In het zuidwesten van Smaland ligt een groote heide, waar enkel
heikruid groeit, behalve op één plekje, waar een lage steenige
bergrug midden over de hei heenloopt. Daar groeien jeneverbessen,
lijsterbessen en enkele groote, mooie berken. In den tijd, toen Niels
Holgersson rondreisde met de wilde ganzen, stond daar ook een hutje,
met een klein stukje ontgonnen grond er om heen, maar de menschen,
die daar eens gewoond hadden, waren om een of andere reden er vandaan
gegaan. 't Hutje stond leeg, en de akker lag daar ongebruikt.
Toen de menschen dat hutje verlieten, hadden zij den sleutel van
den haard dichtgedraaid, de haken op de vensters gezet, en de deur
gesloten. Maar zij hadden er niet aan gedacht, dat een ruit in het
venster kapot was, en enkel met een lap dichtgestopt. Na de regenbuien
van een paar zomers was die lap verrot, en eindelijk was het een
kraai gelukt dien weg te pikken.
Die bergvlakte op de heide was namelijk niet zoo eenzaam, als men wel
zou meenen, maar werd door een groot kraaienvolk bewoond. Het heele
jaar rond woonden de kraaien daar natuurlijk niet. Ze verhuisden
in den winter naar het buitenland; in den herfst gingen ze van den
eenen akker naar den anderen, heel Gothland door, en aten koren;
's zomers verspreidden ze zich over de hoeven in Sunnerbo, en leefden
van eieren, bessen en jonge vogels; maar iedere lente, als ze nesten
moesten bouwen en eieren leggen, kwamen zij naar de heide terug.
De kraai, die den lap uit het venster gepikt had, heette Garm
Witteveer, maar hij werd nooit anders dan Haspel genoemd, omdat
hij altijd dom en onhandig deed, en nergens goed voor was, dan om
uitgelachen te worden. Haspel was grooter en sterker dan een van de
andere kraaien; maar het hielp hem niets, hij was en bleef een mikpunt
van spotternij. Het baatte ook niet, dat hij van goede familie was. Als
alles was gegaan, zooals het behoorde, had hij zelfs aanvoerder van
den heelen troep moeten zijn, omdat die waardigheid sinds onheuglijke
tijden aan den oudste van de Witteveeren was opgedragen; maar lang
vóór Haspel werd geboren, was de heerschappij uit zijn geslacht aan
een ander overgegaan en nu in handen van een wreede en wilde kraai,
die Windsnel heette.
Die verplaatsing van de macht was gekomen, doordat de kraaien op de
kraaienvlakte een ander leven wilden gaan leiden. 't Kan wel zijn,
dat menigeen gelooft, dat alles, wat kraai heet, op dezelfde manier
leeft, maar dat is heelemaal onjuist. Er zijn heele kraaienvolken,
die een rechtschapen leven leiden, d.w.z., die zich voeden met zaad,
wormen, larven en doode dieren, en er zijn andere, die een echt
rooverleven leiden, op jonge hazen en kleine vogeltjes aanvliegen,
en elk vogelnest, dat zij in het oog krijgen, uitplunderen.
De oude Witteveeren waren streng en matig geweest, en zoo lang zij
den troep hadden aangevoerd, hadden zij de kraaien gedwongen zich
zoo te gedragen, dat andere vogels geen kwaad van hen zeggen konden;
maar de kraaien waren talrijk, en er heerschte veel armoede onder
hen. Ze konden het op den duur niet uithouden zoo'n sober leven te
leiden, zij maakten oproer tegen de Witteveeren, en gaven de macht
aan Windsnel, die de ergste nestenplunderaar en roover zou zijn,
die men bedenken kon, als zijn vrouw, Windkara niet nog erger was
geweest. Onder hun bestuur waren de kraaien begonnen zoo te leven,
dat zij nu nog meer dan valken en berguilen werden gevreesd.
Haspel had natuurlijk niets in te brengen in de groep. Allen waren
het er over eens, dat hij in 't geheel niet op zijn voorouders leek,
en dat hij niet deugde om leider te zijn.
Niemand zou over hem gesproken hebben, als hij niet altijddoor nieuwe
domheden had begaan. Enkelen, die heel wijs waren, zeiden nu en dan,
dat het misschien een geluk voor Haspel was, dat hij zoo'n onbeholpen
stakker was, anders zouden Windsnel en Kara hem niet bij den troep
hebben laten blijven, omdat hij tot het oude hoofdmansgeslacht
behoorde.
Nu waren ze heel vriendelijk voor hem, en namen hem graag meê op hun
jachtpartijen. Dan konden allen merken, hoe veel moediger en flinker
zij waren dan hij.
