HET GEVAAR.

De jongen had een poos naar beneden in zee zitten kijken. Op eens

meende hij, dat die sterker begon te bruisen dan vroeger. Hij keek

op. Vlak voor hem uit, op maar een paar meters afstand, verhief zich

een steile, kale bergwand. Aan zijn voeten sloegen de golven op in

hoog opspattend schuim. De wilde ganzen vlogen recht op de rots aan,

en de jongen kon niet anders denken, dan dat zij er tegen verpletterd

moesten worden.

Maar nauwelijks had hij er zich over verwonderd, dat Akka dit gevaar

niet op tijd ontdekt had, of ze waren bij den berg. Toen merkte hij

ook, dat vóór hen de half ronde opening lag van een grot. Daar vlogen

de ganzen in, en 't volgend oogenblik waren zij in veiligheid.

Het eerste, waar de reizigers aan dachten, vóór ze zich den tijd gunden

zich over hun redding te verheugen, was te zien of alle kameraden ook

gered waren. Daar waren Akka, Yksi, Kolme, Neljä, Viisi en Kuusi,

alle zes jonge ganzen, de ganzerik, Donsje en Duimelot, maar Kaksi

van Nuolja, de eerste gans links, was verdwenen, en niemand wist,

wat er van haar was geworden.

Toen de wilde ganzen merkten, dat niemand anders dan Kaksi van den

troep was weggeraakt, namen zij de zaak kalm op. Kaksi was een oude,

wijze vogel. Zij kende al hun wegen en gewoonten, en zij zou wel

zorgen, dat ze weer bij hen terugkwam.

Toen begonnen zij rond te kijken in de grot. Er kwam nog zooveel

daglicht door de opening, dat ze konden zien, dat de grot diep en

breed was. Zij verheugden zich, dat ze zoo'n prachtig nachtverblijf

hadden gevonden, toen een van hen een paar schitterende groene punten

in 't oog kreeg, die in een donkeren hoek glinsterden.

"Dat zijn oogen!" riep Akka. "Er zijn groote dieren hier binnen!"

Ze stormden naar den uitgang, maar Duimelot, die beter in 't donker

kon zien dan de wilde ganzen, riep hen toe: "Daar hoef jelui niet

voor weg te loopen! Dat zijn maar een paar schapen, die tegen den

wand van de grot liggen!"

Toen de wilde ganzen aan het schemerlicht in de grot gewend waren,

zagen zij de schapen heel goed. Er waren zoowat even veel volwassen

dieren, als ze zelf waren, maar er lagen ook nog enkele lammetjes. Een

groote hamel met lange gebogen horens scheen de voornaamste van

de kudde te zijn. De wilde ganzen gingen hem diep buigende te

gemoet. "Wees welkom in deze wildernis!" zeiden ze.

Maar de groote hamel bleef stil liggen zonder een welkomstgroet.

Toen meenden de wilde ganzen, dat de schapen boos waren, omdat zij

in hun grot waren gekomen.

"'t Kwam misschien niet gelegen, dat we in uw huis binnendrongen,"

zei Akka. "Maar we kunnen het niet helpen. De wind was ons te

sterk en dreef ons hierheen. We hebben den heelen dag in den storm

rondgezworven, en wij zouden al blij zijn, als we hier van nacht

mochten blijven."

Hierna duurde het een heele poos, eer een van de schapen met woorden

antwoordde, maar daarentegen was het duidelijk te hooren, dat een paar

van hen diep zuchtten. Akka wist wel, dat schapen altijd verlegen

en wonderlijk waren, maar deze schenen er in 't geheel geen begrip

van te hebben, hoe ze zich moesten houden. Eindelijk zeide een oude

schapemoeder, die een lang en bedroefd gezicht had en een klagende

stem:

"Er is niemand onder ons, die u zal verbieden te blijven, maar dit

is een huis van rouw, en we kunnen onze gasten niet meer ontvangen

zooals vroeger."

"U behoeft u daarover niet te bekommeren," zei Akka. "Als u wist,

wat wij vandaag hadden doorgemaakt, zoudt u wel begrijpen, dat we

blij zijn, als we maar een veilig plekje hebben om te slapen."

Toen Akka dat gezegd had, stond de oude schapemoeder op. "Ik geloof,

dat het beter voor u zou zijn in den ergsten storm rond te vliegen,

dan hier te blijven. Maar nu moet u toch niet van hier gaan, voor we u,

zoo goed als ons huis dat toelaat, onthaald hebben."

