De jongen kon maar niet gelooven, dat hij in een kabouter veranderd
was.
"'t Is zeker maar een droom--of verbeelding," dacht hij. "Als ik even
wacht, word ik wel weer een mensch."
Hij ging voor den spiegel staan, en sloot de oogen. Hij opende ze
eerst na een paar minuten, en verwachtte toen, dat het weer over zou
zijn. Maar dat was niet zoo: hij was en bleef even klein. Overigens
was hij precies, zooals hij geweest was. Het lichte vlashaar en de
zomersproeten op neus en lippen, de lappen op zijn leeren broek en
de stoppen in zijn kousen, alles was precies eender; alleen was alles
kleiner geworden.
Neen, stil te staan en te wachten tot het overging, dat diende nergens
voor; dat merkte hij wel. Hij moest wat anders probeeren. En het
verstandigste wat hij doen kon, was, meende hij, den kabouter op te
zoeken en zich met hem te verzoenen.
Hij sprong op den grond, en begon te zoeken. Hij keek achter stoelen
en kasten, en onder de slaapsofa, en in den oven. Hij kroop zelfs in
een paar rattegaten, maar hij kon den kabouter niet vinden.
Onder het zoeken schreide hij en smeekte, en beloofde alle mogelijke
dingen. Hij zou nooit weer zijn woord breken tegenover iemand, nooit
zou hij weer ondeugend zijn, nooit weer slapen onder de preek. Als
hij maar weer een mensch mocht worden, zou hij zoo'n beste, lieve,
gehoorzame jongen zijn. Maar wat hij ook beloofde, het hielp hem
geen zier.
Op eens kwam het hem in de gedachte, dat hij Moeder had hooren zeggen,
dat 't kleine volkje gewoonlijk in den koestal woonde, en hij besloot
dadelijk daarheen te gaan, om te zien of hij daar den kabouter niet
kon vinden. 't Was een geluk, dat de huisdeur op een kier stond,
want hij zou niet bij het slot hebben kunnen komen om die open te
doen. Maar nu kwam hij er zonder bezwaar door.
Toen hij in de gang kwam, keek hij rond naar zijn klompen, want
in de kamer had hij natuurlijk op kousen geloopen. Hij dacht er
met verwondering over, hoe hij zich redden zou met die groote,
lompe klompen, maar op 't zelfde oogenblik zag hij een paar kleine
klompjes op den drempel staan. Toen hij merkte, dat de kabouter zoo
zorgvuldig geweest was, dat hij zelfs zijn klompen veranderd had,
werd hij nog angstiger. 't Scheen wel de bedoeling te zijn, dat al
dit akelige lang zou duren.
Op de oude eikenhouten plank, die voor de gangdeur lag, sprong een
musch rond. Nauwelijks kreeg hij den jongen in 't oog, of hij riep:
"Tiliet! tiliet! Kijk eens naar Niels den ganzenjongen! Kijk eens
naar klein Duimpje! Kijk eens naar Niels Holgersson, klein Duimpje!"
Dadelijk keken de ganzen en de kippen naar den jongen, en daar begon
een geweldig gekakel: "Kukeleku!" kraaide de haan, "dat is zijn
verdiende loon. Kukeleku! hij heeft mij aan mijn kam getrokken!"
"Ka, ka, ka! Dat is zijn verdiende loon!" riepen de kippen, en dat
riepen ze maar al door.
De ganzen liepen naar elkaar toe, staken de koppen bij elkaar en
vroegen: "Wie kan dat gedaan hebben? Wie kan dat gedaan hebben?"
Maar het vreemdste van alles was, dat de jongen verstond wat ze
zeiden. Hij was zoo verbaasd, dat hij op het stoepje bleef staan
luisteren.
"Dat komt zeker, omdat ik in een kabouter ben veranderd," zei
hij. "Daarom zeker versta ik nu de taal van de vogels." Hij vond het
onuitstaanbaar, dat de kippen maar niet ophielden te roepen, dat het
zijn verdiende loon was. Hij gooide ze met een steen en riep. "Houdt
je stil, schooiers!"
Maar hij had er niet aan gedacht, dat hij niet meer zoo was, dat de
kippen bang voor hem hoefden te wezen. De heele troep kippen rende
op hem toe, ging om hem heen staan en riep: "Ka, ka, ka! dat is je
verdiende loon! ka, ka, ka! dat is je verdiende loon."
De jongen probeerde weg te komen, maar de kippen vlogen hem na, en
schreeuwden, zoodat hij er bijna doof van werd. Hij was zeker nooit
van hen afgekomen, als de huiskat er niet aan was gekomen. Zoodra
de kippen de kat zagen, werden ze stil en deden, alsof ze nergens
aan dachten dan aan krabben in den grond om eten te zoeken. De
jongen sprong dadelijk op de kat toe. "Lieve, beste poes," zei hij,
"je kent zeker wel alle hoekjes en gaatjes hier op de plaats. Wees
nu eens lief en vertel me, waar ik den kabouter kan vinden."
