Er was eens een jongen, die zoo ongeveer veertien jaar oud was, lang
en mager en met vlashaar. Hij was eigenlijk een deugniet: hij had 't
meeste pleizier in slapen en eten, en verder hield hij van kattekwaad.
Nu was het een Zondagmorgen, en de ouders van den jongen waren bezig
zich klaar te maken om naar de kerk te gaan. De jongen zelf zat in zijn
hemdsmouwen op den rand van de tafel, en dacht er aan hoe heerlijk
't was, dat Vader en Moeder allebei weggingen, zoodat hij een paar
uur lang zijn eigen baas zou zijn.
"Nu kan ik Vaders geweer nemen en een beetje schieten, zonder dat
iemand zich er meê hoeft te bemoeien," zei hij in zichzelf.
Maar 't scheen wel, dat Vader de gedachten van den jongen geraden
had, want juist toen hij op den drempel stond, klaar om heen te gaan,
bleef hij staan en keerde zich om.
"Nu je niet met Moeder en mij meê naar de kerk wilt gaan," zei hij,
"vind ik, dat je de preek ten minste wel hier thuis lezen kunt. Wil
je me beloven, dat je dat doen zult?"
"Ja," zei de jongen, "dat kan ik wel doen." En hij dacht natuurlijk,
dat hij niet meer lezen zou, dan waar hij lust in had.
De jongen vond, dat hij Moeder nooit zoo voortvarend had gezien. In
een wip was zij bij den boekenhanger, kreeg het preekenboek, en legde
het klaar op de tafel bij het venster, opengeslagen bij de preek van
den dag. Ze zocht in den bijbel den tekst van de preek op, en legde
't boek open naast het preekenboek. Toen trok zij den grooten leunstoel
bij de tafel, waarin anders niemand dan Vader zitten mocht, en die 't
vorige jaar op de verkooping in de pastorie van Vemmenhög was gekocht.
De jongen zat er op den tafelrand over te denken, dat Moeder zich al
te veel moeite gaf om de tafel in orde te maken, want dat hij niet
van plan was meer dan één of twee bladzijden te lezen. Maar nu was
het alweer, alsof Vader dwars door hem heen kon kijken. Hij ging op
den jongen toe en zei streng:
"Denk er nu om, dat je behoorlijk leest; want als we thuis komen,
zal ik je elke bladzij overhooren, en als je wat overgeslagen hebt,
kom je er niet gemakkelijk af."
"De preek is veertien en een halve bladzij lang," zei Moeder, alsof
ze de maat vol wou maken; "je mag wel gauw gaan zitten lezen, als je
hem uit wilt krijgen."
Toen gingen zij eindelijk heen, en toen de jongen hen in de deur stond
na te kijken vond hij, dat hij in den val geloopen was. "Nu loopen ze
er zich in te verheugen, dat zij 't zoo mooi in orde gemaakt hebben,
dat ik den heelen tijd met mijn neus in die preek zitten moet,
zoolang ze weg zijn."
Maar Vader en Moeder verheugden zich in 't geheel niet; integendeel,
ze waren heel bedroefd. Hij was een arme keuterboer, en hun hoeve
was niet veel grooter dan een tuintje. Toen ze er in 't begin kwamen
wonen, konden zij daar niet meer dan een varken en een paar kippen
houden; maar ze waren bizonder vlijtige en knappe menschen, en nu
hadden ze èn koeien, èn ganzen. Het was hun buitengewoon goed gegaan,
en ze zouden tevreden en blij naar de kerk zijn gewandeld, als ze
niet over hun zoon hadden hoeven denken. De vader klaagde er over,
dat hij traag en lui was. In school had hij niets willen leeren,
en hij was zoo onbruikbaar, dat men hem ternauwernood de ganzen kon
laten hoeden. En Moeder kon niet ontkennen, dat dit waar was, maar
zij was het meest bedroefd, omdat hij zoo wild en akelig was,--hard
tegen de dieren en boosaardig tegenover de menschen.
"God moge zijn boozen wil breken, en hem een ander hart geven,"
zei ze. "Anders wordt hij een ongeluk voor zichzelf en de onzen."
De jongen stond er lang over na te denken of hij de preek zou lezen of
niet. Toen was hij met zichzelf overeengekomen, dat het 't beste was
dezen keer gehoorzaam te zijn. Hij ging in den grooten leuningstoel
zitten, en begon te lezen. Maar toen hij een poosje lang de woorden
halfluid opgerabbeld had, was het alsof hij slaap kreeg van dat
gerabbel, en hij merkte, dat hij knikkebolde.
