Heel den langen dag, toen de ganzen met den vos speelden, lag de
jongen in een verlaten eekhoornsnest te slapen. Toen hij tegen den
avond wakker werd, was hij heel bezorgd.
"Nu word ik gauw naar huis gestuurd," dacht hij, "en dan moet ik me wel
aan Vader en Moeder vertoonen." Maar toen hij de wilde ganzen opzocht,
die zich baadden in 't Vombmeer, zei geen van hen er een woord over,
dat hij moest heengaan.
"Ze vinden zeker, dat de witte te moe is om vanavond met mij naar
huis te gaan," dacht de jongen.
Den volgenden morgen waren de ganzen al wakker bij 't aanbreken van
den dag, lang vóór zonsopgang. Nu was de jongen er van overtuigd, dat
hij naar huis moest, maar vreemd genoeg mochten de witte ganzerik en
hij meê op hun vroegen tocht. De jongen begreep niet wat de oorzaak
van dit uitstel was, maar toen maakte hij voor zichzelf uit, dat de
ganzen den ganzerik niet wilden wegsturen op zoo'n lange reis, voor
hij eerst flink zijn genoegen gegeten had. Maar hoe het ook was, hij
vond dat ieder uur, dat voorbij ging, vóór hij zich aan zijn ouders
vertoonen moest, winst was.
De wilde ganzen vlogen over het buiten van Övedklooster, dat in een
heerlijk park lag, ten oosten van het meer, en er prachtig uitzag
met zijn groot kasteel, zijn mooie steenen slotplaats, door lage
muren en paviljoens omgeven, en zijn mooien, ouderwetschen tuin met
geschoren hagen, dichte berceaux, vijvers, fonteinen en watervallen,
verrukkelijke boomen en kort geschoren grasvelden, omlijst door bonte
randen lentebloemen.
Toen de ganzen over dat groote buiten vlogen in den vroegen morgen,
was er nog geen mensch op. Toen ze daar zeker van waren, daalden
ze tot dicht bij het hondenhok en riepen. "Wat is dat hier voor een
klein hutje? Wat is dat hier voor een klein hutje?"
Dadelijk kwam de hond uit het hok, woedend, razend, en schold ze uit.
"Noem jelui dat een hutje? Jelui schooiers! Zie je niet, dat het een
groot kasteel van steen is? Zie je niet wat mooie muren het heeft? Zie
je al die vensters en de hooge poorten niet en dat prachtige terras,
wou, wou, wou! Noem je dát een hutje? Zie je dan den tuin niet,
en den boomgaard? Zie je dan de oranjerie niet? Zie je de marmeren
beelden niet? Noem jelui dit een hutje? Hebben hutjes dan een park,
waar beukenbosschen en kreupelhout van hazelaars zijn? En waar je
velden met loofboomen en eikenhagen en rijen dennen vindt, en een
hertenkamp vol herten, wou, wou, wou! Noem je dit een hutje? Heb
je ooit een hutje gezien met zooveel bijgebouwen, dat het wel
een heele stad leek? Jelui kent zeker veel hutjes, die hun eigen
kerk en pastorie hebben, en die macht hebben over landgoederen en
boerenhuizen en pachterijen en boerderijen, wou, wou, wou! Noem je
dát een hutje? Bij dat hutje hoort het grootste landgoed van Skaane,
jelui bedelaars! Waar jelui in de lucht hangt, kun je geen handbreed
grond zien, dat niet bij dit hutje hoort, wou, wou wou!"
Het lukte den hond dit alles in één adem uit te blaffen, en de ganzen
vlogen heen en weer over het landgoed, en luisterden naar hem, tot
hij even moest ophouden om op adem te komen. Maar toen riepen ze:
"Waarom ben je zoo boos? We vroegen niet naar het kasteel, we vroegen
enkel naar je hondenhokje."
Toen de jongen die grap hoorde, lachte hij eerst, maar toen kwam een
gedachte bij hem op, die hem op eens weer ernstig maakte: "Stel je eens
voor, hoeveel grappen je hooren zou, als je met de ganzen meê mocht
't heele land door, heel tot Lapland toe," zei hij in zichzelf. "Nu
ik er toch zoo akelig aan toe ben, was zoo'n reis 't beste, wat ik
bedenken kon."
