Den volgenden morgen, toen de jongen wakker werd, lag hij in een
bed. Toen hij zag, dat hij in een huis was, met vier muren om hem
heen en een zolder boven zijn hoofd, meende hij, dat hij thuis was.
"Zou Moeder niet gauw komen met de koffie?" mompelde hij, nog half
dommelend. Maar toen herinnerde hij zich, dat hij in een verlaten
hutje op het kraaienveld lag, en dat Haspel met de witte veer hem
daar den vorigen avond had heengebracht.
De jongen had pijn in al zijn ledematen na den tocht van den vorigen
dag, en hij vond het heerlijk stil te blijven liggen, terwijl hij op
Haspel wachtte, die beloofd had hem te komen halen.
Er hingen gordijntjes van geruit katoen om het bed, en hij schoof ze
op zij, om de kamer in te kijken.
Hij merkte al gauw, dat hij nooit een gebouwtje als dit had gezien. De
wanden bestonden enkel uit een rij boomstammen; daarboven begon
het dak, dat van binnen niet beschoten was: men zag dadelijk de
nok van het dak. De heele kamer was zoo klein, dat ze eerder voor
zulke kleintjes als hij, dan wel voor echte menschen scheen gebouwd,
maar toch waren de haard en de muur voor den haard zóó ruim genomen,
dat hij zich niet herinnerde die ooit zoo groot te hebben gezien. De
deur was in den gevelmuur naast den haard gemaakt, en was zoo klein,
dat ze wel een luikje leek. In den anderen gevelmuur zag hij een laag
en breed venster met veel kleine ruitjes. In de kamer waren bijna
geen losse meubels. De bank langs den eenen muur en de tafel onder
het venster waren aan den wand vastgebouwd, en ook het groote bed,
waarin hij lag, en de bonte kast aan den muur.
De jongen kon niet laten zich verwonderd af te vragen, van wien dit
hutje wel wezen zou, en waarom het leeg stond. 't Zag er wel uit,
alsof de menschen, die daar hadden gewoond, van plan geweest waren
weer terug te komen. De koffiekan en de breipan stonden nog op den
haard, en er lag wat brandhout in een hoek. De pook en de kolenschop
stonden ook in den hoek; het spinnewiel was op een bank gezet, op de
plank boven het venster lagen werk en vlas, een paar strengen garen,
een vetkaars en een bos zwavelstokken.
Ja, 't zag er hier zeker uit, alsof zij, die de kamer bewoond hadden,
van plan waren geweest terug te komen. Er lagen dekens en lakens in
't bed, en aan den wand zaten nog repen doek, waarop drie mannen
te paard: Kasper, Melchior en Balthasar waren geschilderd. Dezelfde
paarden en ruiters waren er dikwijls afgebeeld. Zij reden om de heele
kamer heen, en zetten hun tocht zelfs langs de dakbalken voort.
Maar aan het dak zag de jongen iets, wat hem in eens op de been
bracht. Dat waren een paar oude sneedjes brood, die daar aan een spil
hingen. Ze zagen er wel oud en duf uit, maar 't was toch brood. Hij
gaf ze een slag met de kolenschop, zoodat er een stuk op den grond
viel. Hij at ervan, en stopte zijn zakken vol. 't Was ongelooflijk
hoe lekker dat brood toch altijd smaakte.
Hij keek nog eens rond in de kamer om te zien, of er niet nog wat
bij was, dat hij gebruiken en meênemen kon.
"Ik mag zeker wel nemen, wat ik noodig heb, als niemand anders erom
geeft," dacht hij. Maar het meeste van al, wat hij daar zag, was te
groot en te zwaar. Het eenige, wat hij meê kon nemen, zou hoogstens
een paar stukjes lucifer kunnen zijn.
Hij klauterde op de tafel, en sprong later, met behulp van de
gordijnen, met een zwaai in de vensterbank. Terwijl hij daar stond
en de lucifers in zijn zak stopte, kwam de kraai met de witte veer
door het venster binnen.
"Ziezoo, hier ben ik nu," zei Haspel, en streek op de tafel neer. "Ik
kon niet eerder komen, omdat wij kraaien een nieuwen aanvoerder hebben
gekozen, als opvolger van Windsnel."
"Wie hebben jelui gekozen?" vroeg de jongen.
"Wij hebben Garm Witteveer gekozen, die vroeger Haspel heette,"
antwoordde hij, en rekte zich uit, zoodat hij er heel majestueus
uitzag.
"Dat was een goede keus," zei de jongen, en feliciteerde hem.
"Ja, je mag me wel feliciteeren," zei Garm, en begon den jongen te
vertellen, hoe akelig hij het vroeger met Windsnel en Kara had gehad.