Buiten was het allerheerlijkst lenteweer. 't Was nog niet later in
't jaar dan de 20ste Maart, maar de jongen woonde in de gemeente
West Vemmenhög, heel in 't zuiden van Skaane, en daar was de lente
al in vollen gang. De boomen waren nog niet groen, maar alles stond
frisch en vol knoppen. Er was water in alle greppels, en het hoefblad
stond in bloei aan den kant van den greppel. Al 't kreupelhout, dat
op het steenen walletje om den akker groeide, was bruin en glanzend
geworden. Het beukenbosch in de verte stond als 't ware te zwellen,
en werd ieder oogenblik dichter. De hemel was hoog en helder blauw. De
huisdeur stond op een kier, zoodat men in de kamer de leeuweriken
hoorde zingen. De kippen en ganzen liepen in den tuin, en de koeien,
die zelfs in den stal de lentelucht voelden, begonnen nu en dan te
loeien. De jongen las en knikkebolde, en streed tegen den slaap.
"Neen, ik wil niet slapen," dacht hij, "want dan kom ik er den heelen
morgen niet door."
Maar hoe dat nu kwam--hij sliep in.
Hij wist niet, of hij lang of kort geslapen had, maar hij werd wakker
door een licht gedruisch achter hem. Op de vensterbank recht voor
den jongen stond een spiegeltje, en daarin kon hij bijna de heele
kamer zien. Juist toen nu de jongen het hoofd oplichtte, keek hij
toevallig in den spiegel, en toen zag hij, dat de deksel van Moeders
kist openstond.
Nu had Moeder een groote, zware, met ijzer beslagen eikenhouten kist,
die nooit iemand anders dan zijzelf mocht opendoen. Daar bewaarde
Moeder alles, wat zij van haar moeder geërfd had, en waar zij bizonder
goed op paste. Daar lagen een paar ouderwetsche boerinnenpakjes
van rood laken met korte lijfjes en geplooide rokken, en met kralen
versierd borststuk. Daar waren gesteven witte hoofddoeken en zware
zilveren broches en kettingen. De menschen wilden nu zooiets niet
meer dragen, en Moeder had er al vaak aan gedacht, die oude dingen
weg te doen, maar zij had het niet over haar hart kunnen verkrijgen.
Nu zag de jongen in den spiegel heel duidelijk, dat de deksel van
die kist open stond. Hij kon niet begrijpen hoe dat gekomen was,
want Moeder had de kist afgesloten, eer ze heenging. 't Zou Moeder
niet overkomen, dat zij de kist open liet, als hij alleen thuis was.
Hij vond het griezelig. Hij was bang, dat een dief de kamer was
binnengeslopen. Hij durfde zich niet verroeren, maar zat stil in den
spiegel te staren.
Terwijl hij zoo zat te wachten, tot de dief zich vertoonen zou, begon
hij er zich over te verwonderen, wat dat toch voor een schaduw was,
die over den rand van de kist viel. Hij keek en keek, en kon zijn
oogen bijna niet gelooven. Maar wat in 't begin maar een schaduw was,
werd al duidelijker, en hij merkte al gauw, dat het iets werkelijks
was. 't Was niet meer of minder dan een kabouter, die als een ruiter
te paard op den rand van de kist zat.
De jongen had wel over kabouters hooren spreken, maar hij had nooit
gedacht, dat zij zóó klein konden zijn. Hij, die daar op den rand
van de kist zat, was niet grooter dan een handbreed. Hij had een oud,
rimpelig gezicht, zonder baard, en droeg een zwarten rok, korte broek
en een zwarten hoed met breeden rand. Hij was heel netjes en keurig
met witte kant om hals en mouwen, gespen op de schoenen, en kousebanden
met rozetten dichtgeknoopt. Hij had uit de kist een geborduurd mutsje
genomen, en zat zóó aandachtig naar het ouderwetsche werk te kijken,
dat hij niet gemerkt had, dat de jongen wakker geworden was.
De jongen was heel verbaasd, toen hij den kabouter zag, maar zoo erg
bang werd hij niet. 't Was onmogelijk om bang voor iemand te worden,
die zoo klein was. En omdat de kabouter daar zoo in gedachten verdiept
zat, dat hij niets zag of hoorde, dacht de jongen, dat het grappig
zou zijn hem een poets te spelen: hem in de kist te duwen, en den
deksel dicht te klappen, of zoo iets.
Maar de jongen was toch niet zoo moedig, dat hij den kabouter durfde
aan te raken met zijn handen; hij keek in de kamer rond naar iets,
waar hij hem een stootje meê geven kon. Hij liet zijn oogen van de
klaptafel naar de kachel gaan, en van de kachel naar de klaptafel. Hij
keek naar de pannen en de koffiekan, die op een plank naast de kachel
stonden, naar den wateremmer bij de deur, en naar lepels, en messen,
en vorken, en schalen, en borden, die door de halfopen kastdeur te
zien waren. Hij keek op naar Vaders geweer, dat aan den wand naast de
portretten van de Deensche koningsfamilie hing, en naar de geraniums
en fuchsia's, die in 't venster bloeiden. Eindelijk viel zijn oog op
een oud kapellennet, dat aan het kozijn hing.