De wilde ganzen daalden neer op een van de groote velden ten oosten
van het landgoed, om graswortels te eten, en dat deden ze uren lang. In
dien tijd ging de jongen in het groote park, dat aan de velden grensde,
zocht naar een notenhaag, en begon naar boven in de struiken te kijken,
of er niet hier en daar een noot was blijven hangen van den vorigen
herfst. Maar telkens kwam de gedachte aan de reis terug, terwijl hij
daar door het park liep. Hij stelde zich voor hoe prettig het wezen
zou met de wilde ganzen mee te gaan. Honger en kou lijden zou hij
zeker vaak genoeg, maar daarentegen zou hij ook vrij zijn van werken
en leeren.
Terwijl hij daar liep, kwam de oude leidstergans naar hem toe en vroeg,
of hij iets te eten had gevonden. Neen, dat had hij niet, zei hij,
en toen probeerde ze hem te helpen. Noten kon zij ook niet vinden,
maar ze ontdekte een paar rozebottels, die aan een wilde rozestruik
hingen. De jongen at ze met graagte op, maar hij dacht ondertusschen
wat Moeder er wel van zeggen zou, als ze wist, dat hij nu van rauwe
visch en overwinterde rozebottels leefde.
Toen de wilde ganzen eindelijk genoeg gegeten hadden, trokken ze weer
naar het meer, en daar vermaakten ze zich en speelden tot tegen den
middag. De ganzen daagden den witten ganzerik uit tot een wedstrijd in
alle mogelijke lichaamsoefeningen en spelen. Ze zwommen, sprongen en
vlogen om het hardst met hem, de groote tamme gans deed zijn best,
maar hij werd aldoor overwonnen door de vlugge, wilde ganzen. De
jongen zat aldoor op den rug van den ganzerik en moedigde hem aan,
en had evenveel pret als de anderen. 't Was een geschreeuw en een
gelach en gekakel, dat het een wonder was, dat de bewoners van het
kasteel hen niet hoorden.
Toen de wilde ganzen het spelen moe waren, vlogen ze naar het ijs en
rustten een paar uur. Den namiddag brachten ze bijna op dezelfde manier
door. Eerst een paar uur eten, dan baden en spelen in 't water aan den
kant van het ijs tot zonsondergang. Toen moesten ze gauw gaan slapen.
"Dat zou nu juist een leventje voor mij zijn," dacht de jongen,
toen hij onder den vleugel van den ganzerik kroop. "Maar morgen zal
ik wel naar huis gestuurd worden."
Eer hij insliep, lag hij er aan te denken, dat hij, als hij met
de wilde ganzen meê mocht, van alle standjes over zijn luiheid af
was. Dan mocht bij den heelen dag luieren, en zijn eenige zorg zou
zijn, dat hij moest zien iets te eten te krijgen. Maar hij had nu
zoo weinig noodig, dat dit wel terecht zou komen.
En dan dacht hij aan alles, wat hij te zien zou krijgen, en aan alle
avonturen, die hij meemaken zou. Ja, dat werd heel wat anders dan al
dat zwoegen en sjouwen thuis.
"Als ik maar met de wilde ganzen meê op reis mocht, dan zou ik er
niet bedroefd om wezen, dat ik betooverd ben," dacht hij.
Hij was alleen maar bang, dat hij naar huis zou worden gestuurd;
maar ook 's Woensdags zeiden de ganzen er niets van, dat hij weg
moest. Die dag ging op dezelfde manier voorbij als de Dinsdag, en
de jongen vond het leven in de wildernis steeds prettiger. Het was,
alsof hij het eenzame park bij Övedklooster, dat zoo groot was als
een bosch, voor zich alleen had, en hij verlangde niet terug naar
het enge kamertje en de akkertjes thuis.
Dien Woensdag dacht hij, dat de wilde ganzen van plan waren hem bij
zich te houden, maar Donderdag daarop gaf hij die hoop weer op.