Midden onder dit verhaal hoorde de jongen buiten een stem, die hij
meende te herkennen.
"Is hij hier?" vroeg Smirre, de vos.
"Ja, hier is hij verstopt," antwoordde een kraaienstem.
"Pas op, Duimelot!" riep Garm. "Windkara staat buiten met dien vos,
die je wil opeten!"
Meer kon hij niet zeggen, want Smirre deed een sprong naar het
venster. Het oude, vermolmde vensterkozijn gaf mêe, en Smirre stond
een oogenblik later op de vensterbank. Garm Witteveer, die geen tijd
had om weg te vliegen, beet hij meteen dood. Toen sprong hij op den
vloer, en keek rond naar den jongen.
Die probeerde zich achter den grooten hoop werk te verstoppen, maar
Smirre had hem al gezien, en kroop in elkaar om een sprong te doen. En
het hutje was zoo klein, dat de vos hem zonder eenige moeite zou kunnen
pakken. Maar op dit oogenblik was hij niet ongewapend. Haastig streek
hij een lucifer aan, stak die in het werk en toen dat in brand vloog,
gooide hij het op den vos. En toen 't vuur hem raakte, werd de vos
door een waanzinnigen schrik aangegrepen. Hij dacht niet meer aan
den jongen, maar vloog half zinneloos van angst de kamer uit.
Maar het scheen, dat de jongen aan 't eene gevaar ontsnapt was, door
een nog grooter over zich te brengen. Van den prop werk, waarmeê hij
Smirre had gegooid, had de vlam de bedgordijnen bereikt. Hij sprong
op den grond, en trachtte het te dooven, maar het brandde al veel
te fel. De heele hut was al gauw vol rook, en Smirre, die buiten het
venster stond, begon te begrijpen, hoe het daar binnen gesteld was.
"Nu, Duimelot," riep hij, "wat kies je nu? Gebraden te worden, of bij
mij te komen? Ik zou je wel het allerliefst opeten, maar hoe de dood
je ook te pakken krijgt, is 't mij goed!"
De jongen dacht niet anders, of de vos had gelijk, want de brand nam
met vliegende vaart toe. 't Heele bed brandde al, uit den vloer kwam
de rook op, en op de geschilderde houten latten kroop de vlam van den
eenen ruiter naar den anderen. De jongen was op den haard gesprongen,
en probeerde de deur van den oven open te krijgen, toen hij op eens een
sleutel in het slot hoorde steken en zachtjes omdraaien. Dat moesten
menschen zijn, die aankwamen, en in den nood, waarin hij nu verkeerde,
werd hij niet bang, maar alleen blij. Hij stond al op den drempel, toen
de deur eindelijk open ging. Hij zag een paar kinderen vóór zich, maar
wat ze voor gezichten zetten, toen zij het hutje in brand vonden, hij
had geen tijd, om er naar te kijken; hij vloog ze voorbij, naar buiten!
Hij durfde niet ver weg te loopen. Hij wist wel, dat Smirre, de vos,
op hem loerde, en hij begreep, dat hij in de buurt van de kinderen
moest blijven. Hij keek om, om te zien wat het voor kinderen waren,
maar hij had ze nog geen seconde aangezien, voor hij ze tegemoet vloog,
en riep: "Kijk eens hier! Dag Asa, dag Mads!"
Want toen de jongen die kinderen zag, vergat hij heelemaal, waar
hij was. De kraaien, de brandende hut, de sprekende dieren verdwenen
uit zijn herinnering. Hij liep op een stoppelveld in 't westen van
Vemmenhög, en hoedde de ganzen, en op het veld naast hem liepen die
kinders uit Smaland met hùn ganzen. En zoodra hij ze zag, sprong hij
op het steenen walletje, en riep. "Dag Asa, dag Mads!"
Maar toen de kinderen zoo'n klein dwergje op zich af zagen komen met
uitgestrekte hand, hielden ze elkaar vast, deden een paar stappen
achteruit, en zagen er doodverschrikt uit.
Toen de jongen hun schrik zag, kwam hij tot zichzelf, en herinnerde
zich, wie hij was. En toen vond hij, dat hem niets ergers
kon overkomen, dan dat juist die kinderen zouden zien, dat hij
betooverd was. Schaamte en verdriet, omdat hij geen mensch meer was,
overweldigden hem. Hij keerde zich om, en liep weg--hij wist zelf
niet waarheen.
Maar een blijde ontmoeting wachtte den jongen, toen hij op de heide
kwam. Want daar in het heikruid, kwam hem de witte ganzerik met Donsje
tegemoet. Toen de witte den jongen zóó hard zag loopen, meende hij,
dat gevaarlijke vijanden hem vervolgden. Hij gooide hem haastig op
zijn rug, en vloog met hem weg.