Juist in die dagen gebeurde er in Skaane iets, waar veel over gesproken
werd, en dat zelfs in de courant kwam, maar dat velen voor een praatje
hielden, omdat zij niet in staat waren het te verklaren.
't Was namenlijk zoo: een eekhoorn was in een hazelstruik, die aan
den kant van het Vombmeer groeide, gevangen en naar een boerderij
in de buurt gebracht. Alle menschen in de boerderij, oude en
jonge, hadden pleizier in het mooie, kleine dier, met zijn grooten
staart, zijn verstandige, nieuwsgierige oogen en zijn kleine, nette
pootjes. Zij wilden den heelen zomer het genoegen hebben naar zijn
vlugge bewegingen, zijn handige maniertjes om noten te pellen, en zijn
vroolijke spelen te kijken. Ze maakten gauw een oude eekhoorn-kooi
in orde, die bestond uit een klein groengeschilderd huisje en een
wiel van ijzerdraad. 't Kleine huisje, dat een deur en vensters had,
moest de eekhoorn gebruiken als eet- en slaapkamer; daarom legden ze
daar een bed van bladen in, en zetten er wat melk en noten neer. Het
ijzerdraadwiel moest zijn speelkamer zijn, waar hij kon springen en
klauteren en ronddraaien.
De menschen meenden, dat zij heel goed voor den eekhoorn hadden
gezorgd, en ze waren er verwonderd over, dat hij niet scheen te
tieren. Hij zat bedroefd en knorrig in een hoek van zijn kamer, en
nu en dan liet hij een scherpen, klagenden kreet hooren. Hij roerde
het eten niet aan, en draaide het wiel geen enkele keer rond.
"Hij is zeker bang," zeiden de menschen op de boerderij. "Morgen,
als hij zich thuis voelt, zal hij wel eten en spelen."
Intusschen waren de vrouwen op de boerderij bezig met toebereidselen
voor een feest, en juist dien dag, toen de eekhoorn gevangen werd,
waren ze allen aan 't bakken. En òf ze hadden tegenspoed gehad met
het deeg, dat niet rijzen wou, òf ze waren langzaam geweest, want ze
moesten werken, lang nadat het donker geworden was.
Natuurlijk waren ze druk aan 't werk in de keuken, en er was zeker
niemand, die tijd had om te zien hoe de eekhoorn het had. Maar er
was een oud moedertje in huis, die te oud was om meê te bakken. Dat
begreep ze zelf wel, maar ze vond het in ieder geval niet prettig zoo
overal buiten te staan. Ze was bedroefd, en daarom ging ze niet naar
bed, maar bleef bij het venster zitten in de huiskamer, en keek naar
buiten. In de keuken hadden ze voor de warmte de deur open gezet,
en een heldere lichtschijn viel naar buiten op de plaats. 't Was
een ingebouwde plaats, en die werd nu zóó goed verlicht, dat de oude
vrouw de spleten en gaten in de verf op den muur aan den overkant kon
zien. Zij zag ook de kooi van den eekhoorn, die juist hing, waar 't
licht het sterkste viel, en ze merkte, dat de eekhoorn den heelen nacht
van zijn kamer in het wiel sprong en van 't wiel in zijn kamer, zonder
een oogenblik te rusten. Ze vond, dat het dier wonderlijk onrustig was,
maar ze dacht natuurlijk, dat het door het scherpe licht wakker bleef.
Tusschen den koestal en den paardenstal was er in de plaats een breede,
overdekte inrijpoort, en die lag zoo, dat zij ook werd verlicht. En
toen het wat later in den nacht was geworden, zag 't oude moedertje,
dat uit het poortgewelf zacht en voorzichtig een klein ventje kwam
sluipen, die niet meer dan een handbreed lang was; hij droeg klompen
en een leeren broek, zooals een gewoon arbeider. 't Oude moedertje
begreep dadelijk, dat het de kabouter was, en ze werd heelemaal niet
bang. Ze had altijd gehoord, dat hij op de plaats woonde, maar ze
had hem nog nooit gezien. En een kabouter bracht immers geluk, als
hij zich vertoonde.
Zoodra de kabouter over den steenen kant om de plaats heen gekomen
was, sprong hij regelrecht op de kooi van den eekhoorn toe, en omdat
die zoo hoog hing, dat hij er niet bij kon, ging hij naar de schuur,
waar het gereedschap stond, en haalde een lat, zette die tegen de
kooi en klauterde daarlangs naar boven op dezelfde manier, waarop de
zeeman tegen een touw opklautert. Toen hij bij de kooi gekomen was,
rukte hij aan de deur van het kleine groene huisje, alsof hij die
open wou maken; maar 't oude moedertje bleef heel kalm, want ze wist,
dat de kinderen een hangslot voor de deur hadden gehangen, uit angst,
dat de buurjongens zouden probeeren den eekhoorn te stelen. De oude
zag, dat, toen de kabouter de deur niet kon openkrijgen, de eekhoorn
naar buiten kwam in het wiel. Daar overlegden hij en de kabouter lang
met elkaar. En toen de kabouter alles gehoord had, wat het gevangen
dier hem te zeggen had, gleed hij langs de lat naar den grond, en
liep hard weg door de poort.
