DE RATTENVANGER.

Het liep tegen middernacht, toen de grijze ratten na lang zoeken een

kelderluik vonden, dat open stond. Dat zat vrij hoog in een muur;

maar de ratten gingen op elkaars schouders staan, en het duurde niet

lang, voor de moedigste onder hen in het luik zat, klaar om in 't

huis Glimmingen binnen te dringen; buiten de muren van dat kasteel,

waarvoor zóóveel van zijn voorvaderen gevallen waren.

De grijze rat zat een poosje heel stil in het luik te wachten, of

hij ook aangevallen werd. De hoofdtroepen van de verdedigers waren nu

wel weg, maar hij nam aan, dat de zwarte ratten, die in het kasteel

waren achtergebleven, zich niet zonder strijd zouden overgeven. Met

een kloppend hart luisterde hij naar het minste gedruisch, maar alles

bleef doodstil. Toen vatte de aanvoerder der grijze ratten moed,

en sprong naar beneden in den kouden, donkeren kelder.

De eene grijze rat na de andere volgde den aanvoerder. Allen waren

heel stil, en allen verwachtten, dat de zwarte ratten zich verweren

zouden. Niet vóór er zóóvele in den kelder waren binnengedrongen, dat

er niet meer op den vloer konden staan, waagden zij het verder te gaan.

Hoewel ze nooit te voren in het gebouw waren geweest, viel het

hun toch niet moeilijk den weg te vinden. Zij ontdekten al gauw

de loopgraven in den muur, die de zwarte ratten gebruikt hadden om

in de bovenste verdiepingen te komen. Maar vóór dat ze die smalle,

steile trappen opklauterden, luisterden ze weer heel oplettend. Ze

waren veel onrustiger, doordat de zwarte ratten zich op deze manier

schuil hielden, dan ze zouden geweest zijn, als ze hun in open oorlog

tegemoet waren gekomen. Ze konden nauwelijks aan hun geluk gelooven,

toen ze zonder ongelukken in de eerste verdieping waren gekomen.

Zoodra ze daar binnenslopen, kwam hun de geur van 't koren tegemoet,

dat in groote hoopen op den vloer werd bewaard. Maar het was nog de

tijd niet om van hun overwinning te genieten. Ze doorzochten eerst met

de grootste nauwkeurigheid de donkere, kale vertrekken. Ze sprongen

op den haard, die midden op den vloer stond, in de oude keuken

van het kasteel, en ze waren bijna in den put van de binnenkeuken

gevallen. Ze sloegen geen enkele van de smalle lichtopeningen over

bij hun onderzoek, maar ze vonden nog steeds geen zwarte ratten. Toen

die verdieping dus geheel en al in hun macht was, begonnen ze even

voorzichtig de volgende te onderzoeken. Weer moesten ze een moeielijke

en gevaarlijke klauterpartij door de muren ondernemen, terwijl ze in

ademloozen angst verwachtten, dat de vijand op hen aan zou vliegen. En

hoewel de heerlijkste geuren uit de korenhoopen verlokkend tot hen

kwamen, dwongen ze er zich toe met de grootste orde de door zuilen

gesteunde bediendenkamer van de vroegere knechts te onderzoeken--hun

steenen tafel en haard, de diepe vensternissen en het gat in den vloer,

dat men er in vroeger dagen had gemaakt, om daardoor kokende pik over

een binnendringenden vijand te kunnen gieten.

Nog steeds bleven de zwarte ratten onzichtbaar. De grijze zochten

hun weg naar de derde verdieping, waar de groote feestzaal van den

burchtheer was, die even naakt en kaal stond als alle andere; ze kwamen

heel tot in de bovenste verdieping, die uit een enkele groote, leege

ruimte bestond. De eenige plaats, waar ze niet aan dachten om die te

doorzoeken, was het groote ooievaarsnest op het dak, waar juist op

dat oogenblik de uilevrouw Akka wakker maakte, en haar mededeelde,

dat Flammea, de torenuil, haar wensch had vervuld, en haar zond waar

zij om vroeg.

Toen nu de grijze ratten zoo nauwkeurig het geheele kasteel hadden

onderzocht, voelden zij zich veilig. Ze begrepen, dat de zwarte

ratten gevlucht waren, en er niet aan dachten weerstand te bieden;

en ze sprongen met een vroolijk hart naar de korenhoopen.

Maar nauwelijks hadden de grijze ratten de eerste korenkorrels

opgegeten, of beneden van de plaats klonk het scherpe geluid van

een schel fluitje. Ze hieven den kop op, luisterden onrustig, deden

een paar sprongen, alsof ze van plan waren van de korenhoopen weg te

loopen, maar keerden toen terug, en begonnen weer te eten.

Weer klonk de fluit sterk en snijdend, en nu gebeurde er iets

wonderlijks. Eén rat, twee ratten,--ja, een heele troep liep weg van

het koren. Ze sprongen uit den korenhoop, en haastten zich langs den

kortsten weg naar den kelder om uit het huis weg te komen. Toch waren

er nog heel wat grijze ratten over. Zij dachten aan al de moeite, die

't hun had gekost om in het huis Glimmingen te komen, en ze wilden

't niet verlaten. Maar de tonen van de fluit bereikten hen nog eens,

en toen moesten ze gehoorzamen. Ze stortten in wilde vaart neer uit

den korenhoop, vlogen door de nauwe gaten in de muren, en rolden over

elkaar, in hun haast om naar buiten te komen.

Midden op de plaats stond een dwergje, dat op een fluit blies. Om zich

heen had hij al een heelen kring ratten, die verbaasd en bekoord naar

hem luisterden; en ieder oogenblik kwamen er meer bij. Eens nam hij

de fluit uit den mond om een langen neus tegen de ratten te kunnen

trekken, en toen scheen het, alsof zij lust hadden op hem aan te

vliegen en hem dood te bijten, maar zoodra hij blies had hij ze in

de macht.

Toen het dwergje alle grijze ratten uit het Huis Glimmingen had

gespeeld, begon hij langzaam van de slotplaats weg en den straatweg

op te loopen, en al de grijze ratten liepen hem na, omdat de tonen

van die fluit hun zóó liefelijk in de ooren klonken, dat ze die niet

konden weerstaan.

Het dwergje liep voor hen uit, en lokte hen met zich meê naar

Valby. Hij leidde ze in alle mogelijke kringen en bochten en scherpe

hoeken door hagen en langs dijken naar beneden, en waar heen hij ging

moesten ze meê. Hij blies onophoudelijk op zijn fluit, die van hoorn

scheen gemaakt te zijn, hoewel de horen zóó klein was, dat er in onze

dagen geen dier bestaat, waar die van zou kunnen zijn. Niemand wist ook

wie dat fluitje gemaakt had. Flammea, de torenuil, had het gevonden in

een nis in den toren van de domkerk in Lund. Zij had het aan Bataki,

den kraai, laten zien, en ze hadden samen uitgevonden, dat het zoo'n

horen was, als men vroeger placht te maken, wanneer men macht over

ratten en muizen wilde krijgen. De kraai was een vriend van Akka,

en door hem was zij te weten gekomen, dat Flammea zulk een schat bezat.

En het was waar, dat de ratten die fluit niet konden weerstaan. De

jongen liep vooruit, en speelde zoolang er sterren aan den hemel waren,

en ze liepen hem al dien tijd na. Hij speelde tot de morgen aanbrak,

hij speelde tot de zon opging, en aldoor volgde de heele schaar grijze

ratten hem en werden al verder en verder van den grooten korenzolder

op het Huis Glimmingen weggelokt.

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 27 / 140 题