De kleine gestalte van den Franschman scheen krachtiger te worden. Zijn
oogen fonkelden.
Misschien zou hij nu zijn doel bereiken. En het besluit stond bij hem
vast, den vijand op te zoeken, om zich zekerheid te verschaffen.
Hij riep den kellner, betaalde en verliet met veerkrachtigen tred het
café. Toen riep hij een auto aan en liet zich naar Goldhawke Road
brengen.
Met haastigen tred liep hij den hem welbekenden voortuin door en haalde
de bel over.
Voor zijn ongeduld duurde het veel te lang, voordat de deur geopend
werd en hij wilde, als naar gewoonte, vlug het huis betreden, toen
Timmy hem tegemoet trad.
Zooals Baxter was teruggeschrikt, trad ook Fournier ontsteld achteruit
bij den aanblik van het grijnzende negergelaat.
Wederom klonk de stereotiepe vraag van den neger:
„Hoe jij heeten?”
De Franschman was geprikkeld. Hij haalde de schouders op en wilde den
neger op zij duwen, doch deze gaf den bezoeker op boksersmanier een
stoot in de maagstreek.
Fournier week achteruit.
De neger grijnsde met breeden mond en herhaalde:
„Hoe jij heeten?”
Daar de handelaar in blanke slavinnen wel inzag, dat er tegen den neger
niets was te beginnen, noemde hij zijn naam.
Als hij gedacht had, thans te worden binnengelaten, had hij zich
vergist, want de deur werd voor zijn neus dichtgeklapt.
Zijn geduld werd op een harde proef gesteld, want vele minuten
verliepen en de neger kwam niet terug.
Fournier was in den laatsten tijd erg nerveus geworden.
Hij stond nu van ongeduld te trappelen en ten slotte ging hij zoo
geweldig aan de schel trekken, dat het dreunde door het huis.
Toen ook dat niet hielp, begon hij de deur met handen en voeten te
bewerken.
Dat lawaai scheen dan toch te helpen, want de deur werd opnieuw
geopend.
De neger verscheen weer, grijnsde verschrikkelijk en zeide:
„Meester èrg ziek; maak niet zoo lawaai, anders Timmy jou slaat.”
De zwarte dreigde met de vuisten.
Maar Fournier lette daar niet op. Hij vloog de trap op en de
studeerkamer binnen, waar hij zijn vroegeren vriend dacht te vinden.
Toen hij binnentrad, zat deze weer, in dekens en kussens gehuld, in den
leuningstoel.
Fournier stormde naar Van Brixen toe.
„Heb je een spoor van Raffles gevonden?”
De zieke antwoordde niet dadelijk.
Hij hield een hand voor den mond en steunde zachtjes.
Of was het een onderdrukt lachje, dat hij te voorschijn bracht?
Fournier kookte van ongeduld.
„Wat is dat voor een manier,” stoof hij op, „om mij zóó te behandelen!
Aan wien lag de schuld, dat wij destijds boos van elkaar zijn gegaan?
Aan jou—niet aan mij!—Zeg nou op! Heb je een spoor van Raffles
gevonden?”
Weer klonk dat eigenaardig geluid.
Maar wat was dat?
Daar richtte de zieke zich plotseling zonder eenige hulp uit den stoel
op en vroeg met welluidende stem:
„Vraagt ge mij, of ik iets van Raffles heb gehoord?”
Ontzet deinsde de Franschman achteruit.
Met groote oogen keek hij den spreker aan. De haren rezen hem te berge
en met de handen sloeg hij in de lucht, als wilde hij ergens steun
zoeken.
Zijn adem stokte en eindelijk stiet hij uit:
„Raffles! Dat is Raffles zelf!—Te hulp!”—
Voordat hij verder kon schreeuwen, had de zwarte hem gepakt en hem de
hand op den mond gelegd.
De vermeende Van Brixen stond voor hem en lachte hartelijk. Toen haalde
deze een touw uit den zak en bond den ander aan handen en voeten.
De neger had den Franschman een prop in den mond gestopt en nu droegen
zij den spartelende naar een zijkamer en legden hem daar op een divan
neer.
Daarna keerde John Raffles—want hij was het inderdaad—met den neger in
de studeerkamer terug.
„Ziezoo, Charly,” sprak hij, „nu hebben we den knaap. We zullen nu eens
zien of we hem met behulp van den braven Baxter niet onschadelijk
kunnen maken.”
„Ik ben bang, Edward, dat die dolle streek ons nog in moeilijkheden
brengt.”
„Hazenhart”, spotte Raffles en hij liet zich met Scotland Yard
verbinden.
„Hier Baxter!” klonk het.
„Hier Van Brixen! Het spijt me, inspecteur, dat ik u alweer moet lastig
vallen. Er is zoo juist een groot ongeluk in mijn huis gebeurd. Nadere
bijzonderheden kan ik u onmogelijk per telephoon meedeelen. Kom dus zoo
gauw mogelijk naar hier!”
De inspecteur beloofde het.
Raffles legde de microfoon op het toestel en stak een sigaret op.
„Over een kwartier kan hij hier zijn en dan kan het spelletje
beginnen.”
Nauwelijks was een kwartier verstreken, toen de huisschel overging.
Raffles kroop weer in de vermomming en ging in den leunstoel zitten.