De Donderdag begon op dezelfde manier als de andere dagen. De ganzen
weidden op de groote velden, en de jongen zocht naar voedsel in het
park. Na een poosje kwam Akka bij hem en vroeg, of hij al iets te
eten had gevonden. Neen, dat had hij niet, en toen zocht ze een droog
komijnenplantje voor hem, dat al zijn vruchtjes nog had.
Toen de jongen gegeten had, zei Akka, dat ze vond, dat hij al te
onvoorzichtig in het park rondliep. Ze zou wel eens willen weten,
of hij wist hoeveel vijanden hij had, waar hij voor oppassen moest,
hij, die zoo klein was. Neen, dat wist hij heelemaal niet, en nu
begon Akka ze voor hem op te noemen.
Als hij in het park liep, zei ze, moest hij oppassen voor den vos en
den marter; als hij aan 't strand kwam, moest hij om de otters denken;
als hij op het steenen plaatsje zat, moest hij den wezel niet vergeten,
die door het kleinste gaatje kruipen kon; als hij zou willen slapen
in een hoopje dorre bladen, moest hij eerst onderzoeken, of niet een
adder ook daar zijn winterslaap deed. Zoodra hij op 't open veld kwam,
moest hij den havik en den kievit, den arend en den valk in 't oog
houden, die hoog boven in de lucht zweefden. In de notenhaag kon hem
de sperwer vangen. Eksters en kraaien waren overal, en die moest hij
niet te veel vertrouwen, en zoodra de schemering inviel, moest hij
de ooren spitsen om te luisteren naar de groote uilen, die zoo stil
voortvlogen, dat ze vlak bij hem konden komen, eer hij het merkte.
Toen de jongen hoorde, dat er zóóvelen waren, die hem naar het leven
stonden, begreep hij wel, dat het volkomen onmogelijk was, dat hij
het kon behouden. Hij was niet zoo heel bang om dood te gaan, maar
hij vond het niet prettig om opgegeten te worden, en daarom vroeg
hij Akka wat hij doen moest om zich tegen de roofdieren te beschermen.
Akka antwoordde dadelijk, dat de jongen moest probeeren goede vrienden
te worden met de kleine dieren in 't bosch en op 't veld; met de
eekhoorns en de hazen, met vinken en meezen en leeuweriken. Als hij hun
goede vriend was geworden, konden zij hem voor gevaren waarschuwen, hem
schuilplaatsen bezorgen, en in hoogen nood konden ze zich vereenigen
en hem verdedigen.
Maar toen de jongen later op den dag dien raad wilde volgen, en zich
tot Sirle, den eekhoorn, wendde om hem om hulp te vragen, bleek het,
dat deze hem niet wilde helpen.
"Van mij of van de andere kleine dieren moet je niets goeds
verwachten," zei Sirle. "Meen je, dat wij niet weten, dat jij Niels,
de ganzenjongen, bent, die verleden jaar zwaluwnestjes vernielde,
spreeuweneieren kapot gooide, jonge kraaien in de mergelgroeve smeet,
lijsters in strikken ving en eekhoorns in de kooi zette? Jij moet
jezelf maar helpen, zoo goed je kunt, en wees maar blij, dat wij ons
niet tegen jou vereenigen en je terug jagen naar je familie."
Dat was nu juist een antwoord, dat de jongen vroeger niet ongestraft
zou gelaten hebben, als hij nog Niels, de ganzenjongen, was geweest,
maar nu was hij alleen bang, dat ook de wilde ganzen zouden hooren,
hoe ondeugend hij kon wezen. Hij was zóó bang geweest, dat hij niet
bij de wilde ganzen zou mogen blijven, dat hij zich ook niet aan het
kleinste kattekwaad had durven wagen, sinds hij met hen in gezelschap
was gekomen. 't Was wel waar, dat hij niet zóóveel kwaad had kunnen
doen, nu hij zóó klein was, maar hij kon toch nog veel vogelnestjes
hebben uitgehaald, en veel eieren stukgegooid, als hij daar lust in
had gehad. Nu had hij zich voortdurend goed gedragen, hij had geen
enkel veertje uit een ganzevleugel getrokken, nooit een onbeleefd
antwoord gegeven, en iederen morgen, als hij Akka had goedenmorgen
gezegd, had hij de muts afgenomen en een buiging gemaakt.