Nauwelijks had hij het net in het oog gekregen, of hij trok het naar
zich toe, sprong op, en zwaaide het over den kant van de kist. En hij
was zelf verbaasd, dat het hem zoo meeliep. Hij begreep bijna niet,
hoe hij dat klaar gespeeld had, maar hij had werkelijk den kabouter
gevangen. De stumper lag onder in het lange net, met het hoofd naar
beneden, en kon niet naar boven komen.
In 't eerst wist de jongen heelemaal niet, wat hij met zijn vangst
beginnen zou. Hij vond het alleen vermakelijk het net heen en weer
te zwaaien, zoodat de kabouter geen gelegenheid zou hebben naar boven
te kruipen.
De kabouter begon te praten, en smeekte zoo innig om vrij te komen. Hij
had hun zooveel jaren lang goed gedaan, en was een beter behandeling
waard. Als de jongen hem nu losliet, zou hij hem een ouden rijksdaalder
geven en een zilveren lepel en een gouden munt, zoo groot als de kast
van zijn vaders horloge.
De jongen vond niet, dat dit bod groot genoeg was, maar het was hem
zoo gegaan--nu hij den kabouter in zijn macht had--was hij bang voor
hem geworden. Hij merkte, dat hij met iets vreemds en griezeligs in
aanraking gekomen was, en hij was maar blij, dat hij van dat duivelsche
gedoe weer afkomen kon.
Hij ging daarom dadelijk op den koop in, en hield het net stil, zoodat
de kabouter er uit kruipen kon. Maar toen die er bijna uitgekropen
was, viel het den jongen in, dat hij grooter schatten had moeten
bedingen, en alle mogelijke heerlijkheden. Ten minste had hij dit
moeten bedingen, dat de kabouter hem de preek in 't hoofd zou tooveren.
"Wat was ik dom, dat ik hem vrij liet," dacht hij, en hij begon het
net te schudden, opdat de kabouter weer naar beneden zou vallen.
Maar op hetzelfde oogenblik, dat de jongen dat deed, kreeg hij zoo'n
vreeselijke oorvijg, dat hij meende, dat zijn hoofd in stukken zou
springen. Hij vloog eerst tegen den eenen wand, en toen tegen den
anderen, en eindelijk viel hij op den grond, en bleef daar bewusteloos
liggen.
Toen hij weer bijkwam, was hij alleen in de kamer. Hij zag geen
spoor meer van den kabouter. De deksel van de kist was gesloten,
en het net hing weer op zijn gewone plaats in het venster. Als hij
niet gevoeld had, hoe zijn rechterwang gloeide van de oorvijg, zou
hij in de verzoeking gekomen zijn te gelooven, dat alles maar een
droom geweest was.
"Vader en Moeder zullen in alle geval wel beweren, dat het niet
anders geweest is," dacht hij. "Zìj zullen wel niets van de preek
willen aftrekken om den kabouter. Het is het beste, dat ik maar gauw
ga zitten lezen."
Maar toen hij nu naar de tafel ging, merkte hij wat wonderlijks
op. De kamer kon toch niet gegroeid zijn! Maar hoe kwam het dan, dat
hij zooveel meer stappen moest doen dan gewoonlijk om bij de tafel te
komen? En wat bezielde den stoel? Die zag er niet grooter uit dan zoo
pas. Maar hij moest eerst op de sporten tusschen de pooten klimmen en
dan verder klauteren om op de zitting te komen. En 't ging al net zoo
met de tafel. Hij kon niet over het blad van de tafel heen kijken,
zonder op de leuning van den stoel te klimmen.
"Wat in de wereld is dat toch!" zei de jongen. "Ik geloof, dat de
kabouter den leuningstoel en de tafel en de heele kamer betooverd
heeft."
't Preekenboek lag op de tafel, en schijnbaar was het precies als
anders, maar daar moest toch ook iets aan mankeeren, want hij kon er
geen woord in lezen, zonder gewoon weg op het boek te gaan staan.
Hij las een paar regels, maar toen keek hij toevallig op. Daardoor
viel zijn oog op den spiegel, en toen riep hij hardop: "Kijk, daar
is er nog een!"
Want in den spiegel zag hij duidelijk een klein, klein kaboutertje,
gekleed met een slaapmutsje en een leeren broek aan. "Die is
precies gekleed als ik," zei de jongen, en sloeg de handen in elkaar
van verbazing. Maar toen zag hij, dat de kabouter in den spiegel
hetzelfde deed.
Toen begon hij zich aan zijn haren te trekken en zich in de armen te
knijpen en rond te draaien, en oogenblikkelijk deed hij daar in den
spiegel het hem na.
De jongen sprong een paar keer rond, om te zien of er een of ander
klein kereltje achter hem stond. Maar hij vond niemand--en toen begon
hij van schrik te beven. Want nu begreep hij, dat de kabouter hem
betooverd had, en dat de kabouter, dien hij daar in den spiegel zag,
niemand anders was dan hijzelf.