VITTSKÖVLE.

Een paar dagen later gebeurde er nog zoo iets wonderlijks. Een

troep wilde ganzen kwam op een morgen neerstrijken op een akker in

Oost-Skaane; niet ver van het groote landgoed Vittskövle. In den troep

waren dertien ganzen van de gewone grijze kleur en één witte ganzerik,

die op zijn rug een klein ventje droeg, gekleed in gele leeren broek,

groen vest, en een wit slaapmutsje. Ze waren nu heel dicht bij de

Oostzee, en op den akker, waar de ganzen waren neergestreken, was de

aarde met zand vermengd, zooals gewoonlijk aan de zeekust. Het scheen,

dat daar in die streek vroeger bewegelijk stuifzand was geweest,

dat vast gelegd had moeten worden, want op verscheiden plaatsen,

zag men groote dennenplantages.

Toen de wilde ganzen een poos geweid hadden, kwamen er een paar

kinderen aan in den greppel. De ganzen, die op wacht stonden, vlogen

dadelijk luid klapwiekend in de hoogte, opdat de heele troep zou

hooren, dat er gevaar was. Alle wilde ganzen vlogen op, maar de witte

bleef kalm op het veld loopen. Toen hij zag, dat de andere vluchtten,

richtte hij het hoofd op, en riep hen na: "Jelui hoeft niet weg te

vliegen voor die daar. Dat zijn immers maar een paar kinderen!"

't Kleine ventje, dat op zijn rug had gezeten, zat nu op een hoogtetje,

aan den kant van 't bosch, en plukte een dennenappel uit elkaar om

bij de zaadjes te kunnen komen. De kinderen waren zóó dicht bij hem,

dat hij niet over het veld naar de witte gans durfde te loopen. Hij

verstopte zich gauw onder een groot dor distelblad, en liet meteen

een waarschuwend roepen hooren.

Maar de witte scheen bepaald van plan zich niet bang te laten

maken. Hij bleef op het veld loopen, en keek niet eens, waar de

kinderen heengingen.

Zij weken intusschen van hun weg af, liepen over het veld en kwamen

op den ganzerik toe. Toen hij eindelijk opkeek, waren ze vlak bij

hem, en nu was hij zoo verbluft en verward, dat hij vergat, dat hij

vliegen kon, en haastig wegliep. De kinderen liepen hem achterna,

joegen hem in een sloot, en vingen hem daar. De grootste van hen nam

hem onder den arm, en droeg hem weg.

Toen het ventje, dat onder het distelblad lag, dat zag, sprong hij op,

alsof hij den ganzerik van de kinderen wilde afnemen. Maar toen dacht

hij er aan, hoe klein en machteloos hij was, en gooide zich neer op

het aardhoogtetje, en bonsde wanhopend met zijn vuistjes op den grond.

De ganzerik riep om hulp, zoo hard hij maar kon. "Duimelot, help me

toch, Duimelot, help me toch!"

Maar toen begon de jongen te lachen, midden in zijn angst. "Ja,

ik ben wel de rechte, om iemand te helpen," zei hij.

Toch stond hij op, en liep den ganzerik na. "Ik kan hem niet helpen,"

zei hij, "maar ik wil tenminste zien wat ze met hem uitvoeren."

De kinderen waren hem een heel eind vooruit, maar de jongen had

toch geen moeite hen in het oog te houden, tot hij aan een diepte in

't veld kwam, waar een lentebeek voortbruiste. Die was niet breed,

en stroomde niet hard, maar hij moest toch ver langs den kant loopen,

eer hij een plaats vond, waar hij over springen kon.

Toen hij tegen den kant was opgeklommen, waren de kinderen

verdwenen. Hij kon nog hun spoor zien op een smal pad, dat het bosch

inliep, en hij bleef het volgen.

Spoedig kwam hij aan een kruisweg, en hier moesten de kinderen van

elkaar zijn gegaan, want van daar gingen de sporen in verschillende

richting. Nu keek het ventje heelemaal verslagen.