Den heelen Donderdag liep hij er over te denken, dat de wilde ganzen
hem zeker niet meê naar Lapland wilden nemen om zijn ondeugendheid. En
toen hij tegen den avond hoorde, dat de vrouw van Sirle, den eekhoorn,
was geroofd en haar kinderen op het punt waren dood te hongeren,
besloot hij hen te helpen, en wij hebben al gehoord hoe goed hem
dat gelukte.
Toen de jongen Vrijdags in het park kwam, zongen de bergvinken in
iedere struik, hoe de vrouw van Sirle, den eekhoorn, door wreede
roovers van haar teere jongen was weggevoerd, en hoe Niels, de
ganzenjongen, zich onder de menschen had gewaagd, en haar de kleine
eekhoorntjes gebracht had.
"Wie is nu zoo gevierd in 't park van Övedklooster als
Duimelot?" zongen de vinken, "hij, dien allen vreesden, toen hij nog
Niels, de ganzenjongen, was. Sirle, de eekhoorn, zal hem noten geven,
de arme hazen zullen met hem spelen, de reeën zullen hem op den rug
nemen en met hem vluchten, als Smirre, de vos, er aankomt, de meezen
zullen hem beschermen voor den sperwer, en vinken en leeuweriken
zullen van zijn heldendaad zingen."
De jongen was er vast van overtuigd, dat Akka en de wilde ganzen dit
alles hoorden, maar toch ging de heele Vrijdag voorbij, zonder dat
ze er iets van zeiden, dat hij bij hen blijven mocht.
Heel tot Zaterdag toe mochten de ganzen op de weiden om Öved grazen,
zonder door Smirre, den vos, te worden gestoord. Maar toen zij
Zaterdagmorgen op het veld kwamen, lag hij daar op den loer, en
vervolgde hen van de eene weide naar de andere, zoodat zij niets te
eten kregen. Toen Akka begreep, dat hij niet van plan was hen met rust
te laten, nam zij vlug een besluit, verhief zich hoog in de lucht,
en vloog met den heelen troep verscheiden mijlen ver over de vlakke
velden van Färs en de met jeneverbessen begroeide heuvels van den
bergrug van Linderöd. En ze daalden niet neer, voor ze in de buurt
van Vittskövle kwamen.
Maar daar werd de ganzerik gestolen, zooals we al verteld hebben. En
als de jongen niet alle kracht had ingespannen om hem te helpen,
was hij nooit weer terecht gekomen.
Toen de jongen met den ganzerik dien Zaterdagavond bij het Vombmeer
terug kwam, vond hij, dat hij een goed dagwerk had gedaan, en hij was
er nieuwsgierig naar, wat Akka en de wilde ganzen zouden zeggen. En
zij waren in 't geheel niet spaarzaam met hun lof, maar ze zeiden niet,
wat hij zoo verlangde te hooren.
Zoo werd het weer Zondag. Een heele week was nu voorbij gegaan,
sinds hij betooverd was, en nog steeds was hij even klein.
Maar het scheen, dat hij er niet hard om treurde. Dien Zondagmiddag
zat hij in een grooten, weelderig groeienden wilgestruik bij den kant
van het meer, en blies op een rietfluitje. Om hem heen zaten zooveel
meezen en vinken en spreeuwen, als de struik maar houden kon. En
ze kwinkeleerden liedjes, die hij probeerde na te spelen. Maar de
jongen was niet heel bedreven in de kunst. Hij blies zóó valsch,
dat de veeren bij al zijn kleine leermeesters te berge rezen, en
dat ze van wanhoop schreeuwden en fladderden. De jongen lachte zoo
hartelijk om hun opgewondenheid, dat hij zijn fluit liet vallen.