Zij wees naar een holte in den grond, die vol water stond. Daarnaast

lag een hoop kaf en stroo en zij verzocht de ganzen zich daaraan te

goed te doen. "Wij hebben van 't jaar veel sneeuw gehad hier op het

eiland," zeide ze. "De boeren, aan wie we toebehooren, komen bij ons

met hooi en haverstroo, opdat we niet zullen doodhongeren. En dit

stroo is alles, wat er van onze welvaart is overgebleven."

De ganzen wierpen zich dadelijk op dat voedsel. En zij vonden, dat

zij goed terecht waren gekomen, en waren in hun beste humeur. Zij

merkten wel, dat de schapen angstig waren, maar ze wisten, hoe

gauw schapen bang worden, en dachten niet, dat er eenig werkelijk

gevaar dreigde. Zoodra ze gegeten hadden, waren zij van plan, zooals

gewoonlijk te gaan slapen. Maar toen stond de groote hamel op, en

kwam op hen toe. De ganzen vonden, dat ze nog nooit een schaap met

zulke lange grove horens hadden gezien. Ook in andere opzichten was

hij opvallend. Hij had een groot bultig voorhoofd, verstandige oogen

en een goede houding, alsof hij een trotsch, moedig dier was.

"Ik ben niet verantwoord, als ik u hier laat slapen, zonder u te

zeggen, dat het hier onveilig is," zei hij. "Wij kunnen hier in dezen

tijd geen gasten voor den nacht ontvangen."

Nu eerst begon Akka te begrijpen, dat het ernst was. "Wij zullen

heengaan, wanneer u dat verlangt," zeide zij. "Maar wilt u ons niet

eerst zeggen, wat u kwelt? Wij weten nergens van. Wij weten niet eens,

waar wij zijn."

"Dit is het kleine Karelseiland," zei de hamel. "Dat ligt voorbij

Gothland, en hier wonen alleen schapen en zeevogels."

"Hoort u misschien tot de wilde schapen?" vroeg Akka.

"Dat scheelt niet veel," antwoordde de hamel. "We hebben niets met

menschen te maken. Er bestaat een oude overeenkomst tusschen ons en

de boeren op een hoeve in Gothland, dat ze ons van voer voorzien,

als het 's winters sneeuwt, en daarentegen mogen ze van ons zooveel

wegvoeren, als er boven een bepaald getal zijn. Het eiland is klein,

zoodat het niet al te velen van ons kan voeden. Maar overigens redden

wij ons zelf het heele jaar, en we wonen niet in huizen met deuren

en sloten, maar houden ons in grotten als deze op."

"Blijft u hier ook 's winters?" vroeg Akka verwonderd.

"Ja, dat doen we," antwoordde de hamel. "We hebben genoeg te grazen

hier op den berg het heele jaar."

"Mij dunkt, het schijnt, dat u 't beter hebben moest dan andere

schapen," zeide Akka. "Maar wat is er u dan voor een ongeluk

overkomen?"

"'t Was héél koud verleden winter. De zee bevroor, en toen kwamen

drie vossen hierheen over het ijs, en sinds dien tijd zijn ze hier

gebleven. Anders is hier geen enkel gevaarlijk dier op het eiland."

"O zoo! durven de vossen dan ook u aan?"

"O neen, niet overdag; dan kan ik mijzelf en de mijnen wel verdedigen,"

zei de hamel, en schudde zijn horens. "Maar ze sluipen op ons toe

in den nacht, als we binnen in de grot slapen. We probeeren wakker

te blijven, maar nu en dan moet je wel slapen, en dan komen ze. Ze

hebben alle schapen in de andere grotten al vermoord, en er waren

kudden, even groot als de mijne."

"'t Is niet prettig te vertellen, dat we zoo hulpeloos zijn," zei nu

de oude schapemoeder. "We kunnen ons niet beter redden, dan wanneer

we tamme schapen waren."

"Denkt u, dat ze hier van nacht komen," vroeg Akka.

"We kunnen niet anders verwachten," antwoordde de oude. "Ze waren

hier gisteren nacht, en stalen ons een lam af. Ze komen wel weerom,

zoolang nog een van ons in leven is. Zoo hebben ze ook in andere

plaatsen gedaan."

"Maar als ze zoo doorgaan, wordt u immers heelemaal uitgeroeid,"

zei Akka.

"Ja het zal niet lang duren, voor het gedaan is met alle schapen op

't kleine Karelseiland," zei de schapemoeder.

Akka stond daar heel besluiteloos. 't Was niet prettig er nu weer

op uit te gaan in den storm. En 't was ook niet goed in een huis

te blijven, waar zulke gasten verwacht werden. Toen ze een poos had

nagedacht, wendde ze zich tot Duimelot.

