DE OOIEVAAR.

Op een morgen werden de wilde ganzen, die op het ijs in 't Vombmeer

stonden te slapen, vroeg gewekt door luid geroep boven in de lucht:

"Trirop! Trirop!" klonk het.

"Trianut, de kraanvogel, laat Akka, de wilde gans en haar troep

groeten. Morgen zal de groote kraanvogeldans op den berg Kulla

plaats hebben!"

Akka strekte dadelijk den kop omhoog, en antwoordde: "Dank je wel! Veel

groeten! Dank je wel! Veel groeten."

Daarop vlogen de kraanvogels verder, maar de wilde ganzen hoorden ze

nog lang, terwijl ze voortvlogen, roepen over ieder veld en iederen

boschrijken heuvel: "Trianut laat u groeten. Morgen heeft de groote

kraanvogeldans op den berg Kulla plaats!"

De wilde ganzen waren heel blij met die boodschap.

"Je treft het!" zeiden ze tegen den witten ganzerik, "dat je meê

moogt naar den grooten kraanvogeldans."

"Is 't dan zooiets bizonders de kraanvogels te zien dansen?" vroeg

de ganzerik.

"Dat is iets, waarvan je zelfs nooit hebt kunnen droomen," antwoordden

de wilde ganzen.

"Nu moeten we er over denken, wat we morgen met Duimelot zullen

doen, zoodat hij geen ongeluk krijgt, terwijl wij op de Kulla zijn,"

zei Akka.

"Duimelot zal hier niet alleen achterblijven," zei de ganzerik. "Als

de kraanvogels niet willen hebben, dat hij hen ziet dansen, blijf ik

hier bij hem."

"Nog nooit is een mensch bij de groote dierenvergadering op de Kulla

geweest," zei Akka, "en ik durf Duimelot niet meê te nemen! Maar daar

kunnen wij vandaag nog wel eens over praten. Nu moeten we allereerst

iets te eten zien te krijgen."

Akka gaf toen het teeken tot vertrekken. Ook toen zocht ze haar weide

ver weg, om den vos, en daalde niet neer, voor ze op de moerassige

velden, ten zuiden van het huis Glimmingen kwam.

Dien heelen dag zat de jongen aan den kant van een plasje, en blies

op zijn rieten fluitje. Hij was uit zijn humeur, omdat hij den

kraanvogeldans niet zien mocht, en kon het niet over zich verkrijgen

een woord tegen den ganzerik of een van de anderen te spreken.

't Was toch wel hard, dat Akka hem nog niet vertrouwde. Als een jongen

had afgeslagen een mensch te worden, om met een paar arme wilde ganzen

rond te trekken, dan kon men toch wel begrijpen, dat hij geen lust

had hen te verraden. En ze moesten toch ook begrijpen, dat, als hij

zooveel had opgeofferd om met hen meê te mogen, het toch ook hun plicht

was hem al het merkwaardige te laten zien, wat ze maar konden vinden.

"Ik zal hun wel eens zeggen, hoe ik er over denk," dacht hij. Maar

het eene uur na het andere ging voorbij, zonder dat hij er toe kwam

dat te doen. 't Lijkt misschien vreemd, maar de jongen had wezenlijk

een soort ontzag voor de oude leidstergans. Hij voelde, dat het niet

gemakkelijk was zich tegen haar wil te verzetten.

Aan de eene zijde van het moerassige veld, waar de wilde ganzen

graasden, lag een breede steenen plaats. En nu gebeurde het, dat

de jongen tegen den avond het hoofd ophief om eindelijk met Akka te

spreken, en dat zijn oog op de plaats viel. Hij deed een uitroep van

verbazing, en alle ganzen keken dadelijk op, en begonnen denzelfden

kant uit te zien als hij. Op het eerste oogenblik dachten zij--en

de jongen ook--dat alle grijze baksteenen, waaruit de vloer van de

plaats bestond, pootjes hadden gekregen, en begonnen te springen,

maar al gauw zagen ze, dat het een troep ratten was, die er over heen

liepen. Ze bewogen zich heel snel, en sprongen voort, dicht op elkaar

gepakt, rij aan rij, en er waren zoovele, dat ze een langen tijd de

heele plaats bedekten.