Maar op hetzelfde oogenblik zag hij op een klein hoogtetje op de hei

een wit veertje. Hij begreep, dat de ganzerik het aan den kant van

den weg geworpen had om hem te wijzen, waar hij heen gedragen was, en

daarom zette hij zijn tocht voort. Hij volgde zoo de kinderen het heele

bosch door. Van den ganzerik zag hij niets, maar overal waar hij zich

in de richting vergissen kon, lag een wit veertje, en wees hem den weg.

De jongen volgde trouw de veertjes. Zij leidden hem uit het bosch,

over een paar akkers, een weg op en eindelijk door de laan van een

groot landgoed. Aan 't eind van de laan kon hij flauw gevels en torens,

met roode tegels bedekt, onderscheiden. Ze waren versierd met lichte

randen en ornamenten. Toen de jongen zag, dat daar een groot buiten

lag, meende hij wel te kunnen begrijpen, wat er van den ganzerik

geworden was. "De kinderen hebben stellig den ganzerik naar dit buiten

gebracht en hem hier verkocht, en dan is hij zeker al geslacht," zei

hij in zichzelf. Maar hij wou niet rusten, voor hij precies wist,

wat er gebeurd was, en liep voort met nog grooter haast. Hij kwam

niemand tegen in de laan, en dat was maar goed ook! Want zulken,

als hij, zijn gewoonlijk bang om door menschen gezien te worden.

Op het buiten, waar hij gekomen was, stond een prachtig oud gebouw,

in 't vierkant gebouwd om een slotplaats heen. Aan de oostzij was

een diepe gewelfde poort, die naar de slotplaats leidde. Tot zoover

liep het ventje door zonder te aarzelen, maar toen hij daar kwam,

stond hij stil. Verder waagde hij zich niet, maar hij bleef er over

staan denken, wat hij nu doen zou.

Het ventje stond nog met den vinger langs den neus te peinzen, toen

hij achter zich voetstappen hoorde, en toen hij zich omkeerde, zag

hij een heele schare menschen de laan opkomen. Hij sloop gauw achter

een waterton, die toevallig bij de poort stond, en verstopte zich daar.

Zij, die daar aankwamen, waren een twintig jonge mannen van een

volkshoogeschool, die een voetreisje deden. Er was een leeraar bij,

en toen zij aan de poort gekomen waren, vroeg deze hun daar even te

wachten, terwijl hij naar binnen ging om te vragen, of zij het oude

kasteel Vittskövle mochten bekijken.

De nieuw aangekomenen waren warm en moe, alsof ze een lange wandeling

gemaakt hadden. Een van hen had zoo'n dorst, dat hij naar de waterton

ging en zich voorover boog om te drinken. Hij had een botaniseertrommel

om den hals hangen, en hij vond zeker, dat die hem hinderde, want hij

gooide ze op den grond. Daardoor ging de deksel open, zoodat men zien

kon, dat er een paar lentebloemen in lagen.

De botaniseertrommel viel vlak bij het ventje neer, en nu vond hij,

dat er zich een uitstekende gelegenheid voordeed om in den burcht

te komen, en te hooren, wat er van den ganzerik geworden was. Hij

kroop vlug in de trommel, en verstopte zich, zoo goed hij kon, onder

anemonen en hoefblad.

Nauwelijks was hem dat gelukt, of de jongeman nam de botaniseertrommel

op, hing ze om, en sloeg den deksel dicht.

De leeraar kwam nu terug en zei, dat hij toegang tot het slot

had gekregen. Om te beginnen bracht hij hen niet verder dan de

slotplaats. Daar bleef hij staan, en begon over het oude gebouw

te spreken.

Hij herinnerde er hen aan, dat de eerste menschen, die in 't land

kwamen, in krotten en holen in den grond, in tenten van dierenhuiden en

rieten hutten hadden gewoond, en dat er veel tijd was voorbij gegaan,

eer ze bedacht hadden een huis te timmeren van boomstammen. En daarna:

hoe lang hadden ze niet moeten werken en zwoegen om zoover te komen,

dat ze een slot konden bouwen met honderd kamers, zooals Vittskövle!

