De jongen werd zoo bedwelmd, dat hij lang niet wist wat er met hem
gebeurde. De lucht huilde en suisde hem te gemoet, de vleugels sloegen
op en neer, en door de veeren bruiste het alsof er een heele storm
was. Dertien ganzen vlogen om hem heen. Alle fladderden en kakelden,
alles draaide voor zijn oogen, en 't suisde in zijn ooren. Hij wist
niet, of ze hoog of laag vlogen, of waar ze heen gingen. Eindelijk
kwam hij zoover bij, dat hij begreep, dat hij op moest letten, waar
de ganzen hem heen brachten. Maar dat was niet zoo gemakkelijk, want
hij wist niet, hoe hij ooit naar beneden zou durven kijken. Hij wist
zeker, dat hij duizelig zou worden, als hij dat probeerde.
De wilde ganzen vlogen niet heel hoog, omdat hun nieuwe reiskameraad
in de allerfijnste lucht geen adem kon halen. Om hem vlogen zij ook
wat langzamer dan gewoonlijk.
Eindelijk dwong de jongen zich even naar de aarde beneden te
kijken. Toen was 't hem, alsof er een groote doek onder hem lag
uitgespreid, verdeeld in een ongeloofelijke massa kleine en groote
ruiten.
"Waar in de wereld ben ik nu gekomen?" vroeg hij zich verbaasd af.
Hij zag niets dan ruit aan ruit. Sommige waren schuin en sommige
langwerpig, maar overal waren er hoeken en rechte lijnen. Niets was
rond, en niets was er puntig.
"Wat is dat voor een groote geruite doek, dien ik daar beneden
zie?" zei de jongen in zichzelf, zonder van iemand antwoord te
verwachten.
"Akkers en weiden, akkers en weiden!" riepen dadelijk de wilde ganzen,
die om hem heen vlogen.
Toen begreep hij, dat de groote geruite doek de platte grond van Skaane
was, waar hij nu over heen vloog. En hij begon te begrijpen waarom
die er zoo geruit uitzag, en zoo veel kleuren had. De lichtgroene
ruiten herkende hij het eerst; dat waren de roggeakkers, die in
het vorige najaar bezaaid waren, en onder de sneeuw groen waren
gebleven. De geelgrijze waren de stoppelvelden, waar den vorigen
zomer koren gestaan had; de bruinachtige waren oude klavervelden, en
de zwarte waren leege weilanden of opgehoogde tuinbedden. De ruiten,
die bruin waren met gele randen, waren zeker beukenbosschen, want
daartusschen staan de groote boomen, die midden in 't bosch groeien,
kaal in den winter; maar de kleine beukjes aan den kant van het bosch,
behouden hun dorre gele blaadjes tot aan 't voorjaar. Daar waren ook
donkere ruiten met grijs in het midden: dat waren de groote hoeven in
het vierkant gebouwd, met de zwartgeworden stroodaken en de steenen
plaatsen in 't midden. En dan waren er ruiten, groen in 't midden en
met bruin omzoomd: dat waren de tuinen, waar 't gras al begon groen
te worden, terwijl de struiken en boomen er om heen nog naakt in hun
bruinen bast stonden.
De jongen kon niet laten te lachen, toen hij zag, hoe alles geruit was.
Maar toen de wilde ganzen hem hoorden lachen, riepen ze als
bestraffend: "Vruchtbaar en goed land! Vruchtbaar en goed land!"
De jongen was al weer ernstig geworden: "Hoe kan jij nu lachen! Jij,
wien 't allerergste is overkomen, wat een mensch gebeuren kan!" dacht
hij.
Hij bleef een poos ernstig, maar gauw begon hij weer te
lachen. Naarmate hij aan het vliegen en de sterke vaart was gewoon
geraakt, zoodat hij aan iets anders kon denken, dan aan het zich in
evenwicht houden op den ganzerug, begon hij op te merken, hoe vol de
lucht was van vluchten vogels, die naar het noorden vlogen. Er was
een roepen en schreeuwen van de eene vlucht naar de andere: "Zoo,
zoo! zijn jelui vandaag gekomen?" riepen sommigen. "Ja, dat zijn we,"
antwoordden de ganzen.
"Wat denk jelui van den winter?"
"Geen blad aan de boomen en koud water in de meren," klonk het
antwoord.
Toen de ganzen over een hoeve vlogen, waar tam gevogelte buiten liep,
riepen ze: "Hoe heet de hoeve? Hoe heet de hoeve?"