Geen van de kraaien wist, dat het Haspel was, die den lap uit
het venster had geplukt, en als ze het gehoord hadden, zouden ze
zeker ongeloofelijk verbaasd zijn geweest. Zulk een driestheid: een
menschenhuis te naderen, hadden zij niet van hem verwacht. Zelfs
verzweeg hij de zaak zorgvuldig en had daar zijn goede redenen
voor. Windsnel en Kara behandelden hem altijd goed overdag, en
als de anderen er bij waren, maar in een heel donkeren nacht, toen
de kameraden al op hun nachtverblijf in de boomen waren, was hij
door een paar kraaien aangevallen en bijna vermoord. Na dien tijd,
ging hij iederen avond, als het donker geworden was, van zijn gewone
slaapplaats naar de leege kamer.
Het gebeurde nu op een middag, toen de kraaien al hun nesten in orde
hadden gebracht op het kraaienveld, dat zij een merkwaardige vondst
deden. Windsnel, Haspel en een paar anderen waren in een grooten
kuil neergeslagen in den éénen hoek van de heide. Die kuil was niet
anders dan een verzakt dak van grint; maar de kraaien konden zich niet
met zulk een eenvoudige verklaring tevreden stellen, maar vlogen er
telkens weer in, en keerden elk zandkorreltje om, om er achter te
komen, waarom de menschen den kuil gegraven hadden. Juist toen de
kraaien daar liepen, stortte een massa grint van een kant naar beneden.
Ze vlogen er snel op af, en hadden het geluk onder neergevallen
steenen en grastoefjes een vrij grooten aarden pot te vinden, die
met een houten deksel afgesloten was. Ze wilden natuurlijk weten,
of er asch in was, en probeerden een gat in den pot te pikken en het
deksel los te maken, maar geen van beide gelukte hun.
Ze stonden radeloos bij elkaar, en bekeken den pot, toen ze iemand
hoorden zeggen: "Zal ik jelui helpen, kraaien?" Ze keken haastig
op. Aan den kant van den kuil zat een vos, en keek op hen neer. Hij was
een van de mooiste vossen, zoowel wat zijn kleur als figuur betreft,
dien ze ooit gezien hadden. Zijn eenigste fout was, dat hij maar één
oor had.
"Als je lust hebt ons een dienst te bewijzen," zei Windsnel, "zullen we
geen "neen" zeggen." Op 't zelfde oogenblik vlogen hij en de anderen
op uit den kuil. De vos sprong er in, op hun plaats, beet in den pot,
en trok aan het deksel, maar hij kon het ook niet open krijgen.
"Kun jij er achter komen, wat daarin zit?" vroeg Windsnel.
De vos rolde den pot heen en weer, en luisterde opmerkzaam. "Dat kan
niet anders dan zilvergeld zijn," zei hij.
Dat was meer, dan de kraaien verwacht hadden. "Denk je, dat het zilver
kan zijn?" zeiden ze, en de oogen rolden hun bijna uit het hoofd van
begeerigheid, want, hoe vreemd het ook klinken moge--er is niets in
de wereld, waar de kraaien zóó veel van houden, als van zilvergeld.
"Hoor ze eens rammelen!" zei de vos, en rolde den pot nog eens
rond. "Ik kan alleen niet begrijpen, hoe we er bij kunnen komen."
"Neen, dat zal wel onmogelijk zijn," zeiden de kraaien.
De vos stond met zijn kop tegen zijn linkerpoot te wrijven, en dacht
na. Misschien zou hij nu met behulp van de kraaien dien dwerg te
pakken kunnen krijgen, die hem altijd ontsnapte.
"Ik weet wel iemand, die den pot voor jelui zou kunnen openmaken,"
zei de vos.
"Wie dan? Wie dan?" riepen de kraaien, en kwamen zóó in vuur, dat ze
in den kuil vlogen.
"Dat zal ik jelui zeggen, maar je moet eerst beloven mijn voorwaarden
aan te nemen," zei hij.
Toen vertelde de vos van Duimelot, en zei aan de kraaien dat, als
ze hem naar de hei konden brengen, hij den pot wel voor hen zou
openmaken. Maar als loon voor dien raad vroeg hij, dat zij Duimelot
aan hem zouden uitleveren, zoodra hij hun het zilvergeld had bezorgd.
De kraaien hadden geen reden Duimelot te sparen; zij gingen dadelijk
op dit voorstel in.
Dit alles was nu gemakkelijk afgesproken, maar 't was moeilijker uit
te vinden, waar Duimelot en de wilde ganzen waren.
Windsnel vloog zelf weg met vijftig kraaien, en zei, dat hij gauw
terug wezen zou. Maar de eene dag na den anderen ging voorbij, zonder
dat de kraaien op 't kraaienveld een glimp van hen te zien kregen.