor den mond als een pijp,
en riep: "De ekster zal ze opeten, de ekster zal ze opeten!"
"Wie is dat, die me bang wil maken?" vroeg de spreeuw, en sloeg
onrustig met de vleugels.
"Dat is de kraaienvangst, die je bang maakt," zei de jongen. En
dien keer probeerde de kraaienaanvoerder niet den jongen stil te
houden. Integendeel vonden hij en de heele troep het zoo aardig,
dat ze krasten van pleizier.
Hoe verder ze het land invlogen, hoe grooter de meren werden, en hoe
rijker de streek aan eilanden en landtongen werd. En aan het strand
stond de woerd te buigen voor zijn bruidje. "Ik zal je mijn heele leven
trouw blijven, ik zal je mijn heele leven trouw blijven," zei hij.
"Dat duurt maar, tot de zomer voorbij is," riep de jongen in 't
voorbijgaan.
"Wie ben jij?" riep de woerd.
"Ik heet, "door de kraaien gestolen"," schreeuwde de jongen.
Tegen den middag sloegen de kraaien neer op een openbare weide. Ze
liepen rond om eten te zoeken, maar niemand van hen dacht er aan den
jongen wat te geven.
Toen kwam Haspel op den hoofdman toe met een tak van een doornstruik,
waar een paar rozebottels aan zaten.
"Dat is voor jou, Windsnel," zei hij. "Dat is lekker eten, dat goed
voor je is."
Windsnel blies verachtelijk. "Meen je, dat ik dorre, oude rozebottels
eten wil?" zei hij.
"Ik dacht, dat je er blij meê wezen zou," zei Haspel mismoedig,
en gooide den tak met rozebottels weg. Maar die viel vlak voor den
jongen neer, en hij pakte hem gauw, en at ervan, tot hij genoeg had.
Toen de kraaien gegeten hadden, begonnen zij te praten.
"Waar denk je aan, Windsnel? Je bent zoo stil vandaag," zei een van
hen tot den aanvoerder.
"Ik denk er aan, hoe hier in deze streek eens een kip leefde, die
zooveel van haar meesteres hield, en om haar eens echt pleizier te
doen, legde zij een massa eieren, die ze onder den vloer in de schuur
verstopte. En al dien tijd, dat ze zat te broeien, dacht zij er aan,
hoe blij de vrouw met die kuikentjes zou zijn. Haar meesteres was
natuurlijk nieuwsgierig, waar zij al dien tijd bleef. Ze zocht haar,
maar vond ze niet. Kun je raden, Langsnavel, wie haar en de eieren
vond?"
"Ik geloof wel, dat ik het raden kan, Windsnel, maar nu je daarover
spreekt, zal ik iets dergelijks vertellen. Herinner je je die groote
zwarte kat wel, uit de pastorie van Hinneryd? Zij was ontevreden met
haar volk, omdat die haar al haar pasgeboren jongen afnamen en die
verdronken. Maar ééns gelukte het haar ze te verbergen, en dat was,
toen zij ze in een stroobos buiten op het veld had gebracht. Ze was
zoo blij met de jongen, maar ik geloof, dat ik meer pleizier van hen
had, dan zij."
Nu werden ze allemaal zoo opgewonden, dat ze elkaar voortdurend in
de rede vielen:
"Wat is daar nu aan, om eieren en jongen te stelen," zei de een. "Ik
heb eens op een jongen haas gejaagd, die bijna volwassen was. Ik
moest hem van den eenen struik naar den anderen jagen...."
Verder kwam ze niet, want een ander nam het woord: "'t Kan nu wel
prettig zijn om kippen en katten te plagen, maar ik vind het nog
merkwaardiger, dat een kraai een mensch ergeren kan. Ik heb eens een
zilveren lepel gestolen...."
Maar nu achtte de jongen zich toch te goed om naar zulke praatjes
te luisteren.
"Neen, hoor eens, jelui kraaien," zei hij, "ik vind, dat jelui je
schamen moest, om over al jelui leelijke streken te praten. Ik heb drie
weken lang onder de wilde ganzen geleefd, maar ik heb niets anders dan
goeds gehoord en gezien. Jelui moet wel een slechten aanvoerder hebben,
die je laat rooven en moorden op die manier. Jelui moesten een ander
leven beginnen, want ik kan jelui dit wel zeggen, dat de menschen zóó
genoeg van jelui boosheid hebben, dat ze met alle macht probeeren je
uit te roeien. En dan zal het wel gauw met jelui gedaan zijn."
Toen Windsnel en de kraaien dat hoorden, werden ze zóó boos, dat ze
van plan waren op den jongen aan te vliegen om hem te verscheuren. Maar
Haspel kraste en schreeuwde, en ging voor hem staan.
"Neen, neen, neen!" riep hij, en zag er doodverschrikt uit. "Wat
meen je wel, dat Windkara zeggen zal, als jelui Duimelot verscheurt,
vóór hij ons het zilvergeld bezorgd heeft?"
"Wat ben jij bang voor vrouwvolk, Haspel!" zei Windsnel, maar hij
liet hem toch met rust, en ook de anderen deden Duimelot niets.
Kort daarop trokken de kraaien verder. Tot nu toe had de jongen
gedacht, dat Smaland niet zoo'n arm land was, als hij wel gedacht
had. Wel was het met bosch begroeid en vol bergtoppen, maar langs
de beken en meren lagen bebouwde velden, en werkelijk woesten grond
had hij niet gezien. Maar hoe verder zij het land in kwamen, hoe
zeldzamer de steden en hutjes werden. Eindelijk vond hij, dat hij
over een echte woestenij heen vloog, waar hij niet anders zag dan
moerassen, heiden en heuvels, met jeneverbessen begroeid.