"Ik zou wel willen weten, of je ons helpen wilt, zooals je al zoo

dikwijls hebt gedaan," zei ze.

"Ja," zei de jongen; dat wilde hij wel.

"'t Is wel akelig voor je, niet te kunnen slapen," zei de wilde gans,

"maar... zou je wakker kunnen blijven, tot de vossen komen, en ons

dan wekken, zoodat we weg kunnen vliegen?"

De jongen had daar niet heel veel lust in; maar alles was beter dan

er in den storm weer op uit te moeten, zoodat hij beloofde wakker te

zullen blijven.

Hij ging naar den ingang van de grot, kroop achter een grooten steen,

om voor den storm beschut te zijn, en ging op wacht zitten.

Toen de jongen daar een poos gezeten had, scheen de storm te

bedaren. De hemel werd helder, en de maneschijn begon op de golven

te spelen. De jongen ging naar den ingang om uit te kijken. De grot

lag heel hoog op den berg. Een smal, steil pad leidde naar boven. Van

dien kant had hij zeker de vossen te verwachten.

Hij zag nog geen vos, maar daarentegen iets, waar hij in 't eerst

heel bang voor werd. Op het smalle strand beneden stonden een paar

groote reuzen, of andere steenen monsters,--of misschien waren het

wel menschen. Eerst dacht hij, dat hij droomde, maar nu was hij er

heel zeker van, dat hij niet in slaap was gevallen. Hij zag de groote

mannen zoo duidelijk, dat het geen zinsbedrog kon wezen. Sommige

stonden op het strand en andere vlak bij den berg, alsof ze van plan

waren er tegen op te klauteren. Sommige hadden groote, dikke koppen,

en andere in 't geheel geen kop. Sommige hadden één arm en sommige

hadden een bochel van voren en van achteren. Hij had nooit zooiets

wonderlijks gezien.

De jongen stond zich daar bang te maken voor die reuzen, zoodat hij

bijna vergat naar de vossen uit te kijken. Maar nu hoorde hij een

klauw langs een steen schrapen. Hij zag drie vossen de helling opkomen,

en zoodra hij wist, dat hij met iets werkelijks te doen had, werd hij

weer kalm, en was in 't geheel niet bang meer. Toen viel 't hem in,

dat het toch akelig was alleen de ganzen te roepen, en de schapen aan

hun lot over te laten. Hij dacht, dat hij dat liever anders in orde

zou willen maken. Hij liep gauw de grot binnen, schudde den hamel

aan zijn horens, zoodat hij wakker werd, en sprong meteen op zijn rug.

"Sta op, vadertje! we zullen probeeren de vossen een beetje bang te

maken!" zei de jongen.

Hij was zoo stil mogelijk geweest, maar de vossen moesten toch iets

gehoord hebben. Toen ze boven kwamen, aan den ingang van de grot,

bleven ze staan, om te overleggen wat zij doen moesten.

"Daar binnen hoorde ik duidelijk iemand zich bewegen," zei de een.

"Ik zou wel eens willen weten, of ze wakker waren."

"Ga jij er maar gerust op af," zei de ander. "Ons kunnen ze ten minste

niets doen."

Toen ze verder in de grot kwamen, bleven ze staan, en snoven in

't rond.

"Wien zullen we vanavond nemen?" fluisterde de vos, die vooraan liep.

"Vanavond zullen we den grooten hamel nemen," zei de laatste. "Dan

gaat het later gemakkelijk met de andere."

De jongen zat op den rug van den ouden hamel, en zag, hoe ze

voortslopen.

"Stoot nu recht vooruit," fluisterde hij. De hamel stootte toe, en

de eerste vos werd halsoverkop teruggeslingerd naar de opening van

de grot.

"Stoot nu links," zei de jongen, en wendde den grooten kop van den

hamel in de juiste richting. De hamel gaf een geweldigen slag, die

den tweeden vos in de zij trof. Hij rolde verscheiden malen rond,

eer hij weer op de been was, en wegloopen kon. De jongen had wel

graag gewild, dat ook de derde een stoot had gekregen, maar die had

al gemaakt, dat hij wegkwam.

"Nu denk ik, dat ze wel genoeg hebben voor van nacht," zei de jongen.

"Ja, dat denk ik ook," zei de groote hamel. "Ga nu op mijn rug liggen,

en kruip onder de wol. Je verdient wel, dat je 't goed en warm krijgt

na al dien wind, waarin je geloopen hebt."

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 44 / 140 题