Toen antwoordde de jonge ganzerik: "Wacht even, wacht even, ik kom!"

Hij sloeg de vleugels uit, en hief zich op in de lucht; maar hij was

zoo weinig gewend te vliegen, dat hij weer op het veld viel.

De wilde ganzen hadden zijn roepen zeker gehoord. Zij keerden om en

vlogen langzaam terug, om te zien, of hij kwam.

"Wacht even! Wacht even!" riep hij en probeerde het weer. Dat alles

hoorde de jongen, waar hij zat.

"'t Zou toch geducht jammer zijn, als die groote ganzerik wegvloog. Wat

zouden Vader en Moeder bedroefd zijn, als ze uit de kerk kwamen,

en merkten, dat hij weg was."

Toen hij daaraan dacht, vergat hij weer heelemaal, dat hij klein en

onmachtig was. Hij stond met een sprong midden tusschen de ganzen,

en sloeg de armen om den hals van den ganzerik.

"Je zult het wel laten om weg te vliegen," riep hij. Maar juist op

dat oogenblik was de ganzerik er achter gekomen, hoe hij doen moest

om van den grond op te vliegen. Hij kon niet ophouden om den jongen

af te schudden, zoodat die mee de lucht in moest.

't Ging zóó snel in de hoogte, dat de jongen rilde. Eer hij er aan

dacht, dat hij de gans los moest laten, was hij zóó hoog gekomen,

dat hij doodgevallen zou zijn, als hij op den grond was neergekomen.

Het eenige, wat hij doen kon om het wat beter te hebben, was probeeren

om op den rug van den gans te komen. En daar kroop hij ook op, maar

niet zonder groote moeite. En ook was het geen kleinigheid zich

in balans te houden op dien gladden ganzerug, tusschen de twee op

en neer slaande vleugels. Hij moest diep in de veeren en het dons

grijpen met beide handen, om niet naar beneden te tuimelen.

Niels Holgersson's Wonderbare Reis · 第 14 / 140 题