Ongeveer driehonderdvijftig jaar geleden bouwden de rijken en

machtigen zich zulke kasteelen als dit, zeide hij. Men kon wel zien,

dat Vittskövle gebouwd was in een tijd, dat oorlog en roovers het

onveilig maakten in Skaane. Rond om het kasteel liep een gracht,

en daarover lag vroeger een brug, die kon worden opgehaald.

Boven het poortgewelf was nu nog een wachttoren; buiten langs de

muren van het kasteel liepen wachtgangen, en in de hoeken stonden

vaste torens met muren, die wel een meter dik waren.

De leeraar sprak lang en uitvoerig, en het ventje, dat in de

botaniseertrommel zat opgesloten, werd braaf ongeduldig; maar hij

moet toch heel stil gelegen hebben, want de eigenaar van de trommel

merkte in het geheel niet, dat hij hem bij zich had.

Eindelijk ging dan het geheele gezelschap het kasteel binnen, maar als

het ventje gehoopt had, gelegenheid te hebben uit de botaniseertrommel

te ontsnappen, dan had hij het mis. Want de leerling hield hem bij

zich, en hij moest meê door alle kamers.

't Werd een langdurige wandeling. De leeraar bleef elk oogenblik

staan om iets te verklaren, of de jongelui wat te leeren.

In een kamer was een oude haard, en daar bleef hij voor staan om te

vertellen van de verschillende stookplaatsen, die de menschen in den

loop der tijden hadden gebruikt. De eerste stookplaats binnenshuis

was een steenen plaat midden in de kamer geweest, met een opening voor

den rook midden in het dak, die regen en wind binnen liet, de tweede

was een groote gemetselde oven zonder schoorsteen geweest, en die

had wel de kamer verwarmd maar die ook met rook en damp gevuld. Toen

Vittskövle gebouwd werd, waren de menschen juist zoover gekomen,

dat ze open haarden hadden, met een wijden schoorsteen voor den rook,

maar die ook de meeste warmte meê de lucht in zonden.

Als dat kleine ventje ooit heftig en ongeduldig was geweest, kreeg

hij dien dag een goede gelegenheid om zijn geduld te oefenen. Nu had

hij al bijna een uur onbewegelijk gelegen.

In de volgende kamer, waar de leeraar kwam, bleef hij staan voor

een oud bed met een hoogen hemel en prachtige gordijnen, en dadelijk

begon hij te vertellen van bedden en slaapplaatsen in den ouden tijd.

Hij haastte zich niet. Maar hij wist ook niet, dat er een klein

stumpertje in de botaniseertrommel lag opgesloten, en er maar op

wachtte, dat hij zou ophouden. Toen hij bij een kamer kwam, met

goudleeren behang, begon hij te vertellen, hoe de menschen al van

de eerste tijden af hun wanden hadden bekleed; als hij bij een oud

familieportret kwam, vertelde hij van de vele vormen van kleederdracht,

en in de feestzalen beschreef hij de wijze, waarop men in vroeger

tijden bruiloften en begrafenissen hield.

Onder dit alles lag het ventje doodstil. Als hij ooit ondeugend was

geweest, en de kelderdeur achter Vader of Moeder had dichtgegooid,

dan kon hij nu voelen, hoe dat voor hen was geweest, want het duurde

uren vóór de spreker ophield.

Eindelijk ging de leeraar weer naar buiten op de plaats. En daar

vertelde hij er van, hoe lang de menschen hadden moeten werken om

zich werktuigen en wapens, kleeren en huizen, meubels en versiersels

te verschaffen. Hij zei, dat zoo'n oude burcht als Vittskövle als een

mijlpaal op den weg was. Daar kon men zien, hoe ver de menschen waren

gekomen voor driehonderd vijftig jaar geleden, en zelf beoordeelen,

of ze sinds dien tijd vooruit of achteruit waren gegaan.