Toen stak de haan den kop op, en antwoordde: "De hoeve heet Lillgärde,
van 't jaar als verleden jaar, van 't jaar als verleden jaar."
De meeste hoeven heetten naar de eigenaars, zooals gewoonlijk in
Skaane, maar in plaats van te antwoorden, dat het de hoeve van Per
Mattson of Ola Persson was, bedachten de hanen namen, die zij gepast
vonden. Zij, die op armoedige hoevetjes of keuterboerderijtjes woonden,
riepen: "Deze hoeve heet "Grutteloos"." En zij, die op de allerarmste
woonden, riepen: "Deze heet "Deugt niet veel, Deugt niet veel! Deugt
niet veel!""
De groote, welgestelde boerenhoeven kregen mooie namen van de hanen,
als b.v.: "Geluksveld, Eierberg en Geldstad."
Maar de hanen van de groote buitens waren te deftig om wat grappigs te
verzinnen. Een van hun kraaide en riep zóó hard, alsof hij zich tot
geheel op de zon wou laten hooren: "Dit is 't landgoed Dybeck! Van
't jaar als verleden jaar, van 't jaar als verleden jaar!"
En wat verder op stond er een te roepen: "Dit is Zwanenholm. Dat moet
de heele wereld weten!"
De jonge merkte, dat de ganzen niet rechtuit voortvlogen. Zij zweefden
heen en weer over de heele provincie Söderslätt, alsof ze blij waren,
dat ze weer in Skaane waren, en iedere hoeve wilden begroeten.
Ze kwamen bij een plaats, waar een stuk of wat groote, zware gebouwen
stonden met hooge schoorsteenen, en daaromheen veel kleine huisjes:
"Dit is de suikerfabriek Jordberga," riepen de hanen. "Dit is de
suikerfabriek Jordberga!"
De jongen richtte zich met een ruk op. Die plaats had hij toch moeten
kennen. Die lag niet ver van zijn huis, en 't vorige jaar was hij daar
herdersjongen geweest. Maar alles zag er toch zoo heel anders uit,
als je het van boven af zag.
En stel je voor! Asa 't ganzenmeisje, en de kleine Mads, zijn kameraden
van verleden jaar! De jongen zou graag willen weten, of ze er nog
waren. Wat zouden ze wel zeggen, als ze wisten, dat hij zoo hoog over
hun hoofden heen vloog?
Toen verloren ze Jordberga uit het oog, en vlogen over dalen en meren
en kloosters en bergen. De jongen zag meer van Skaane op dien eenen
dag, dan hij ooit in zijn heele leven gezien had.
Als de wilde ganzen tamme ganzen zagen, hadden ze 't allermeest
pleizier. Dan vlogen ze heel langzaam en riepen naar beneden:
"Nu gaan we naar de rotsen. Gaan jelui meê, gaan jelui meê?"
Maar de tamme ganzen antwoordden: "De winter is nog in 't land. Jelui
zijn te vroeg! Ga terug, ga terug!"
De wilde ganzen vlogen nog lager om beter gehoord te worden, en riepen:
"Ga meê, dan zullen we jelui leeren vliegen en zwemmen!"
Dan werden de tamme ganzen boos, en antwoordden niet, zelfs niet
met gekakel.
Maar de wilde ganzen kwamen nog lager, zoodat ze het veld bijna
raakten, en dan vlogen ze omhoog als pijlen uit een boog, alsof ze
vreeselijk schrikten: "O! O! O!" riepen ze. "'t Waren geen ganzen! 't
Waren maar schapen, 't waren maar schapen!"
De ganzen beneden op 't veld werden heelemaal woest, en schreeuwden:
"'k Wou, dat jelui geschoten werden, allemaal! Allemaal!"
Toen de jongen al die plagerij hoorde, lachte hij. En dan dacht hij
er aan, hoe 't nu met hem was--en dan schreide hij weer. Maar na een
poosje lachte hij weer. Nooit te voren had hij zoo snel gereisd. En
hard en wild rijden, dat had hij altijd heerlijk gevonden. En hij
had zich natuurlijk nooit kunnen voorstellen, dat het boven in de
lucht zoo frisch was, en dat er van den grond zoo'n heerlijke geur
van mulle aarde en hars opsteeg. En hij had er ook nooit aan gedacht,
hoe 't zijn zou, daar zoo hoog over de wereld te vliegen. Dat was,
alsof hij wegvloog van alle bekommering en verdriet en ergernis,
die je maar bedenken kon.