De jongen was altijd bang voor ratten geweest, ook toen hij nog een

groot en sterk mensch was. En hoe zou hij het dan nu niet zijn, nu

hij zoo klein was, dat twee of drie van hen hem al de baas waren? De

eene rilling na de andere ging over zijn rug, terwijl hij daar naar

hen stond te kijken.

Maar 't was vreemd, dat de ganzen denzelfden afschuw van ratten schenen

te hebben als hij. Ze spraken niet tegen hen, en toen ze voorbij waren,

schudden ze zich, alsof ze modder op de veeren hadden gekregen.

"Zooveel grijze ratten aan 't wandelen! Dat is geen goed teeken,"

zei Yksi van Vassijaure.

Nu wou de jongen de gelegenheid waarnemen om Akka te zeggen, dat hij

vond, dat ze hem meê moest laten gaan naar de Kulla; maar hij werd

daar weer in verhinderd, doordat een groote vogel haastig neerdaalde

tusschen de ganzen.

Als men dien vogel zag, zou men kunnen meenen, dat hij het lichaam,

den hals en den kop van een kleine witte gans had geleend. Maar daarbij

had hij zich groote, zwarte vleugels aangeschaft, hooge roode pooten

en een langen, dikken snavel, die te groot was voor den kleinen kop,

en dien neertrok, zoodat het dier er bekommerd en bedroefd uitzag.

Akka legde gauw zijn vleugeldekveeren terecht, en boog verscheiden

malen den hals, terwijl zij den ooievaar tegemoet ging. Ze was niet

heel verbaasd hem zóó vroeg in het voorjaar in Skaane te zien, omdat

zij wist, dat de mannetjes-ooievaars gewoonlijk vroeg daarheen komen,

om na te zien of hun nest geen schade geleden had in den winter,

vóór de vrouwtjes-ooievaars zich de moeite geven over de Oostzee

te vliegen. Maar ze vroeg zich heel verwonderd af, wat dit kon

beteekenen, dat hij haar opzocht, omdat ooievaars het liefst met hun

eigen stamgenooten omgaan.

"Ik hoop niet, dat er iets niet in orde is met uw huis, Mijnheer

Ermerik," zei Akka.

Toen bleek het, dat 't waar is, wat men zegt, dat een ooievaar zelden

zijn snavel opent, als het niet is om te klagen. Wat nu maakte, dat,

wat de ooievaar zei, nog treuriger klonk, was dat hij zoo moeielijk

sprak. Hij stond een heele poos niets te doen dan te klepperen,

en sprak toen met een heesche en zachte stem. Hij beklaagde zich

toen over alles en nog wat: het nest, dat boven op het dak van het

huis Glimmingen lag, was heelemaal bedorven door de winterstormen,

en hij kon nu geen eten meer vinden in Skaane. De Skaaners hadden

hem nu bijna al zijn bezittingen afgenomen. Ze legden dijken om zijn

natte velden, en bebouwden zijn moerassen. Hij was van plan uit dit

land weg te gaan en nooit meer weerom te komen.

Terwijl de ooievaar zoo klaagde, kon Akka, de wilde gans, die nergens

vriendelijkheid of bescherming vond, niet laten te denken: "Als ik

het zoo goed had als u, Mijnheer Ermerik, zou ik me wel schamen te

klagen. U is een vrije, wilde vogel gebleven, en toch staat u op

zoo'n goeden voet met de menschen, dat niemand op u zal schieten,

of een ei uit uw nest nemen."

Maar dat hield ze voor zich. Tegen den ooievaar zei ze alleen, dat ze

niet gelooven kon, dat hij van een huis zou weggaan, waar ooievaars

hun verblijf hadden gehouden van den tijd af, dat het gebouwd was.

Toen vroeg de ooievaar snel, of Akka de grijze ratten had gezien,

die op weg waren naar het Glimmingehuis, en toen Akka antwoordde,

dat zij dat ongedierte gezien had, begon hij te vertellen van de

dappere zwarte ratten, die jarenlang het kasteel verdedigd hadden.

"Maar van nacht zal het huis Glimmingen in handen van de grijze ratten

vallen," zei de ooievaar zuchtend.

"Waarom juist van nacht, Mijnheer Ermerik?" vroeg Akka.

