In 't zuidoosten van Skaane, niet ver van de zee, ligt een oud kasteel,
dat "'t Huis Glimmingen" heet. Dat bestaat uit één enkel hoog, groot
en sterk steenen gebouw, dat mijlen ver over het vlakke veld te zien
is. 't Is maar drie verdiepingen hoog, maar 't is zoo geweldig groot,
dat een gewoon huis, dat op hetzelfde landgoed staat, er uitziet als
een stukje kinderspeelgoed.
Het groote steenen huis heeft zulke zware buiten- en binnenmuren en
dakgewelven, dat er van binnen niet veel plaats is voor iets anders
dan die dikke muren. De trappen zijn smal, de portalen klein, en er
zijn maar weinig kamers. Opdat de muren goed sterk zouden blijven,
zijn er maar enkele vensters in de bovenste verdiepingen en in de
benedenste heelemaal geen. Daar zijn maar smalle lichtgaatjes. In
de oude oorlogstijden waren de menschen even blij, als ze zich
in zoo'n sterk en geweldig huis konden opsluiten, als we nu zijn,
wanneer we in den bar kouden winter in een pels kunnen kruipen; maar
toen de goede vredestijd kwam, wilden ze niet meer in de donkere,
koude steenen kamers van het oude kasteel wonen. Ze hebben al lang
het groote huis Glimmingen verlaten en zijn naar woningen verhuisd,
die zoo zijn ingericht, dat licht en lucht er binnen kunnen komen.
In den tijd, dat Niels Holgersson met de wilde ganzen rondzwierf,
waren er dus geen menschen in 't huis Glimmingen, maar daarom waren
er toch inwoners genoeg. Op het dak woonden iederen zomer een paar
ooievaars in een groot nest; op den zolder leefden een paar katuilen;
in de verborgen gangen hingen vleermuizen, in den haard in de keuken
woonde een oude kat, en beneden in den kelder, waren eenige honderden
van het oude geslacht zwarte ratten.
Ratten waren juist niet gezien bij de andere dieren; maar de zwarte
ratten op 't huis Glimmingen maakten daar een uitzondering op. Er werd
altijd met achting over hen gesproken, omdat zij zoo dapper waren
geweest in den strijd met hun vijanden, en omdat ze zoo flink waren
geweest onder de groote ongelukken, die over hun volk waren gekomen.
Zij behoorden namelijk tot een rattenvolk, dat eens talrijk en machtig
was geweest, maar nu langzamerhand uitstierf. Jaren lang hadden de
zwarte ratten Skaane en 't geheele land in bezit gehad. Zij waren in
iederen kelder, op iederen zolder, in schuren en op dorschvloeren, in
provisiekamers en bakkerijen, in koe- en paardenstallen, in kerken en
kasteelen, in branderijen en molens, in alle gebouwen door menschen
opgetrokken; maar nu waren ze bijna overal uit verdreven en bijna
uitgeroeid. Alleen nog op een of andere ouderwetsche, eenzame hoeve
kon men er enkele ontmoeten, en nergens vond men ze in zoo grooten
getale als op 't huis Glimmingen.
Als een dierenvolk uitsterft, hebben meestal de menschen daar schuld
aan; maar dat was nu niet het geval. Wel hadden de menschen met
de zwarte ratten gestreden, maar zij hadden hun geen noemenswaarde
schade kunnen doen. Zij, die ze overwonnen hadden, behoorden tot een
volk van hun eigen stam: de grijze ratten genaamd.
Die grijze ratten hadden niet, zooals de zwarte ratten, sinds
oeroude tijden het land bewoond. Zij stamden af van een paar
arme landverhuizers, die zoowat een honderd jaar geleden in
Malmö aan land kwamen met een boot uit Lubeck. 't Waren daklooze,
uitgehongerde stumpers, die in de haven zelf hun verblijf hielden,
tusschen de steigers rondzwommen, en het afval aten, dat in het water
werd geworpen. Zij waagden zich nooit in de stad, die aan de zwarte
ratten toebehoorde.