De oude vrouw dacht niet, dat zij dien nacht meer van den kabouter zou
te zien krijgen; maar zij bleef toch voor 't venster zitten. Na een
poos kwam hij terug. Hij had zóó'n haast, dat ze vond, dat zijn voeten
den grond bijna niet raakten, en hij liep gauw naar de kooi van den
eekhoorn. De oude vrouw zag hem duidelijk met haar vèrziende oogen,
en ze zag ook, dat hij iets in de handen hield, maar wat dat was,
kon ze maar niet begrijpen. Wat hij in de linkerhand had, legde hij
op de steenen neer, maar wat hij in de rechterhand had, nam hij meê
naar de kooi. Hier schopte hij met de klomp tegen 't kleine venster,
zoodat de ruit sprong en stak dat wat hij in de hand hield aan den
eekhoorn daarbinnen toe. Daarop gleed hij weer naar beneden, pakte
weer op, wat hij op den grond had gelegd, en klauterde ook daarmee
weer naar de kooi. En dadelijk daarna draafde hij weer weg met zulk
een haast, dat de oude vrouw hem nauwelijks met de oogen kon volgen.
Maar nu bleef ook 't oude moedertje niet langer stil in de kamer
zitten; ze liep heel stil naar buiten op de plaats, en ging in de
schaduw van de pomp staan, om den kabouter af te wachten. En er was
nog iemand, die hem opgemerkt had, en nieuwsgierig was geworden. Dat
was de huiskat. Zij kwam zacht aansluipen en bleef bij den muur staan,
een paar stappen van den heldersten lichtschijn af.
Zij stonden buiten lang te wachten in den kouden Maartnacht, en de
oude vrouw begon er over te denken om weer naar binnen te gaan, toen
ze geklepper op de steenen hoorde, en zag, dat de kleine kabouter er
weer aan kwam stappen. Net als de vorige keer, droeg hij iets in beide
handen, en dat, wat hij droeg, piepte en spartelde. En nu ging er een
licht voor 't oude moedertje op. Zij begreep, dat de kabouter naar
de notenhaag was geloopen, om de jongen van den eekhoorn te halen,
en dat hij ze bij haar bracht, opdat ze niet dood zouden hongeren.
De oude moeder bleef stil staan om hem niet te storen, en het scheen
ook niet, dat de kabouter haar opgemerkt had. Hij zou juist het eene
jong op den grond leggen om met het andere naar boven naar de kooi
te kunnen klimmen, toen hij de groene oogen van de huiskat dicht bij
hem fonkelen zag. Hij bleef radeloos staan met een jong in iedere hand.
Hij keerde zich om, keek naar alle kanten uit, en werd nu het oude
moedertje gewaar. Toen bedacht hij zich niet lang, maar ging naar
haar toe, en reikte haar het eene jonge eekhoorntje toe.
En 't oude moedertje wilde zich zijn vertrouwen waard toonen, boog
zich neer, en nam het jonge eekhoorntje aan. Zij bleef staan en hield
het vast, tot de kabouter met het eene naar boven, naar de kooi was
geklommen, en het andere kwam halen, wat hij haar had toevertrouwd. Den
volgenden morgen, toen de menschen op de boerderij bijeen kwamen om
koffie te drinken, kon 't oude vrouwtje niet laten te vertellen,
wat ze den vorigen nacht gezien had. En allemaal lachten ze haar
natuurlijk uit, en zeiden, dat ze het gedroomd had. Er waren geen
jonge eekhoorns zoo vroeg in het jaar.
Maar zij was zeker van haar zaak, en vroeg, of ze eens in de kooi van
den eekhoorn wilden kijken. En dat deden ze. En daar lagen op het bed
van dorre bladen in de kamer vier kleine, halfnaakte en halfblinde
jongen, die ten minste een paar dagen oud waren.
Toen de vader op de boerderij zelf de jongen zag, zei hij: "'t Mag
nu wezen, zooals 't wil, maar zeker is het, dat we ons voor dieren
en menschen moeten schamen." En hij nam den eekhoorn met alle jongen
uit de kooi, en legde ze in den schoot van het oude moedertje. "Ga
maar naar de notenhaag," zei hij, "en laat ze vrij."
Die gebeurtenis was het, die zooveel besproken werd en zelfs in de
courant kwam, maar die de meesten niet wilden gelooven, omdat ze niet
verklaren konden, hoe zooiets had kunnen gebeuren.