Toen Baxter het huis betrad, zag hij, dat de neger buiten zich zelf
was.
Hij sloeg met de vuisten zich tegen den kroeskop en riep uit:
„O, master, hij zoo dom is, zoo dom! Hij roept zoo dwaze dingen!”
Verschrikt vroeg Baxter:
„Wie? Van Brixen?”
„O, no master, die andere kleine man!”
Baxter ging naar boven.
Ook Van Brixen scheen buiten zich zelf te zijn.
Hij wrong de handen en steunde:
„O, beste inspecteur! Wat een ongeluk! Wat moet ik met dien armen kerel
beginnen!”
„Maar wat is er dan om ’s hemels wil gebeurd?”
„Och ja, dat is waar ook. Je weet nog niets! Luister.
„Een paar uur geleden kwam mijn oude vriend Fournier mij bezoeken. Die
brave kerel had zeker gehoord, dat ik ziek ben. Ik vertelde hem van
mijn ziekte en dat ik had besloten, alles te verkoopen. Ik wilde hem
nog een paar kostbaarheden geven en toen hij bezig was een en ander uit
te zoeken, nam hij plotseling een kostbare vaas, wierp die op den grond
en schreeuwde:
„„Daar is Raffles!”
„Ik wist niet, wat er gebeurde en vroeg:
„„Wat scheelt er aan, Fournier?”
„Toen draaide hij zich plotseling om, sprong mij naar de keel, trachtte
mij te worgen en riep maar steeds: „Jij bent Raffles! Jij bent
Raffles!” Als Timmy mij niet te hulp was gekomen, zou hij mij zeker
vermoord hebben.”
De zieke hield, uitgeput, op.
De inspecteur had vol aandacht geluisterd. Toen zei hij:
„Ik heb het wel gedacht. Fournier had allang dat idee fixe. Nu is het
tot een uitbarsting van krankzinnigheid gekomen.”
„Ja, ja, zoo is het!” hijgde de zieke.
„Waar hebt ge den ongelukkige gelaten?”
„Timmy heeft hem overmeesterd en daar wij ons leven niet zeker waren,
hebben we hem gebonden en in de kleine kamer hiernaast gelegd. De
aanval schijnt nu voorbij te zijn, want hij is geheel kalm.”
„Zoo’n aanval kan gauw terugkomen.”
Het scheen dat de inspecteur gelijk had, want nu klonk het weer uit de
aangrenzende kamer:
„Die schurk, die dief is daar! Help! Help! Daar is Raffles!
„Heb ik het niet gezegd?” vroeg Baxter.
„Ja, inderdaad, ge hebt gelijk!”
„Laat ons maar eens naar hem gaan kijken.”
Het drietal ging naar de andere kamer. Van Brixen leunde op Timmy’s
schouder en strompelde voort.
De gebonden man begon opnieuw los te barsten.
„Daar is de schurk! Neem hem gevangen, mijnheer Baxter! Het is
Raffles!”
Baxter schudde het hoofd en zei tegen Van Brixen:
„Gaat u liever heen. Onze tegenwoordigheid schijnt hem verbazend op te
winden.”
Met meewarigen blik keek Van Brixen naar zijn vriend en fluisterde:
„Die arme Fournier!”
Toen verliet hij het vertrek.
De Franschman begon met iedere minuut harder te schreeuwen:
„Laat hem toch niet ontsnappen, mijnheer Baxter, en maak mij toch vrij!
Ge lijkt wel gek!”
Op goedigen toon zei Baxter:
„Ja, ja, beste vriend dat is Raffles! Zeker! Ik zal hem dadelijk
arresteeren! We nemen een automobiel en rijden spoorslags naar de
gevangenis!”
„Dat is goed! Dat is goed!”
Baxter ging nu naar Van Brixen toe.
„Het geval is inderdaad veel erger, dan ik dacht. De ongelukkige is
razend en wij moeten hem knevelen om elk opzien te vermijden. Hij moet
natuurlijk dadelijk naar een krankzinnigengesticht worden
overgebracht!”
Van Brixen sloeg de handen voor het gelaat:
„Die arme, arme kerel!”
Baxter ging de straat op, floot twee agenten en beval deze, terstond
een automobiel te halen.
Na enkele minuten was alles gebeurd.
Men had Fournier een prop in den mond gestoken, zoodat hij niet kon
schreeuwen.
Maar de woedende blikken, die hij naar Van Brixen wierp, toen deze weer
in den leuningstoel ging zitten, spraken boekdeelen.
Baxter nam afscheid van Van Brixen en volgde de anderen.
De auto was nauwelijks in beweging of de zoogenaamde Van Brixen sprong
op, snelde naar het venster en loerde door een reet.
Toen lachte hij:
„Dat zaakje is dus geschikt.”
Daarna stak hij een nieuwe sigaret op.