Maar naar deze toespraak hoefde het ventje niet te luisteren, want

de leerling, die hem in zijn botaniseertrommel meê droeg, kreeg weer

dorst, en sloop naar de keuken om een beetje water te vragen. Toen nu

't ventje in de keuken werd gedragen, wou hij zeker probeeren eens

naar den ganzerik uit te zien. Hij was begonnen zich te bewegen,

en hierdoor drukte hij bij ongeluk zóó hard tegen den deksel,

dat die opensprong. Botaniseertrommels springen altijd open, en de

leerling dacht daar niet verder over na, maar drukte die eenvoudig

weer dicht. Maar toen vroeg het keukenmeisje, of hij een slang in de

trommel had.

"Neen, er zijn alleen wat planten in," antwoordde de leerling.

"Maar er was iets, dat zich bewoog," hield de kookster vol.

De leerling deed toen den deksel open om haar te laten zien, dat zij

zich vergiste: "Zie nu maar zelf of...."

Maar verder kwam hij niet, want nu durfde het dwergje niet langer

in de botaniseertrommel blijven. Hij sprong op den grond, en liep

weg. De meisjes konden nauwelijks zien wat het was, dat daar weg

sprong, maar ze liepen er alle hard achteraan.

De leeraar stond nog te praten, maar hij werd gestoord door luid

roepen. "Pak hem! Pak hem!" riepen zij, die uit de keuken kwamen, en

al de jonge mannen liepen het dwergje achterna, dat nog harder wegliep

dan een rat. Zij probeerden het den weg af te snijden in de poort,

maar het was niet makkelijk zoo'n kleintje te pakken te krijgen,

en hij kwam gelukkig naar buiten.

Hij durfde niet door de open laan te loopen, maar ging een anderen

kant uit. Hij vloog door den tuin, de plaats achter het huis op. En

steeds jaagden de menschen achter hem aan met geschreeuw en gelach. De

kleine stumper vloog voort zoo hard hij kon, maar 't scheen toch,

dat de menschen hem zouden inhalen.

Toen hij voorbij een arbeidershuisje liep, hoorde hij een gans kakelen,

en hij zag een wit veertje op de stoep liggen. Daar had hij eindelijk

den ganzerik. Hij was dus op den verkeerden weg geweest. Hij dacht

niet meer aan de meisjes en jongens, die hem achternazaten, maar klom

gauw de trappen in het gangetje op. Verder kon hij niet komen, want de

kamerdeur was dicht. Hij hoorde den ganzerik schreeuwen en jammeren

daarbinnen, maar hij kon de deur niet open krijgen. De groote jacht

achter hem aan, kwam al nader en nader, en in de kamer schreeuwde de

ganzerik steeds jammerlijker! In den uitersten nood nam het dwergje

al zijn moed bij elkaar, en bonsde met alle kracht op de deur.

Een kind kwam opendoen, en het dwergje keek de kamer binnen. Midden op

den vloer zat een vrouw, die den ganzerik vasthield om zijn vleugels

te knippen. Haar kind had hem gevonden, en zij wilde hem geen kwaad

doen. Ze wilde hem bij haar eigen ganzen laten, als ze alleen maar

zijn vleugels geknipt had, zoodat hij niet weg kon vliegen. Maar

een grooter ongeluk kon den ganzerik bijna niet overkomen, en hij

schreeuwde en jammerde, zoo hard hij maar kon. En 't was een geluk,

dat de vrouw niet eerder was begonnen met knippen. Nu waren nog

maar twee pennen door haar schaar gevallen, toen de deur openging,

en het dwergje op den drempel stond. Maar zooiets had de vrouw nog

nooit gezien. Zij kon niet anders denken, dan dat het de Goa-kabouter

zelf was, en ze liet van schrik de schaar vallen, sloeg de handen in

elkaar, en vergat den ganzerik vast te houden.

Zoodra die zich vrij voelde, sprong hij naar de deur. Hij had geen tijd

om stil te staan, maar in het voorbijgaan greep hij het dwergje bij

den kraag, en nam hem meê. En op de stoep sloeg hij de vleugels uit,

en vloog op in de lucht. Meteen maakte hij een sierlijke beweging met

den hals, en zette het dwergje op zijn gladden donzigen rug. En zoo

zweefden ze weg, hoog door de lucht, en heel Vittskövle stond ze na

te kijken.

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 22 / 140 题