De kat antwoordde niet dadelijk. Zij zette zich neer, legde den
staart sierlijk om haar pootjes, en staarde den jongen aan. 't Was
een groote, zwarte kat met een witte vlek op de borst. Heur haar lag
glad en glansde in den zonneschijn. Zij had de klauwen ingetrokken,
en haar oogen waren egaal grijs, met enkel een klein smal spleetje
in het midden. De kat zag er innig bescheiden uit.
"Ik weet wel, waar de kabouter woont," zei ze met een zachte stem;
"maar 't is niet zeker, dat ik je dat vertellen wil."
"Lieve poes, je mag me wel helpen," zei de jongen. "Zie je niet,
hoe hij me betooverd heeft?"
De kat deed de oogen wat wijder open, zoodat het groene en leelijke
er in begon uit te komen. Ze spon en snorde van genoegen, vóór ze
antwoordde. "Moet ik je misschien helpen, omdat je mij zoo dikwijls
aan mijn staart getrokken hebt?" vroeg ze eindelijk.
Toen werd de jongen boos, en vergat heelemaal hoe klein en machteloos
hij nu was. "Ik kan je nog wel eens aan je staart trekken!" zei hij
en sprong op de kat toe.
Maar opeens was de kat zoo veranderd, dat de jongen nauwelijks kon
gelooven, dat het 't zelfde dier was. Ieder haar op haar lichaam
stond overeind. Ze zette een hoogen rug, de pooten werden langer, de
klauwen sloeg ze in den grond, haar staart was kort en dik geworden,
haar ooren lagen achteruit, de mond blies, de oogen stonden wijd open,
en ze gloeiden als rood vuur.
De jongen wou zich niet laten bang maken door een kat, en deed een
stap vooruit. Maar toen nam de kat een sprong, kwam boven op den
jongen neer, gooide hem onderste boven, en ging over hem heen staan
met de voorpooten op zijn borst, en den bek open boven zijn keel.
De jongen voelde hoe de klauwen door zijn vest en hemd in zijn
huid drongen, en hoe de scherpe hoektanden zijn keel kietelden. Hij
schreeuwde om hulp, zoo hard hij kon.
Maar niemand kwam, en hij geloofde vast, dat zijn laatste uur geslagen
was. Toen voelde hij, dat de kat haar klauwen introk en zijn keel
losliet.
"Zie zoo," zei ze, "nu is 't genoeg! Ik zal je dezen keer nog loslaten
ter wille van de vrouw. Ik wilde alleen maar, dat je weten zou,
wie van ons beiden nu de baas is."
Met die woorden liep de kat weg, en zag er weer even glad en
zachtzinnig uit, als toen ze kwam. De jongen was zoo beschaamd,
dat hij geen woord zei, maar zich haastte naar den koestal om den
kabouter te zoeken. Daar waren niet meer dan drie koeien. Maar toen
de jongen binnenkwam, begon er een gebrul en een spektakel, zoodat
men best kon denken, dat er minstens dertig waren.
"Boe, boe, boe," loeide Meiroos. "Het is maar goed, dat er
rechtvaardigheid in de wereld is."
"Boe, boe, boe!" hieven ze alle drie aan. Hij kon niet hooren wat ze
zeiden, zoo overschreeuwden ze elkaar.
De jongen wilde naar den kabouter vragen, maar hij kon zich niet
verstaanbaar maken, omdat de koeien in volslagen oproer waren. Zij
gedroegen zich, zooals ze gewoonlijk deden, als hij een vreemden hond
bij hen binnen liet. Ze sloegen met de achterpooten, schudden hun
halskettingen, keerden de koppen naar buiten en dreigden met de horens.
"Kom jij maar eens hier," zei Meiroos, "dan kun je een trap krijgen,
die je vooreerst niet vergeten zult."
"Kom hier," zei Goudlelie, "dan mag je dansen op mijn horens."
"Kom hier! dan zul je eens voelen hoe dat was, toen je mij met je
klompen gooide verleden zomer!" loeide Sterre.
"Kom hier, dan zal ik je de wesp betaald zetten, die je me in 't oor
gestopt hebt," schreeuwde Goudlelie.
Meiroos was de oudste en wijste van allen, maar zij was 't allermeeste
boos.
"Kom eens hier," zei ze, "dan zal ik je al de keeren betaald zetten,
dat je den melkstoel onder je moeder hebt weggerukt, en al de keeren,
dat je haar over je beenen hebt laten vallen, als zij met den melkemmer
aankwam, en al die tranen, die ze hier om jou heeft geschreid."
