Den volgenden dag liep de hamel rond met den jongen op den rug,
en liet hem het eiland zien. Dat bestond uit één enkele geweldige
rots. 't Was als een groot huis met loodrechte wanden en een plat
dak. De hamel liep eerst naar het dak van den berg, en liet den
jongen de goede weiden daar zien, en hij moest erkennen, dat het
eiland vooral voor schapen scheen gemaakt te zijn. Er groeide op den
berg niet veel anders dan windhaver en zulke dorre, kruidig geurende
gewassen, waar schapen veel van houden.
Maar er was zoowaar nog wat anders te zien dan schapenweiden, als
men eenmaal de helling op gekomen was. Daar zag men ten eerste de
heele zee, die nu blauwend in 't zonlicht haar glanzende golven
voortrolde. Alleen hier en daar tegen een landtong stoof ze op in
schuim. Vlak in 't oosten lag Gothland met effen, lang gestrekte kust,
en in 't zuidwesten het groote Karelseiland, van dezelfde constructie
als 't kleine eiland. Toen de hamel heel dicht naar den kant van
het bergdak ging, zoodat de jongen langs de bergwanden kon neerzien,
merkte hij, dat ze heelemaal vol vogelnesten waren, en in de blauwe zee
beneden lagen zwarte waterhoenders, eiderganzen, en andere watervogels,
zoo mooi en vredig, bezig met visschen in de strooming.
"'t Lijkt hier wel het beloofde land," zei de jongen. "Jelui schapen
woont hier maar mooi."
"Ja, wel is 't hier mooi," zei de groote hamel. Het was, alsof hij
er iets bij had willen voegen, maar hij zei niets, en zuchtte alleen.
"Maar als je hier alleen loopt, moet je wel oppassen voor al die
spleten hier in den berg," ging hij een poos later voort. En die
waarschuwing was wel noodig, want op verscheiden plaatsen waren
er diepe en breede spleten. De grootste daarvan heette "'t helsche
hol". Die spleet was vele vamen diep en bijna een vaam breed.
"Als iemand hier in viel, was het met hem gedaan," zei de groote
hamel. De jongen vond, dat dit klonk, alsof hij een bizondere bedoeling
had, met wat hij zei.
Daarna bracht hij den jongen naar het strand. Nu kon hij van dichtbij
die reuzen zien, die hem den vorigen nacht zoo bang gemaakt hadden. Dat
waren niet anders dan groote rotspilaren. De jongen kon niet genoeg
naar hen kijken. Hij meende, dat als er ooit heksen geweest waren,
die in steen waren veranderd, dan moesten zij er zóó uitzien.
Hoewel 't heel mooi was aan 't strand, wou de jongen toch liever boven
op den berg wezen. 't Was akelig daar beneden, omdat er overal doode
schapen lagen. Hier hadden de vossen hun maaltijden gehouden. Hij
zag geheel afgeknaagde skeletten, maar ook lichamen, die maar half
opgegeten waren, en andere, waar ze maar even van hadden geproefd, en
die ze verder onaangeroerd hadden laten liggen. 't Was hartverscheurend
te zien, dat de wilde dieren de schapen hadden aangevallen, alleen
uit vermaak, alleen om te jagen en te moorden.
De groote hamel bleef niet bij de dooden staan; hij liep ze kalm
voorbij; maar de jongen kon niet laten naar al die griezeligheid
te kijken.
Nu liep de groote hamel weer naar den top van den berg, en toen hij
daar gekomen was, bleef hij staan.
"Als iemand, die flink en verstandig was, al de ellende hier zag,"
zei hij, "dan zou hij zeker niet rusten, voor die vossen hun verdiende
straf hadden gekregen."
"De vossen moeten toch ook leven," zei de jongen.
"Ja," zei de groote hamel, "zij, die niet meer dieren verscheuren,
dan ze noodig hebben voor hun onderhoud, moeten ook leven. Maar die
vossen hier zijn misdadigers."
"De boeren, aan wie dit eiland toebehoort, moeten u komen helpen,"
meende de jongen.
"Zij zijn hier al dikwijls geweest," antwoordde de hamel, "maar dan
verborgen de vossen zich in grotten en spleten, zoodat ze hen niet
konden schieten."
"Je meent toch niet, Vadertje, dat een stumper als ik ze aan zou
kunnen, als jij zelf en de boeren ze niet onder den duim hebben kunnen
krijgen," zei de jongen.
"Wie klein en slim is, kan al heel wat in orde maken," antwoordde de
groote hamel.