De zon was ondergegaan, maar het was nog helder dag, toen de kraaien
de groote heide bereikten. Windsnel zond een kraai vooruit, om te
vertellen, dat het hem goed gegaan was, en toen dat bekend werd, vloog
Windkara met honderd kraaien op van het kraaienveld, om de aankomenden
te gemoet te gaan. Onder het oorverdoovend gekras, dat de kraaien
aanhieven, toen ze elkaar ontmoetten, zei Haspel tegen den jongen:
"Je bent zoo vroolijk en grappig geweest op reis, dat ik veel van je
ben gaan houden. Daarom wil ik je een goeden raad geven. Zoodra we
beneden komen, zullen ze je vragen een werkje te doen, dat je heel
gemakkelijk zal voorkomen. Maar pas op, dat je het niet doet!"
Onmiddellijk daarna zette Haspel Niels Holgersson neer in een
zandkuil. De jongen liet zich op den grond vallen, en bleef liggen,
alsof hij doodaf van vermoeidheid was. Er vlogen zóóveel kraaien om hem
heen, dat de lucht bruiste als door een storm, maar hij keek niet op.
"Duimelot," zei Windsnel, "sta nu op! Je moet ons helpen met iets,
wat je heel gemakkelijk doen kunt."
Maar de jongen bewoog zich niet. Hij deed, alsof hij sliep. Toen nam
Windsnel hem bij den arm, en sleepte hem voort over het zand, tot bij
een aarden pot van een ouderwetsch model, die midden in den kuil stond.
"Sta op, Duimelot," zei hij, "en doe dien pot open."
"Waarom laat je me toch niet slapen?" zei de jongen. "Ik ben te moe
om vanavond nog iets te doen. Wacht tot morgen."
"Doe dien pot open!" zei Windsnel, en schudde hem heen en weer. De
jongen ging toen recht overeind zitten, en bekeek den pot nauwkeurig:
"Hoe kan ik, arm kind! zoo'n pot openkrijgen. Die is immers even
groot als ik zelf."
"Doe hem open!" beval Windsnel nog eens, "anders zal 't je niet
best gaan!"
De jongen stond op, ging wankelend naar den aarden pot, voelde aan
het deksel, en liet de armen weer zinken.
"Ik ben toch anders zoo zwak niet," zei hij. "Als jelui me maar tot
morgen wilt laten slapen, denk ik wel, dat ik het met dat deksel
klaar zal spelen."
Maar Windsnel was ongeduldig; hij vloog vooruit, en pikte den jongen
in het been. Maar zóó wou de jongen zich niet door een kraai laten
behandelen. Hij rukte zich snel los, sprong een paar pas achteruit,
trok zijn mes uit den gordel, en hield dat voor zich uit. "Pas op,
jij!" riep hij Windsnel toe.
Maar die was zoo verbitterd, dat hij het gevaar niet telde. Alsof hij
blind was, stoof hij op den jongen af, en kwam recht op het mes toe,
zoodat het door zijn oog in zijn hersens drong. De jongen trok wel
het mes terug, maar Windsnel sloeg nog even met de vleugels, en zonk
toen dood neer.
"Windsnel is dood! De vreemdeling heeft Windsnel, onzen hoofdman,
vermoord!" riepen de kraaien, die het dichtste bij stonden, en daarop
ontstond een vervaarlijk rumoer.
Sommigen jammerden, anderen riepen om wraak! allen sprongen of
fladderden op Duimelot af, met Haspel aan 't hoofd. Maar die gedroeg
zich, als naar gewoonte, averechts verkeerd. Hij fladderde maar met
uitgespreide vleugels boven den jongen, en verhinderde de anderen
hem met hun snavel te doorboren.
Nu vond de jongen toch, dat hij 't erg voor zich had bedorven. Hij
kon van de kraaien niet weg komen, en er was geen plaats, waar hij
zich zou verbergen. Maar toen dacht hij op eens aan den pot.
Hij rukte hard aan het deksel, en kreeg dat er af. Toen sprong bij
in den pot om zich daarin te verbergen. Maar dat was een slechte
schuilhoek; want die was bijna tot den rand gevuld met zilveren
penningen. De jongen kon er niet diep genoeg inkomen. Daarom boog
hij zich neer, en begon de geldstukken er uit te gooien.
Tot nu toe hadden de kraaien in een dichten zwerm om hem heen gevlogen,
en naar hem gepikt. Maar toen hij de geldstukken uit den pot gooide,
vergaten ze op eens hun wraakzucht, en begonnen 't zilver op te
rapen. De jongen gooide het geld met handenvol weg, en alle kraaien,
zelfs Windkara, vingen het op. En elk, die een muntje te pakken kreeg,
vloog naar zijn nest om dat op te bergen.
Toen de jongen al het geld uit den pot had gegooid, keek hij op. Nog
maar één kraai was er over in den zandkuil. Dat was Haspel met de
witte veer in den vleugel, die hem op den rug had gedragen.
"Je hebt mij een grooter dienst bewezen, dan jezelf kunt begrijpen,
Duimelot," zei de kraai op een heel anderen toon dan vroeger, "en ik
wil je leven redden. Ga op mijn rug zitten, dan zal ik je naar een
schuilplaats brengen, waar je van nacht veilig zult zijn. Morgen zal
ik er voor zorgen, dat je bij de wilde ganzen terugkomt."