De jongen wilde hem zeggen, dat hij er berouw van had, dat hij zoo
leelijk tegen hen had gedaan, en dat hij nooit anders dan goed voor hen
wezen zou, als ze hem maar zeggen wilden, waar de kabouter was. Maar
de koeien luisterden niet naar hem. Ze maakten zulk een spektakel,
dat hij bang was, dat een van hen zich los zou rukken, en hij meende,
dat het maar het beste was uit den koestal weg te sluipen.
Toen hij weer buiten kwam, was hij recht moedeloos. Hij kon wel
begrijpen, dat niemand op de hoeve hem wou helpen om den kabouter te
vinden. En het zou ook wel niet veel helpen, al vond hij hem.
Hij kroop op den breeden steenwal, die rond om hun hoeve lag en
begroeid was met dorens en braamstruiken. Daar ging hij zitten om
er over te denken, hoe het gaan zou, als hij niet weer een mensch
werd. Als nu Vader en Moeder uit de kerk thuis kwamen, zouden ze
wel héél verbaasd zijn. Ja, de verbazing zou over het geheele land
gaan, en de menschen zouden komen van Oost Vemmenhög en van Torp en
van Skurup, van 't heele ambt Vemmenhög zouden ze komen om hem te
bekijken. En misschien zouden Vader en Moeder hem meênemen, om hem
op de markt te Vivik te vertoonen.
Neen dat was àl te vreeselijk om aan te denken. Hij wou het liefste,
dat maar nooit meer iemand hem zien zou.
Het was toch verschrikkelijk, zoo ongelukkig als hij was. Niemand in
de wereld was zóó ongelukkig als hij. Hij was geen mensch meer, maar
een wonder. Hij begon zoo langzamerhand te begrijpen, wat het zeggen
wou: geen mensch meer te zijn. Hij was nu van alles gescheiden: hij
kon niet meer met andere jongens spelen; hij kon later de hoeve niet
van zijn ouders overnemen; en hij kon zeker geen enkel meisje vinden,
dat met hem trouwen wou.
Hij zat naar zijn huis te kijken. 't Was een klein, wit gepleisterd
boerenhuisje in kruisvorm gebouwd, en het lag als neêrgedrukt in het
veld onder het hooge schuine stroodak. De bijgebouwtjes waren ook
klein, en de akkers waren zoo klein, dat een paard er zich nauwelijks
kon omkeeren.
Maar hoe klein en armoedig het plaatsje ook was, nu was het nog veel
te goed voor hem. Hij kon geen beter woning begeeren dan een gat
onder den vloer in den stal.
't Was wonderlijk mooi weer: de knoppen begonnen te zwellen, en om
hem heen was geruisch en gekwinkeleer. Maar hij zat in bitter verdriet
verzonken. Hij zou nooit meer ergens blij om zijn.
Hij had nog nooit den hemel zóó blauw gezien als dien dag. En de
trekvogels kwamen aanvliegen. Ze kwamen uit het buitenland en waren
over de Oostzee gereisd, recht op Smygehuk aan, en nu waren ze op weg
naar het noorden. Er waren zeker vogels van allerlei soort; maar hij
kende geen andere dan de wilde ganzen, die aankwamen in twee lange
rijen, die in een hoek samenvielen.
Verscheidene troepen wilde ganzen waren al voorbij gekomen. Ze
vlogen hoog in de lucht; maar hij kon toch hooren hoe ze riepen:
"Nu gaan we naar de rotsen! We gaan naar de rotsen!"
Toen de wilde ganzen de tamme ganzen zagen, die op de plaats liepen,
riepen ze: "Kom mee! Kom mee! Nu gaan we naar de rotsen!"
De tamme ganzen konden niet laten de koppen op te steken en te
luisteren. Maar ze antwoordden heel verstandig: "Wij hebben het goed
hier; wij hebben het goed hier!"
't Was, zooals we zeiden, een heerlijk mooie dag, met een lucht, zóó
frisch en licht, dat het een waar genot moest zijn te vliegen. En
bij iederen troep wilde ganzen, die voorbij vloog, werden de tamme
ganzen onrustiger. Een paar keer klapwiekten zij, alsof ze lust kregen
om meê te gaan. Maar dan zei altijd een van de oude ganzenmoeders:
"Wees nu niet dwaas. Die daar zullen nog honger en kou lijden."
Er was één onder de jonge ganzeriken, die door 't roepen van de
wilde ganzen een grooten lust tot reizen had gekregen: "Als er nog
één troep komt, ga ik meê," zei hij.
En toen kwam er een nieuwe troep, en riep als de andere: "Kom meê,
kom meê!"