Hij begon weer van voren af aan, en 't ging even slecht, en alle
vogeltjes jammerden: "Vandaag speel je slechter dan gewoonlijk,
Duimelot. Je fluit niet één zuiveren toon. Waar zijn toch je gedachten,
Duimelot?"
"Ze zijn ergens anders," zei de jongen, en dat was waar. Hij zat er
aan te denken, hoe lang hij nog bij de wilde ganzen zou mogen blijven,
en of hij misschien al dezen dag naar huis zou worden gestuurd.
Op eens gooide de jongen de fluit weg, en sprong uit de struik op
den grond. Hij zag Akka en alle ganzen op zich toe komen in een
lange rij. Zij liepen zóó geweldig langzaam en plechtig, dat de
jongen dadelijk meende te begrijpen, dat hij nu zou te weten komen,
wat ze met hem voor hadden.
Toen ze eindelijk stilstonden, zei Akka: "Je hebt alle reden gehad je
over mij te verbazen, Duimelot, omdat ik je er niet eens voor bedankt
heb, dat je me uit de klauwen van Smirre, den vos, redde. Maar ik
dank liever met daden dan met woorden. En nu geloof ik, Duimelot,
dat het me gelukt is je een grooten dienst te bewijzen. Ik heb een
boodschap gestuurd aan den kabouter, die je heeft betooverd. In 't
begin wou hij er niet van hooren om je weer beter te maken, maar ik
heb hem de eene boodschap na de andere gestuurd, en hem laten zeggen,
hoe goed je je bij ons gedragen hebt. Hij laat je nu groeten en zeggen,
dat je, zoodra je weer thuiskomt, weer een mensch mag worden."
Maar stel je nu voor! Even blij als de jongen geweest was, toen
de wilde gans begon te spreken, even bedroefd was hij, toen ze
uitgesproken had. Hij zei geen woord, maar keerde zich om, en begon
te schreien.
"Wat in de wereld is dat nu?" zei Akka. "Het lijkt wel of je meer
van me hebt verwacht, dan ik je nu aanbied."
Maar de jongen dacht aan zorgelooze dagen en vroolijke grapjes,
aan avonturen en vrijheid, en tochten hoog boven de aarde, die hij
misloopen zou, en hij huilde hardop van droefheid.
"Ik geef er niet om, of ik een mensch word!" zei hij. "Ik wil met u
meê naar Lapland."
"Ik moet je wat zeggen," zei Akka. "Die kabouter is heel
lichtgeraakt. En ik ben bang, dat als je nu zijn aanbod niet aanneemt,
het je moeilijk vallen zal er hem later weer toe te bewegen een mensch
van je te maken."
Dat was nu vreemd van dien jongen: zoolang hij had geleefd, had
hij van niemand gehouden. Hij hield niet van zijn vader of moeder,
niet van den meester, niet van zijn kameraden, niet van de jongens in
de buurt. Alles wat die wilden, dat hij doen zou, spelen of werken,
had hij altijd vervelend gevonden. Daarom was er nu niemand, die hij
miste of naar wien hij verlangde. De eenige, met wie hij het wel
had kunnen vinden was Asa, het ganzenhoedstertje en kleine Mads,
een paar kinderen, die net als hij, ganzen hoedden. Maar echt van
hen houden deed hij ook niet. Neen, heelemaal niet.
"Ik wil geen mensch worden," snikte de jongen. "Ik wil met u meê naar
Lapland. Daarom ben ik een heele week zoet geweest!"
"Ik wil je niet beletten met ons meê te gaan," zei Akka, "zoover je
maar wilt. Maar denk er nu nog eens over, of je niet liever naar huis
wilt. Je kunt er later zoo'n spijt van hebben."
"Neen," zei de jongen, "er is niets om spijt van te hebben. Ik heb
het nooit zoo prettig gehad, als hier bij u."
"Nu, dan zullen we doen, wat je wilt," zei Akka.
"Dank u," zei de jongen, en voelde zich zóó gelukkig, dat hij schreide
en weende van blijdschap, zooals hij eerst van verdriet had geschreid.