"Ja, omdat bijna alle zwarte ratten van nacht naar de Kulla zijn

getrokken," zei de ooievaar. "Ze vertrouwden er op, dat alle andere

dieren daar ook naar toe zouden gaan. Maar u ziet wel, dat de grijze

ratten thuis gebleven zijn, en nu verzamelen zij zich om 't kasteel

binnen te dringen, nu 't maar wordt verdedigd door een paar oude

stumpers, die niet meer meê naar de Kulla konden komen. Zij zullen

hun doel wel bereiken, maar ik heb nu zoolang in de buurt van de

zwarte ratten gewoond, dat ik er geen pleizier in heb op dezelfde

plaats met hun vijanden te wonen."

Nu begreep Akka, dat de ooievaar zich zoo geërgerd had over de

handelwijze der grijze ratten, dat hij haar had opgezocht om er zich

over te beklagen. Maar op de gewone ooievaarsmanier had hij stellig

niets gedaan om het ongeluk te voorkomen.

"Hebt u een boodschap naar de zwarte ratten gestuurd, Mijnheer

Ermerik," vroeg zij.

"Neen," zei de ooievaar. "Dat zou niets geven. Voor ze hier terug zijn,

is het kasteel al ingenomen.

"Daar moet u niet zoo vast op rekenen, Mijnheer Ermerik," zei Akka. "Ik

ken een oude wilde gans, die zoo'n schurkestreek graag zou beletten."

Toen Akka dit zei, hief de ooievaar het hoofd op en zag haar met

groote oogen aan. En dat was immers geen wonder, want de oude Akka had

geen klauwen en geen scherpen snavel, die in den strijd dienst konden

doen. En bovendien was zij een dagvogel, en zoodra het donker werd,

viel ze altijd in slaap. En de ratten vochten juist altijd 's nachts.

Maar Akka was blijkbaar van plan de zwarte ratten bij te staan. Ze

riep Yksi van Vassijaure, en beval haar de ganzen naar het Vombmeer

te voeren, en toen de gans bezwaren maakte, zei ze kortaf en op een

toon van gezag:

"Ik geloof, dat het voor ons allen het beste is, dat je doet, wat ik

zeg. Ik moet naar het groote steenen huis, en als jelui meêgaan, dan

zien natuurlijk de menschen daar ons, en schieten ons dood. De eenige,

dien ik op deze reis meenemen wil, is Duimelot. Hij kan me van groot

nut zijn, want hij heeft goede oogen, en kan 's nachts wakker blijven."

De jongen was dien dag in een koppige bui, en toen hij hoorde, wat Akka

zei, rekte hij zich uit om zoo groot te zijn, als hij maar kon, en deed

een stap vooruit met de handen op den rug en den neus in de lucht,

om te zeggen, dat hij niet van plan was meê te doen in het gevecht

tegen de grijze ratten. Ze moest maar zien andere hulp te krijgen.

Maar op hetzelfde oogenblik, dat de jongen voor den dag kwam,

begon er leven in den ooievaar te komen. Tot nu toe had hij op

ooievaarsmanier met gebogen hoofd gestaan, en den snavel tegen den

hals gedrukt gehouden; maar nu hoorde men een geluid diep in zijn keel,

alsof hij lachte. Bliksemsnel stak hij den snavel naar beneden, pakte

den jongen, en gooide hem een paar meter de lucht in. Dat kunststuk

herhaalde hij zevenmaal, terwijl de jongen schreeuwde en Akka riep:

"Wat doet u toch, Mijnheer Ermerik? Dat is geen kikker! Dat is een

mensch, Mijnheer Ermerik!"

Eindelijk zette de ooievaar toch den jongen volkomen ongedeerd

neer. Toen zei hij tot Akka: "Ik vlieg nu naar 't huis Glimmingen

terug, Moeder Akka. Allen, die daar wonen, waren heel angstig, toen ik

heenging. U kunt er zeker van zijn, dat ze heel blij zullen zijn, als

ik hun vertel, dat Akka, de wilde gans, en Duimelot, de menschendwerg,

komen om hen te redden."

Met die woorden strekte de ooievaar den hals uit, sloeg met de

vleugels, en vloog weg als een pijl uit een sterk gespannen boog. Akka

begreep, dat hij haar voor den gek hield, maar dat trok ze zich

heelemaal niet aan. Ze wachtte tot de jongen zijn klompjes gevonden

had, die de ooievaar van hem had afgeschud. En toen zette ze hem op

haar rug, en volgde den ooievaar. En de jongen verzette er zich niet

tegen, en sprak er geen woord over, dat hij niet meê wilde. Hij was zoo

boos op den ooievaar, dat hij bijna zat te brieschen. Die leelijke,

lange roodpoot dacht, dat hij nergens voor deugde, omdat hij klein

was, maar hij zou hem wel toonen, wat Niels Holgersson van Wester

Vemmenhög voor een flinke baas was.