Maar zoo langzamerhand, toen de grijze ratten in aantal toenamen,
werden ze moediger. Om te beginnen betrokken ze een paar verlaten
en onbewoonbaar verklaarde oude huizen, die de zwarte ratten hadden
verlaten. Zij zochten hun voedsel in de gootsteenen en op mesthoopen,
en namen voor lief allen rommel, die de zwarte ratten niet meer wilden
hebben. Ze waren standvastig, met weinig tevreden en onvervaard,
en in weinig jaren waren ze zoo machtig, dat ze zich voornamen de
zwarte ratten uit Malmö te verjagen. Ze namen hun zolders, kelders
en magazijnen af; hongerden ze uit of beten ze dood, want ze waren in
't geheel niet bang voor den strijd.
En toen Malmö was ingenomen, trokken ze voort in kleine en groote
troepen om het geheele land te veroveren. 't Is bijna onbegrijpelijk,
waarom de zwarte ratten zich niet bij elkaar voegden, en een
grooten gezamenlijken veldtocht op touw zetten om de grijze ratten
te vernietigen, toen er nog maar weinig waren. Maar de zwarte waren
zeker zóó overtuigd van hun macht, dat ze niet konden gelooven, dat het
mogelijk was die te verliezen. Ze leefden stil op hun bezittingen, en
intusschen namen de grijze ratten hun het eene landgoed na 't andere,
het eene dorp na het andere, de eene stad na de andere af. Ze werden
uitgehongerd, verdrongen, uitgeroeid. In Skaane hadden ze zich nergens
kunnen staande houden dan op het huis Glimmingen.
Het oude steenen huis had zulke vaste muren, en er waren zoo weinig
rattengangen daar door heen, dat het den zwarten ratten gelukt
was het te behouden en den grijzen ratten te beletten er binnen te
dringen. Jaar in jaar uit, nacht na nacht was er oorlog gevoerd met
aanvallen en verdediging, maar de zwarte ratten hielden trouw de wacht,
en vochten met de grootste doodsverachting, en dank zij dat heerlijke
oude huis, hadden ze nog altijd overwonnen.
't Moet gezegd worden, dat zoolang de zwarte ratten de macht in handen
hadden, ze door alle andere levende wezens even erg verafschuwd werden
als de grijze ratten nu, en met recht. Ze hadden arme gevederde
gevangenen overvallen, en hen gepijnigd, ze hadden zich aan lijken
te goed gedaan, zij hadden de laatste rapen uit de kelders der armen
gestolen, de pooten van slapende ganzen afgebeten, eieren en kleine,
donzige kuikentjes van de kippen weggeroofd, en duizenden misdaden
begaan, maar sinds ze in het ongeluk waren geraakt, scheen dit alles
vergeten te zijn, en ieder moest wel de laatsten van hun geslacht
bewonderen, zóó lang als zij het uitgehouden hadden in den strijd
tegen hun vijanden.
De grijze ratten, die op de plaats Glimmingen en in de omgeving
woonden, zetten steeds den strijd voort, en trachtten elke
toevallige gelegenheid te gebruiken om zich van het kasteel meester
te maken. Men zou meenen, dat ze dat kleine troepje zwarte ratten het
kasteel Glimmingen in vrede hadden kunnen laten houden, nu ze zelf
het heele verdere land gewonnen hadden, maar daar dachten ze niet
aan. Ze zeiden gewoonlijk, dat het een zaak van eer voor hen was,
eens de zwarte ratten te overwinnen, maar zij, die de grijze ratten
kenden, wisten wel, dat het alleen was, omdat de menschen het huis
Glimmingen als korenmagazijn gebruikten, dat zij geen rust hadden,
vóór zij het hadden ingenomen.