DE STORM.

De wilde ganzen hadden op de noordelijke punt van Öland overnacht,

en waren nu op weg naar het vaste land. Er woei een vrij sterke

zuidenwind over 't Kalmar Sond, zoodat zij naar het noorden gedreven

waren. Toch werkten zij zich met een flinke vaart voort in de richting

van het land. Maar toen zij de eerste klippen bereikten, hoorden zij

een geweldig geluid, alsof een menigte vogels met sterke vleugels

aan kwam vliegen, en het water onder hen werd op eens pikzwart. Akka

hield zóó snel de vleugels in, dat ze bijna stil bleef staan in de

lucht. Daarop daalde zij om neer te strijken op den zeespiegel. Maar

eer de ganzen het water bereikt hadden, kwam de westerstorm over

hen. Reeds joeg die mistwolken, zout schuim en kleine vogels voor zich

uit. Nu rukte hij ook de wilde ganzen meê, en wierp ze onderste boven,

en slingerde ze voort naar den kant van de zee.

't Werd een akelige storm. De wilde ganzen probeerden telkens om

te keeren, maar ze konden het niet; ze werden naar den kant van de

Oostzee gedreven. De storm had ze al voorbij Öland gejaagd, en vóór

hen lag de eenzame, woeste zee. Zij konden niet anders doen dan met

den wind meê draaien.

Toen Akka merkte, dat ze niet in staat waren om te keeren, vond ze,

dat het onnoodig was zich door den storm over de geheele Oostzee te

laten drijven. Ze streek daarom op het water neer. De branding was

al hevig, en werd steeds woester. De golven rolden aan, zeegroen met

sterk schuimende koppen; de een steeg al hooger dan de ander. Het was,

alsof ze wedijverden, wie 't hoogste kon komen en het woedendste

schuimen. Maar de wilde ganzen waren niet bang voor dat bruisende

water. Het scheen hun integendeel een groot genot te bereiden. Ze

spanden zich niet in met zwemmen, maar lieten zich drijven--hoog

op de koppen der golven en naar beneden in het golfdal--en hadden

evenveel pleizier als een kind in een wieg. Hun eenige zorg was,

dat hun troep uit elkaar gedreven zou worden. De arme landvogels,

die door den storm voorbij werden gejaagd, hoog in de lucht, riepen

afgunstig: "Jelui hebt geen nood, jelui kunt zwemmen."

Maar de wilde ganzen waren toch ook niet buiten alle gevaar. Ten

eerste maakte dat wiegen hen onuitsprekelijk slaperig. Onophoudelijk

wilden ze den kop omkeeren, den snavel onder de vleugels steken en

inslapen. Niets is gevaarlijker dan zoo in slaap te vallen; en Akka

riep telkens: "Niet slapen, wilde ganzen! Wie slaapt, raakt weg van

den troep. Wie van den troep wegraakt, is verloren!"

Niettegenstaande alle pogingen om er zich tegen te verzetten, sliep

de een na de ander in, en zelfs Akka was op 't punt in te slapen,

toen ze plotseling iets ronds, hoogs zich zag verheffen op den kop

van een golf.

"Zeehonden! Zeehonden! Zeehonden!" riep Akka met luide, schelle stem,

en hief zich met klappende vleugels op in de lucht. 't Was op het

laatste oogenblik. Eer de laatste wilde gans uit het water opgekomen

was, waren de zeehonden zóó dichtbij, dat ze naar haar pooten hapten.

Zoo waren de wilde ganzen weer midden in den storm, die hen voor zich

uit naar zee dreef. Hij gunde noch hen, noch zichzelf rust. En ze

zagen geen land--enkel woeste zee. Ze sloegen weer neer op het water,

zoodra ze dat durfden. Maar toen ze een poos op de golven gewiegd

waren, werden ze opnieuw slaperig. En zoodra ze sliepen, kwamen de

zeehonden weer aanzwemmen. Als niet de oude Akka zoo waakzaam geweest

was, zou niet één van hen er goed zijn afgekomen.

Den heelen dag duurde de storm voort, en die richtte de vreeselijkste

verwoestingen aan onder de massa's vogels, die in dien tijd van het

jaar aan het trekken waren. Sommige werden uit hun koers gedreven naar

een vreemd land, waar ze van honger stierven, andere werden zóó moe,

dat ze in zee zonken en verdronken.

Vele werden tegen de klippen verpletterd, en vele werden een prooi

van de zeehonden.

Dien heelen dag duurde de storm, en Akka begon zich eindelijk af te

vragen, of zij met haar troep zou verongelukken. Ze waren nu doodmoe,

en nergens zag zij een plaats, waar ze konden rusten. Tegen den

avond durfde zij niet meer op zee neer te strijken, omdat die heel

plotseling met groote ijsschotsen werd gevuld, die tegen elkaar aan

bonsden, en ze vreesde daartusschen verpletterd te worden. Een paar

maal probeerden de wilde ganzen zich op het ijs op te stellen, maar

nu eens schoof de woeste storm ze weer in zee, een ander keer kwamen

de onbarmhartige zeehonden op het ijs kruipen.

Tegen zonsondergang vlogen de ganzen nog eenmaal door de lucht. Ze

waren bang voor den nacht onder het vliegen. De duisternis scheen al

gauw te komen, op dien avond zóó vol gevaren.

't Was verschrikkelijk, dat ze nog geen land zagen, hoe zou 't toch

gaan, als ze den heelen nacht op zee moesten blijven! Ze zouden

òf tusschen de ijsschotsen verpletterd worden, òf door zeehonden

opgegeten, òf door den storm uit elkaar gejaagd.

De hemel was in wolken gehuld, de maan hield zich schuil, en de

duisternis daalde snel. En al meer en meer werd de heele natuur

zóó vol ontzetting, dat de dapperste angstig werden. 't Roepen van

trekvogels in nood had den heelen dag over zee geklonken, maar nu

men niet meer kon zien wie 't waren, die zoo riepen, klonk het akelig

en griezelig. Onder hen op zee bonsden de stukken drijfijs dreunend

tegen elkaar. De zeehonden hieven hun woeste jachtliederen aan. 't

Was alsof hemel en aarde zouden ineenstorten.

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 43 / 140 题