Een oogenblik later stond Akka in het ooievaarsnest, op het huis

Glimmingen. 't Was een prachtige, groote woning. Als onderlaag had het

een wiel, en daarover lagen verscheidene lagen takken en zoden. De

woning was zoo oud, dat allerlei struiken en planten wortel hadden

geschoten, en als de ooievaarsmoeder zat te broeden, had zij niet

alleen een heerlijk uitzicht op en over een groot gedeelte van Skaane

om van te genieten, maar ze had ook wilde rozen en huislook om naar

te kijken.

De jongen en Akka konden al gauw merken, dat hier iets gaande was,

dat alles in de war bracht. Op den rand van het ooievaarsnest zaten

twee katuilen, een oude grijsgestreepte kat en een dozijn stokoude

ratten, met scheefgegroeide tanden en loopende oogen. Dat waren nu

juist geen dieren, die men gewend was vredig bijeen te zien.

Geen van hen bewoog zich om Akka aan te zien, of om haar welkom te

heeten. Ze dachten aan niets anders dan aan een paar lange, grijze

lijnen, die hier en daar flauw te onderscheiden waren op de rotsen,

die kaal en naakt waren door den winter; ze zaten er onafgebroken op

te staren.

Alle zwarte ratten zwegen. Men kon hen aanzien, dat ze diep wanhopig

waren, en 't wel wisten, dat ze noch hun eigen leven, noch het kasteel

konden verdedigen. De beide uilen rolden hun groote oogen heen en weer,

trokken met de oogleden, en spraken met booze, scherpe stemmen over de

groote wreedheid van de grijze ratten, en dat ze om hen uit hun nest

weg moesten, want dat ze gehoord hadden, dat ze eieren, noch donzige

jongen spaarden. De oude gestreepte kat was er van overtuigd, dat de

grijze ratten haar zouden dood bijten, als er zóóvele in het kasteel

kwamen, en zij bromde onophoudelijk op de zwarte ratten. "Hoe kon

jelui zoo dom zijn, en je beste soldaten weg laten gaan?" zei zij. "Hoe

kon jelui op de grijze ratten vertrouwen? 't Is onbegrijpelijk."

De twaalf zwarte ratten antwoordden niet, maar de ooievaar kon

niettegenstaande zijn droefheid niet laten gekscherend tegen de kat te

praten: "Wees maar niet bang, Mono, huiskat!" zei hij: "Zie je niet,

dat Moeder Akka en Duimelot hier zijn gekomen om het slot te redden. Ge

kunt er zeker van zijn, dat hun dat gelukt. Nu moet ik gaan slapen,

en ik doe dat met een gerust hart. Morgen, als ik wakker word, is er

stellig geen enkele grijze rat meer in 't Glimmingehuis."

De jongen knipoogde tegen Akka, en beduidde haar, dat hij den ooievaar

op den grond wilde gooien, terwijl die zich gereed maakte om te

gaan slapen op den buitensten kant van het nest, met het eene been

opgetrokken; maar Akka belette hem dat. Zij zag er in 't geheel niet

gekwetst uit. Ze zei alleen heel vergenoegd: "'t Zou wel erg zijn als

iemand, die zoo oud is als ik, zich niet uit grooter moeilijkheid

zou kunnen redden, dan deze. Als maar de uileman en de uilevrouw,

die den heelen nacht wakker kunnen blijven, een paar boodschappen voor

mijn rekening willen doen, dan denk ik wel, dat alles goed zal gaan."

Dat wilden de beide katuilen wel, en Akka vroeg toen den uileman, of

hij de zwarte ratten, die vertrokken waren, weer opzoeken wou, en hun

aanraden zoo spoedig mogelijk weer thuis te komen. De uilevrouw zond

ze naar Flammea, de torenuil, die in de domkerk te Lund woonde, met

een zoo geheimzinnige boodschap, dat Akka haar die alleen fluisterend

durfde toevertrouwen.

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 26 / 140 题