Zij spraken hier niet meer over; de jongen ging boven bij de wilde
ganzen zitten, die op de hoogvlakte graasden. Hoewel hij het den hamel
niet had willen toonen, was hij heel bedroefd ter wille van de schapen,
en had ze zoo graag willen helpen.
"Ik zal ten minste met Akka en Maarten, den ganzerik, praten over
die zaak," dacht hij. "Misschien kunnen ze mij bijstaan met een
goeden raad."
Een poos later nam de witte ganzerik den jongen op den rug, en liep
over de bergvlakte naar het helsche hol.
Hij liep zorgeloos voort op het open bergdak, en scheen er niet aan te
denken, hoe wit en groot hij was. Hij zocht geen schuilplaats achter
bosjes gras of andere verhooginkjes, maar liep recht door. Het was
vreemd, dat hij niet voorzichtiger was, want hij scheen het slecht
gehad te hebben in den morgen van den vorigen dag. Hij was kreupel
aan den rechterpoot, en de linkervleugel sleepte, en hing neer,
alsof hij gebroken was.
Hij liep, alsof er geen gevaar in de wereld was, snapte hier en daar
grassprietjes, en keek heelemaal niet om zich heen. De jongen lag
languit op den rug van de gans, en keek op naar den blauwen hemel. Hij
was nu zoo aan het rijden gewend, dat hij daar kon liggen en staan.
Doordat nu de ganzerik en de jongen zoo zorgeloos waren, merkten ze
natuurlijk niet, dat de drie vossen op de bergvlakte waren gekomen. En
de vossen, die wisten, dat het bijna onmogelijk is een gans te
naderen op het open veld, dachten er eerst in het geheel niet aan op
den ganzerik jacht te maken. Maar omdat zij niets te doen hadden,
gingen zij eindelijk in een van de lange kloven, en probeerden hem
te besluipen. Zij gingen zóó voorzichtig te werk, dat de ganzerik
niets van hen merkte.
Ze waren niet ver weg, toen de ganzerik een poging deed om op te
vliegen. Toen de vossen hieruit meenden op te kunnen maken, dat
hij niet vliegen kon, haastten zij zich nog meer dan te voren. Ze
hielden zich niet langer in de kloven verscholen, maar liepen boven
over de vlakte. Ze verborgen zich, zoo goed ze maar konden, achter
bosjes gras en steenen, en kwamen den ganzerik al nader, zonder dat
hij scheen te merken, dat hij gejaagd werd. Eindelijk waren de vossen
zóó dicht bij, dat zij den slag konden wagen. Alle drie wierpen zich
tegelijk met een grooten sprong op den ganzerik.
Op het laatste oogenblik moest deze toch wat gemerkt hebben, want hij
sprong op zij, zoodat de vossen hem misten. Dat beteekende nu wel
niet zoo veel, want de ganzerik had maar een paar voet voorsprong,
en bovendien was hij kreupel. De stumper liep voort, zoo hard hij maar
kon. En ganzen kunnen immers zoo geweldig hard loopen, dat zelfs een
vos moeite heeft ze in te halen.
De jongen zat achterstevoor op den rug van de gans, en riep en
schreeuwde tegen de vossen: "Jelui hebt je te dik gegeten aan
schapenvleesch, jelui vossen! Je kunt niet eens een gans inhalen!"
Hij plaagde hen, tot ze woest van boosheid werden, en er alleen aan
dachten zoo hard mogelijk voort te stormen.
De witte ganzerik sprong regelrecht op de groote kloof af. Toen hij
er vlak bij was, deed hij een slag met de vleugels, zoodat hij er
over kwam. De vossen waren hem toen vlak op de hielen.
De ganzerik rende voort met dezelfde haast als te voren, ook toen
hij al over het helsche hol gekomen was. Maar nauwlijks had hij een
paar meter geloopen, of de jongen klopte hem op den hals, en zei:
"Nu kun je wel stilstaan, ganzerik."
Op 't zelfde oogenblik hoorden ze achter zich een wild gehuil, een
schrapen met klauwen, en iets zwaars vallen. Maar van de vossen was
niets meer te zien.
Den volgenden morgen vond de wachter op den vuurtoren van 't groote
Karelseiland een reepje boombast onder zijn deur doorgestoken, waarop
met scheeve, hoekige letters stond ingekrast: "De vossen op het kleine
Karelseiland zijn in het helsche hol gevallen. Ga maar naar ze zien."
En dat deed de wachter ook.